Wordlist English (Modern)-Dutch
Character set: WinLatin1 (CP 1252)
a = aan, in, binnen, per, te, een, een of ander, een zeker, iemand, per, à, bij, elk, ieder, telkens, à, bij, elk, ieder, telkens, een
aalii = kleverige dodonea
Aar = Aar
aardvark = aardvarken
aardwolf = aardwolf
Aaron = Aäron
abaca = manilla, manillahennep
aback = bij verrassing
abacus = abacus, dekplaat
abalone = haliotis
abandon = afleggen, opgeven, prijsgeven, in de steek laten, laten varen, verlaten, ongeremdheid, afstand doen van, opgeven, uitvallen
abandoned = verlaten, gemeen, immoreel, onzedelijk, zedeloos, zedenkwetsend, brutaal, driest, onbeschaamd, schaamteloos
abandonedly = immoreel, schaamteloos, zonder blikken of blozen
abandonment = abandonnement, afstaan, afstand, cessie, concessie, toegeving, eenzaamheid, verlatenheid, woestheid, verlatenheid, verlating, natuurlijkheid, ongedwongenheid, natuurlijkheid, ongekunsteldheid, losheid, ongegeneerdheid, vrijmoedigheid
abandon oneself = zich overgeven
abase = kleinmaken, vernederen, verootmoedigen
abasement = vernedering, verootmoediging, verootmoediging, zelfvernedering
abase oneself = zich vernederen, zich verlagen
abash = in verlegenheid brengen, ongelegen komen, ontrieven, overbluffen, overdonderen
abashed = bedeesd, bevangen, blo, timide, verlegen
abashment = benardheid, hinder, knelpunt, penarie, verlegenheid
abatable = verminderbaar
abate = bedaren, bekoelen, luwen, tot rust komen, uitrazen, uitwoeden, luwen, verflauwen, verzwakken, afnemen, verminderen, afnemen, gaan liggen, inkorten, verminderen, afnemen, slinken, tanen, verflauwen, verminderen
abatement = verzwakking, afname, besnoeiing, vermindering, achteruitgang, verflauwing, vermindering, afslag, korting, rabat
abbacy = <jurisdictie van een abt>, abtschap
abbatial = <op een abt betrekking hebbend>, abdij-
abbess = abdis
abbey = abdij
abbot = abt, abt, <abt van een Tibetaans klooster>
abbotcy = abtschap
abbotship = abtschap
abbreviate = afkorten, bekorten, inkorten, afkorten, bekorten, inkorten, inkrimpen, korten, verkorten
abbreviation = afkorting, afkorting, verkorting, afkorting, bekorting, inkorting
ABC = ABC, alfabet, basisbeginselen, eerste beginselen, ABC, alfabet
ABC book = ABC-boek
abdicate = abdiceren, abdiqueren, afstand doen, afstand doen van, aftreden, abdiceren, abdiqueren, afstand doen, afstand doen van, aftreden, afschuiven
abdicate to = afschieten op
abdication = afstand, ontslagname, ontslagneming, troonsafstand, afstand, ontslagname, ontslagneming, troonsafstand
abdomen = abdomen, achterlijf, onderbuik, onderlijf, abdomen, achterlijf, abdomen, onderbuik, onderlijf, onderbuik, onderlijf, buik
abdominal = abdominaal, onderbuiks-, onderbuik-, buik-
abduct = ontvoeren
abduction = ontvoering
abductor = abductor, ontvoerder
abeam = dwars, dwarsscheeps
abed = in bed, op bed, te bed
abele = abeel, witte abeel, witboom, zilverpopulier
aberrance = afwijking, afdwaling, verdooldheid
aberrant = afdwalend, afwijkend, afdwalend, afwijkend
aberration = aberratie, afdwaling, afwijking, lichtafwijking, afwijking, abuis, fout, dwaling, vergissing, misstap, misstap
abet = agiteren, ophitsen, opruien, opstoken, opwinden, schudden, assisteren, bijstaan, helpen, ter zijde staan, aanstoken, irriteren, ophitsen, op stang jagen, prikkelen, sarren, dragen, schoren, steunen, ondersteunen, ruggesteunen, schragen
abetment = medeplichtigheid
abetter = mededader, medeplichtige, handlanger, medeplichtige
abhor = een afschuw hebben van, verafschuwen, verfoeien
abhorrence = gruwel, gruweldaad, verschrikking, afgrijzen, afschrik, afschuw, walging, weerzin, gruwel, afgrijzen, afschuw, zielsangst
abhorrent = afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, misselijk, onsmakelijk, stuitend, walgelijk, weerzinwekkend
abide = afhalen, wachten, te wachten staan, verbeiden, verwachten, dragen, naar buiten brengen, uithouden, verdragen, doorstaan, dulden, harden, uithouden, uitstaan, verdragen, doorbijten, doorzetten, voet bij stuk houden, volharden, volhouden, plakken, resideren, verblijf houden, vertoeven, wijlen, verwijlen, doorstaan, lijden, ondergaan, uitstaan, velen, verdragen, afwachten
abide by = zich houden aan, zich houden aan
abiding = aanhoudend, bestendig, blijvend, gedurig, vast, voortdurend, blijvend, over, resterend
ability = bekwaamheid, kundigheid, bekwaamheid, vermogen, bevoegdheid, competentie, deskundigheid, bevoegdheid, kwalificatie, macht, vermogen, kredietwaardigheid, solvabiliteit, solventie, geschiktheid
abiogenesis = abiogenese, abiogenesis, spontane generatie
abject = nietswaardig, verachtelijk, gemeen, infaam, laag, laaghartig, schunnig, vuig, belabberd, ellendig, miserabel, schamel, schunnig, stumperig
abjection = diepe vernedering, verachtelijkheid, gemeenheid, laaghartigheid, vuigheid
abjuration = afzwering, afzwering
abjure = abjureren, afzweren, afzweren, afgelasten, annuleren, ontbinden, tenietdoen, terugnemen, hernemen, herroepen, terughalen, terugnemen
Abkhazia = Abchazië
Abkhazian = Abchazisch, Abchaziër
ablative = ablatief
ablaze = gloeiend, verterend, verzendend, vurig, in lichterlaaie, vlammend
able = bekwaam, capabel, kundig, bevoegd, competent, deskundig, vakkundig, zaakkundig, bevoegd, geschoold, vakbekwaam
-able = -baar, -waardig
able-bodied = gezond van lijf en leden
abloom = bloeiend, fleurig
ablution = wassing
ably = bekwaam, knap, kundig
abnegate = abnegeren, zich verloochenen, zich versterven, abjureren, afzweren
abnegation = abnegatie, zelfverloochening, zelfverloochening
abnormal = abnormaal, abnormaal, abnormaal, abnormaal, ongeregeld, onregelmatig
abnormality = abnormaliteit, abnormaliteit, abnormaliteit, afwijking, abnormaliteit, onregelmatigheid
abnormal psychology = psychopathologie
abnormity = abnormaliteit, abnormaliteit, afwijking, anomalie, onregelmatigheid
aboard = in de bus, in de bus, in de trein, aan boord, aan boord van, aan boord
abode = domicilie, woonplaats, kwartier, logies, onderkomen, woning, woonplaats, verblijf, verblijfplaats
abolish = afschaffen, afschaffen, afgelasten, annuleren, ontbinden, tenietdoen, terugnemen
abolition = afschaffing, afschaffing, afschaffing, eliminatie, ruiming, verwijdering, annulering, ontbinding, vernietiging
abolitionism = anti-slavernijbeweging
abolitionist = tegenstander van slavernij
abominable = afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, misselijk, onsmakelijk, stuitend, walgelijk, weerzinwekkend
abominate = een afschuw hebben van, verafschuwen, verfoeien
abomination = gruwel, gruweldaad, verschrikking, gruwel, gruweldaad, verschrikking, afgrijzen, afschrik, afschuw, walging, weerzin, gruwel
aboriginal = inboorlingen-, inheems, inlands, inboorling, inlander, binnenlands, inheems, inlands, inheems, inlands, aboriginal, Australische inboorling, <betrekking hebbend op de Australische inboorlingen>, aboriginal, Australische inboorling, inboorling, inlander, oorspronkelijk, origineel
aborigine = aboriginal, Australische inboorling, <betrekking hebbend op de Australische inboorlingen>
abort = aborteren, een miskraam krijgen, mislukken, ontijdig bevallen, aborteren, de vrucht afdrijven, doen mislukken, laten mislukken, aborteren, de vrucht afdrijven, laten mislukken, doen mislukken, aborteren, een miskraam krijgen, ontijdig bevallen, mislukken, floppen, in het water vallen, schipbreuk leiden, stranden, doen falen, laten mislukken, verijdelen, verkwijnen, versmachten, wegkwijnen, falen, misgaan, mislukken, sjezen, stralen, stranden, zakken, afwijzen, verijdelen
abortion = abortus, abortus provocatus, vruchtafdrijving, abortus, miskraam, mislukking, abortus, miskraam, debâcle, echec, fiasco, flop, mislukking, sof, echec, fiasco, mislukking, strop
abortionist = aborteur
abortive = mislukt, mislukt, nutteloos, ondienstig, onnuttig, vergeefs, vruchteloos, ijdel, nutteloos, vergeefs, vruchteloos
abound = in overvloed aanwezig zijn, krielen, krioelen, wemelen, wriemelen, zwermen
abounding in water = waterrijk
about = circulerend, in omloop, in omloop zijnd, aangaande, betreffende, omtrent, wat betreft, aan, aangaande, betreffende, met, over, van, circa, een stuk of, ongeveer, plusminus, zowat, om, om ... heen, omtrent, ongeveer, rondom
about-face = keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling
above = benoorden, ten noorden van, boven, meer dan, over, ruim, aan, boven, over, boven, daarboven, omhoog, naar boven, omhoog, op, opwaarts, bovenstaand, bovengenoemd, bovengenoemd, hierboven
above all = in het bijzonder, inzonderheid, vooral, in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk, in de eerste plaats
above-board = degelijk, eerlijk, eerzaam, fatsoenlijk, net, onomwonden, onverbloemd, open, rondborstig, innig, ongeveinsd, oprecht, rondborstig, trouwhartig, zuiver
above-mentioned = bovengenoemd, bovengenoemd
abracadabra = wartaal, toverspreuk
abrade = schaven, afschaven, schuren, gladschuren
Abraham = Abraham
abrasion = abrasie, afkrabbing, afslijting, wegkrabbing, afschaving, ontvelling, schaafwond, schram
abrasive = bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, bits, snibbig, schuur-, schuurmiddel, schuur-
abreact = afreageren
abreaction = afreageren
abreast = naast elkaar, zij aan zij, gelijke tred houdend
abridge = begrenzen, beknotten, beperken, beperkingen opleggen aan, afkorten, bekorten, inkorten, inkorten, verminderen, inkrimpen, korten, verkorten
abridgement = afkorting, verkorting, excerpt, overzicht, resumé, samenvatting, uittreksel
abroad = in het buitenland, circulerend, in omloop, in omloop zijnd, buiten, daarbuiten, uiterlijk, in het buitenland
abrogate = afschaffen, afschaffen, afgelasten, annuleren, ontbinden, tenietdoen, terugnemen
abrogation = afschaffing, afschaffing, abrogatie, afschaffing, intrekking, annulering, ontbinding, vernietiging
abrupt = abrupt, bruusk, kortaf, bars, bruusk, kortaangebonden, steil, onverhoeds, onverwacht, plotseling
abruptly = abrupt, botweg, kortaf
abscess = abces, etterbuil, ettergezwel, abces, etterbuil, ettergezwel
abscissa = abscis
abscond = drossen, weglopen, wegrennen, zich uit de voeten maken
abseil = afdalen langs een dubbelbevestigd touw
absence = afwezigheid, absentie, afwezigheid, mangel, uitstedigheid, verstek, verzuim, afwezigheid, euvel, gebrek, gemis, tekort, tekortkoming
absence of mind = verstrooidheid, verstrooidheid, verstrooiing, verzet
absent = verstrooid, afwezig, absent, afwezig, uitstedig, absent, afwezig, ontbrekend, vermist
absentee = afwezige, wegblijver
absenteeism = absenteïsme
absent-minded = afgetrokken, verstrooid, verstrooid, afwezig, wezenloos
absent oneself = wegblijven
absent onself = afgaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen
absinth = absint, absintlikeur, absint, absintlikeur, alsem, alsem
absolute = absoluut, onvermengd, onvoorwaardelijk, volstrekt, puur, zuiver, absoluut, volkomen,volstrekt, absoluut, onvermengd, puur, zuiver, absoluut, onbeperkt, ongelimiteerd, absoluut, onafhankelijk, op zichzelf staand, compleet, heel, volkomen, volledig, volslagen, voltallig, onbeperkt, ongelimiteerd, beslist noodzakelijk, onvermijdelijk, volstrekt, grenzeloos, onbegrensd
absolutely = absoluut, beslist, ten enenmale, volstrekt, inderdaad, metterdaad, waarachtig, waarlijk, warempel, werkelijk, bepaald, beslist, per se, strikt, volstrekt, vooral, zeker, echt, inderdaad, naar waarheid, waarachtig, waarlijk, werkelijk
absolute power = alleenheerschappij, autocratie
absolute rule = alleenheerschappij, autocratie
absolute ruler = alleenheerser, autocraat
absolution = absolutie, vrijspraak, absolutie, genade, gratie, vergeving, vergiffenis, absolutie
absolutism = absolutisme
absolve = absolutie geven, absolveren, vrijspreken, absolutie geven, absolveren
absorb = absorberen, in beslag nemen, opslorpen, beschikken over, disponeren, opslorpen, resorberen, slurpen, opslurpen
absorbed in = opgaand in, verdiept in, verzonken in
absorbent = absorberend, absorberend materiaal, absorberend, vloei-
absorbing = betoverend, boeiend, fascinerend, boeiend
absorption = absorptie, opslorping
abstain = abstineren, zich abstineren, zich onthouden, zich onthouden, zich onthouden
abstain from = zich onthouden van
abstemious = bezadigd, matig, nuchter, sober, stemmig
abstention = onthouding, terughoudendheid
abstinence = onthouding, terughoudendheid
abstract = abstract, afgetrokken, abstraheren, in de wacht slepen, zich toeëigenen, abstraheren, afleiden, deduceren, afhouden, onthouden, onttrekken, weghouden, afnemen, afpakken, weghalen, wegnemen, afleiden, besluiten, concluderen, een gevolgtrekking maken, excerperen, resumeren, samenvatten, excerpt, overzicht, resumé, samenvatting, uittreksel, theoretisch
abstracted = afgetrokken, verstrooid, verstrooid
abstraction = abstractie, abstraheren, abstractie, abstract begrip, verstrooidheid, verstrooidheid, extractie, onttrekking, ontvreemding, diefstal, ontvreemding
abstruse = geheimzinnig, mysterieus, raadselachtig, diepzinnig
absurd = absurd, dwaas, ongerijmd, onzinnig, zinneloos, zot, onzinnig, zinledig, zinloos
absurdity = absurditeit, onding, ongerijmdheid, absurditeit, ongerijmde, ongerijmdheid, zinloosheid
abundance = onbekrompenheid, overvloed, uitbundigheid, weligheid, abundantie, overvloed, rijkdom, overvloed
abundant = abundant, overvloedig, rijk, uitbundig, volop, weelderig, welig, abundant, overvloedig, rijk, uitbundig, volop, weelderig, welig, overvloedig, rijkelijk
abundantly = in overvloed, rijkelijk, ruimschoots, volop
abuse = gescheld, affronteren, beledigen, krenken, affront, belediging, smaad, euvel, kwaad, misstand, ongemak, mishandeling, misbruiken, misbruik maken van, misbruik, beledigen, grieven, krenken, verongelijken, affront, belediging, krenking, mishandelen, slecht behandelen, mishandeling, pesterij, koeioneren, kwellen, martelen, mishandelen, treiteren
abuse of power = ambtsmisdrijf
abusive = beledigend, grievend, krenkend
abut = belenden, grenzen aan
abutment = beer, steunbeer, schoor, schoor
abut on to = bijna ... zijn, grenzen aan, in de buurt komen van, zwemen naar
abut to = bijna ... zijn, grenzen aan, in de buurt komen van, zwemen naar
abysmal = ondoorgrondelijk, onpeilbaar, hopeloos, vertwijfeld, wanhopig, ijselijk, schrikaanjagend, verschrikkelijk, vervaarlijk, vreselijk, immens, onmetelijk
abyss = afgrond, afgrond
Abyssinia = Abessinië, Ethiopië
Abyssinian = Abessijns, Abessijn, Abessiniër
acacia = acacia
academic = academisch, student, academisch, universitair, academicus, hoogleraar
academician = <lid van een geleerd genootschap>
academy = academie, genootschap, hogeschool, hogeschool
academy of music = conservatorium
acanthus = acanthus, bereklauw
accede = lid worden, goedvinden, het eens zijn, toegeven, toestemmen, lid worden, toetreden
accelerate = accelereren, bespoedigen, verhaasten, versnellen, optrekken, versnellen, terugzetten, verhaasten, vervroegen, bespoedigen, verhaasten, versnellen, acceleren, versnellen
acceleration = acceleratie, versnelling, bevordering, spurt, versnelling, verhaasting, versnelling, acceleratie, versnelling
accelerative = versnellend
accelerator = accelerateur, gaspedaal, versneller, gaspedaal
accelerator pedal = accelerateur, gaspedaal, versneller, gaspedaal
accent = accentueren, beklemtonen, de klemtoon leggen op, accent, klemtoon, nadruk, benadrukken, met nadruk zeggen, nadruk leggen op, klem, nadruk, accent, tongval
accent mark = accent, accentteken, kapje
accentuate = accentueren, beklemtonen, de klemtoon leggen op, benadrukken, met nadruk zeggen, nadruk leggen op
accept = aannemen, aanvaarden, accepteren, erkennen, ontvangen
acceptable = aannemelijk, aanvaardbaar, acceptabel, geldig, schikkelijk, acceptabel, ontvankelijk
acceptance = aanvaarding, aanneming, onthaal, ontvangst, opname, toelating
acceptation = <standaardbetekenis v.e. woord>
accepted = aanvaard, erkend, gangbaar, geaccepteerd, algemeen geaccepteerd, gangbaar
acceptor = acceptant
access = oprijlaan, oprit, aanval, offensief, vlaag, binnengaan, entree, intrede, toegang, aandrift, drang, aandrang, impuls, opwelling, stuwing
accessible = genaakbaar, toegankelijk, bereikbaar, gevoelig, ontvankelijk, receptief
accession = aanwinst, acquest, buit, prooi, aanwinst, acquisitie, buit, prooi, verkrijging, verwerving, aanmelding, toetreding, aanvaarding, ambtsaanvaarding, vermeerdering, troonsbestijging
accessorie = aanhangsel
accessories = accessoires, toebehoren
accessory = bijbehorend, bijkomend, bijkomstig, erbij horend, secundair, aanhangsel, bijkomstigheid, bijwerk, bijzaak, aanbehorend, bijbehorend, bijzaak, mededader, medeplichtige, medeplichtig, medeschuldig, handlanger, medeplichtige, bijzaak
accessory matter = bijzaak
access road = toegangsweg, snelwegoprit
accidence = toeval, toevalligheid, morfologie, vormleer
accident = accident, ongeluk, ongeval
accidental = accidenteel, incidenteel, toevallig, bijkomend, meer, verder
accidentally = per ongeluk
accident-prone = <een grotere kans op ongelukken lopend>
accident risk = ongevallenrisico
acclaim = bij acclamatie benoemen, toejuichen, zijn bijval betuigen, acclamatie, bijval, toejuiching, adhesie betuigen, applaudisseren, toejuichen, applaus, bijval, bijvalsbetuiging, toejuiching, bijval, fiat, goedkeuring
acclamation = bijval, toejuichingen, acclamatie, bijval, toejuiching, bijvalsbetuiging, applaus, bijval, bijvalsbetuiging, toejuiching
acclimate = acclimatiseren
acclimatization = acclimatisering
acclimatize = acclimatiseren, acclimatiseren
acclivity = glooiing, helling, schuinte
accolade = eerbetoon, eerbetuiging, accolade
accommodate = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren
accommodate oneself = aanpassing
accommodating = inschikkelijk, meegaand, toegevend, behulpzaam, hulpvaardig, coulant, goedig, handelbaar, toegevend
accommodating ladder = valreep
accommodation = aanpassing, accommodatie, aanpassing, accommodatie, aanpassing, akkoord, inrichting, maatregel, regeling, schikking, zetting, inschikkelijkheid, meegaandheid, toegevendheid, huisvesting, inkwartiering, faciliteiten, afspraak, akkoord, schikking, verbintenis, compromis, middenweg, tussenvoorstel, vergelijk, goedigheid, handelbaarheid, toegevendheid, willigheid, kwartier, logies, onderkomen, woning, huisvesting, logies, nachtverblijf
accomodate = aanpassen, accommoderen, onderdak bieden, onder dak brengen, een dienst bewijzen, afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen, gastvrijheid verlenen aan, baten, bijstaan, helpen, ter zijde staan
accomodate oneself = zich aanpassen, zich schikken
accomodate with = voorzien van, voorzien van
accomodation = compromis
accompaniment = accompagnement, begeleiding, accompagnement, begeleiding
accompanist = begeleider, metgezel
accompany = accompagneren, begeleiden, vergezellen, meelopen met
accompanying = bijgaand, ingesloten
accomplice = mededader, medeplichtige, handlanger, medeplichtige
accomplish = bereiken, behalen, inhalen, reiken tot, treffen, bewerkstelligen, doorvoeren, tot stand brengen, verwezenlijken, geheel maken, klaren, volbrengen, voltooien, nakomen, naleven, uitvoeren, verrichten, vervullen, voltrekken
accomplished = beschaafd, welopgevoed, uitgemaakt, voldongen, volleerd, voldongen, bevoegd, competent, deskundig, vakkundig, zaakkundig, deskundig, ervaren, geoefend, zaakkundig, getalenteerd, talentvol
accomplishment = prestatie, daad, handeling, prestatie, verrichting, beëindiging, voltooiing, inlossing, naleving, uitvoering, vervulling, voltrekking
accord = het eens zijn, overeenstemmen, samengaan, akkoord, overeenkomst, overeenstemming, akkoord, overeenkomst, overeenstemming, bijeenpassen, harmoniëren, samenklinken, afspraak, akkoord, schikking, verbintenis, gedogen, toelaten, toestaan, vergunnen, veroorloven
accordance = akkoord, overeenkomst, overeenstemming, akkoord, overeenkomst, overeenstemming
according as = blijkens, ingevolge, langs, naar, volgens
accordingly = dus, ergo, ook weer, toch, toch wel, zodoende, dienovereenkomstig, bijgevolg, derhalve, dus, zodoende
according to = naargelang, blijkens, ingevolge, langs, naar, volgens
accordion = accordeon, trekharmonika
accordionist = accordeonist, harmonikaspeler
accord with = harmoniëren met
accost = aanklampen, aanspreken, toespreken
account = explicatie, toelichting, uiteenzetting, uitleg, verklaring, factuur, nota, rekening, warenlijst, bericht, informatie, inlichting, terechtwijzing, verwittiging, reden, rekenschap, uitduiding, verklaring, bericht, mededeling, tijding, beschouwen, nagaan, overwegen, rekening houden met, conto, rekening, geloven, houden voor, menen, afdoening, afrekening, beweegreden, drijfveer, motief, term, achten, geloven, van mening zijn, vinden, beschrijving, schildering, tafereel
accountable = verklaarbaar, verantwoordelijk, verantwoordelijk, aansprakelijk, verantwoordelijk, aansprakelijk, toerekenbaar, verantwoordelijk
accountancy = accountancy
accountant = accountant, boekhoudkundige, accountant
account book = huishoudboek, register, rol
account for = voor zijn rekening nemen, rekenschap afleggen, beduiden, toelichten, uiteenzetten, uitleggen, verklaren, beduiden, duidelijk maken, uitleggen, verhelderen, verklaren, uitmaken, vormen, aansprakelijk zijn, verantwoordelijk zijn, verantwoorden
accounting = accountancy, boekhouden, boekhouding
account sales = verkooprekening
accoutrement = accommodatie, inrichting, uitrusting, uitrustingsstuk
accoutrements = accommodatie, inrichting, uitrusting, uitrustingsstuk
accredit = accrediteren, toedichten, toekennen, toeschrijven, geloven, houden voor, menen
accretion = aanwas, gestalte, groei, aangroei, ontwikkeling, toename, aanslibbing
accrue = afstammen, het gevolg zijn van, ontspruiten, voortkomen, gedijen, groeien, toenemen, wassen, aanwassen, oplopen, rijzen, stijgen, groeien, aangroeien, toenemen
accrue from = afkomstig zijn van, stammen uit, stammen van
accrue to = ten deel vallen, toevallen
accumulate = accumuleren, ophopen, opeenhopen, zich ophopen, zich opeenhopen, opeenhopen, ophopen, stapelen, opstapelen, opeenstapelen, tassen, kruien, samenscholen, samenrotten, te hoop lopen, zich ophopen
accumulation = opeenhoping, opeenhoping, opeenhoping, opeenstapeling, samenscholing, boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep
accumulative = zich ophopend, zich opeenhopend, zich ophopend, zich opeenhopend, aangroeiend
accumulator = accu, accumulator, accumulator, verzamelaar
accuracy = accuratesse, nauwgezetheid, stiptheid, zorgvuldigheid, accuratesse, nauwkeurigheid, precisie, nauwkeurigheid, precisie, stiptheid, zorgvuldigheid, nauwgezetheid
accurate = accuraat, nauwgezet, nauwkeurig, prompt, stipt, zorgvuldig, juist, minutieus, precies, scherp, secuur, stipt, zorgvuldig, angstvallig, scrupuleus
accursed = verdoemd, gehaat, verdoemd
accurst = verdoemd, gehaat, verdoemd
accusal = aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging
accusation = aanklagen, beschuldigen, beschuldiging, aanklacht, beschuldiging, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging, aangifte, aanklacht, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging
accusative = accusatief, vierde naamval
accusatory = beschuldigend, beschuldigend
accuse = aanklagen, beschuldigen, betichten, aanbrengen, aangeven, klikken, verklikken, beschuldigen, betichten, aanklagen
accused = aangeklaagde, beklaagde, beschuldigde, verweerder, aangeklaagde, beschuldigde
accuse of = beschuldigen van, beschuldigen van
accuser = aanklager, beschuldiger, aanklager, klikspaan, verklikker, beschuldiger, klager
accustom = gewend zijn, gewoon zijn, plegen, wennen, aanwennen, gewoon maken
accustomed = gebruikelijk, gewoon
accustom oneself = aarden, gewend raken, wennen
ace = aas, uitblinker, crack, uitblinker
acephalans = koplozen
acephalous = koploos
acerbic = doordringend, schel, scherp, adstringerend, samentrekkend, wrang, wrang, wrang, bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, scherp, bitter, bitter, zuur
acerbity = wrangheid, wrangheid, felheid, guurheid, schelheid, scherpheid, scherpte, schrilheid, bitterheid, verbittering, bitterheid
acetate = acetaat, azijnzuur zout
acetic acid = azijnzuur
acetone = aceton
acetous = zuur
acetyl- = acetyl-
acetylene = acetyleen
Achaea = Achaea
Achaia = Achaea
ache = haken naar, hunkeren, smachten, smachten naar, snakken naar, pijn doen, zeer doen, pijn hebben, pijn lijden, pijn, wee, zeer, hunkeren, reikhalzen, verlangen, smachten, zuchten, zuchten naar, pijn hebben, pijn lijden
ache for = haken naar, verlangen naar
Acheron = Acheron
achievable = doenlijk, haalbaar, uitvoerbaar, doenlijk, haalbaar, maakbaar, te doen, uitvoerbaar, uitvoerbaar
achieve = buit maken, behalen, verkrijgen, verwerven, bereiken, behalen, inhalen, reiken tot, treffen, bewerkstelligen, doorvoeren, tot stand brengen, verwezenlijken, geheel maken, klaren, volbrengen, voltooien, maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren, nakomen, naleven, uitvoeren, verrichten, vervullen, voltrekken
achievement = actie, daad, handeling, verrichting, werking, zet, prestatie, daad, handeling, prestatie, verrichting, succes, welslagen
Achilles = Achilles
Achilles' heel = achilleshiel
Achilles' tendon = achillespees
achromatic = kleurloos
achrostic = acrostichon, letterdicht, naamdicht
acid = LSD, doordringend, schel, scherp, zuur, zuur, adstringerend, samentrekkend, wrang, wrang, bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, sarcastisch
acid drop = zuurtje
acidify = zuren, verzuren, zuur maken, verzuren, zuur worden
acidity = zurigheid, zuurheid, zuurgraad
acidness = zurigheid, zuurheid, sarcasme
acid test = vuurproef
ack-ack = luchtafweergeschut, luchtdoelgeschut
acknowledge = agnosceren, als waarheid aannemen, erkennen, honoreren, danken voor, bedanken voor, bekennen, biechten, erkennen, toegeven, bekennen, erkennen, toegeven, bekrachtigen, bevestigen, erkennen, staven, vormen
acknowledgement = erkenning, bewijs van erkentelijkheid, bekentenis, biecht, erkenning, bekentenis, erkenning, erkenning, herkenning, kwitantie, ontvangbewijs, reçu
acme = apogeum, hoogtepunt, summum, toppunt, hoogtepunt, toppunt, hoogtepunt, summum, toppunt
acne = acne, acne, dauwworm, eczeem, acne, meeëter, vetpuistje
acolyte = aanhanger, adept, beoefenaar, volgeling, aanhanger, adept, volgeling, altaardienaar, acoliet, aanhanger, lid, lidmaat
aconite = akoniet, monnikskap
acorn = eikel
acoustic = akoestisch
acoustics = akoestiek, geluidsleer, klankleer
acquaint = berichten, informeren, inlichten, verwittigen, voorlichten, aankondigen, in kennis stellen, meedelen, mededelen, verwittigen
acquaintance = kennismaking, bekendheid, kennismaking, bekende, kennis, relatie, bekendheid, kennis, kunde
acquaint oneself = zich bekend maken
acquaint onself with = zich op de hoogte stellen van
acquiesce = stilzwijgend instemmen, stilzwijgend toestemmen, berusten
acquiescence = berusting, stilzwijgende instemming, stilzwijgende toestemming, berusting, gelatenheid, berusting
acquire = buit maken, behalen, verkrijgen, verwerven, aankopen, aankopen, kopen, zich eigen maken
acquired = aangeleerd
acquirement = acquisitie, prestatie, verworvenheid
acquisition = acquisitie, aanwinst, acquest, buit, prooi, aanwinst, acquisitie, buit, prooi, verkrijging, verwerving, koop, aankoop, inkoop, gekochte, aankoop, aankoop, aanschaf, afname, inkoop, koop, overname, aankoop, aanschaf, koop
acquisitive = begerig, belust, gretig, happig, verlekkerd, hebberig, hebzuchtig
acquit = absolutie geven, absolveren, vrijspreken, absolveren, vrijspreken, ontslaan van verantwoordelijkheid
acquittal = absolutie, vrijspraak, afbetaling, effening, kwijting, kwijtschelding, vereffening, lossing, inlossing, naleving, uitvoering, vervulling, voltrekking
acre = acre, acre
acreage = <opppervlakte in acres>
acrid = doordringend, schel, scherp, wrang, bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, bits, snibbig
acrimonious = bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, bits, snibbig
acrimony = bitsheid, snibbigheid, felheid, guurheid, schelheid, scherpheid, scherpte, schrilheid
acrobat = acrobaat, kunstenmaker
acrobatic = acrobatisch
acrobatics = acrobatiek
acronym = acroniem, acroniem, letterwoord
Acropolis = Acropolis
across = horizontaal, in horizontale richting, kruiselings, kruiselings, kruiselings, dwars door, aan de overkant van, over, overheen, over ... heen, aan de overkant, naar de andere kant, naar de overkant
across from = jegens, met, tegen, tegenaan, tegenover, versus
act = ageren, doen, bezig zijn, handelen, optreden, te werk gaan, actie, daad, handeling, verrichting, werking, zet, act, akte, bedrijf, document, nummer, stuk, acteren, akte, bedrijf, act, nummer, effect sorteren, uitwerking hebben, werken, uitwerken, maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren, daad, handeling, prestatie, verrichting, beïnvloeden, invloed hebben op, wet, aanbieden, indienen, presenteren, spelen, vertonen, voorstellen, te werk gaan
actable = speelbaar
act as = optreden als
act as agent = bemiddelen
act as a middleman = makelen
act as patron = beschermen, sponsoren
act crazy = krankzinnig zijn
act for = vertegenwoordigen
acting = toneelspel, plaatsvervangend, subsidiair, vervangend, waarnemend
actinium = actinium, zeeanemoon, actinium
action = actie, gedoe, handeling, optreden, toedoen, werking, actie, daad, handeling, verrichting, werking, zet, gevecht, kamp, slag, strijd, treffen, veldslag, inwerking, daad, handeling, prestatie, verrichting, invloed, inwerking, machinerie, mechanisme, werk, geding, gerechtszaak, proces, rechtsgeding, verloop
actionable = vervolgbaar
action committee = actiecomité, actiecomité
action group = actiecomité, actiecomité
action replay = action replay
Actium = Actium
activate = aanzetten, aanzetten tot, activeren, aandoen, aanrichten, stichten, teweegbrengen, veroorzaken, radioactief maken
active = actief, bedrijvig, werkzaam, actief, bedrijvend, bedrijving, werkdadig, werkend, werkzaam, actief, bedrijvig, werkdadig, werkend, werkzaam, bedrijvend, functionerend, werkend, arbeidzaam, ijverig, nijver, vlijtig, werkzaam
active voice = bedrijvende vorm
activism = activisme
activist = activist, agitator, onruststoker, ophitser, twiststoker
activity = actie, gedoe, handeling, optreden, toedoen, werking, activiteit, bedrijvigheid, activiteit, bedrijvigheid, werkdadigheid, arbeidzaamheid, werklust, werkzaamheid, bezigheid, emplooi, animo, bedrijvigheid, drukte, opgewektheid, tierigheid, vertier
act of God = natuurramp
act of grace = amnestie, begenadiging, kwijtschelding van straf
act on = handelen volgens, opvolgen
actor = acteur, komediant, speler, toneelspeler
act out = bewerkstelligen, doorvoeren, tot stand brengen, verwezenlijken
actress = actrice, toneelspeelster
actual = effectief, werkelijk, daadwerkelijk, feitelijk, werkelijk, hedendaags, huidig, van vandaag, reëel, werkelijk, daadwerkelijk, wezenlijk
actuality = realiteit, werkelijkheid, wezenheid, wezenlijkheid
actually = inderdaad, metterdaad, waarachtig, waarlijk, warempel, werkelijk, feitelijk, inderdaad, metterdaad
actuarial table = actuariële tabel
actuary = actuaris, archiefmedewerker, actuaris, actuaris
actuate = bewegen, verroeren, aandrijven
act up = nukken vertonen
act upon = handelen volgens, opvolgen
act wise = haarkloven
acuity = felheid, guurheid, schelheid, scherpheid, scherpte, schrilheid, aandacht, acht, attentie, oplettendheid, pienterheid, scherpzinnigheid, schranderheid, snuggerheid
acumen = pienterheid, scherpzinnigheid, schranderheid, snuggerheid
acupuncture = acupunctuur
acupuncturist = acupuncteur
acute = bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, acuut, helder, scherp, voorbijgaand, fel, intens, intensief, sterk, pienter, scherpzinnig, schrander, snugger, spits, vernuftig
ad = aankondiging, advertentie, bericht, reclame
adage = spreekwoord
adagio = adagio, langzaam, adagio
Adam = Adam
adamant = onvermurwbaar, keihard, spijkerhard, onbuigzaam, onvermurwbaar
Adam's apple = adamsappel
adapt = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, bewerken, zich aanpassen, zich schikken, aanpassen
adaptability = aanpassingsvermogen, aanpassingsvermogen
adaptable = aanpasbaar, adaptabel, aanpasbaar
adaptation = aanpassing, adaptie, bewerking, modificatie, aanpassing, omschakeling, aanpassing, adaptatie, bewerking, modificatie
adapted = aangepast, bewerkt
adapt oneself = zich aanpassen, zich schikken, aanpassing
adaptor = bewerker
a day = per dag
add = bijtellen, optellen, optellen, bijdoen, bijmengen, bijvoegen, toegeven, toevoegen, aanbouwen, achtervoegen
addendum = extraatje, toegift
adder = adder
addicted = verslaafd
addiction = manie, rage, verslaafdheid, verslaving
Addis Ababa = Addis-Abeba
addition = optelling, extraatje, toegift, aanhangsel, appendix, bijlage, supplementie, toeslag, toevoeging
additional = additioneel, extra, supplementair, overig, verder, extra, bijkomend, meer, verder, nog een
additionally = extra, op de koop toe
additive = extraatje, toegift
addled = bedorven, rot, verrot, bot, dom, onbenullig, schaapachtig, stom, zwakhoofdig
address = adresseren, adres, aanklampen, aanspreken, toespreken
addressee = geadresseerde, geadresseerde
addressing machine = adresseermachine, adresseermachine
address list = adresboek
addressograph = adresseermachine
add together = totaliseren
add up = bijtellen, optellen, optellen, optellen
Adelaide = Aal, Aaltje
Aden = Aden
adept = aanhanger, adept, beoefenaar, volgeling, adept, beoefenaar, maëstro, meester, grootmeester, deskundig, ervaren, geoefend, zaakkundig
adequate = adequaat, bijbehorend
adhere = rijmen, zich aanpassen
adherence = aanhankelijkheid, gehechtheid, verkleefdheid, verknochtheid, trouw, getrouwheid, trouw, getrouwheid, loyaliteit, trouwhartigheid, aanhankelijkheid, toegenegenheid
adherent = aanhanger, adept, beoefenaar, volgeling, aanhanger, adept, volgeling
adherents = aanhang, leden, aanhang, achterban, aanhang, gevolg
adhere to = aanhangen
adhesion = adhesie, grip
adhesive = klevend, aanklevend, plakmiddel
adhesive plaster = diachylon, hechtpleister
adhesive tape = plakband
ad hoc = ad hoc
adiabatic = adiabatisch
adieu = adieu, vaarwel
ad infinitum = tot in het oneindige
ad interim = plaatsvervangend, subsidiair, vervangend, waarnemend
adipose = adipositas, vetzucht
adjacent = aangrenzend, aanliggend, dichtbijgelegen, dichtbijzijnd, aangrenzend, aanliggend, aangrenzend, aanliggend, naburig, belendend
adjectival = bijvoeglijk
adjective = adjectief, bijvoeglijk naamwoord
adjoin = belenden, grenzen aan
adjoining = aangrenzend, aanliggend, belendend
adjourn = aanhouden, uitstellen, verdagen, verschuiven
adjournment = oponthoud, opschorting, uitstel, verdaging, verlating, verlet
adjudge = gunnen, toekennen, toeslaan, toewijzen
adjudicate = rechtspreken, vonnissen, uitspraak doen
adjudication = toekenning, toeslag, toewijzing, berechting, judicium, sententie, uitspraak, vonnis
adjunct = aanhangsel, appendix, bijlage, supplementie, toeslag, toevoeging, bepaling, complement, bijvoegsel, supplement, toevoegsel
adjure = bezweren
adjust = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanpassen, afstellen, fitten, passend maken, verstellen, bijstellen, rechtzetten, rectificeren, verbeteren, gelijkzetten, goed zetten, rechtzetten, stellen
adjustable = instelbaar, verstelbaar, regelbaar
adjustable wrench = moersleutel, schroefsleutel
adjusted = afgepast
adjustment = aanpassing, omschakeling, aanpassing, adaptatie, bewerking, modificatie, afstelling, instelling, akkoord, inrichting, maatregel, regeling, schikking, zetting
adjutant = adjudant, ordonnansofficier
ad-lib = improviseren
administer = administreren, beheren, besturen, toedienen, administreren, beheren, besturen, toedienen
administer the last sacraments = bedienen, zalven
administration = administratie, administratiekantoor, bestuur, administratie, bestuur, administratie, beheer, bestuur, toediening, bestuur, bestuur, directie, administratie, beheer, bestuur, toediening, gouvernement, overheid, regering
administration of the last sacraments = bediening, zalving
administrative = administratief, bestuurlijk, administratief
administrative expenses = administratiekosten, leges
administrator = administrateur, beheerder, administrateur, beheerder, bestuurder
admirable = bewonderenswaardig
admiral = admiraal, vlootvoogd, vlaggeschip
admirality = admiraliteit
Admirality Islands = Admiraliteitseilanden
admiralship = admiraalschap
admiration = bewondering
admire = bewonderen
admirer = bewonderaarster, vereerster, bewonderaar
admiring = bewonderend
admissible = toelaatbaar
admission = aanvaarding, aanneming, onthaal, ontvangst, opname, toelating, admissie, toelating, binnengaan, entree, intrede, toegang, toegangsprijs, bekentenis, biecht, erkenning, bekentenis, erkenning
admission fee = toegangsprijs
admission ticket = entreebiljet, toegangsbewijs, toegangskaartje
admit = binnenlaten, toelaten, toegeven, bekennen, biechten, erkennen, toegeven, bekennen, erkennen, toegeven, laten binnenkomen, toelaten, gedogen, toelaten, toestaan, vergunnen, veroorloven
admittance = admittantie, reciproke impedantie, admissie, toelating, binnengaan, entree, intrede, toegang
admittedly = weliswaar, toegegeven
admixture = menging, tempering, vermenging, mengsel, mengeling, mengelmoes, vermenging
admonish = manen, aanmanen, aansporen, vermanen, waarschuwen
admonition = aanmaning, aansporing, vermaan, vermaning, waarschuwing
ado = herrie, lawaai, leven, ophef, rumoer
adobe = <bouwsteen van gedroogde klei>
adolescence = puberteit
adolescent = opgeschoten, puber, puber, pubermeisje, puber
Adonis = Adonis
adopt = aannemen, adopteren, zich eigen maken, aannemen, adopteren, zich eigen maken, aannemen, adopteren, zich eigen maken
adopted = aangenomen, geadopteerd
adoption = aanneming, adoptie, aanneming, adoptie, adoptie
adoptive = aangenomen, adoptie-, geadopteerd
adoptive child = aangenomen kind, pleegkind, aangenomen kind, pleegkind
adorable = aanbiddelijk, aanbiddenswaardig
adoration = aanbidding, adoratie, aanbidding, adoratie
adore = aanbidden, adoreren, verafgoden, vereren
adored one = aangebedene
adorer = aanbidster, vereerster, aanbidder, vereerder, aanbidder, vereerder
adorn = versieren, decoreren, sieren, opsieren, tooien, uitdossen, versieren
adorned = opgesmukt
adornment = decoratie, sieraad, tooisel, versiering, versiersel, opsmuk, ornament, sieraad, tooi, versiering
adrenal gland = bijnier
adrenaline = adrenaline
Adrian = Adriaan, Adrianus
Adrianople = Adrianopel
Adriatic = Adriatische Zee, Adriatische Zee
Adriatic Sea = Adriatische Zee, Adriatische Zee
adroit = bijdehand, bedreven, behendig, bekwaam, handig, vaardig, druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker
adstringent = stopmiddel, stopmiddel, stopmiddel
adulation = pluimstrijkerij, strooplikkerij
adult = adult, volwassene, meerderjarig, mondig, groot, volgroeid, volwassen, volwassene
adulterate = verdunnen, versnijden, verwateren, vervalsen
adulterer = adulter, echtbreker
adulteress = echtbreekster
adulterous = echtbrekend, overspelig
adultery = echtbreuk, overspel
adult film = pornofilm, pornografische film
adulthood = volwassenheid
adumbration = afschaduwing
advance = aanpakken, gaan naar, genaken, naderen, aanrukken, opmarcheren, opmars, in aantocht zijn, naderen, voor-, voorwaarts gaan, attenderen op, attent maken op, naar voren brengen, bevorderen, verhogen, opdrijven, ophogen, verheffen, verhogen, oplopen, rijzen, stijgen, terugzetten, verhaasten, vervroegen, bijschuiven, naderen, bespoedigen, verhaasten, versnellen, opschieten, veld winnen, vlotten, vooruitgaan, vorderen
advancement = bevordering, voortgang, vooruitgang, vordering
advantage = pré, voordeel, baat, belang, nut, voordeel
advantageous = voordelig, goedgezind, gunstig, toegenegen, welgezind, bevorderlijk, dienstig, nuttig
advent = advent
adventitious = bijbehorend, bijkomend, bijkomstig, erbij horend, secundair, incidenteel, toevallig
adventure = avontuur, lotgeval, perikel, wederwaardigheid
adventurer = avonturierster, avonturier, avonturier
adventurous = avontuurlijk, avontuurlijk, op avontuur belust, avontuurlijk, bedenkelijk, gewaagd, riskant, waaghalzerig
adverb = adverbium, bijwoord
adverbial = bijwoordelijk
adversary = tegenstander, tegenspeler, tegenstander, vijand
adverse = strijdig, tegengesteld, tegenliggend, tegenstaand, tegenstrijdig, vijandelijk, vijandig, nadelig, nadelig, schadelijk
adversity = rampspoed, tegenspoed, verval
advert = acht slaan op, letten op, opletten, oppassen, passen op, reclame
advertence = aandacht, acht, attentie, oplettendheid
advertency = aandacht, acht, attentie, oplettendheid
advertise = aandienen, aankondigen, adverteren, melden, verkondigen, propaganda maken voor, propageren, uitdragen, verspreiden, adverteren, reclame maken, reclame maken voor
advertisement = aankondiging, advertentie, bericht, reclame
advertiser = adverteerder, verkondiger, advertentieblad
advertising pillar = aanplakzuil
advice = advies, raad, raadgeving, bekendmaking, bericht, kennisgeving, mare, tijding, verwittiging
advisable = raadzaam
advise = aankondigen, adviseren, bekendmaken, adviseren, raden, aanraden
advise against = afraden, afraden, ontraadselen
advocate = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, bepleiten, opkomen voor
adze = dissel
Adzharia = Adzjarië
Aegir = Aegir
aegis = aegide, aegis, bescherming, schild, aegide, aegis
Aeneas = Aeneas
Aeolus = Aeolus
aeon = eeuwigheid
aerate = luchten, spuien, uitluchten, ventileren, waaien, frisse lucht toewaaien, wannen
aerial = bovengronds, lucht-, met lucht gevuld, antenne, ra, spriet, voelhoorn, voelhoren, voelspriet
aerobatics = luchtacrobatiek
aerobic = aëroob, in lucht levend
aerodrome = vlieghaven, vliegveld
aerodynamic = aërodynamisch
aerodynamics = aërodynamica
aerogramme = luchtpostblad, luchtpostbrief
aerolite = aëroliet, meteoorsteen, meteoriet, aëroliet, meteoorsteen, meteoriet
aeronaut = aëronaut, luchtschipper, luchtvaarder, vliegenier
aeronautics = luchtvaart, luchtvaartkunde, luchtvaart, aviatiek, luchvaart, vliegwezen
aeroplane = vliegmachine, vliegtuig
aerosol = aërosol, spuitbus
aesthete = estheet
aesthetic = esthetisch
aesthetics = esthetica, schoonheidsleer
aetiology = studie van ziekteoorzaken
afar = achteraf, afgelegen, ver
a few = enige, sommige, sommigen, een paar, enige, enkele, sommige, wat, een paar, enige, enkele, sommige, wat
a few minutes = een moment, even, eventjes
affable = aardig, lief, voorkomend, vriendelijk, zoet
affair = aangelegenheid, affaire, ding, zaak, geval, naamval, zaak, geval, zaak
affect = aandoen, aangrijpen, beïnvloeden, invloed hebben op, aandoen, aangrijpen, bewegen, ontroeren, treffen
affectation = aanstellerij, onnatuurlijkheid, aanstellerij, maniertje, aanstellerij, gemaaktheid, onnatuurlijkheid
affected = aangedaan, aangegrepen, gekunsteld, gemaakt, gewrongen, aanstellerig, onecht, onnatuurlijk, onwaar, geveinsd
affected with = behept met, lijdend aan
affecting = aangrijpend, emotioneel, roerend, ontroerend, aandoenlijk, roerend, ontroerend, treffend
affection = aandoening, affect, emotie, gemoedsbeweging, affectie, liefde, min, affectie, genegenheid, goodwill, welwillendheid, affectie, genegenheid, aanhankelijkheid, toegenegenheid
affectionate = liefhebbend, aanhalig, aanhankelijk, gehecht, opofferingsgezind, toegenegen
affidavit = affidavit, beëdigde verklaring
affiliate = lid worden, aannemen, affiliëren, aangenomen worden, lid worden, depot, filiaal
affiliation = depot, filiaal, familiebetrekking, verwantschap
affined = verwant, aanverwant
affinity = affiniteit, verwantschap, familiebetrekking, verwantschap
affirm = betuigen, verzekeren, beamen, bevestigen, ja zeggen, toestemmen
affirmation = betuiging, verzekering, bevestiging, belofte, toezegging, uitloving
affirmative = bevestigend, toestemmend
affix = aanhechtsel, affix, aanhechten, bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen, bevestigen, vastmaken, vastzetten, verstevigen, achtervoegen
afflict = bedroeven, beproeven, verdriet doen, verdrieten, bedroeven, grieven, smarten, plagen, bedroeven, droevig stemmen, verdrieten
afflicted with = behept met, lijdend aan
affliction = beproeving, beproeving, droefheid, hartzeer, verdriet
affluence = rijkdom
affluent = zijrivier, gefortuneerd, rijk, vermogend
afford = gedogen, toelaten, toestaan, vergunnen, veroorloven, afwerpen, opbrengen, opleveren, voortbrengen
afforest = bebossen, bebossen
affray = oploop, volksoploop, vechtpartij, handgemeen, handgemeen, strijdgewoel
affronted = beledigd, gebelgd
Afghan = Afghaans, Afghaan
Afghanistan = Afghanistan
Afghan woman = Afghaanse
afire = gloeiend, verterend, verzendend, vurig, brandend
aflame = gloeiend, verterend, verzendend, vurig
afoot = te voet
aforementioned = eerdergenoemd, voorgemeld, voorgenoemd, voormeld, voornoemd
aforesaid = eerdergenoemd, voorgemeld, voorgenoemd, voormeld, voornoemd
afraid = bang, laf, lafhartig, bang, beangst, beducht, bevreesd, vreesachtig, bang, benepen, beschroomd, schroomvallig, schuw, vreesachtig, angstig, kopschuw, vervaard
afresh = nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer, nogmaals, van voren af aan, weder, wederom, weer, alweer
Africa = Afrika
African = Afrikaans, Afrikaan
African marigold = afrikaan, afrikaantje
African woman = Afrikaanse
Afrikaans = Afrikaans, Zuidafrikaans, Afrikaans, Afrikaanse taal
Afrikaner = Boer
Afro-American = Afroamerikaans, Afroamerikaan
Afro-Asian = Afroaziaat, Afroaziatisch
after = achter, aan, achter, na, na verloop van, over, nadat
afterbirth = moederkoek, placenta, nageboorte
afterburner = nabrander
after-care = nazorg, reclassering
after-deck = achterdek
after-effect = nawerking
afterglow = naglans, nagenieten, avondrood
afterlife = leven in het hiernamaals
aftermath = nasleep
afternoon = middag, namiddag
aftershave = aftershave
aftertaste = nasmaak
afterthought = nakomertje
after-treatment = nabehandeling
afterwards = achteraf, daarna, dan, naderhand, vervolgens
again = nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer, nogmaals, van voren af aan, weder, wederom, weer, alweer
against = jegens, met, tegen, tegenaan, tegenover, versus
against one's will = gedwongen, met tegenzin, node, onvrijwillig
Agamemnon = Agamemnon
agape = agape, liefdemaal
agar = agar-agar
agar-agar = agar-agar
agate = agaten, agaat
Agatha = Aagt, Agatha
agave = agave
age = leeftijd, ouderdom, tijdperk, tijdsgewricht, verouderen, verouderen
age-bracket = leeftijdsgroep
aged = oud
age group = leeftijdsgroep
ageing = veroudering, veroudering
age limit = leeftijdsgrens
agency = agentschap, agentschapsbureau, agentuur
agenda = agenda, dagorde, zakalmanak, agenda, dagorder
agent = agent, dealer, vertegenwoordiger, middel, werktuig, intendant, meier, opzichter, rentmeester, zaalchef, bemiddelaar, intermediair, tussenpersoon, vertegenwoordiger, zaakbezorger, zaakwaarnemer
age-old = eeuwenoud
age range = leeftijdsgroep
agglomerate = agglomeraat, samenballing, samenklontering, samenvoegsel, agglomeren, doen samenklonteren, tot een geheel verenigen
agglomeration = agglomeratie, agglomereren, samenklonteren, samenklontering, agglomeraat, samenballing, samenklontering, samenvoegsel, agglomeratie, agglomereren, samenklonteren, samenklontering
agglutinate = agglutineren, doen samenkleven, samenplakken, verbinden, lijmen, aan elkaar lijmen
aggrandize = uitbouwen, uitbreiden, vergroten
aggrandizement = uitbouwing, vergroting
aggravate = tergen, ergeren, verontwaardigen, verergeren, verslechteren, verzwaren
aggravating = aanstotelijk, ergerlijk, verzwarend
aggregate = aggregaat, aggregatie
aggression = agressie, aanval, offensief, vlaag
aggressive = agressief, agressief, agressief, aanvallend, offensief, agressief, katterig, aanvallend, offensief
aggressor = aanvaller, agressor, aanvaller, agressor, aanvaller
aggrieved = beledigd, gebelgd
aggro = agressie
aghast = ontdaan, onthutst, verbluft, verslagen, verstomd, geschrokken, ontzet
agile = lenig, rap, druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker
agility = beweeglijkheid, roerigheid, woeligheid
agitate = agiteren, ophitsen, opruien, opstoken, opwinden, schudden, aanwakkeren, opwinden, prikkelen, verhitten, werken op, aandoen, aangrijpen, bewegen, ontroeren, treffen, benauwen, verontrusten, schokken, schudden, opschudden, wrikken
agitated = gejaagd, opgewonden, bang, beducht, bezorgd, ongerust, nerveus, zenuwachtig, zenuw-, nerveus, zenuwachtig
agitation = agitatie, agitatie, beroering, beweging, opschudding, stokerij, woeling, agitatie, onrust, opschudding, troebelen, agitatie, beroering, gisting, onrust, opgewondenheid, opwinding, gejaagdheid, opwinding, hetze, gejaagdheid, onrust, rusteloosheid, woeligheid, getier, herrie, rel, roerigheid, rustverstoring, spektakel, tumult
agitator = activist, agitator, onruststoker, ophitser, twiststoker, agitator, stokebrand
aglow = gloeiend, verterend, verzendend, vurig
agnostic = agnostisch, agnosticus, agnosticus
... ago = ... geleden, ... terug
agog = nieuwsgierig, weetgierig, benieuwd, nieuwsgierig, nieuwsgierig
agonize = op sterven liggen, zieltogen, folteren, martelen, pijnigen, koeioneren, kwellen, martelen, mishandelen, treiteren
agonizing = afgrijselijk, afschuwelijk
agony = agonie, doodsangst, doodsstrijd, stervensnood, zieltoging, angst, beklemming, benauwdheid, grote angst, zielsangst, bezoeking, bezoeking, slag
agoraphobia = agorafobie, pleinvrees, ruimtevrees
agrarian = agrarisch, agrariër, boer, landbouwer, agrariër, boer, landbouwer, agrariër, boer, landbouwer, agrariër, boer, landbouwer
agree = het eens zijn, overeenstemmen, samengaan, afspreken, een schikking treffen, het eens zijn, overeenkomen, goedvinden, het eens zijn, toegeven, toestemmen
agreeable = aangenaam, behaaglijk, genoeglijk, heerlijk, plezierig, genoeglijk, heerlijk, plezierig
agreeably = aangenaam
agreed = afgesproken, akkoord, goed, in orde, okee, top, OK, okee
agreement = overeenstemming, samenklank, akkoord, overeenkomst, overeenstemming, akkoord, overeenkomst, overeenstemming, afspraak, akkoord, schikking, verbintenis, fiat, goedvinden, toestemming
agree to = akkoord gaan met
agree with = bijvallen, het eens zijn met
agricultural = agrarisch, landbouwkundig
agricultural exhibition = landbouwtentoonstelling
agricultural instruction = landbouwonderwijs
agricultural labourer = landarbeider
agricultural product = landbouwproduct
agricultural school = landbouwschool
agricultural worker = landarbeider
agriculture = agricultuur, akkerbouw, landbouw, akkerbouw, agronomie, landbouwkunde
agriculturist = agronoom, landbouwkundige
agrimony = agrimonie
Agrippa = Agrippa
agronomics = agronomie, landbouwkunde
ague = koorts
ah = ach, ah, oh, och, ach, ah, ha, oh, och
aha = aha, aha, ach, ah, ha, oh, och
ahead = daarvoor, eerder, indertijd, vooraan, voorheen, vroeger, weleer, naar voren, voorover, vooruit, voort, voorwaarts
ahoy = heiho
ai = aai, ai, luiaard, drietenige luiaard, ai, aai, drietenige luiaard
aid = assistent, famulus, helper, hulp, assisteren, bijstaan, helpen, ter zijde staan, assistentie, bijstand, hulp, assistent, helper, hulp, baten, bijstaan, helpen, ter zijde staan, helpster, helper, assistentie, bijstand, heul, hulp, toedoen, toeverlaat
aide-de-camp = adjudant, ordonnansofficier
AIDS = aids, aids
ail = schelen, schorten
aileron = aileron, rolroer, stuurvlak, vleugelklep
ailing = sukkelachtig, sukkelend, ziekelijk
ailment = aandoening, kwaal, ziekte, aandoening, kwaal, ziekte
aim = aanleggen, bedoelen, beogen, mikken, mikken op, rooien, ten doel hebben, doel, doelstelling, doelwit, honk, wit, aanleggen, moeite doen, pogen, streven, trachten, zich beijveren, zoeken, pogen, streven, zich inspannen
aimless = doelloos
Ainu = Ainoe
air = lucht, aria, wijsje
air-balloon = ballon, luchtballon
air base = luchtmachtbasis, luchtmachtbasis
airbed = luchtbed
air brake = luchtdrukrem
air bridge = luchtbrug
airbrush = verfspuit
airbus = luchtbus
air conditioned = air-conditioned, air-conditioned
air conditioning = airco, air-conditioning, air-conditioning
air-cooled = luchtgekoeld
aircraft = toestel, vliegmachine, vliegtuig, vliegmachine, vliegtuig
aircraft-carrier = carrier, moederschip, vliegdekschip, vliegkampschip
air crash = vliegramp
aircrew = vliegtuigbemanning
air cushion = luchtkussen, luchtkussen, windkussen
air-defence = luchtafweer, luchtverdediging
airdrome = vlieghaven, vliegveld
airfield = vlieghaven, vliegveld
air-filter = luchtfilter
air-fleet = luchtvloot
air force = luchtmacht, luchtstrijdkrachten, luchtmacht, luchtstrijdkrachten
air-freight = luchtvracht
air-grid = luchtrooster
airgun = luchtbuks, windbuks
air gun = luchtdrukgeweer
air-gun = luchtdrukgeweer
air hostess = stewardess
airily = luchthartig, luchtig, luchthartig
airiness = fleur, frisheid
airing cupboard = droogkast, droogkast
airless = bedompt, luchtledig, bladstil, windstil, benauwd, broeierig, drukkend, verstikkend, zwoel
air letter = luchtpostblad, luchtpostbrief
airlift = luchtbrug
airline = luchtlijn
airline-pilot = lijnpiloot
air liner = lijntoestel, lijnvliegtuig
airlock = luchtsluis
airmail = luchtpost
air-mail stamp = luchtpostzegel
airman = aviateur, vlieger, vliegenier
air mattress = luchtbed
air out = luchten, spuien, uitluchten, ventileren
airplane = vliegmachine, vliegtuig
air pocket = luchtzak, luchtzak, tochtgat, trekgat
air-pollution = luchtverontreiniging
airport = luchthaven, luchthaven, vlieghaven, vliegveld
airport tax = luchthavenbelasting
air-pressure = luchtdruk
air pump = luchtpomp
air raid = luchtaanval
air-resistance = luchtweerstand
air rifle = luchtbuks, windbuks
airs = allure
airscrew = luchtschroef
airship = luchtschip, luchtschip
airsick = luchtziek
airsickness = luchtziekte
airspace = luchtruim
airspeed = luchtsnelheid
air-squadron = luchteskader, vliegeskader
airstrike = luchtaanval
airstrip = landingsstrook
air supremacy = heerschappij in de lucht
airthreads = herfstdraad
air ticket = ticket, vliegticket
airtight = hermetisch, luchtdicht
air time = radiozendtijd
air-traffic control = luchtverkeersleiding
air-traffic controller = luchtverkeersleider
air-valve = luchtklep, ventiel
air view = luchtfoto
airwaves = ethergolven, radiogolven
airway = luchtlijn, luchtweg, ademhalingsweg, luchtweg
airwoman = pilote
airworthy = luchtwaardig
airy = luchtig, dun, dungezaaid, iel, ijl
airy-fairy = lichtzinnig, luchtig, wuft, dartel, olijk, ondeugend, schalks, schelms
aisle = zijbeuk, gangpad
Aix-la-Chapelle = Aken
ajar = op een kier staand
Ajax = Ajax
akin = verwant, aanverwant
alabaster = albasten, albast
alacrity = begeerte, begerigheid, graagte, enthousiasme, geestdrift, uitbundigheid
alarm = aanslaan, alarm slaan, alarmeren, bel, schel, alarm, onraad, alarmsein, noodsein, schrik, onthutsen, ontstellen, ontzetten, verbijsteren, verbluffen, ontsteltenis, ontzetting, verbluftheid, consternatie, ontsteltenis, verbijstering, verslagenheid, gejaagdheid, onrust, rusteloosheid, woeligheid, benauwen, verontrusten, ontzetting, schrik, schrikkelijkheid, bang maken, beangstigen, verschrikken, vrees aanjagen, wekker
alarmbell = alarmklok, noodklok
alarm-bell = alarmklok
alarmclock = wekker
alarmed = ontzettend, schrikbarend, schrikkelijk, verbluffend
alarming = alarmerend, gevaarlijk, zorgwekkend, angstig, bang, bedenkelijk, zorgbarend, zorgwekkend
alarmist = paniekzaaier
alarm-signal = alarmsein, noodsein
alas = helaas, jammer, jammer genoeg, tot mijn spijt, helaas, o wee
Alaska = Alaska
alb = albe, misgewaad
Albania = Albanië
Albanian = Albaans, Albanees, Albanees, Albanese taal, Albanese, Albanees, Albaniër
Albanian language = Albanees, Albanese taal
Albanian woman = Albanese
albatross = albatros, albatros
Albert = Albert, Albertus, Albrecht, Albert, Albertus, Albrecht
albino = albino
Albion = Albion
album = album, gedenkboek
albumen = albumen, eiwit, kiemwit
albuminous = eiwithoudend
alburnum = alvenaar, alver, alvertje, panharing
alchemist = alchemist, alchimist, goudmaker
alchemy = alchemie, alchimie, alchemie, alchimie
alcohol = alcohol, drank, alcoholische drank, sterke drank, alcohol
alcoholic = alcoholhoudend, alcoholisch, geestrijk, alcoholicus, alcoholhoudend, alcoholist, drankzuchtige, alcoholicus, drinker, alcoholist, drankzuchtige, zatlap, zuiper, zuiplap, drinker, zuiper, zuiplap
alcoholic content = alcoholgehalte
alcoholic drinks = alcoholica, gedistilleerd, spiritualiën
alcoholism = alcoholisme, drankmisbruik, alcoholisme, drankzucht
alcove = alkoof
aldehyde = aldehyde
alder = elze-, elzen, elzen-, els, elzeboom
alder- = elze-, elzen, elzen-
alderman = schepen, wethouder
ale = bier, aal
Aleppo = Aleppo
alert = druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker
Aleutian Islands = Aleoeten
Alex = Alex
Alexander = Alexander
Alexandria = Alexandrië
alexandrine = alexandrijn, alexandrijn
Alfred = Alfred
alga = alge, wier, zeewier
algebra = algebra, stelkunde
algebraic = algebraïsch
Algeria = Algerië, Algerije
Algerian = Algerijns, Algerijn
Algerian woman = Algerijnse
Algiers = Algiers
algorithm = algoritme
alias = alias, alias
alibi = alibi
alien = afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, buitenlander, buitenlands, uitheems, buitenlands, onwennig, vreemd, strijdig, tegengesteld, tegenliggend, tegenstaand, tegenstrijdig, misselijk, onsmakelijk, stuitend, walgelijk, weerzinwekkend
alien to = in strijd met, strijdig met
alike = even, evenzeer, gelijk, gelijkelijk, eender, gelijkend, gelijksoortig, gelijkvormig, soortgelijk, op dezelfde manier
alimony = alimentatie, ondersteuningsgeld, uitkering
a little = een beetje, een weinig, enigszins, nogal, tamelijk, wat, een klein beetje, ietwat, lichtelijk, zier
alive = levend
alkali = alkali, loogzout
alkaline = alkalisch, loogachtig, alkalisch, loogachtig
all = de hele ... door, allerhande, allerlei, van elke soort, allemaal, alles, al, alles, de hele hoeveelheid, de gehele hoeveelheid, al de, alle, allemaal, allen
all about = allerwegen, alom, overal, wijd en zijd
Allah = Allah
allegedly = naar men zegt
allegoric = allegorisch, zinnebeeldig
allegory = allegorie, gelijkenis, zinnebeeld
allergic = allergisch
allergy = allergie
alley = steeg
All Hallows = Allerheiligen
alliance = alliantie, bondgenootschap, verbond
alligator = alligator
alliteration = alliteratie, stafrijm
all-knowing = alwetend
all of a sudden = ineens, opeens, plotseling
all of it = al, alles, de hele hoeveelheid, de gehele hoeveelheid
allot = loten, verloten
all over again = nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer
all over the = in het hele, in de hele, overal in de, overal in het
allow = laten, laten begaan, laten schieten, loslaten, toelaten, gedogen, toelaten, toestaan, vergunnen, veroorloven
alloy = alliage, legering, metaalmengsel, alliage
all-powerful = almachtig
all-round = all-round-
All Saints' Day = Allerheiligen, Allerheiligen
all sorts = allerlei
all sorts of = allerlei, allerhande
All Souls' Day = Allerzielen
all the = al de, al het, alleman, een ieder, elk, ieder, iedereen, al de, al het
all the more = des te meer
all the same = even, evenzeer, gelijk, gelijkelijk
all the time = daarentegen, intussen, inmiddels, vast, voorlopig, zolang, achtereen, aldoor, onophoudelijk
all the while = inmiddels, intussen, ondertussen
allude = zinspelen
alluring = aanlokkelijk, lekker
allusion = toespeling, zinspeling
alluvial = alluviaal
alluvion = alluvium
alluvium = alluvium
almanac = almanak
almighty = almachtig
almond = amandel
almond-eyed = amandelogig
almond paste = amandelpers
almoner = aalmoezenier
almonership = armenzorg
almonry = aalmoezeniershuis, armhuis
almost = bijna, bijkans, haast, schier, vrijwel, welhaast, zo goed als, zowat
almound pastry = banket
alms = aalmoes
almshouse = armenhuis, aalmoezeniershuis, armhuis
aloe = aloë
aloe juice = aloësap
aloe juice collector = aloësaptapper
aloetic = aloëachtig
aloin = aloïne
alone = alleen, enig, louter, verlaten, alleen, maar, slechts
along = langs
alongside = behalve, bezijden, naast
a long time = lang
Alost = Aalst
a lot = een heleboel, terdege, veel, zeer
a lot of = veel, veel
alp = alpenweide, alp, alpenweide
alpaca = alpaca
Alpenrose = rododendron
alpha = alfa
alphabet = ABC, alfabet, basisbeginselen, eerste beginselen, ABC, alfabet, ABC, alfabet
alphabetical = alfabetisch
alpine = alpen-, alpine, alpijns, alpinisch
Alpine hut = berghut
alpine pasture = alpenweide
Alpinist = alpinist, bergbeklimmer, alpinist, bergbeklimmer
Alps = Alpen
already = al, alvast, reeds, alreeds
Alsace = Elzas, Elzas
Alsace-Lorraine = Elzas-Lotharingen
Alsatian = Elzassisch, Elzasser, Elzasser, Duitse herder
also = eveneens, evenzeer, mede, ook
alt = alt, altist, altzanger
altar = altaar
altarpiece = altaarstuk, altaarstuk
alteration = verandering, wijziging, verandering, wijziging, keer, kentering, verandering, verloop, keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling
alternate = afwisselend, alterneren, elkaar afwisselen
alternately = afwisselend, beurtelings, om en om
alternating = afwisselend
alternation = afwisseling, afwisseling
alternative = alternatief, keus, keuze
although = al, ofschoon, wel, hoewel, alhoewel
altitude = hoogte, stand
alto = alt, altzangeres, alt, altzangeres
altogether = alles wel beschouwd, over het algemeen genomen, überhaupt, bij elkaar, in totaal, totaliter, allemaal, alles
altruism = altruïsme, onzelfzuchtigheid
altruist = altruïst
altruistic = altruïstisch, onbaatzuchtig, onzelfzuchtig, altruïstisch, onbaatzuchtig, onzelfzuchtig
alum = aluin
alum earth = aluinaarde, potaarde
alumina = aluinaarde, potaarde
aluminium = aluminium
aluminum = aluminium
Alva = Alva
always = altijd, immer, steeds
a.m. = in de morgen, voor de middag
Amadeus = Amadeus
amalgamate = amalgameren
amaranthus = amarant, kattestaart
amaryllis = amaryllis, goudlelie
amass = opeenhopen, ophopen, stapelen, opstapelen, opeenstapelen, tassen
amateur = amateur, dilettant, knutseaar, liefhebber, amateur, amateur
amateurish = amateuristisch, amateuristisch, amateuristisch
amaze = bevreemden, verbazen, verwonderen
amazing = bevreemdend, verbazingwekkend, verwonderlijk, wonderbaarlijk
Amazon = Amazone, Amazone, Amazonestroom, amazone, Amazone, paardrijdster
Amazon River = Amazone
ambassador = ambassadrice, ambassadeur, gezant, bode, gezant, afgezant
amber = amber, barnsteen
ambiguous = dubbelzinnig, dubbelslachtig, dubbelzinnig, dubbelslachtig, dubbelzinnig, tweeslachtig
ambition = ambitie, eerzucht, aspiratie, sollicitatie
ambitious = ambitieus, eerzuchtig
ambivalence = ambivalentie
Amboina = Ambon
Amboinese = Ambonees, Ambonees
ambrosia = ambrozijn, godenspijs
ambulance = ambulance, veldhospitaal, ziekenauto, ziekenwagen, ambulance, ambulancewagen, ziekenauto, ziekenwagen, ambulance, veldhospitaal, ziekenwagen
ambush = een hinderlaag leggen, in een hinderlaag liggen, hinderlaag
amen = amen, het zij zo, amen, zo zij het
amend = amenderen
amendment = amendement, amendement
America = America, Amerika, Amerika
American = Amerikaans, Amerikaan, Amerikaans, Amerikaan
American football = Amerikaans voetbal
American Indian = Indiaan
Americanize = amerikaniseren
American ostrich = nandoe, nandoe
American Samoa = Amerikaans Samoa
American woman = Amerikaanse, Amerikaanse
americium = americium
amethyst = amethist
amidst = medio, midden, in het midden van, middenin, te midden van
Amirants = Amiranten
Amman = Amman
ammeter = ampèremeter, ampèremeter, stroommeter
Ammon = Ammon
ammonia = ammonia, ammoniak, ammonia
ammunition = munitie, ammunitie
amnesty = amnestie verlenen, begenadigen, amnestie, begenadiging, kwijtschelding van straf
amoeba = amoebe
a moment = een moment, even, eventjes
among = onder, tussen, medio, midden, in het midden van, middenin, te midden van
amorphous = amorf, vormloos
amortize = afbetalen, aflossen, afschrijven, amortiseren, delgen, uitdelgen
amount = aantal, tal, getal, bedragen, bedrag, som, somma, summa, totaal, totaalbedrag, totaalcijfer
amount to = bedragen, belopen
ampère = ampère
amphetamine = amfetamine, wekamine
amphibian = amfibie
amphibious vehicle = amfibievoertuig
amphitheatre = amfitheater
amphora = amfora, kruik, draagkruik
ample = omvangrijk, uitgebreid, veelomvattend
amplitude = amplitude
amputate = afzetten, amputeren, wegsnijden
amputation = afzetten, afzetting, amputeren, amputatie, amputatie, wegneming
Amsterdam = Amsterdam, Amsterdams
amuck = amok, amok, hevigheid, razernij, verwoedheid, woestheid
Amudaryra = Amoedarja
amulet = amulet
Amur = Amoer
amuse = amuseren, onderhouden, opvrolijken, vermaken
amusement = amusement, vermaak, schik, vermaak
amusing = aardig, amusant, leuk, vermakelijk, amusant
an = een
anabaptism = anabaptisme, wederdoperij
anachronism = anachronisme, tijdrekeningsfout
anaconda = anaconda
anaemia = anemie, bloedarmoede, anemie, bloedarmoede
anaemic = bloedarm, anemie, bloedarmoede
anaesthesia = anesthesie, verdoving, anesthesie, verdoving
anaesthesist = anesthesist
anagram = anagram, letterkeer
anal = aars-, anaal
analogous = analoog, gelijksoortig, overeenkomend, overeenkomstig, analoog
analogy = analogie, gelijksoortigheid, overeenkomstigheid, analogie, overeenkomst
anal sex = anale sex, Griekse sex, Griekse sex, kontneuken
analyse = analyseren, ontbinden, ontleden
analysis = analyse, ontbinding, ontleding
analyst = analist
analytic = analytisch
analytical = analytisch
analytical chemist = analist
anapaest = anapest
anarchic = anarchistisch, regeringloos, anarchistisch, regeringloos
anarchical = anarchistisch, regeringloos, anarchistisch, regeringloos
anarchism = anarchisme, anarchisme
anarchist = anarchistisch, regeringloos, anarchist, anarchist, anarchistisch, regeringloos, anarchist, anarchist
anarchy = anarchie, regeringloosheid, anarchie, regeringloosheid
Anastasia = Anastasia
anathema = anathema, ban, banvloek, excommunicatie, ban, banvloek, excommunicatie
a native of = afkomstig uit
Anatolia = Anatolië, Klein-Azië
anatomical = anatomisch, ontleedkundig
anatomist = anatoom, ontleedkundige, anatoom
anatomy = anatomie, ontleedkunde
anchor = anker, ankeren
anchorage = ankerplaats, ligplaats, rede, ankerplaats, rede
anchovy = ansjovis, ansjovis
ancient = aloud, antiek, ouderwets
and = en
and also = alsmede, alsook, en ook, alsmede, daarenboven, op de koop toe, voorts
Andalusia = Andalusië, Andalusië
Andalusian = Andalusisch, Andalusiër
Andalusian woman = Andalusische
Andaman Islands = Andamanen
Andaman Sea = Andamanse Zee
and ... as well = alsmede, alsook, en ook, alsmede, daarenboven, op de koop toe, voorts
Andes = Andes, Andesgebergte
Andorra = Andorra
Andorrian = Andorraans, Andorrees, Andorraan, Andorrees
Andorrian woman = Andorraanse
Andromeda = Andromeda
and so on = enzovoort, enzovoorts
anecdotal = anekdotisch
anecdote = anekdote
anemone = anemoon
anew = nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer
angel = engel, vrouwelijke engel, engel
angelic = engelachtig
angelica = engelwortel
angelus = angelus
anger = boosheid, gramschap, toorn, verstoordheid
angina = angina, keelontsteking
angina pectoris = angina pectoris
angle = hoek, hoek
angler = hengelaar
Anglican = anglicaans, anglicaan
anglicism = anglicisme
Anglo-Saxon = Angelsaksisch, Angelsakser
Angola = Angola
Angolan = Angolees
Angolese = Angolees
Angolian woman = Angolese
Angora = Angora, Ankara
Angora cat = angorakat
angry = boos, kwaad, toornig, nijdig, verstoord, vertoornd
Anguilla = Anguilla
anguilliform = aalvormig
anguish = angst, beklemming, benauwdheid, grote angst, zielsangst
angular = kantig, hoekig
an hour and a half = anderhalf uur
an hour's walk = een uur gaans
aniline = aniline
animal = dierlijk, dier, beest, dier
animal smell = dierenlucht, dierlijke geur
animate = bezielen, verlevendigen
anion = anion, negatief ion
anise = anijs, anijs, anijsplant
Ankara = Angora, Ankara
anker = anker, <inhoudsmaat>
ankh = ankh
ankle = enkel
Ann = Anna, Anetta, Aneke, Annet, Annetta, Annie, Annigien, Ans, Antje, Anna
annals = annalen, jaarboeken
annex = annexeren, inlijven, <iets bijkomstigs toevoegen>
annexation = annexatie, inlijving, annexatie, dependance, inlijving
anniversary = gedenkdag, herdenkingsdag, verjaardag, gedenkdag
annotate = annoteren
annotation = aantekening, commentaar, tekstverklaring, aantekening, nota, notitie
announce = aandienen, aankondigen, adverteren, melden, verkondigen
announcement = aankondiging, verkondiging, bekendmaking, bericht, kennisgeving, mare, tijding, verwittiging
announcer = omroepster, omroeper
annoy = ergeren, verontwaardigen, bedroeven, ergeren, grieven, verdriet doen, verdrieten
annoyance = leed, smart, verdriet, zorg
annual = jaarlijks
annul = afgelasten, annuleren, ontbinden, tenietdoen, terugnemen
Annunciation = Annunciatie, Maria-Boodschap
anode = anode, positieve pool
anoint = sauzen, smeren, besmeren, doorsmeren
anomaly = afwijking, anomalie, onregelmatigheid
anonymity = anonimiteit, naamloosheid, anonimiteit, naamloosheid
anonymous = anoniem, naamloos, ongenoemd, ongetekend, anoniem, naamloos
anonymous writer = anonymus, ongenoemde
another = ander, ander, iemand anders, aanvullend, extra, meer, nog een, nog een
another man = ander, iemand anders
another man's = andermans, andermans
another time = een andere keer
answer = beantwoorden aan, stroken met, antwoorden, antwoorden op, beantwoorden, verantwoorden, antwoorden, antwoord geven, antwoord, bescheid, wederwoord
answering = beantwoording
answering machine = antwoordapparaat
answer to = beantwoorden aan, stroken met
ant = mier
Antarctic = Antarctica, Antarctis, Zuidpool, Zuidpoolgebied, Antarctica, Antarctis, Zuidpoolgebied, antarctisch, zuidpool-, antarctisch, Antarctisch, zuidpool-, Zuidpool-
Antarctic Ocean = Zuidelijke IJszee, Zuidelijke IJszee
Antares = Antares
ant-eater = miereneter, miereneter, miereneter
antecedent = antecedent, voorgaande, voorpand, voorstuk, antecedent, antecedent
antecedents = antecedenten
antedate = antedateren, antidateren
antediluvian = antediluviaans, zeer oud
antelope = antilope
antenna = antenne, ra, spriet, voelhoorn, voelhoren, voelspriet
anthem = hymne, kerkgezang
anthology = anthologie, bloemlezing, chrestomathie
anthracite = antraciet, glanskool
anthropologist = antropoloog
anthropology = antropologie, mensenkunde
anti-aircraft defence = luchtafweer, luchtverdediging
anti-aircraft defences = luchtafweer, luchtverdediging
anti-aircraft guns = luchtafweergeschut, luchtdoelgeschut
antibiotic = antibioticum
antibody = antistof
Antichrist = Antichrist, antichrist
anticipate = anticiperen, prejudiciëren, vooruitlopen, vooruitlopen op
anticipation = anticipatie
antidote = tegengif, tegengif
antifreeze = antivries
Antigua and Barbuda = Antigua en Barbuda
Antilles = Antillen
Antillian = Antilliaans, Antilliaan
antimony = antimonium
Antioch = Antiochië, Antiochië
antipathy = antipathie
antipode = antipode, tegenvoeter
antique = aloud, antiek, ouderwets
antique dealer = antiquair
antiquity = oudheid
anti-Semite = antisemiet, jodenhater
anti-Semitic = antisemitisch
anti-Semitism = antisemitisme, jodenhaat, antisemitisme, antisemitisme
antiseptic = antiseptisch, bederfwerend, antiseptisch middel, antiseptisch
antisocial = asociaal, onmaatschappelijk
antitank = antitank-
antitank artillery = antitankgeschut
anti-tank gun = antitankgeweer, bazooka
antithesis = tegenstelling, tegenstrijdigheid, antithese, tegenstelling
Antony = Anton, Antonius
Antwerp = Antwerpen, Antwerps
Anubis = Anoebis
anus = aars, anus
anvil = aanbeeld, aanbeeld, aanbeeld, aanbeeldsbeentje, gehoorbeentje, aanbeeldbeentje
anxiety = angst, bezorgdheid, spanning
anxious = bang, beducht, bezorgd, ongerust, ongerust, verlangend, bekommerd, bezorgd, ongerust, zorgelijk
anxiously = bezorgd, ongerust, bezorgd, ongerust, bezorgd, ongerust
any = een, een of ander, een zeker, iemand, wie dan ook, een paar, enige, enkele, sommige, wat, onverschillig wie, wie dan ook
anybody = een, een of ander, een zeker, iemand
anything = iets
any time = elk ogenblik, elk moment
anyway = op de een of andere manier, op een of andere wijze
anywhere = ergens, hier of daar
aorta = aorta, levensslagader, lichaamsslagader
apache = apache, straatschuimer
apart = afgezonderd, afzonderlijk, bijzonder, los, afzonderlijk, apart, gescheiden, terzijde, vaneen
apart from = afgezien van, behalve, bij uitzondering, buiten, op ... na, uitgezonderd, behalve, buiten, ongerekend, afgezien van
apartheid = apartheid, segregatie
apartment = appartement, flat
apartment building = flat, flatgebouw
apathetic = apathisch, lusteloos, melig, ongevoelig, wezenloos
apathy = apathie, dofheid, lusteloosheid, wezenloosheid
ape = aap
ape-like = aapachtig, aapachtig
Apennines = Apennijnen
aperture = gat, mond, opening
aphasia = afasie, sprakeloosheid
aphorism = aforisme, spreuk, kernspreuk
aphrodisiac = lustopwekkend middel
Aphrodite = Afrodite
apiarist = bijenhouder, iemker, imker
apiary = bijenschans, bijenstal
apish = aapachtig, aapachtig
aplomb = aplomb, gewicht, zelfbewustheid, zelfverzekerdheid
apocalypse = apocalyps, openbaring
apocalyptic = apocalyptisch, geheimzinnig
apocryphal = apocrief, twijfelachtig
apodeictic = apodictisch
Apollo = Apollo
apologize = zich verontschuldigen, zich verontschuldigen
apology = apologie, verdediging, verweerschrift, verontschuldiging, excuus, verontschuldiging
apoplectic fit = beroerte
apostasy = afval, ontrouw, trouwbreuk
apostate = afvallig, afvallige, geloofsverzaker
apostatize = afvallen, afvallig worden, afvallen, ontrouw worden
apostle = apostel, voorvechter
apostleship = apostelschap, apostolaat
apostolate = apostelschap, apostolaat
apostolic = apostolisch
apostrophe = afkappingsteken, apostrof, uitlatingsteken, weglatingsteken
apotheosis = apotheose, slotstuk, slottaffereel, verheerlijking
appal = onthutsen, ontstellen, ontzetten, verbijsteren, verbluffen
Appalachian Mountains = Appalachen
apparatus = apparaat, hulpmiddelen, inrichting, toestel
apparent = aanwijsbaar, vertoonbaar
apparently = blijkbaar, duidelijk, klaarblijkelijk, in schijn, naar het schijnt, schijnbaar, ogenschijnlijk
appeal = appelleren, een beroep doen op, in appèl gaan, in beroep gaan, appel, beroep, regres, appèl, bede, smeekbede
appeal to = aanroepen, oproepen, praaien, een beroep doen op
appear = opdagen, opdraven, te voorschijn komen, uitkomen, verschijnen, er uitzien, het uiterlijk hebben van, lijken, overkomen, schijnen, toeschijnen, voorkomen
appearance = verschijnen, verschijning, aanblik, aanzien, air, schijn, uiterlijk, verschijning, voorkomen, aanzien, schijn
appear to be = lijken, overkomen, schijnen, toeschijnen, voorkomen
appease = bedaren, geruststellen, kalmeren
appellant = appellant
appellation = benaming, naam, naamwoord
appendicitis = blindedarmontsteking
appendix = aanhangsel, appendix, wormvormig aanhangsel
appetite = eetlust, graagte, hongerigheid, trek
appetizing = aantrekkelijk, appetijtelijk, eetlust opwekkend, aantrekkelijk, appetijtelijk, eetlust opwekkend
applaud = bij acclamatie benoemen, toejuichen, zijn bijval betuigen, adhesie betuigen, applaudisseren, toejuichen
applause = applaus, handgeklap
apple = appel
apple fritter = appelbeignet
apple juice = appelsap
apple-sauce = appelmoes, appelmoes
apple-tart = appeltaart
apple-tree = appelboom, appelboom
apple turnover = appelflap
applicant = aanvrager, besteller, aanvrager, verzoeker, adressant
application = aanwending, toepassing, applicatie, aanwending, toepassing
application form = aanmeldingsformulier, aanmeldingsformulier, aanvraagformulier, aanvraagformulier, aanvraagformulier
apply = aanwenden, doorvoeren, in toepassing brengen, toepassen
apply to = aankloppen bij, zich vervoegen bij, zich wenden tot
appoint = aanstellen, benoemen, benoemen
appointment = aanstelling, benoeming, benoeming, benoeming, afspraak, rendez-vous
appointment book = agenda, dagorde, zakalmanak
appointment to office = aanstelling, benoeming
appraise = begroten, schatten, taxeren, waarderen
appraiser = taxateur, zetter
appreciate = appreciëren, waarderen, hechten aan, houden van, mogen, waarderen
appreciation = appreciatie, waardering, appreciatie, waardering
apprehension = aanhouding, arrestatie, inhechtenisneming, aanhouding, arrest, arrestatie, hechtenis
approach = aanvliegen, aanpakken, gaan naar, genaken, naderen, aan komen lopen, aanpakken, beginnen met, toetreden, benaderen, aanpak, nadering, oprijlaan, oprit, dichtbijkomen, naderbijkomen, naderen, nabij komen, naderbij komen, naderen, nader treden, nadering
approachable = aanspreekbaar
approach path = aanvliegroute
approach route = aanvliegroute
appropriate = betamelijk, gepast, geschikt, passend, toepasselijk
appropriately = gevoeglijk, op de juiste wijze
approval = acclamatie, bijval, toejuiching, applaus, bijval, bijvalsbetuiging, toejuiching, bijval, fiat, goedkeuring
approve = beamen, billijken, goedkeuren, toestemmen
approved = beproefd
approximate = benaderen, benaderend, globaal
approximately = circa, een stuk of, ongeveer, plusminus, zowat
approximation = benadering
apricot = abrikoos
apricot-tree = abrikozeboom
April = april, grasmaand
apron = boezelaar, schort, sloof, voorschoot
apsis = abside, apsis, koornis
aptitude = aanleg, begaafdheid, gave, talent, aanleg, begaafdheid, gave, talent, aanleg, begaafdheid, gave, talent
Apulia = Apulië
aquamarine = aquamarijn
aquarium = aquarium
Aquarius = Waterman
aquatic = waterhoudend, waterig, water-
aqueduct = aquaduct
aquiline nose = adelaarsneus, arendsneus, arendsneus
Aquitaine = Aquitanië, Aquitanië
aquittal = vrijspraak
Arab = Arabier
arabesque = arabesk
Arabia = Arabië, Arabië
Arabian = Arabisch
Arabian Sea = Arabische Zee
Arabian woman = Arabische
Arabic = Arabisch
arable = bebouwbaar, bouw-
Arachne = Arachne
Ararat = Ararat
araucaria = apestaartboom, apetreiter, araucaria, slangenden
arbiter = arbiter, scheidsrechter, willekeur
arbitrarily = naar willekeur
arbitrary = arbitrair, eigenmachtig, willekeurig
arbitration = arbitrage, scheidsgerecht
arbitrator = arbiter, scheidsrechter, willekeur
arbor = prieel, as, drijfas
arboreal = boom-
arbutus = aardbeiboom
arbutus fruit = aardbeiboomvrucht, haagappel
arc = boog, toog
Arcadia = Arcadië, Arcadië
arch = boog, boogvormig bouwsel, gewelf, ronding
arch- = aarts-, hoofd-, opper-
archaeological = archeologisch, oudheidkundig
archaeologist = archeoloog, oudheidkundige, archeoloog, oudheidkundige, archeoloog, oudheidkundige
archaeology = archeologie, oudheidkunde, archeologie, oudheidkunde
Archaeozoic = Archeozoïcum
Archaeozoic era = Archeozoïcum
archaic = archaïsch, verouderd, archaïsch, verouderd
archaism = archaïsme, archaïsme
archangel = aartsengel
archbishop = aartsbisschop, metropoliet, metropolitaan, aartsbisschop
archbishopric = aartsbisdom
archduchy = aartshertogdom, aartshertogdom
archduke = aartshertog, aartshertog
arch-enemy = aartsvijand, doodsvijand
archeopteryx = archeopteryx
archimandrite = gardiaan
Archimedes = Archimedes, Archimedes
archipelago = archipel, eilandenzee, archipel, eilandengroep, eilandenzee, archipel, eilandengroep
architect = architect, bouwmeester, architect, bouwmeester
architectonic = architectonisch, bouwkundig, architectonisch, bouwkundig
architectural = architectonisch, bouwkundig, architectonisch, bouwkundig
architecture = architectuur, bouwkunst, architectuur, bouwkunst
architrave = architraaf, gevellijst, architraaf, gevellijst
archive = archief, archief, archiveren, archiveren
archives = archief
archivist = archivaris, archivaris
Arctic = Arctis, Noordpoolgebied, Noordpool, Noordpoolgebied, arctisch
Arctic Ocean = Noordelijke IJszee, Noordpoolzee, Noordelijke IJszee
Arcturis = Arcturis
Ardennes = Ardennen
ardent = gloeiend, verterend, verzendend, vurig
are = are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, are, vierkante decameter
area = areaal, gebied, oppervlakte, verspreidingsgebied
arena = arena, kampplaats, krijt, piste, strijdperk
Areopagus = Areopagus
Ares = Ares
Argentina = Argentinië
Argentine = Argentijns, Argentijn
Argentinean = Argentijns
Argentinian woman = Argentijnse
argon = argon
argue = disputeren, krakelen, twisten, redetwisten, strijden, beredeneren
argument = argument, bewijsgrond
argumentation = argumentatie, betoog, vertoning
Argus = Argo, Argos, Argus
aria = aria, wijsje
Ariadne = Ariadne
Aries = Ram
arise = ontstaan, ontstaan, opkomen, worden, opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen, geboren worden, ontluiken, spruiten
aristocracy = aristocratie, aristocratie, patriciaat
aristocrat = aristocraat
aristocratic = aanzienlijk, aristocratisch, deftig, voornaam, voornáám
Aristotle = Aristoteles, Aristoteles
arithmetic = cijferen, cijferkunst, rekenkunde, rekenkunst
Arizona = Arizona
ark = ark
Ark of the Covenant = Ark des Verbonds
arm = wapenen, bewapenen, arm-, armleuning, arm, been, passerbeen, arm
arm- = arm-
armadillo = gordeldier
armature = anker, armatuur
armchair = fauteuil, leuningstoel, leunstoel, zorgstoel, armstoel, fauteuil, leunstoel, zorgenstoel
Armenia = Armenië, Armenië
Armenian = Armeens, Armeen, Armeniër
Armenian woman = Armeense
armful = armvol
arm of the sea = zeearm
Armorica = Armorica
armour = pantseren, bepantseren, harnas, kuras, pantser, bepantsering, rusting
armoury = arsenaal, tuighuis, wapenkamer, arsenaal, tuighuis, wapenkamer, wapenmagazijn
armpit = oksel
arm-rest = armleuning
army = heerschaar, leger, legermacht, troepenmacht, weermacht, heer, heerschaar, leger, strijdkrachten, troepenmacht, weermacht
army chaplain = aalmoezenier, veldprediker, aalmoezenier
Arnhem = Arnhem
arnica = arnica, valkruid, wolverlei, wondkruid
aroma = aroma, geur
aromatic = aromatisch, geurig
around = om, om ... heen, omtrent, ongeveer, rondom
arouse = wakker maken, wekken, opwekken
arrack = arak, rijstbrandewijn
arrange = aanrichten, arrangeren, ordenen, regelen, terechtbrengen, inrichten, regelen, ruimen, opruimen, schikken, terechtbrengen
arrange flowers = bloemschikken
arrangement = akkoord, inrichting, maatregel, regeling, schikking, zetting
Arras = Atrecht
arrears = achterstand
arrest = aanhouding, arrestatie, inhechtenisneming, aanhouden, arresteren, inrekenen, in verzekerde bewaring nemen, aanhouding, arrest, arrestatie, hechtenis
arrested person = arrestant
arrival = aanvoer, bezorging, komst, aankomst, aanvoer, bevoorrading
arrivals = aanvoer, bezorging, aanvoer, bevoorrading
arrive = aankomen, arriveren, aankomen, arriveren
arrive afterwards = later komen, nakomen
arrogance = aanmatiging, arrogantie, verbeelding, verwaandheid, verwatenheid, aanmatiging, onbescheidenheid
arrogant = aanmatigend, arrogant, zelfbewust, aanmatigend, arrogant, hautain, laatdunkend, verwaand, verwaten, aanmatigend, onbescheiden, verwaand, aanmatigend, arrogant
arrow = pijl, scheut
arrowroot = arrowroot, pijlwortel
arse = aars, anus
arsehole = lul, hondelul, zak, klootzak
arsenal = arsenaal, tuighuis, wapenkamer, arsenaal, tuighuis, wapenkamer, wapenmagazijn
arsenic = arsenicum, rattenkruid, arsenicum, rattenkruit
art = kunst
Artemis = Artemis, Artemis
arteriosclerosis = aderverkalking, arteriosclerose
artery = arterie, slagader
artesian = artesisch
art gallery = kunstgalerie
arthritis = gewrichtsontsteking, jicht
Arthur = Arthur
artichoke = artisjok
article = artikel, handelsartikel, artikel, bijdrage, opstel, stuk, verhandeling, lidwoord, ding, mikpunt, object, onderwerp, voorwerp, lijdend voorwerp
article of clothing = gewaad, kleding, kleed
article of dress = gewaad, kledingstuk
articulate = articuleren, <door een mechanisme verbinden>, articuleren, <door een mechanisme verbinden>
artificial = gekunsteld, gemaakt, gewrongen, artistiek, kunstig, kunstmatig, gemaakt, kunstmatig, nagemaakt, gezocht, kunstmatig, onnatuurlijk
artificial respiration = beademing
artillery = artillerie, geschut
artilleryman = artillerist, artillerist
artisan = ambachtsman
artist = artiest, kunstenaar
artistic = artistiek, kunstig, kunstmatig, artistiek
Aruba = Aruba
Aruban = Arubaans, Arubaan
Aruban woman = Arubaanse
arum = aronskelk
Aryan = Arisch, Ariër
as = als, toen, wanneer, als, hoe, op welke manier, op welke wijze, wat, zoals, als, op de manier van, op de wijze van, zoals, als, bij wijze van, blijkens, ingevolge, langs, naar, volgens, even, zo, aangezien, daar, omdat, vermits, want, wijl
as a consequence = dientengevolge
asafoetida = duivelsdrek
as a gift = ten geschenke
as a matter of fact = feitelijk, inderdaad, metterdaad
as a result of = ingevolge, ten gevolge van
as ... as = even ... als, even ... als, zo ... als
as a whole = alles wel beschouwd, over het algemeen genomen, überhaupt
asbestos = asbest
as bold as brass = hondsbrutaal, onbeschoft
ascend = opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen, oplopen, rijzen, stijgen, klimmen, naar boven gaan, rijzen, stijgen, bestijgen, beklimmen
Ascension = Hemelvaart
Ascension Day = hemelvaartsdag
ascent = beklimming
ascertain = bevinden, constateren, vaststellen
ascetic = ascetisch
ascorbic acid = ascorbinezuur, vitamine C
aseptic = antiseptisch, aseptisch, kiemvrij
as for the rest = overigens, trouwens, verder, voor de rest
ash = as, es
ashamed = beschaamd, beschaamd
ash-blond = asblond
ashen = asgrauw
ashtray = asbak, asla
Ash Wednesday = Aswoensdag, Aswoensdag
Asia = Azië
Asia Minor = Anatolië, Klein-Azië, Klein-Azië
Asian = Aziatisch, Aziaat
Asian woman = Aziatische
Asiatic = Aziatisch
as if = als, als het ware, of alsof
as is being said = naar men zegt
ask = vragen, inroepen, verzoeken, vragen, aanvragen
ask for = inroepen, verzoeken, vragen, aanvragen
ask forgiveness = zich excuseren
ask oneself = zich afvragen
as one pleases = naar believen, naar verkiezing, naar welgevallen, zoals men wil
asparagus = asperge
aspect = aanblik, aanzien, air, schijn, uiterlijk, verschijning, voorkomen
aspen = esp, ratelpopulier
asphalt = asfalteren, asfalt, aardpek, asfalt
asphodel = affodil
aspidistra = aspidistra
aspiration = aspiratie, sollicitatie
aspire = ambiëren, dingen naar, najagen, nastreven, streven naar
aspire to = ambiëren, dingen naar, najagen, nastreven, streven naar
aspirin = aspirine
as regards = aangaande, met betrekking tot, ten opzichte van
ass = ezel
assailant = aanvaller, agressor, aanvaller, agressor, aanvaller, aanrander, aanrander, aanrander
assault = aangrijpen, aantasten, aanvallen, tackelen, aanranden, een aanslag plegen op, zich vergrijpen aan, aanranding, aanslag, bestormen, bestorming, charge, stormloop, bestormen, bestorming, charge, stormloop
assaulter = aanrander, aanrander, aanrander
assemblage = bijeenkomst, meeting, samenkomst, vergadering, montage, zetting
assemble = assembleren, bijeenkomen, samenkomen, vergaderen, monteren, zetten
assembler = assembler, monteur
assembly = samenscholing, assemblee, assemblee, vergadering, montage, zetting
assembly hall = montagehal
assembly room = montagewerkplaats
assembly shop = montagehal
assent = beamen, bevestigen, ja zeggen, toestemmen, bevestiging, toestemming
assert = beweren, verzekeren
assertion = bewering
assessment = aanslag, belastingaanslag
asset = aanwinst, acquisitie, buit, prooi, verkrijging, verwerving
assets = actief, bedrijvende vorm, bezit, tegoed, activa
assign = betekenen, dagen, dagvaarden, voor het gerecht dagen, toewijzen, als taak opgeven
assign a number = nummeren
assigned job = karwei, klus, opgave, taak
assimilate = assimileren, in zich opnemen
assimilation = assimilatie, assimilatie, verwerking
Assisi = Assisi
assist = assisteren, bijstaan, helpen, ter zijde staan, baten, bijstaan, helpen, ter zijde staan
assistance = assistentie, hulpbetoon
assistant = adjunct, assistent, helper, assistente, assistent, famulus, helper, hulp, assistente, helpster
assistent = assistent, helper, hulp
associate = aansluiten, zich aaneensluiten, zich verenigen, zich verenigen
associate with = omgaan met
association = associatie, bond, genootschap, maatschappij, vereniging
as soon as = zohaast, zodra, zodra als
assortment = assortiment, sortering
ass's = ezels-
as stupid as an ass = aartsdom, oerdom, oliedom
assumingness = aanmatiging, arrogantie, verbeelding, verwaandheid, verwatenheid, aanmatiging, onbescheidenheid, aanmatiging, arrogantie
assure = betuigen, verzekeren
Assyria = Assyrië, Assyrië
Assyrian = Assyrisch, Assyriër
astatine = astaat, astatium
aster = aster
asterisk = asterisk, sterretje, asterisk, sterretje
asteroid = asteroïde
asthma = astma, aamborstigheid, aamborstigheid, astma
asthmatic = aamborstig, astmatisch, kortademig, astmalijder
asthmatic patient = astmalijder
as though = als, als het ware, of alsof
as to = aangaande, met betrekking tot, ten opzichte van
astonishing = bevreemdend, verbazingwekkend, verwonderlijk, wonderbaarlijk
astonishment = bevreemding, verbaasdheid, verwondering
astringent = adstringerend, samentrekkend, wrang, adstringerend, samentrekkend
astrologer = astroloog, sterrenwichelaar, astroloog, sterrenwichelaar
astrology = astrologie, sterrenwichelarij
astronaut = astronaut, ruimtevaarder
astronomer = astronoom, sterrenkundige, astronoom, sterrenkundige
astronomic = astronomisch
astronomical = astronomisch
astronomy = astronomie, sterrenkunde
Asturias = Asturië, Asturië
astute = pienter, scherpzinnig, schrander, snugger, spits, vernuftig
as well as = alsmede, alsook, en ook, alsmede, daarenboven, op de koop toe, voorts
asylum = asiel, toevluchtsoort, vrijplaats
asymmetric = asymmetrisch, asymmetrisch
asymmetrical = asymmetrisch, asymmetrisch
as you wish = naar believen, naar wens, volgens zijn wil
at = aan, bij, naar, tegen, tot, voor, aan, bij, dichtbij, naast, nabij, aan, jegens, met, om, op, te, tot, à, bij, elk, ieder, telkens, à, bij, elk, ieder, telkens, aan, bij, ten huize van
Atalanta = Atalanta
at all = dan ook, ook maar, finaal, heel, geheel, helemaal, totaal, volkomen, volledig
at a strech = aaneen, achtereen, onophoudelijk, aaneen, aan één stuk door, in één ruk, ononderbroken
atavism = atavisme
at choice = naar verkiezing
atelier = atelier
at first = aanvankelijk, in het begin, aanvankelijk
at first glance = a prima vista, op het eerste gezicht
at first sight = a prima vista, op het eerste gezicht
at great length = lang, langdurig, gedurende lange tijd, voor lange tijd
atheism = atheïsme, godloochenarij, godloochening
atheist = atheïst, godloochenaar
Athena = Athene, Athene
Athene = Athene, Athene
Athenian = Atheens, Athener
Athens = Athene, Athene
a thing that needs to be done = iets wat gedaan moet worden
athlete = atleet
athletic = atletisch
athletics = atletiek, krachtsport, atletiek, krachtsport
at home = thuis
Atilla = Atilla
Atlantean = Atlantisch, van Atlantis, Atlantiër
Atlantean woman = Atlantische
Atlantic = Atlantische Oceaan, Atlantisch
Atlantic Ocean = Atlantische Oceaan
Atlantis = Atlantis, Atlantis, Atlantis
atlas = atlas, kaartenboek, atlas, eerste halswervel, atlas
at last = eindelijk, per saldo, ten slotte, eindelijk
at least = althans, tenminste, minimaal, minstens, ten minste
at long last = eindelijk
atmosphere = dampkring, lucht, sfeer, atmosfeer, sfeer, stemming
atmospheric = atmosferisch, sfeervol
atmospheric phenomenon = atmosferisch verschijnsel, meteoor
at most = hoogstens, hooguit, maximaal, hoogstens, maximaal, meestal, ten hoogste
at night = bij nacht, 's nachts, 's nachts
atoll = atol, koraaleiland, atol, koraaleiland
atom = atoom
atom bomb = atoombom
atomic = atomair, atoom-
atomic energy = atoomenergie
atomic fusion = atoomfusie
atomic powerstation = atoomcentrale
atomic theory = atoomtheorie
atomic weight = atoomgewicht
atonal = atonaal
at once = dadelijk, onmiddellijk, op stel en sprong, terstond, zonder verwijl, aanstonds, dadelijk, meteen, op staande voet, schielijk, subiet, zo
at par = pari, à pari, pari
at pleasure = naar verkiezing
at present = nou, nu, tegenwoordig, thans
atrocity = gruwel, gruweldaad, verschrikking
atrophy = atrofie veroorzaken, atrofie veroorzaken, atrofiëren, uitteren, atrofie, verschrompeling
at some time = eenmaal, eens, ooit, wel eens
attach = aanhechten, aanzetten, voordoen, bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen
attaché = attaché
attachement = aanhankelijkheid
attachment = aanhechting, aanhankelijkheid, gehechtheid, verkleefdheid, verknochtheid, beslag, beslaglegging, aanhankelijkheid, toegenegenheid, aanhankelijkheid, gehechtheid, toewijding
attack = aanmaning, aanval, aangrijpen, aantasten, aanvallen, tackelen, aanval, offensief, vlaag
attacker = aanvaller, agressor, aanvaller, agressor, aanvaller, aanvalsspits, belager
attain = buit maken, behalen, verkrijgen, verwerven, bereiken, behalen, inhalen, reiken tot, treffen
attempt = moeite doen, pogen, streven, trachten, zich beijveren, zoeken, moeite, poging, pogen, streven, zich inspannen, beproeven, passen, aanpassen, proberen, toetsen, uitproberen, beproeving, poging, proef, test, toets, toetsing
attend = verplegen, verzorgen, zorgen voor, afgaan, bezoeken, opzoeken, aanwezig zijn, aanwezig zijn bij, bijwonen
attend a congress = congresseren
attendance = bediening
attendance register = absentielijst, absentielijst
attendant = steward
attention = aandacht, acht, attentie, oplettendheid
attentive = aandachtig, attent, oplettend, aandachtig, oplettend
attentively = aandachtig, attent, met aandacht, oplettend
attest = certificeren, getuigen
at that place = aldaar, daar, d'r, er, 'r
at the back = achter, aan de achterkant, aan het einde, achteraan
at the instance of = op aandrang van
at the outset = aanvankelijk, in het begin, aanvankelijk
at the rate of = à, bij, elk, ieder, telkens
at the right time = bijtijds, op tijd, tijdig
at the same time = gelijk, gelijktijdig, tegelijk, tegelijkertijd, tevens
at this moment = op dit moment
attic = dakkamertje, zolderkamer, zolderkamertje, zolder
Attica = Attica
attitude = houding
attitudinize = zich aanstellen, zich voordoen
attitudinizer = aansteller, kwast
attract = aanlokken, bekoren, toelachen, trekken, aantrekken, verlekkeren, aanhalen, trekken, aantrekken, lokken
attraction = attractie, trekpleister, aantrekkelijkheid, aantrekkingskracht
attractive = aanlokkelijk, aantrekkelijk, aanlokkelijk, lekker
attractiveness = aantrekkelijkheid
attribute = attribuut, bijvoeglijke bepaling, kenmerkende eigenschap
attune = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanpassen, afstemmen
at variance = oneens
at will = naar believen, naar wens, volgens zijn wil, naar verkiezing
aubade = aubade, aubade
aubergine = aubergine, aubergine
aubretia = aubriëta, aubriëtia
auction = afslag, auctie, mijn, veiling, vendu, vendutie, verkoping
auctioneer = afslager, veilingmeester, vendumeester
audacious = brutaal, gedurfd, stout, stoutmoedig, vermetel, waaghalzerig
audacity = durf, gedurfdheid, lef, stoutheid, stoutmoedigheid, vermetelheid
audience = auditorium, gehoor, toehoorders, audiëntie, auditorium, gehoor, hoorders, toehoorders
audio tape = geluidsband
audio-visual = audiovisueel, audiovisueel
audit = aflezen, checken, controleren, nakijken, surveilleren, toezien
audition = auditie
auditor = inspecteur, revisor
auditorium = aula, gehoorzaal
auditory = auditorium, aula, gehoorzaal, auditorium, gehoor, hoorders, toehoorders
Augean stable = Augiasstal
Augeas = Augias
augment = uitbouwen, uitbreiden, vergroten, groeien, aangroeien, stijgen, toenemen
August = augustus, oogstmaand
Augustus = August, Augustus
aum = aam
aunt = tante, tante, tante van moederskant, tante, tante van vaderskant
aura = aura
aureole = aureool, heiligenkrans, nimbus, stralenkrans
Aurignacian Period = Aurignacien
aurochs = oeros
aurora = aurora, morgenlicht, morgenrood
auspices = auspiciën, begunstiging, bescherming
Australia = Australië
Australian = Australisch, Australiër
Australian aboriginal = aboriginal, Australische inboorling
Australian woman = Australische
Austria = Oostenrijk
Austrian = Oostenrijks, Oostenrijker
autarky = autarchie, zelfvoorziening
authentic = authentiek, echt, authentiek, echt, onvervalst, waar
authenticity = authenticiteit, echtheid
author = auteur, bedenker, schepper, schrijver, opsteller, auteur, schrijver, stilist
authorative = autoritair, gezaghebbend
authoress = auteur, schrijfster
authoritative source = instantie
authority = autoriteit, gezag, autoriteit, gezag, autoriteit, deskundige, gezaghebber, autoriteit, gezag
authorization = bevoegdheid, machtiging, mandaat, volmacht
authorize = autoriseren, machtigen, volmachtigen
autism = autisme
autistic = autistisch
autobiographical = autobiografisch
autobiography = autobiografie
autobus = bus, autobus
autocracy = alleenheerschappij, autocratie, autocratie
autocrat = alleenheerser, autocraat
autocratic = autocratisch
autodidact = autodidact, autodidact, autodidact
autogenous = autogeen
automate = automatiseren, automatiseren
automatic = automatisch, werktuiglijk, zelfwerkend
automatically = automatisch
automation = automatisering, automatisering
automobile = auto, automobiel
automobile tyre = autoband, autoband
automoton = automaat
autonomic = autonoom, onafhankelijk, zelfbesturend
autonomous = autonoom, onafhankelijk, zelfbesturend
autonomy = autonomie, onafhankelijkheid, autonomie, zelfbestuur
autopsy = autopsie, lijkschouwing, autopsie, lijkschouwing
autumn = herfst-, najaars-, herfst, najaar
autumnal = herfstachtig
auxilary = hulp-
avail = baten, helpen, van nut zijn
available = beschikbaar, disponibel, liquide, voorhanden, verkrijgbaar
avalanche = lawine
avant-garde = avant-gardistisch, aanvalsspits, avant-garde, voorhoede
avarice = gierigheid, inhaligheid, schraperigheid, vrekkigheid
avaricious = gierig, hebzuchtig, inhalig, pinnig, schraperig, vrekkig
avenge = wraak nemen, wreken
avenge oneself = wraak nemen, wreken
avens = nagelkruid
avenue = dreef, laan, avenue
average = gemiddeld, gemiddelde, doorsnee, gemiddeld, middelbaar, midden-, gemiddeld, gemiddelde, middelmaat, midden
averse = afkerig
aversion = afkeer, antipathie, hekel, tegenzin
aviary = volière
aviate = vliegen
aviation = luchtvaart, luchtvaart, aviatiek, luchvaart, vliegwezen
aviator = aviateur, vlieger, vliegenier
avidity = begeerte, begerigheid, graagte, begeerte, begerigheid
avoid = mijden, ontwijken, uit de weg gaan, vermijden
avowedly = volgens eigen bekentenis
await = afhalen, wachten, te wachten staan, verbeiden, verwachten, afwachten
awake = wakend, wakker
awaken = wakker maken, wekken, opwekken
award a prize = bekronen, een prijs toekennen
aware = bewust, welbewust
awareness = besef, bewustzijn, bezinning
away = heen, over, vandoor, verwijderd, voort, weg
away we go = aan de slag, hup, vooruit
awful = afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk
awfully = bar, verschrikkelijk
a while = even, eventjes, korte tijd
awkward = log, plomp, knullig, onbeholpen, onhandig, schutterig, stumperig, sukkelig
axe = bijl, hakbijl
axiom = axioma, grondstelling
axis = as, spil
axis of the earth = aardas
axle = as, spil
azalea = azalea
Azerbaijan = Azerbaidzjan, Azerbaidzjan, Azerbaidzjaans
Azerbaijani = Azerbaidzjaan, Azeri
Azerbaijan woman = Azerbaidzjaanse
azimuth = azimut
Azoic = Azoïcum
Azoic era = Azoïcum
Azores = Azoren
Aztec = Azteeks
Baal = Baäl
Babel = Babel, Babel, Babylon
baboon = baviaan
baby = baby, baby, kindeke, kindje, wicht
baby intercom = babyfoon
Babylon = Babel, Babel, Babylon
Babylonia = Babylonië
Babylonian = Babylonisch, Babyloniër
baby phone = babyfoon
baby's bottle = zuigfles
baby's comforter = speen, fopspeen, speen, fopspeen, stofzuiger, zuigglas, speen, fopspeen
babysitter = oppas, oppas
baby-sitter = babysitter, babysitter
Bacchus = Bacchus
bachelor = celibatair, jonggezel, vrijgezel
back = achterzijde, ommezijde, rugstuk, rugzijde, rug, achterkant, achterzijde, achtereind, achterkant, achterstallig, onbetaald, achteruit, terug, terug, weerom, achteruitrijden
back and forth = heen en weer, vice versa
back axle = achteras
backbiting = achterklap, eerroof, laster
back-door = achterdeur
back down = bakzeil halen, bakzeil halen
background = achtergrond, achtergrond
back of the head = achterhoofd
back of the neck = nek
backpack = knapzak, ransel
back part = achtereind
back seat = achterbank
backside = achterste, bips, gat, kont, staartstuk, zitvlak
backspace = backspace
back street = achterbuurt
back to front = achterstevoren
backup = een backup maken, een backup maken van, backup, reservekopie, een backup maken, backup
back up = achteruit rijden, achteruit rijden
backward = achterover, achteruit, achterwaarts, rugwaarts, achterlijk, achterwaarts
backwardness = achterlijkheid
backwards = achteruit, achterwaarts, rugwaarts, achterover, achteruit, achteruit, terug
back wheel = achterwiel
bacon = spek
bacterium = bacterie
bad = beroerd, kwaad, kwalijk, slecht, verkeerd, slecht, verkeerd, bedorven, rot, verrot
badge = blazoen, insigne, wapen
badger = das
bad job = akkefietje, ongerief, verdrietelijkheid, akkefietje, akkevietje
bad luck = ongelukje, pech, tegenslag, tegenvaller, wanbof
badly = slecht
bad-smelling = stinkend, stinkend
Baffin Island = Baffinland
bag = tas, zak, tas, zak, tas, zak, colli, collo
bagasse = <geperste schillen, doppen of pitten>
baggage = bagage
Baghdad = Bagdad
bags = colli, colli's
bah = bah
Bahamian = Bahamaans, Bahamiaan
Bahamian woman = Bahamaanse
Bahraini = Bahreins, Bahreini
Bahraini woman = Bahreinse
Bahrein = Bahrein
baht = baht
bairn = kind, kind
bait = aas, lokaas, lokmiddel
baize = baaien, baai
bake = bakken
baked goods = baksel, gebak
bakelite = bakeliet
baker = bakker, bakker, broodbezorger
baker's shop = bakkerswinkel
bakery = bakkerij
baking oven = bakoven
Baku = Bakoe
balalaika = balalaika
balance = balans, onrust, balanceren, hobbelen, schommelen, wiegelen, wiegen, wippen, banksaldo, overschot, saldo
balance sheet = balans, handelsbalans
balance with a bank = banksaldo
balata = balata
balcony = balkon
bald = kaal, kaalhoofdig
baldachin = baldakijn, hemel, draaghemel, troonhemel
baldness = kaalheid, kaalhoofdigheid
bale = baal, colli, collo
Balearic Islands = Balearen
baleen = balein, balein
bales = colli, colli's
Bali = Bali
Balinese = Balinees, Balinees
Balkans = Balkan
ball = bal, danspartij, bal, bol, kloot, kogel, bal, speelbal, bol, gebied, kloot, omgeving, sfeer, muis, muis van de hand
ballad = ballade
ballade = ballade
ballast = ballast
ball-bearing = bal, bol, kloot, kogel
ballerina = ballerina, balletdanseres
ballet = ballet, ballet
ballet dancer = ballerina, balletdanseres, balletdanser
ballet girl = ballerina, balletdanseres
ballet master = balletmeester
ballgame = balspel
ball game = balspel, handbal
ballistics = ballistiek, werpkunde
ball of the thumb = muis, muis van de hand
balloon = ballon, luchtballon, ballon, luchtballon
ballot = ballotage, stemming
balloting = ballotage, stemming
ballpoint = balpen, ballpoint, kogelpen
ball-point pen = balpen, ballpoint, kogelpen
ballpoint pen = ballpoint, balpen, kogelpen
ball-room = balzaal
balm = balsem-, balsem
balminess = mildheid, zachtheid, zachtaardigheid, zachtmoedigheid, zoelheid
balsam = balsem-, balsamien, balsamine, balsemien, springzaad, balsem
Baltic = Baltische Zee, Baltisch
Baltic Sea = Oostzee
balustrade = balie, balustrade, hekje, leuning
bamboo = bamboe, Indisch riet
bamboo shoots = bamboescheuten
ban = anathema, ban, banvloek, excommunicatie, ban, banvloek, excommunicatie
banality = banaliteit, gemeenplaats, alledaagsheid, banaliteit
banana = banaan, pisang, banaan, pisang
banana leaf = bananeblad
banana-plant = bananenplant
banana plant = bananenplant
band = bende, schare, troep, bende, horde, band, muziekgroep, orkest
bandage = verband, zwachtel, verband, zwachtel, baken, inbakeren, inzwachtelen, omwikkelen
Banda Sea = Bandazee
bandit = bandiet, struikrover
bandoleer = bandelier, schouderriem
bands = bef
bandstand = muziektent
bang = dichtslaan
Bangkok = Bangkok
Bangladesh = Bengaals
Bangladeshi = Bengalese, Bengalees
Bangladeshi woman = Bengalese
banisters = balie, balustrade, hekje, leuning
banjo = banjo
bank = bank, boord, kant, kust, oever, wal, walkant, waterkant, zeekant, bank, plaat, zandbank, zandplaat
bank account = bankrekening
bank clerk = bankbediende, bankemployé
bank discount = bankdisconto
banker = bankdirecteur, bankier, bankier
banking = bankwezen
banking account = bankrekening
banking secret = bankgeheim
bank manager = bankdirecteur, bankier
bank messenger = bankloper, kasloper
banknote = bankbiljet, briefje
bank-note = bankbiljet, bankbiljet, briefje
bank note = bankbiljet, briefje
bank official = bankbediende, bankemployé
bank rate = bankdisconto
bankrupt = bankroet, bankroetier, bankroetier
bankruptcy = bankroet, failliet, faillissement, krach
banner = dundoek, vaan, vlag
banquet = banketteren, banket, feestmaal, feestmaal, festijn, gelag, smulpartij
banquet-room = banketzaal
banquet room = banketzaal
banshee = banshee
Bantu = Bantoe-, Bantoe
banyan = Indische vijgenboom, waringin
baobab = apebroodboom
baptism = doop, doopsel
baptismal font = doopvont
baptist = baptist
baptistery = doopkapel
baptize = dopen
baptizer = doper
bar = afdammen, afsluiten, belemmeren, stuwen, versperren, bar, barrière, scheidsmuur, versperring, briket, reep, bar, herberg, kroeg, tapperij, behoudens, beletten, verhinderen, verhoeden, belemmeren, beletten, doorkruisen, storen, stremmen, verhinderen, bar, café
Barbadian = Barbadaans, Barbadaan, Barbadiaan
Barbadian woman = Barbadaanse
barbarian = barbaar, onmens, wreedaard
barbaric = barbaars, Barbarijs, barbaars, onmenselijk
barbarism = barbarisme
barbarity = barbaarse daad, onmenselijke daad, barbaarsheid, onmenselijkheid
barbarousness = barbaarsheid, onmenselijkheid
Barbary = Barbarije
barbecue = barbecue, barbecuen, barbecue, barbecue
barbed-wire = prikkeldraad
barbed wire = prikkeldraad
barbel = barbeel, barbeel
barber = barbier, kapper, barbier, kapper, barbier
barberry = berberis, zuurbes
Barbery = Barbarije
barbiturate = barbituraat
Barcelona = Barcelona
bard = bard
bare = bloot, naakt, onbedekt, onopgesmukt
barefoot = barrevoets
barely = amper, kwalijk, nauwelijks, ternauwernood
Barentsz Sea = Barentsz-zee, Barentsz-zee
bargain = afdingen, marchanderen, pingelen
barge = aak, rijnaak
bargemaster = aakschipper
baritone = bariton, bariton
barium = barium, barium
bark = schors, boomschors, bark, boot, hulk, pink, schuit, bassen, huilen, blaffen, aanslaan, beginnen te blaffen, dop, schaal, schil, schors
bark at = aanblaffen
barking dear = blafhert, muntjak
barley = gerst
barman = barman
barn = barak, keet, loods, schuur, huisje, keet, kraam, loods, schuur, stalletje, tent
Barnabas = Barnabas, Barnabas
bar of chocolate = plak chocolade
barometer = barometer, drukmeter
barometer reading = barometerstand
baron = baron
baroness = barones
barony = baronie
baroque = barok-, in barokstijl, barokstijl
barque = bark, boot, hulk, pink, schuit
barrack = barak, keet, loods, schuur
barracks = kazerne, kazerne
barrel = fust, ton, vat, colli, collo, buis, kanaal, loop, pijp, roer, steel
barrel-organ = draaiorgel, pierement
barrels = colli, colli's
barren = onvruchtbaar, schraal, steriel, onvruchtbaar, bar, onvruchtbaar, vruchteloos
barricade = barricaderen, versperren, barricade, versperring
barrier = afsluitboom, slagboom, barrière, afsluiting, barrière, heining, hek, versperring, bar, barrière, scheidsmuur, versperring
barring = behoudens
barrister = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger
barrister-at-law = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger
barrow = grafheuvel
bar stool = barkruk
bartender = barman
Bartolomew = Bartholomeus
basalt = basalt
base = baseren, gronden, base, basis, grond, grondslag, grondtal, grondvlak, gemeen, infaam, laag, laaghartig, schunnig, vuig, baseren
baseball = baseball, baseball
Basel = Bazel
basement = kelder
bashfulness = bedeesdheid, verlegenheid
basic = basis-
basic wage = basisloon
basil = basilicum
basilica = basiliek
basin = bassin, kom, stroomgebied, vijver, bekken, kom, vont
basis = base, basis, grond, grondslag, grondtal, grondvlak
basket = ben, korf, mand, slof
basketball = basketbal, basket-ball, korfbal
Basle = Bazel
Basque = Baskisch, Baskisch, Baskische taal, Bask
Basque Country = Baskenland, Baskenland
Basque language = Baskisch, Baskische taal
bas-relief = bas-reliëf, bas-reliëf
bass = bas, basstem, baszanger, bas, bassist, baszanger, baars
bass player = bassist
bass-viol = basviool
bass voice = bas, basstem, baszanger
bast = bast
bastard = basterd-, bastaard, onecht kind, lul, hondelul, zak, klootzak
bastardy = bastaardij
baste = bedruipen
bastion = bastion, bolwerk, rondeel
bat = vleermuis
Batavia = Batavia
Batavian = Bataafs, Bataaf, Batavier
Batavian Republic = Bataafse Republiek
bath = bad, badkuip, bad
bathe = baden, in bad doen, wassen, baden, een bad nemen
bathing box = badhokje, badhokje
bathing-sponge = badspons
bathing-suit = badpak, zwemkostuum
bathing suit = badpak, zwemkostuum
bathroom = badhuis, badkamer, badplaats, badhuis, badkamer, badplaats, badkamer
baths superintendant = badmeester
bath superintendant = badmeester
batik = batikken
batiste = batist
baton = staf, stok
battalion = bataljon
battery = accu, accumulator, accumulator, batterij, batterij
battle = gevechts-, gevecht, kamp, slag, strijd, treffen, veldslag
battle- = gevechts-
battlefront = front, gevel, voorkant, voorzijde
baud = baud
bauxite = bauxiet
Bavaria = Beieren, Beieren
Bavarian = Beiers, Beier
bawdy = bordeel, hoerenkast, huis van plezier
bay = bassen, huilen, baai, inham, kreek
bay at = aanblaffen
Bay of Bengal = Golf van Bengalen
Bay of Biscay = Golf van Biskaje
bayonet = bajonet
bayonet catch = bajonetsluiting
bayonet joint = bajonetsluiting
bazaar = bazaar, markt, marktplaats, marktplein, bazaar, fancyfair, bazaar, warenhuis
bazooka = antitankgeweer, bazooka
be = worden
be able = in staat zijn, vermogen
be able to = in staat zijn, vermogen, kunnen
be able to cope with = aankunnen, kunnen doen, afkunnen
be able to do = aankunnen, kunnen doen
be able to handle = afkunnen
be able to match with = aankunnen
be about = circuleren, in omloop zijn, rondgaan, rouleren
be absent = absent zijn, afwezig zijn, ontbreken, verstek laten gaan
be accepted = aanvaard worden, geaccepteerd worden
beach = strand
beachcomber = strandjutter
be acid = zuur zijn
beacon = bebakenen, baak, baken, baak, baken
be acquainted with = bekend zijn met, kennen
bead = kraal
be addicted = verslaafd zijn, verslaafd zijn
be adrift = drijven, afdrijven, op drift zijn
be advised = informatie inwinnen, informeren, inlichtingen vragen
be afraid of = bang zijn voor, duchten, schromen, terugschrikken voor, vrezen
be a guest of = logeren, te gast zijn
be a hit = furore maken, een hoge vlucht nemen, in trek zijn, opgang maken
be ailing = ziek zijn
be ajar = aanstaan, op een kier staan
beak = bek, neb, snater, snavel, tuit, vogelbek
be alive = leven
be allowed to = mogen
beam = straal, balk, onderlegger, ribbe
bean = boon, tuinboon, veldboon
be angry = boos zijn, boos zijn op, kwaad zijn, kwaad zijn op, toornen
be answerable = aansprakelijk zijn, verantwoordelijk zijn, verantwoorden
be appropriate = betamen, gelegen komen, passen, schikken, uitkomen, voegen
bear = baissier, speculant, baissier, dragen, naar buiten brengen, uithouden, verdragen, baren, bevallen, het leven schenken, teweegbrengen, voortbrengen, afwerpen, opbrengen, opleveren, voortbrengen, doorstaan, lijden, ondergaan, uitstaan, velen, verdragen, beer
beard = baard
bearded = baardig, gebaard, baardig, gebaard
beardless = baardeloos
bear down = koersen, stevenen, afstevenen
bearer share = aandeel aan toonder
bear fruit = vrucht dragen
bearing = lager
Bear Island = Bereneiland
bear's-ear = aurikel, bereoor
bearskin = beremuts, kolbak, beremuts
bearskin cap = beremuts, kolbak, beremuts
bear the cost of = bekostigen
bear witness of = certificeren, getuigen
be ashamed = beschaamd staan, zich schamen, zich generen, zich schamen
be asleep = maffen, slapen
beast = beest, beestachtig mens, wild beest, wild dier, beest, dier
beastly = beestachtig, dieren-, dierlijk, beestachtig, beestachtig
beast of prey = roofdier
beat = afranselen, houwen, klappen, kloppen, slaan
be at loggerheads = bakkeleien, met elkaar vechten, plukharen, bakkeleien
beat off = afslaan, debatteren, afslaan, wegslaan
beat up = afranselen
beautiful = fijn, fraai, mooi, knap, net, schoon
beautifully = mooi, net
beautiful woman = schone, schone vrouw, schoonheid, stuk
beauty = fraaiheid, knapheid, schoonheid, bel, schone, schone, schone, schone vrouw, schoonheid, stuk
beaver = bever-, bever
be aware of = beseffen, zich bewust zijn, zich realiseren, zich bewust zijn van
be balding = kalen
be bankrupt = bankroet gaan, failliet gaan, failleren, mislukken
be beaten = verliezen, verslagen worden
be bold = bestaan, durven, wagen
be bored = zich vervelen
be born = geboren worden, ontluiken, spruiten
be burnt down = afbranden, verbranden
be called = heten, genoemd worden
be careful = oppassen
because = aangezien, daar, doordat, omdat, aangezien, daar, omdat, vermits, aangezien, daar, omdat, vermits, want, wijl
because of = naar aanleiding van, vanwege, wegens, door, in ruil voor, op, op grond van, uit, vanwege, voor, wegens
Bechuanaland = Beetsjoeanaland, Botswana
be closed = dichtgaan, sluiten, toegaan, toegroeien, toevallen, zich sluiten
become = goed staan, gebeuren, toegaan, voortgang hebben, worden, raken, worden
become abusive = beginnen te schelden
become accustomed = zich gewennen aan
become a Christian = christen worden, zich tot het christendom bekeren
become bitter = bitter worden
become complete = aangevuld worden
become disillusioned = teleurgesteld worden
become dull = afstompen, verdierlijken, verstompen
become engaged = zich engageren, zich verloven, zich engageren, zich verloven, zich verloven
become engaged with = zich verloven met, zich verloven met
become full = vollopen, volschieten
become holy = heilig worden
become steamy = beslaan, beslaan
become the fiacée of = zich verloven met
become the fiancé of = zich verloven met
become the husband of = de man worden van, huwen, trouwen met
become the wife of = de vrouw worden van, huwen, trouwen met
becoming = betamelijk, gepast, geschikt, passend, toepasselijk
be conscious of = beseffen, zich bewust zijn, zich realiseren
be considered = in aanmerking komen, meetellen
be correct = kloppen, overeenkomen, stroken
becquerel = becquerel
bed = bed, perk, bloemperk, tuinbed, bedding, stroombedding, bed, legerstede, sponde
bedbug = wandluis
bed-clothes = beddegoed
bedding = beddegoed
be defeated = verliezen, verslagen worden
be delirious = ijlen, kolderen, malen, raaskallen
be dependent on = afhangen van, afhankelijk zijn van
be deposited = berusten
be detained = achterblijven, nablijven
be detrimental to = afbreuk doen aan
be different = schelen, uiteenlopen, verschillen
be disappointed = teleurgesteld worden
be discharged gradually = afvloeien
be discouraged = ontmoedigd worden
Bedouin = Bedoeïen
bedridden = bedlegerig
bedroom = slaapkamer
bedspread = sprei, beddesprei
bedstead = ledikant
bedstraw = walstro
bedtime = bedtijd
bed-wetting = bedwateren, bedplassen, bedwateren
bee = bij, honingbij
beech = beuk
be educated = opgeleid worden
beef = klapstuk, rundvlees
be effective = effect sorteren, uitwerking hebben, werken, uitwerken
beefsteak = bief, biefstuk
beehive = bijenkorf
bee-keeper = bijenhouder, iemker, imker
bee-keeping = bijenteelt
bee-master = bijenhouder, iemker, imker
be encamped = kamperen, legeren
beer = bier
beeswax = bijenwas
beet = bieten-, beetwortel, biet, kroot, mangelwortel
beet- = bieten-
beetle = kever, schildvleugelige, tor, kever, tor
beetroot sugar = beetsuiker, bietsuiker
beet sugar = beetsuiker, bietsuiker
befit = betamen, horen, behoren, passen, voegen
be fitting = betamen, horen, behoren, passen, voegen
befog = benevelen, verdoezelen
be foiled by = afstuiten op
be fond of = dol zijn op, gek zijn op, verzot zijn op
before = voor, alvorens, alvorens te, eer, aleer, voor, vooraleer
be found = verkeren, voorkomen, zich bevinden, zich ophouden, zich bevinden
be frustrated by = afstuiten op
be full = genoeg hebben, vol zitten
beg = bedelen, schooien, inroepen, verzoeken, vragen, aanvragen
beget = verwekken
beggar = bedelaar, schooier, bedelaar, schooier
beggar-woman = bedelaarster, schooister
begging = bedelarij, gebedel, schooierij
begin = beginnen, een aanvang nemen, aanbinden, aanvangen, beginnen, aanbreken, aanvangen, beginnen, ingaan
beginner = beginneling, beginner
beginning = begin, aanvang, begin, ontstaan, aanhef, aanvang, begin, intrede
be glad = blij zijn, genieten van, zich verblijden, zich verheugen
begonia = begonia
be grieved = bedroefd zijn, treuren
begrudge = bejammeren, betreuren, het jammer vinden van, ontzien, sparen
beguinage = begijnhof
beguine = begijn
behave = zich gedragen
behavior = gedrag, houding, wandel
behaviour = gedrag, houding, wandel
behead = het hoofd afslaan, onthoofden
be heard = gehoord worden
behind = aan het einde, achteraan, achter, achter, aan de achterkant, achteraan, achterin, aan, achter, na, na verloop van, over, bips, kont, zitvlak
behind one's back = achterbaks, stiekem
behind the scenes = achter de schermen
behold = alsjeblieft, alstublieft, hier, hierzo, kijk, ziedaar, ziezo
be horrified = door schrik bevangen worden
be hungry = honger hebben, honger lijden
beige = beige
be in = furore maken, een hoge vlucht nemen, in trek zijn, opgang maken
be inclined = geneigd zijn, geneigd zijn tot, neigen
be in command = aanvoeren, bevelen, commanderen, het bevel voeren
be indignant = verontwaardigd zijn, zich ergeren, zich verontwaardigen
be indignant with = zich ergeren aan
be in easy circumstances = in goeden doen zijn
be in labour = bevallen, ter wereld brengen
be in opposition = oppositie voeren
be interested = zich interesseren
be interested in = belang hebben bij, belang stellen in
be in the habit of = gewend zijn, gewoon zijn, plegen
be in the keeping = berusten
be jealous = jaloers zijn
be kept in = achterblijven, nablijven
bel = bel, schone, bel
be lacking = absent zijn, afwezig zijn, schelen
be late = achterlopen, achter zijn, over tijd zijn, te laat zijn
belch = boeren, oprispen
be lenient with = ontzien, sparen, toegeeflijk zijn voor, zich laten vermurwen
belfry = belfort
Belgian = Belgisch, Belgische, Belg
Belgian woman = Belgische
Belgium = België, België
Belgrade = Belgrado
be liable = aansprakelijk zijn, verantwoordelijk zijn, verantwoorden
belief = overtuiging, geloof
believe = geloven, houden voor, menen
believe in = geloven aan, geloven in
Belize = Belize
Belizian = Belizaans, Belizaanse, Belizaan
Belizian lady = Belizaanse
Belizian woman = Belizaanse
bell = klok, bel, belletje, klokje, bel, klok, bel, belletje, rinkebel, schel
belladonna = belladonna
bell-button = belknop
belles-lettres = bellettrie, letterkunde, schone letteren, bellettrie, schone letteren
bellflower = campanula, klokje, campanula, klokje
Bellona = Bellona
bellow = balken, blaten, brullen, grommen, hinniken, loeien, schreeuwen
bellows = balg
bell-push = belknop
bell tower = belfort
bell-wether = belhamel
belly = abdomen, achterlijf, onderbuik, onderlijf, abdomen, onderbuik, onderlijf, buik
be located = verkeren, voorkomen, zich bevinden, zich ophouden, zich bevinden
belong to = behoren, behoren tot, toebehoren, behoren tot
be lost = teloorgaan, verloren gaan, wegraken, zoek raken
beloved = bemind, geliefd, beminde, lief, geliefde, liefje, zoetelief, beminde, lief, geliefde, liefste
below = beneden, daarbeneden, onder, beneden, onder, beneden, onder, beneden, daaronder, eronder
belt = ceintuur, gordel, riem, zone, ceintuur, gordel, riem
be lucky = boffen, geluk hebben, het treffen, zwijnen
be married = in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen
be master of = beheersen, kennen, machtig zijn
be master over = de baas zijn, meester zijn
be missing = absent zijn, afwezig zijn, ontbreken, verstek laten gaan, absent zijn, afwezig zijn, schelen
Ben = Benedictus
be nauseated = misselijk zijn, walgen
bench = bank, zitbank, bank, bok, ezel, rek, schraag, stander, stellage, werkbank
benchhand = bankwerker
bend = buigen, doorbuigen, ombuigen, buigen, doorbuigen, ombuigen, zich krommen, zich buigen, buigen, doen overhellen, neigen, buigen, bukken, zich bukken, buigen, krombuigen, krommen, verbuigen, buigen, doorbuigen, trekken, kromtrekken, zich krommen, bocht, curve, kromme
bend over = vooroverbuigen, vooroverhellen
be near death = op sterven liggen, zieltogen
beneath = beneden, onder, beneden, onder
Benedict = Benedictus
Benedictine = benedictijn, benedictijner monnik
Benedictine monk = benedictijn, benedictijner monnik
benefice = prebende, predikantsplaats
benefit = pré, voordeel, baat, gewin, verdienste, winst, baat, belang, nut, voordeel
benefit performance = beneficie, benefiet, benefietvoorstelling
Benelux = Benelux
be next to = belenden, grenzen aan
Bengal = Bengalen, Bengalen, Bengaals
bengal-light = Bengaals vuur
bengal-lights = Bengaals vuur
benign = goedaardig, onschuldig
Beninese = Benins, Beniner
Beninese woman = Beninse
Benjamin = Benjamin
bent = gebogen, krom, gebogen, krom
benzene = benzeen
be obstinate = koppig volhouden, tegenstreven, zich schrapzetten
be on a visit = logeren
be on duty = dienst hebben, wacht hebben, op post staan, posten
be one of = behoren tot
be on the decline = aftakelen, gebrekkig worden, in verval raken, vervallen
be on top of = liggen bovenop
Beotia = Beotië, Beotië
be painful = pijn doen, zeer doen
be patient = geduld hebben
be possible = mogelijk zijn, mogelijk zijn
be present = aanwezig zijn, aanwezig zijn bij, aanwezig zijn, aanwezig zijn bij, aanwezig zijn, aanwezig zijn bij, bijwonen
be proud = trots zijn, zich verhovaardigen
be proud of = bogen op, prat gaan op, zich beroemen op, zich verheffen op
bequeath = nalaten, nalaten, vermaken
be quiet = zich stilhouden, zijn mond houden, zwijgen, stilzwijgen
Berber = Berber
be related to = een familielid zijn van, familie zijn van
be released = afzwaaien
be responsible = aansprakelijk zijn, verantwoordelijk zijn, verantwoorden
beret = baret, alpino, alpinomuts
bergamot = bergamot, bergamotolie
be right = kloppen, overeenkomen, stroken, gelijk hebben
Bering Sea = Beringzee, Beringzee
Bering Strait = Beringstraat, Straat Bering
berkelium = berkelium
Berlin = Berlijn, Berlijns
Berliner = Berlijnse, Berlijner
Berlin lady = Berlijnse
Berlin woman = Berlijnse
Berne = Bern
Bernese = Berner, Berner
berry = bes
beryl = beril, berilsteen
beryllium = beryllium
be sad = bedroefd zijn, treuren
beseech = bezweren, bidden, smeken
beset = belagen
beside = aan, bij, dichtbij, naast, nabij, behalve, bezijden, naast, aan, bij, ten huize van
besides = overigens, trouwens, verder, voor de rest, behalve, buiten, ongerekend, bovendien, buitendien, daarbij, verder, bovendien, buitendien, daarbij, bovendien, daarenboven, verder, voorts
besiege = belegeren
besieger = belegeraar
be similar = lijken, gelijken, lijken op
be situated = gelegen zijn, liggen
be sorrowful = bedroefd zijn, treuren
be sorry about = bejammeren, betreuren, spijt hebben van
be sour = zuur zijn
bespatter = bespatten, besprenkelen
Bessarabia = Bessarabië, Bessarabië
best = best
bestial = beestachtig, dieren-, dierlijk, beestachtig, beestachtig
best of all = allerbest
be stronger than = aankunnen
best-seller = bestseller
be stubborn = koppig volhouden, tegenstreven, zich schrapzetten
be succesful = bloeien, floreren, gedijen, tieren, vooruitkomen, welvaren
be suitable = betamen, gelegen komen, passen, schikken, uitkomen, voegen, deugen, geschikt zijn
bet = wedden, weddenschap
beta = bèta
be taken ill = ziek worden
be thirsty = dorst hebben, dorsten naar
Bethlehem = Bethlehem
be tired of something = zich vervelen
betony = betonie
betray = in de steek laten, laten merken, verraden
betrayal = verraad
be treated as = behandeld worden als
betrothal = engagement, verloving, engagement, verloving, verloving
better = beter
between = onder, tussen
be unable = niet in staat zijn
be unfaithful = bedriegen, <bedriegen (van huwelijkspartner)>
be unfaithful to = bedriegen, <bedriegen (van huwelijkspartner)>
be used = gebruikt worden
be vacant = openstaan, vacant zijn, vaceren, vakant zijn
be valid = gelden, geldig zijn, opgaan, valideren, vigeren
bevel = afsteken, uitkomen
beverage = brouwsel, drank, drankje
bevy = are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, drift, groep, hoop, kudde, schare, school, set, stel, troep, zwerm, bende, schare, troep
be washed ashore = aandrijven, aanspoelen, aandrijven, aanspoelen, aan wal gaan
be well = het goed maken, zich goed voelen, gezond zijn
be well off = in goeden doen zijn
be well-to-do = in goeden doen zijn
be willing to = willen
bewitch = begoochelen, beheksen, betoveren, heksen
be worth = waard zijn, waardig zijn, lonen, waard zijn
be worthy of = waard zijn, waardig zijn, toekomen, verdienen, waard zijn, waardig zijn
be wrong = het mis hebben, ongelijk hebben
beyond = verder, verderop, verder dan, voorbij, daarop, vervolgens, langs, voorbij, aan de overkant van, over, overheen, over ... heen
Beyrouth = Beiroet
Bhutan = Bhoetan
Bhutanese = Bhoetaans, Bhoetaan
Bhutanese woman = Bhoetaanse
biased = eenzijdig, partijdig, tendentieus
bib = slabbetje
bible = bijbel
bibliography = bibliografie
bicarbonate of soda = zuiveringszout
bicolour = tweekleurig
bicoloured = tweekleurig
bicuit = beschuit
bicycle = fiets, rijwiel, tweewieler, zwijntje, fiets
bid = aanbieden, te koop aanbieden, inroepen, verzoeken, vragen, aanvragen
bide = afwachten
biennial = tweejarig
big = groot
bike = fiets, rijwiel, tweewieler, zwijntje, fiets
bikini = bikini
bile = gal
bilk = bedotten
bill = bek, neb, snater, snavel, tuit, vogelbek, biljet, kaartje, plaatsbewijs, plaatskaartje, snoeimes, factuur, nota, rekening, warenlijst
bill and coo = koeren
bill-board = aanplakbord
billiards = biljart, biljartspel
bill of exchange = cambio, wissel
billow = golfslag, zee
binary = binair, binair
bind = binden, inbinden, aansluiten, binden, vastbinden, vastmaken, verbinden
binding = band, reep, strip, strook, windsel, band, band, boekband
bindweed = winde, winde
binocular = kijker, verrekijker
binoculars = binocle, kijker, toneelkijker, verrekijker, kijker, verrekijker
biodegradable = afbreekbaar
biodestructible = afbreekbaar
biographer = biograaf, levensbeschrijver
biologist = bioloog
biosphere = biosfeer
biped = tweevoeter
birch = berk, berkeboom
bird = grootvaderlijk, vogel
bird- = grootvaderlijk
birds = gevogelte, vogelstand, vogelwereld
bird's = grootvaderlijk
birth = geboorte
birthday = geboortedag, verjaardag, verjaring, geboortedag, verjaardag
birth pains = barensnood
Biscay = Biskaje, Biskaje
biscuit = biscuit
biscuit tin = koekjestrommel, moppentrommel
bisexual = bisexueel
bishop = bisschop
bismuth = bismut
bison = bizon
Bissau = Bissau
bit = beting, baard, bonk, brok, eindje, homp, stukje, beetje, kneepje, snufje
bitchy = feeksachtig
bite = toebijten, toehappen, beet, beitsen, bijten, happen, knauwen, beet, hap, knauw
bite off = afbijten
bitmap = bitmap
bit-player = figurant
bitter = bitter, bitter, zuur
bitterness = bitterheid, verbittering, bitterheid
bittersweet = bitterzoet, zuurzoet
bitumen = aardpek, asfalt
bizarre = bizar
black = zwart, zwart
blackberry = braam, braam, braamstruik
blackberry bush = braam, braamstruik
blackbird = gieteling, merel
black currant gin = aalbessenjenever
Black Forest = Zwarte Woud
blackness = zwartheid
black radish = knopherik, radijs, rammenas
Black Sea = Zwarte Zee
Black Volta = Zwarte Volta
bladder = blaas
blade = kling, lemmer, lemmet, halm, blad van een roeiriem, schoep, halm, spier, spriet, stengel
blame = aanrekenen, toedichten, toeschrijven, toerekenen, wijten, beschuldigen, betichten, schuld, beknorren, berispen, terechtwijzen, verwijten
blameworthy = afkeurenswaardig, laakbaar, verwerpelijk
blanch = bleken, wit maken, witten
bland = poeslief
blank = blanco, blank, wit, oningevuld, blanco, oningevuld, formulier
blank cheque = blanco cheque, blanco volmacht, carte blanche
blanket = dek, deken
blaspheme = godlasteren, ketteren, vloeken, vervloeken
blasphemer = godslasteraar
blasphemy = godslastering, vloek, vervloeking
bleak = akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, mistroostig, naargeestig, somber, triestig, donker, somber, grimmig, guur, hard, scherp, kil, koud, droefgeestig, melancholiek, weemoedig, zwaarmoedig, onbeschut, kaal, onbeschut
bleat = balken, blaten, brullen, grommen, hinniken, loeien, schreeuwen, blaten
bleed = aderlaten, bloed aftappen, bloeden
bleeding = aderlating
blend = mengen, mixen, temperen, vermengen, verwarren, wassen, doorlopen, zich vermengen
bless = wijden, zegenen, inzegenen
blessing = zegen, zegening
blind = blind, blinde, blind, luik, vensterblind
blind alley = doodlopende weg
blindness = blindheid
blindworm = hazelworm
blink = knipogen, knipperen, pinken, tintelogen
blister = blaar, blaar, blaar, blaasje
block = blokkeren, vastzetten, blok, blok, houtblok, lul, dichten, dichtmaken, stoppen, toestoppen, verstoppen, volstoppen
blockade = blokkade, blokkeren, vastzetten
block of flats = flat, flatgebouw
Bloemfontein = Bloemfontein
blond = blond
blood = bloed
bloodless = onbloedig
blood-letting = aderlating
blood-red = bloedrood
blood red = bloedrood
blood-relationship = familiebetrekking, verwantschap
bloodshed = bloedvergieten
blood-stained = bebloed, bebloed, bloedbevlekt
bloodthirstiness = moordlust
bloodthirsty = moordlustig, moordziek
bloody = bloedend, bloedig
bloom = bloem
bloom later = nabloeien
blossom = bloesem
blot = klad, klak, moet, mop, plek, smet, vlek
blotter = vloeipapier
blotting paper = vloeipapier
blouse = bloes, boezeroen, kiel
blow = flap, houw, klap, mep, slag, aanblazen, blazen, waaien, waaien
blow one's nose = zijn neus snuiten
blow over = afdrijven
blow up = laten ontploffen, laten springen, opblazen, aandikken, verergeren
blue = blauw, blauw
Bluebeard = Blauwbaard
blueberry = bosbes, blauwe bosbes
bluebottle = aasvlieg, strontvlieg
Blue Nile = Blauwe Nijl
blunt = bot, stomp, afstompen, bot maken, stomp
blur = vervagen
blush = blozen, kleuren, rood worden
blushing = blozend, rood
boa = boa, boa, boa
boar = beer, mannetjesvarken
board = aanklampen, zich vastklampen aan, beschieten, betimmeren, bord, plank, tablet
boarding house = kosthuis, pension
boarding school = kosthuis, pension
board of directors = bestuur
boardroom = raadzaal, raadzaal
boast = bluffen, opscheppen, pochen, snoeven, snorken, stoffen, zwetsen
boat = aak, boot, schuit, sloep
bobbin = bobine, klos, spoel
bodily = lichamelijk, lijfelijk
body = carrosserie, lichamelijk, lijfelijk, lichaam, lijf, romp
body- = lichamelijk, lijfelijk
body hair = beharing, lichaamsbeharing
body language = lichaamstaal
body smell = lichaamsgeur
Boer = Boer
Bohemia = Bohemen, Bohemen
Bohemian = Boheems, Bohemer
boil = borrelen, koken, op het kookpunt zijn, zieden, koken, doen koken, afkoken
boiled egg = gebakken ei, spiegelei
boiler = ketel, stoomketel, ketel, keteldal, kookketel, waterketel
Bois-le-Duc = Den Bosch, 's-Hertogenbosch
bold = brutaal, gedurfd, stout, stoutmoedig, vermetel, waaghalzerig, dik, lijvig, boud, dapper, ferm, onvervaard, stout, stoutmoedig, vermetel
boldness = durf, gedurfdheid, lef, stoutheid, stoutmoedigheid, vermetelheid
Bolivia = Bolivia
Bolivian = Boliviaans, Boliviaan
Bolivian woman = Boliviaanse
Bolshevik = bolsjewiek, bolsjewiek
bolt = grendelen, afgrendelen, grendel, knip, schuif, schuifslot
bomb = bombarderen, bom
bombard = bekogelen, beschieten, bombarderen
Bombay = Bombay
bonbon = bonbon
bon-bon = bonbon
bond = band, binding, obligatie
bondwoman = slavin
bone = been, bot, knok, schonk
bone-dust = beendermeel
bonnet = kapotjas, motorkap, wagenkap, kap, kornet, muts
bonus = bonus, bonus
bony = benig, knokig, schonkig
boo = boe
book = boek, aanvragen, bestellen, bespreken, reserveren
bookcase = boekenkast
book collection = bibliotheek, boekenverzameling
booking = bespreking, reservering, bespreking, reservering
booking-office = kaartjesloket
book-keeper = boekhouder
book-keeping = boekhouden, boekhouding
booklet = boekje, libretto, operatekst, tekstboekje
bookmark = bladwijzer
bookseller = boekhandelaar
bookshop = boekwinkel, boekenwinkel
bookstore = boekwinkel, boekenwinkel
boon = zegen, zegening
boor = vlegel
boot = laars
booty = buit
booze = alcohol, drank, alcoholische drank, sterke drank, sterke drank
boozer = alcoholist, drankzuchtige, zatlap, zuiper, zuiplap, drinker, zuiper, zuiplap
borax = borax
border = rand, zoom, boord, kant, kust, oever, wal, walkant, waterkant, zeekant, landsgrens, rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom
bore = aanboren, boren, boor, vervelen, ergeren, tegenstaan, vermoeien, vervelen
boring = vervelend, saai, vervelend, melig, saai, taai, vermoeiend, vervelend
Borneo = Borneo
boron = borium
borrow = lenen, lenen
borrow from = lenen van, lenen van
borrow money on = belenen, lenen tegen een onderpand, verpanden
borscht = borsjt
borstch = borsjt
Bosnia = Bosnië, Bosnië
Bosnia-Hercegovina = Bosnië-Hercegovina
Bosnian = Bosnisch, Bosniër
Bosnian woman = Bosnische
bosom = boezem, borst, boezem, schoot
Bosporus = de Bosporus
boss = aanvoerder, baas, chef, gebieder, baas, heer, meester, patroon, aanvoerder, baas, chef, hoofd, opperhoofd
bossa nova = bossanova
bossy = bazig
botany = botanica, botanie, plantkunde
botch = beunhazen, knoeien, modderen, verhaspelen, verknoeien, verprutsen
both = allebei, alle twee de, beide
both ... and = zowel ... als
bother = belemmeren, hinderen, storen, verstoren
Botswana = Beetsjoeanaland, Botswana
Botswanan = Botswaans, Botswaan
Botswanan woman = Botswaanse
bottle = fles, bottelen, aftappen, opensteken
bottle opener = flesopener
bottom = bodem, grond, achtergrond, ondergrond, onderkant, bips, kont, zitvlak
bottom of the sea = zeebodem
bough = tak, aftakking
bouillon = bouillon, vleesnat
boulder = kei, rotsblok
boulevard = boulevard, singel
bound = grenzen, begrenzen
boundary = grens, perk
bouquet = boeket, bouquet, ruiker, tuil
Bourdeaux = Bordeaux
bourgeois = burgerlijk
bourgeoisie = bourgeoisie, burgerij
boutique = winkel, zaak
bovine = runder-, rund
bovine animal = rund
bow = boog, toog, boeg, voorschip, voorsteven, buigen, een buiging maken, nijgen, buiging, nijging, revérence, strijkage
bowdlerize = kuisen
bowl = bekken, kom, vont
bowling = bowling, bowling
box = boksen, bak, kist, schrijn, doosje, doos, slof, doos, bak, etui, foedraal, koker, korf, pot, zak, vat
boxer = bokser, vuistvechter
boxing = boksen, bokssport
box-room = bergplaats, bergruimte, bewaarplaats, opslag, opslagplaats
box-tree = buksboom, buxus, palmboompje, palmstruik
boy = jongen, knaap, bediende, dienaar, knecht
boyish = jongens-, jongensachtig, jongensachtig
boyscout = padvinder, verkenner
boy scout = padvinder, verkenner
bra = b.h., beha, bustehouder
Brabant = Brabant
Brabantine = Brabants, Brabander
brace = anker, armatuur, haakje, klamp, kramp, nietje, accolade, muuranker, muuranker, scheerlijn, stag, steundraad, tui
bracelet = armband, armband, armband, armband
braces = bretels
bracket = haakje, klamp, kramp, nietje, recht haakje
brackets = haakjes
brag = bluffen, opscheppen, pochen, snoeven, snorken, stoffen, zwetsen
braid = band, vlechten
braille = blindenschrift, braille, brailleschrift
brain = brein, hersenen, hersens
brake = remmen, afremmen, rem
brakedown = bijdraaien, pech, motorpech, panne
Bramaputra = Bramapoetra
bramble = braam, braamstruik
branch = tak, aftakking, aftakken, afdeling, branche, tak, vak, depot, filiaal
branching = aftakking
branch off = afbuigen, zich vertakken
brand = brandmerken, inbranden, brandmerk
branding iron = schroeiijzer
brandish = slingeren, swingen, zwaaien
brand of Cain = Kaïnsteken
brandy = brandewijn, brandy, vuurwater, brandy, cognac
brass = geelkoper, messing, koperen, geelkoperen, geelkoper, latoen, messing
brat = jochie, kwajongen
brave = braaf, dapper, eerlijk, ferm, flink, kranig, manhaftig, vriendelijk, boud, dapper, kloek, koen, moedig
bray = balken, balken
Brazil = Brazilië
Brazilian = Braziliaans, Braziliaan
Brazilian woman = Braziliaanse
breach = een bres slaan, een bres slaan in, bres, gaping, opening
bread = brood, mik
bread and butter = boterham
breadwinner = kostwinner
break = losbreken, afbreken, afbrekingsstreepje, koppelteken, trait d'union, afbrekingsteken, afbrekingsstreepje, stopstreep, africhten, dresseren, tot gehoorzaamheid dwingen, pauze, rust, breken, afbreken, doorbreken, schenden, stukbreken, verbreken, breken, afbreken, knappen, uitraken, stukgaan
breakable = breekbaar, broos
breakaway = afscheiding, secessie
break-down = bijdraaien, panne hebben
break down = averij krijgen, averij oplopen, kapot gaan, onklaar raken, stukgaan, afbreken, slopen, neerhalen, afspringen
breakdown product = afbraakproduct, residu
break down upon = afstevenen op
breakfast = ontbijt
break into = aanspreken, aanbreken
break of a habit = afleren, afwennen
break off = losbreken, afbreken
break oneself of a habit = afleren, afwennen, afleren, met een gewoonte breken
break up = scheiden, uiteengaan, vaneengaan, zich verspreiden
bream = brasem
breast = boezem, borst, borst, mam, tiet
breath = adem
breathe = ademen, ademhalen
breather = adempauze
breathing space = adempauze
breathless = ademloos, amechtig, buiten adem
breath-taking = adembenemend
breath test = ademtest
breed = fokken, opfokken, opkweken, telen, dresseren, grootbrengen, kweken, opleiden, opvoeden, ras
breeze = bries, trilgras, briesje, zuchtje
Bretagne = Bretagne
Breton = Breton
brevity = beknoptheid, bondigheid
brew = brouwen, bierbrouwen
bribe = bederven, omkopen, verbasteren, smeergeld, omkopen
brick = stenen, bakstenen, klinker, steen, baksteen, bouwsteen, stuk, tichel
bride = bruid, meisje, verloofde, bruid, jonggehuwde
bridegroom = bruidegom, jonggehuwde
bridge = brug, commandobrug, brug
bridle = bedwingen, beteugelen, betomen, intomen, in toom houden, breidel, teugel, toom
brief = kort, kortstondig
briefcase = aktentas, boekentas, theca, verzameling
brief case = aktentas
briefness = beknoptheid, bondigheid
briefs = slip, slipje
brigade = brigade
bright = briljant, glanzend, lumineus, schitterend, hel, helder, klaar, licht, helder, licht, lichtend
bright blue = helderblauw
brilliant = briljant, glanzend, lumineus, schitterend
brim = rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom
brimming = afgeladen, boordevol, mudvol, stampvol, tjokvol
brimstone = zwavel
bring = aandragen, bezorgen, brengen, aanbrengen, aanvoeren, toevoeren
bring about = ten gevolge hebben, tot gevolg hebben, uitwerken
bring along = bijeenbrengen, meebrengen, meenemen
bring away = uitdragen, wegbrengen, wegdragen
bring before = aanhangig maken
bring close together = dicht bij elkaar brengen
bring into agreement = in overeenstemming brengen, rijmen, tot overeenstemming brengen
bring near to = naderbij brengen
bring to the attention of = onder de aandacht brengen van
bring up = dresseren, grootbrengen, kweken, opleiden, opvoeden, aankaarten, entameren, aankaarten, aansnijden
brinjal = aubergine, aubergine, aubergine
brink = rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom
brisk = druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker
bristle = overeind gaan staan
bristly = borstelig, rechtopstaand, ruigharig, ruwharig
Britain = Brittannië, Groot-Brittannië
British = Brits
British Columbia = Brits-Columbia
British Virgin Islands = Britse Maagdeneilanden
Briton = Brit
Brittany = Bretagne
brittle = croquant, knapperig, breekbaar, broos
broach = aanboren, aanbreken
broad = breed, wijd
broadcast = omroepen, uitzenden, uitzenden
broccoli = broccoli, Italiaanse bloemkool
broken = defect, kapot, stuk, defect, gehavend, kaduuk, kapot, stuk, defect, gebroken, kapot, stuk, gebroken
broken down = defect
broken stones = steenslag
broker = makelaar, makelaardij
brokerage = courtage
bronze = bronzen, brons, tinbrons
brooch = broche, borstspeld
brook = beek, beekje
brooklet = beekje, stroompje
broom = bezem, veger
brothel = bordeel, hoerenkast, huis van plezier, bordeel, hoerenkast, huis van plezier
brother = broer, broeder
brother-in-law = schoonbroer, zwager
brothers and sisters = broers en zussen
brow = wenkbrauw
brown = bruin, bruin
browneyed = bruinogig
brownie = aardmannetje, gnoom
browse = afgrazen
Bruges = Brugge
bruise = blauwe plek, blutsen, kneuzen
Brunei = Brunei, Brunei
Bruneian = Bruneis, Bruneier
Bruneian woman = Bruneise
brunette = bruinharig
Brunhild = Brunhilde
Brunswick = Brunswijk
brush = borstelen, schuieren, borstel, stoffer
Brussels = Brussel, Brussels
Brussels-sprouts = spruitjes
brutal = beestachtig, bars, honds, nors, nurks, onaardig, onvriendelijk, stuurs, zuur
brute = beest, beestachtig mens, wild beest, wild dier, beestachtig, bruut, dierlijk, ruw
brutish = beestachtig
bubble = borrelen, luchtbel, blaas
buccaneer = boekanier
Bucharest = Boekarest
buck = mannetjeskonijn, rammelaar, mannetjeshaas, rammelaar
bucket = emmer
buck-hare = mannetjeshaas, rammelaar
buckle = gespen, dichtgespen, vastgespen, gesp, spang
buck-rabbit = mannetjeskonijn, rammelaar
bud = botten, spruiten, uitbotten, uitschieten, uitspruiten, knop, uitspruitsel, ontluiken, ontspruiten, uitkomen
Budapest = Boedapest
Buddha = Boeddha, Boeddha
Buddhism = boeddhisme
Buddhist = boeddhist
buddy = kameraad, kornuit, maat, makker
budget = begroting, budget, begroting, budget, begroting
budgetary deficit = begrotingstekort
buffalo = bizon, buffel, karbouw
buffer = buffer, bumper, stootkussen
buffet = bar, buffet, tapkast
buffoon = clown, hansworst, harlekijn, zot
bug = wandluis, insekt, afluisteren
bugger = anaal neuken, in de kont neuken
build = aanleggen, bouwen, construeren, metselen, bouwen, opbouwen, timmeren
builder = aannemer, bouwondernemer, bouwer, bouwvakker
build from wood = bouwen, opbouwen, timmeren
building = bouw, aanbouw, constructie, bouwwerk, gebouw, perceel
building contractor = aannemer, bouwondernemer
building-plot = bouwterrein, bouwterrein
building-site = bouwterrein, bouwterrein
built-up area = bebouwde kom
bulb = ampul, lamp, gloeilamp, lampje, peer, bol, <bol van een plant>
Bulgar = Bulgaar
Bulgaria = Bulgarije
Bulgarian = Bulgaars, Bulgaar
Bulgarian woman = Bulgaarse
bulk = bestek, grootte, omvang, uitgebreidheid
bulky = omvangrijk, uitgebreid, veelomvattend
bull = stier, bul, stier
bulldozer = bulldozer
bullet = kogel
bulletin = bulletin, verenigingsorgaan
bullring = arena voor stieregevechten, arena voor stieregevechten
bumblebee = hommel
bump = hobbel, bochel, bult
bumper = buffer, bumper, stootkussen
bumpy = hobbelig, oneffen, ongelijk
bunch = bos, bundel, wis
bundle = bos, bundel, wis
bungalow = bungalow
bungle = afraffelen, beunhazen, knoeien, modderen, verhaspelen, verknoeien, verprutsen
bunker = bunker, kazemat
buoy = baken, boei, ton, baken, boei
burble = murmelen, <murmelen (v. beekje>), kabbelen, klateren, murmelen
burden = laden, beladen, belasten, inladen, lading, last, vracht, vulling
burdensome = drukkend, zwaar, benauwend, drukkend, nijpend
bureau = bureau, bureel, kantoor
bureaucracy = ambtenarij, bureaucratie
burglar = inbreker
burgomaster = burgemeester, burgervader, dorpsburgemeester
Burgundian = Bourgondisch, Bourgondiër
burgundy = bourgogne
burial = begrafenis, teraardebestelling, begrafenis, graflegging, teraardebestelling
burial mound = grafheuvel
Burma = Birma
Burmese = Birmaans, Birmaan
Burmese woman = Birmaanse
burn = aan zijn, branden, branden, verbranden, branden, schroeien, zengen, aanflitsen, aanfloepen, aangaan, ontbranden
burn down = afbranden, verbranden
burning = brandend
burnt = aangebrand
burp = boeren, oprispen
burr = klis, klit
burst = barsten, scheuren, splijten, barst, barsten, breken, openbarsten, scheuren, springen, stukspringen, barst, scheur
burst into flames = in vlammen uitbarsten
Burundi = Boeroendi
Burundian = Boeroendees, Boeroendees
Burundian woman = Boeroendese
bury = begraven, ingraven, kuilen, inkuilen, begraven, kuilen, begraven, ter aarde bestellen
bus = bus, autobus
bush = boompje, heester, struik
bushbody = bemoeial, bemoeial, <toekijker bij kaartspel>
bushbuck = bosbok
Bushman = Bosjesman
business = aangelegenheid, affaire, ding, zaak, handel, koopmanschap, nering, handel, negotie, nering, transactie, zaak
business deal = aangelegenheid, affaire, ding, zaak
business friend = zakenvriend
businessman = zakenman, handelaar, koopman, zakenman
business relation = zakenrelatie
busk = balein
bus station = busstation
busstop = bushalte
bus stop = bushalte, bushalte
busy = bezet, druk, bezet, bezig, volhandig, bezet, bezig, in gesprek, volhandig
busy oneself = zich bezighouden met
but = behalve, bij uitzondering, buiten, op ... na, uitgezonderd, doch, echter, maar, echter, maar, niettemin, toch
butcher = slachten, afslachten, slachter, slager, vleeshouwer
butcher's shop = slagerij, slagerij, slagerswinkel
butter = boter
buttercup = boterbloem, ranonkel
butterfly = kapel, vlinder
buttock = bil, bil, bil
buttocks = bips, kont, zitvlak
button = dichtknopen, knoop, knop, knoop, knop, drukknop, dichtknopen, toeknopen
buy = aankopen, aanschaffen, aankopen, afnemen, inkopen, kopen, overnemen, kopen, afnemen, kopen, aankopen, kopen, inkopen, kopen, kopen, overnemen, aanschaffen, kopen, aankoop, aanschaf, afname, inkoop, koop, overname, koop, aanschaffen, aanschaffen, zich voorzien van
buy at a public sale = mijnen, op een veiling kopen
buyer = afnemer, klant, koper
buzz = brommen, gonzen, razen, snorren, suizelen, suizen, tuiten, zoemen
buzzer = zoemer
by = aan, bij, dichtbij, naast, nabij, aan, door, met ingang van, sedert, sinds, van, vanaf, door, aan, jegens, met, om, op, te, tot, blijkens, ingevolge, langs, naar, volgens, aan, door, met, per, langs, voorbij
by accidence = per ongeluk, zonder opzet
by accident = bij toeval, toevallig, toevalligerwijze
by acclamation = bij acclamatie
by all accounts = naar men beweert
by analogy with = naar analogie van
by chance = bij toeval, toevallig, toevalligerwijze, bij gelegenheid
by day = overdag, overdag
bye = adieu, vaarwel, dag, tot ziens, tot weerziens
by force = met geweld
by fours = met zijn vieren
by heart = uit het hoofd, van buiten
by his own account = volgens hemzelf
by-laws = statuut
by marriage = aangetrouwd, behuwd, schoon-, aangetrouwd
by means of = aan, door, met, per
by mistake = abusievelijk, bij vergissing, per abuis, verkeerd
byname = bijnaam
by night = 's nachts
by no means = geenszins, in geen geval, op geen enkele wijze
by now = al, alvast, reeds, alreeds
byre = koestal
by ship = per schip
by sight = op het gezicht
byte = byte, byte
by tens = met zijn tienen
by the way = apropos, tussen haakjes
by twos = getweeën, met zijn tweeën, onder vier ogen
by-way = zijweg, afslag, zijweg
Byzantine = Byzantijns, Byzantijn
Byzantine Empire = Byzantijnse Rijk
Byzantium = Byzantium
cab = aapje, huurrijtuig, vigilante
cabaret = cabaret, cabaret
cabbage = kool
cabin = hut, stulp, cabine, cockpit, hut, kajuit
cabinet = etagère, rek, kabinet, ministerie, studeerkamer, kabinet, ladenkast, kast
cable = kabel, tros
cablegram = telegram, kabeltelegram
cab-stand = taxistandplaats
cachalot = cachelot, potvis, cachelot, potvis
cactus = cactus
cadaver = kadaver, kreng, lijk
cadger = klaploper, parasiet, klaploper
cadmium = cadmium
cadre = kader, lijst, omlijsting, raam
Caenozoic = Kenozoïcum
Caesar = Caesar
caesium = cesium
café = bistro, café, koffiehuis
cafetaria = cafetaria
caftan = kaftan
cage = kooi
Cain = Kaïn
Cairo = Caïro
cake = cake, koek
calabash = kalebas
Calabria = Calabrië, Calabrië
calamity = plaag
calamus = kalmoes
calcium = calcium
calculate = calculeren, rekenen, berekenen, tellen, uitrekenen
calculation = becijfering, berekening, gecijfer, berekening
calculator = calculator, rekenmachine
Caledonia = Caledonië, Caledonië
Caledonian = Caledonisch, Caledoniër
calendar = kalender
calf = kalf, kuit
calibre = boring, kaliber, mal
California = Californië
Californian = Californisch, Californiër
calk = breeuwen, kalefateren, kalfateren
call = heten, noemen, benoemen, uitmaken voor, roepen
call at = aandoen, stoppen in
call at ...'s house = aangaan bij
call box = telefooncel
caller = bezoeker
Callisto = Callisto
call on = aangaan bij, afgaan, bezoeken, opzoeken
call out = een kreet slaken, uitkermen, uitkraaien, uitroepen
call over = afroepen, afroepen
call to account = ter verantwoording roepen, ter verantwoording roepen
calm = bedaard, kalm, rustig, stil, kalmte, rust, rustigheid, stilte, bedaard, gerust, kalm, rustig, bedaren, geruststellen, kalmeren
calm down = bedaren, kalmeren
calmness = bedaardheid, kalmte, rust, rustigheid, bedaardheid, kalmte, rust, gerustheid, rustigheid
calorie = calorie
Calvary = Golgotha, Golgotha
Calvin = Calvijn
Calypso = Calypso
Cambodia = Cambodja, Cambodja
Cambodian = Cambodjaans, Cambodjaan, Cambodjaans, Cambodjaan
Cambodian woman = Cambodjaanse
cambric = batist
camel = kameel, kemel
Camelot = Camelot
camera = camera, fototoestel, kiektoestel, camera, filmcamera, televisiecamera
Cameroon = Kameroen, Kameroens
camp = kamperen, legeren, kamperen, kamperen
campaign = campagne, veldtocht
camphor = kamfer
camping ground = camping, kamp, kampeerterrein
camping site = camping, kamp, kampeerterrein
campion = silene
camp of tents = kamp, kampement, tentenkamp
camp out = kamperen, legeren, kamperen, kamperen, kamperen
campshedding = schoeiing, beschoeiing, schoeiing, beschoeiing
campsheeting = schoeiing, beschoeiing, schoeiing, beschoeiing
campshot = schoeiing, beschoeiing, schoeiing, beschoeiing
can = inblikken, blik, blikje, bus, trommel, trommeltje
Canaan = Kanaän, Kanaän
Canada = Canada, Canada
Canadian = Canadees, Canadees, Canadees, Canadees
Canadian woman = Canadese, Canadese
canal = gracht, kanaal, vaart, wijk
canary = kanarie
Canary Islands = Canarische Eilanden, Canarische Eilanden
cancel = afbestellen, afbestellen, afgelasten, annuleren, ontbinden, tenietdoen, terugnemen
cancel by telephone = afbellen
cancer = kanker, kanker
candidate = aspirant, kandidaat, sollicitant
Candlemas = Maria-Lichtmis
candlestick = blaker, kandelaar
candy = snoep, snoepgoed, zoet, zoetigheid
candy coated aniseed = muisjes
cane = staf, stok, rieten, riet
cane- = rieten
cane-field = rietbos
canine = honde-, honden-
canker = kanker
cannibal = kannibaal, menseneter
cannon = canon, kanon, kettingzang, vuurmond
canoe = plezierboot
canon = canon, kerkregel
cañon = cañon
canonization = heiligverklaring
can opener = opener, blikopener
canopy = baldakijn, hemel, draaghemel, troonhemel
Cantabrian = Cantabrisch
canteen = veldfles
Canterbury bell = campanula, klokje
cantharides = Spaanse vlieg
Canticles = Hooglied
canvas = canvas, stramien
cap = pet, kap, kornet, muts, baret, kapje, muts, pet
capability = geschiktheid
capable = bekwaam, capabel, kundig
cape = kaap
Cape of Good Hope = Kaap de Goede Hoop, Kaap de Goede Hoop
Cape Province = Kaapprovincie
caper = bokkesprongen maken
Cape Town = Kaapstad
Cape Verde Islands = Kaapverdische Eilanden
capital = kapitaal, vermogen, hoofdstad
capital city = hoofdstad
capitalist = kapitalist
capital letter = hoofdletter, kapitaal, majuskel
capitol = capitool
capitulate = capituleren, zich overgeven
caprice = bevlieging, bui, gril, kuur, nuk, speling
capricious = grillig, nukkig, onberekenbaar, vlinderachtig, wispelturig
Capricorn = Steenbok
capsule = capsule, doosvrucht, kapseltje, zaadhuisje
captain = captain, hopman, kapitein, gezagvoerder, kapitein, scheepskapitein, schipper
capture = beetkrijgen, beetnemen, pakken, vangen, vastpakken, vatten
car = auto, automobiel
carafe = karaf
carambola = carambola
carapace = schaal, schild, rugschild
caravan = karavaan
carbon = koolstof
Carboniferous = Carboon
carbon paper = carbonpapier
carburettor = carburateur, vergasser
card = kaarden, kaart
cardboard = kartonnen, bordpapier, karton
cardiac = hart-, hart-, hartelijk, innig, hart-
care = behartiging, bezorgd zijn, zich bekommeren, zorg dragen, zorgen, kommer, bekommernis, zorg, zorgvuldigheid
care about = zich bekommeren om, zorg dragen voor
career = carrière, loopbaan
care for = behandelen, cureren, passen op, zorgen voor
careful = behoedzaam, voorzichtig, voorzichtig, zorgvuldig, zorgzaam
carefully = voorzichtig, zachtjes, met zorg, zorgvuldig
careless = nalatig, nonchalant, onachtzaam, achteloos, nalatig, nalatig, achteloos, onachtzaam
carelessness = nalatigheid, nonchalance, nalatigheid, achteloosheid, onachtzaamheid
caress = aaien, aaien, aai, aanhaling, liefkozing, streling, aai, aanhaling, liefkozing, streling
caressing = aanhalig
cargo = carga, goederen, lading, scheepslading, vracht
car hire = autoverhuur
Caribbean = Caraïbisch
Caribbean Sea = Caraïbische Zee, Caribische Zee
carillon = beiaard, carillon, klokkenspel, speelwerk, beiaard, carillon, klokkenspel
carillonneur = beiaardier, klokkenspeler, beiaardier, klokkenspeler
Carmelite = karmelieter non, karmelietes, karmelieter monnik, karmeliet
carnal = vleselijk
carnation = anjelier, anjer
carnival = carnaval
carnivorous = vleesetend, vleesetend
carousel = carrousel, draaimolen, zweefmolen
carp = karper
car park = parkeerplaats, parkeerterrein
carp at = bedillen, haarkloven, het lastig maken, muggeziften, vitten
Carpathian mountains = Karpaten
Carpathians = Karpaten
carpenter = timmerman
carpenter's square = winkelhaak
carpet = karpet, kleed, tapijt, vloerkleed
car radio = autoradio
carriage = affuit, equipage, kales, koets, rijtuig, spoorwagen, wagon, wagen, schrijfmachinewagen
carrier = transporteur, vervoerder, voerman, vrachtrijder
carrier cycle = bakfiets, bakfiets
carrier tricycle = bakfiets, bakfiets
carrion = aas, aas, kadaver, kreng
carrot = peen, wortel
carrousel = carrousel, draaimolen, zweefmolen
carry = brengen, dragen, voeren, voorhebben
carry away = uitdragen, wegbrengen, wegdragen
carrying = belastend, geladen met
carrying off = afvoer, wegvoering, afvoer
carry out = dragen, naar buiten brengen, uithouden, verdragen
car sleep train = autoslaaptrein, autoslaaptrein
cart = kar, handkar, karretje, wagen
carte blanche = blanco cheque, blanco volmacht, carte blanche
Carthage = Carthago
Carthaginian = Carthaags, Carthager
cartridge = kardoes, patroon
carve = beeldhouwen, uithakken, uithouwen, beitelen
car wreck = autowrak
case = aangelegenheid, affaire, ding, zaak, geval, naamval, zaak, geval, zaak, naamval
cash = baar, contant
cash flow = cash flow
cashier = kashouder, kassier, muntmeester, penningmeester
cashier's stand = fonds, geldkist, kas
cash money = contant geld, kontant geld
casino = casino
Caspian Sea = Kaspische Zee
Cassandra = Cassandra
cassava = cassave, broodwortel, maniok
casserole = pan, braadpan, steelpan
cassette = cassette, cassette
Cassiopeia = Cassiopea, Cassiopeia
cast = afwerpen, uit het zadel lichten, uit het zadel werpen, afgietsel, gegoten voorwerp, gieten, afgieten
cast a shadow = beschaduwen, overschaduwen
caster sugar = basterdsuiker
castigate = kastijden, tuchtigen
castigation = kastijding, tuchtiging
Castile = Castillië, Castillië
Castilian = Castiliaan
Castillian = Castilliaans
castle = rocheren, rokeren, burcht, kasteel, plecht, slot, toren
cast-off = afdankertje
cast off = afkanten, afgooien, afwerpen, uitgooien
Castor = Castor
castor sugar = basterdsuiker
castrate = castreren, ontmannen, snijden
cat = kattekop, kat, poes
catalogue = catalogiseren, catalogus
cataract = grote waterval, staar
catarrh = catarre
catastrophe = catastrofe, onheil, ramp
catastrophic = catastrofaal, rampzalig
catch = aanflitsen, aanfloepen, aangaan, ontbranden, beetkrijgen, beetnemen, pakken, vangen, vastpakken, vatten, buit, gevangenneming, vangst, halen, inslaan, raken, teisteren, treffen
catching = aanstekelijk, besmettelijk, verpestend, aanstekelijk, besmettelijk
catechism = catechismus
category = categorie
catering = proviandering, ravitaillering, voedselvoorziening, proviandering
caterpillar = rups
cathedral = dom, kathedraal
cathode tube = beeldbuis, beeldbuis, beeldbuis
catholic = katholiek
Catholisism = katholicisme
Cato = Cato
cattle-lifter = runderdief, veedief
cattle-stealer = runderdief, veedief
Caucasus = Kaukasus
cauldron = ketel, keteldal, kookketel, waterketel
cauliflower = bloemkool
caulk = breeuwen, kalefateren, kalfateren
cause = doen, laten, laten doen, maken, aandoen, aanrichten, stichten, teweegbrengen, veroorzaken, oorzaak, reden, beleggen, houden, teweegbrengen, uitschrijven
cause pain = bedroeven, grieven, smarten
cause pain to = bedroeven, grieven, smarten
cause to take place = beleggen, houden, teweegbrengen, uitschrijven
caution = waarschuwen, voorzichtigheid, behoedzaamheid, voorzichtigheid
cautious = behoedzaam, voorzichtig, voorzichtig
cavalier = ridder
cavalry = cavalerie, paardenvolk, ruiterij, wisselruiterij
cave = grot, grot, hol, holte, krocht, spelonk, gat, hol, holte, kuil, put
cave in = afkalven
cavern = grot, hol, holte, krocht, spelonk
caviar = kaviaar, steurkuit
cavity = hol, holte, uitholling, gat, hol, holte, kuil, put
caw = krassen
cease = aflaten, ophouden, stoppen, uitscheiden, wijken
ceaselessly = achtereen, aldoor, onophoudelijk
cedar = ceder-, cederhouten, ceder
cede = afstaan, het veld ruimen, toegeven, wijken, zwichten
ceiling = hoogtegrens, plafon, plafond, zolder, zoldering
Celebes = Celebes
Celebes Sea = Celebeszee
celebrate = celebreren, opdragen, vieren, fuiven, vieren, feestvieren, celebreren, vieren
celebrating one's birthday = jarig zijn, verjaren
celebration = viering, viering, feestviering, feest, festiviteit, fuif, partij, viering
celebrity = beroemdheid, beroemd persoon, ster, filmster, ster, filmster
celery = apium, wilde selderie, selderie, selderij
celestial = hemel-, hemels
cell = cachot, cel, kerker, cel
cellar = kelder
cello = cel, cello, violoncel
cellulite = bindweefselontsteking
Celsius = Celsius
Celt = Kelt
Celtic = Keltisch
cement = cement
cemetery = begraafplaats, kerkhof
Cenozoic = Kenozoïcum
censer = wierookvat
censor = censureren, keuren, censuur, keuring
censorious = bedilziek, vitterig
censoriousness = bedilzucht, vitzucht
censurable = afkeurenswaardig, laakbaar, verwerpelijk
censure = beoordelen, keuren, kritiseren, afkeuring, verwerping, wraking
cent = cent
centaur = centaur, paardmens
centavo = centavo
centennial = eeuw
centimetre = centimeter
centipede = duizendpoot, veelvoet, duizendpoot
central = centraal, middelste
Central African Republic = Centraalafrikaanse Republiek, Centraalafrikaanse Republiek
Central America = Midden-Amerika
Central Asia = Centraal-Azië
Central Europe = Midden-Europa
central heating = centrale verwarming
centre = binnenste, centrum, middelpunt
century = eeuw, eeuw
cerastes = horenslang
Cerberus = Cerberus, Cerberus
ceremonious = plechtig, statig, plechtstatig
ceremony = plechtigheid, ceremonie, plechtigheid, plichtplegingen, ceremonie, festiviteit, plechtigheid, statigheid, wijding, plechtigheid
Ceres = Ceres
cerium = cerium
certain = gewis, stellig, zeker, vast, vaststaand, verzekerd, wis
certainly = bepaald, ongetwijfeld, vast, wel degelijk, zeker, immers, toch, wel, zeker
certainty = securiteit, stelligheid, vastheid, vastigheid, zekerheid
certificate = act, akte, bedrijf, document, nummer, stuk, akte, document, stuk, akte, attest, certificaat, getuigenis, getuigschrift, testimonium
certificated = afgestudeerd, gediplomeerd
cession = afstand
cesspit = beerput
cesspool = beerput
Ceylon = Ceylon
Ceylonese = Ceylons, Ceylonees
Chad = Tsjaad
chain = keten, ketting
chain of mountains = bergketen
chair = stoel, zetel
chairman = praeses, preses, president, voorzitter
Chaldea = Chaldea
Chaldean = Chaldeeër
chalice = beker, kelk, bloemkelk, miskelk
chalk = krijt
challenge = tarten, trotseren, uitdagen, uittarten, uitdaging, aanvechten, bestrijden, betwisten, tegenspreken
chamber = kamer, lokaal, vertrek
chamber pot = po, nachtspiegel, po, piespot, pispot, nachtspiegel, po, piespot, pispot, nachtspiegel, po, piespot, pispot, urinaal
chameleon = kameleon
chamois = berggeit, gems, klipgeit, gemsleer, gemzeleer, zeem
chamois leather = gemsleer, gemzeleer, zeem
champagne = champagne, champagne
champion = kampioen, titelhouder, voorvechter
chance = incidenteel, toevallig, toeval, toevalligheid, gebeurtenis, gelegenheid, geval, kans, uitzicht
chandelier = kroon, luchter, kroonluchter
change = verandering, wijziging, verandering, wijziging, kleingeld, afwisseling, schommeling, veranderen, vermaken, wisselen, kenteren, veranderen, verkeren, keer, kentering, verandering, verloop, kleingeld, pasmunt, keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling
change of address = adreswijziging
channel = gracht, kanaal, vaart, wijk, buis, kanaal, loop, pijp, roer, steel
Channel Islands = Kanaaleilanden
chanson = chanson, lied
chaos = baaierd, chaos, rommel, warboel, warwinkel
chaotic = chaotisch, chaotisch
chap = kerel, knul, persoon, snuiter, sujet, vent
chapel = kapel, muziekkapel
chaperon = chaperonne, chaperonneren
chaplain = aalmoezenier, veldprediker, aalmoezenier
chapter = chapiter, hoofdstuk, kapittel
character = aard, geaardheid, karakter, aard, geaardheid, karakter, natuur, wezen, aard, geaardheid, karakter, natuur, wezen, figuur, rol, speler, bewijs, blijk, teken, merkteken, wenk
characteristic = karakteristiek, kenmerkend, tekenend, typerend, typisch, kenteken
characterization = kenschets
characterize = karakteriseren, kenmerken, tekenen, typeren
character set = tekenschrift, tekenset, tekenverzameling
charcoal = dovekool, houtskool, houtskool
charge = aanklacht, beschuldiging, kosten, onkosten, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging, berekenen, in rekening brengen, laden, lading, last, vracht, vulling
charge with = beschuldigen van, beschuldigen van
chariot = kar, handkar, karretje, wagen
charitable = charitatief, liefdadigheids-, barmhartig, goedertieren, barmhartig
charity = aalmoes, menslievendheid, naastenliefde, naastenliefde, charitas, naastenliefde, barmhartigheid, barmhartigheid, genade
charlatan = bedrieger, charlatan, kwakzalver, wonderdokter
charm = aantrekkelijkheid, aanvalligheid, amulet, bekoren, charmeren, bekoorlijkheid, bekoring, charme
charming = bekoorlijk, charmant, innemend, schattig, snoeperig, snoezig
Charon = Charon
charter = charter, handvest, vrachtcontract
Charybdis = Charybdis
chase = najagen, nastreven, drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven, achtervolgen, najagen, vervolgen, najagen, narennen, jacht maken op, jagen, bejagen, najagen
chase away = uitdrijven, verdrijven, verjagen, wegdrijven, wegjagen
chasm = afgrond, bergkloof
chaste = eerbaar, kuis, rein, zedig
chaste behaviour = ingetogenheid, kuisheid
chasten = kuisen
chastise = kastijden, tuchtigen, afstraffen
chastisement = kastijding, tuchtiging
chastity = eerbaarheid, kuisheid, reinheid, zuiverheid
chat = gebabbel, gekeuvel, gepraat, kout, babbelen, keuvelen, praten
chatri = chatri
chatter = babbelen, keuvelen, praten
chatterbox = babbelaar, kletskous, ratel, babbelaar, praatvaar, prater
chauffeur = bestuurder, chauffeur
chauvinism = chauvinisme
chauvinist = chauvinist
cheap = goedkoop, goedkoop
cheaply = goedkoop, voordelig, goedkoop, voordelig
cheat = schurkachtig handelen, zich op oneerlijke wijze toeëigenen, boef, ellendeling, ploert, schavuit, schurk, smiecht, spitsboef, bedrieger, bedonderen, belazeren, verneuken, bedrieger, bedriegen, misleiden, bedotten
cheated = bedrogen, gedupeerd
Chechen = Tsjetsjeens, Tsjetsjeen
Chechenia = Tsjetsjenië, Tsjetsjenië
check = bedwingen, beteugelen, betomen, intomen, in toom houden, breidel, teugel, toom, aflezen, checken, controleren, nakijken, surveilleren, toezien, cheque, schaak, schaak staan
checked = geblokt, geruit
checker = controleur, opzichter, supervisor, verificateur
checkers = damspel, dammen, damspel
check off = aankruisen, aankruisen, aanstrepen
check out = afmelden
checksum = checksum
check up on = aflezen, checken, controleren, nakijken, surveilleren, toezien
cheek = kaak, koon, wang
cheer = hoera roepen, hoera, aanvuren
cheerful = lustig, monter, vrolijk, jolig, luimig, opgewekt, welgemutst
cheers = op uw gezondheid, proost, prosit, santé
cheese = kaas
chef = chef, chefkok
chemist = apotheker, farmaceut, apotheker, farmaceut, chemicus, scheikundige, chemicus, scheikundige
chemistry = chemie, scheikunde, chemie, scheikunde
chemist's shop = apotheek
cheque = cheque
cheque-book = chequeboekje
chequered = geblokt, geruit
cherry = kers
cherry-tree = kerseboom, kerseboom
chess = schaak, schaakspel
chessboard = schaakbord
chess-board = schaakbord
chest = boezem, borst, bak, kist, schrijn, commode, ladenkast, borstholte, borstkas
chestnut = kastanje, paardekastanje, kastanje, tamme kastanje
chestnut-tree = kastanjeboom, paardekastanje, kastanjeboom, paardekastanje, kastanje, kastanjeboom, paardekastanje, kastanjeboom, tamme kastanje, tamme-kastanjeboom, kastanjeboom, tamme kastanje
chew = kauwen
chewing-gum = kauwgom
chew the cud = herkauwen
chi = chi
chic = chic, piekfijn, sjiek
chick = kuiken
chicken = kip, kippevlees, kuiken, hen, kip, hoen, kip
chicken pox = waterpokken
chicory = cichorei, lof
chief = aanvoerder, baas, chef, gebieder, aanvoerder, baas, chef, meerdere, superieur, hoofd-, voornaamste, aanvoerder, baas, chef, hoofd, opperhoofd
chief- = aarts-, hoofd-, opper-
chiefly = in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk, hoofdzakelijk, inzonderheid, voornamelijk
chief of police = commissaris, politiecommissaris
child = kind, kind, kind
childbed = kraambed
child-birth = baring, voortbrenging
childish = kinderlijk, kinderachtig
childless = kinderloos
child prodigy = wonderkind
child prostitution = kinderprostitutie
child's bed = kinderbed
Chile = Chili
Chilean = Chileens, Chileen
Chilean woman = Chileense
chilli = peper, Spaanse peper
chilly = kil, koud
chimera = chimaera, hersenschim, inbeelding
chimerical = hersenschimmig, ingebeeld
chimes = beiaard, carillon, klokkenspel, speelwerk, beiaard, carillon, klokkenspel
chimney = kachelpijp, schoorsteen, schoorsteenpijp, rookkanaal, schoorsteen, schoorsteenpijp
chimpanzee = chimpansee
chin = kin
China = China, China, China
Chinaman = Chinees
Chinese = Chinees, Chinees, Chinese taal, Chinees, Chinees, Chinese taal, Chinese
Chinese lady = Chinese
Chinese language = Chinees, Chinese taal, Chinees, Chinese taal
Chinese New Year = Chinees Nieuwjaar, Chinees Nieuwjaar
Chinese woman = Chinese
chip = bikken, afbikken, bikken, afbikken
chip off = bikken, afbikken, bikken, afbikken
chippings = steenslag
chirp = kwetteren, piepen, sjilpen, tjilpen
chisel = beitel, beitelen, beitel
chive = bieslook
chlorine = chloor
chocolate = chocola, chocolade
chocolate éclair = moorkop
choice = keur, keus, keuze, optie, verkiezing
choke = choken, worgen, wurgen, neerslaan, onderdrukken, smoren, verkroppen, verstikken, smoren, stikken
cholera = cholera
choose = kiezen, uitkiezen, uitlezen, uitpikken, verkiezen, uitzoeken
chop = fijnhakken, fijnhakken, hakken, houwen, kappen
chopsticks = eetstokjes
chop up = fijnhakken
chord = akkoord, samenklank, akkoord
chorus = koor, rei, zangkoor
chrestomathy = anthologie, bloemlezing, chrestomathie
chrisom = doopkleed
Christ = Christus
christen = dopen
christening = doop, doopsel
christening robe = doopkleed
Christian = christelijk, christen
Christian Era = christelijke jaartelling
Christianity = christendom, christendom
Christian name = doopnaam, voornaam, vóórnaam
Christmas = Kerstfeest, Kerstmis
Christmas feast = Kerstfeest
Christmas rose = kerstroos
Christmas tree = kerstboom
chromium = chroom
chronicle = kroniek
chronicler = chroniqueur, kroniekschrijver
chuck = aaien, aaien, aai, aanhaling, liefkozing, streling, aai, aanhaling, liefkozing, streling
chum up = aanpappen, contact zoeken
chunk = bal, dot, klomp, klont, kluit, prop
chunk of wood = blok, houtblok, lul
church = kerk, kerk, kiekendief, kerk, kerkgebouw, bedehuis, kerk, kerkgebouw
church-building = kerk, kiekendief, kerk, kerkgebouw, bedehuis, kerk, kerkgebouw
church-father = kerkvader
churn = karnen
Cicero = Cicero
cider = appelwijn, cider
cigar = sigaar
cigar-end = peuk, peukje, sigarepeuk, sigarepeukje
cigarette = saffiaantje, sigaret
cigarette-end = peuk, peukje
cigarillo = cigarillo
cigar-stub = peuk, peukje, sigarepeuk, sigarepeukje
cinder = as, sintel, slak
Cinderella = Assepoester
cinema = bioscoop, cinema, filmkunst, kina
cinnamon = kaneel
cinquefoil = ganzerik
cipher = cijfer, nummer
Circassia = Circassië, Circassië
Circe = Circe
circle = cirkel, kring, gezelschap, kring, genootschap, gezelschap, krans, kring, sociëteit, vereniging
circuit = circuit
circular = circulaire, rondschrijven
circulate = circuleren, in omloop zijn, rondgaan, rouleren
circulation = circulatie, omloop, roulatie
circumcise = besnijden
circumcision = besnijdenis, circumcisie
circumference = omtrek, cirkelomtrek, omtrek, omtrek van een geometrische figuur
circumflex = circumflex, kapje, kapjesteken, samentrekkingsteken
circumstance = omstandigheid
circumstances = situatie, stand, stand van zaken, toestand
circumvent = omgaan, rondgaan
circus = circus
cistern = bak, reservoir, tank, vergaarbak
citadel = citadel
citation = aanhaling, citaat
cite = aanhalen, citeren, noemen
citizen = burger, staatsburger
city = grote stad, wereldstad, plaats, stad
city hall = gemeentehuis, raadhuis, stadhuis
city state = burgerij, <stad met zelfbestuur>, stadsstaat
civic = burger-, stads-
civil = burgerlijk, civiel
civilian = burgerlijk, civiel
civilization = beschaving, beschaven, beschaving, beschaven, beschaving
civilize = beschaven, civiliseren
civilized = beschaafd, geciviliseerd
civil status = burgerlijke staat
claim = aanspraak maken op, claimen, aanspraak, claim, pretentie
clairvoyant = helderziend
clamp = haakje, klamp, kramp, nietje
clan = geslacht, stam, volksstam, clan
clandestinely = heimelijk, in bedekte termen, sluiks, tersluiks
clap = adhesie betuigen, applaudisseren, toejuichen, gonorroe, klakken, klappen, kletteren, klikken
clapper = bengel
clarify = beduiden, duidelijk maken, uitleggen, verhelderen, verklaren
clarion = hoorn, klaroen, signaalhoorn
clasp = vasthaken, agrafe, haakje, slot, spang
class = klas, klasse, stand, cursus, leergang, koers, route, tracé, traject
classic = klassiek, klassikaal
classical = klassiek, klassikaal
classify = classificeren, indelen
clatter = afdrogen, afranselen, kletteren
clause = bepaling, clausule, voorwaarde
claw = klauw, klauw
clay = aarden, klei-, van klei, klei
clean = helder, louter, schoon, proper, puur, rein, zindelijk, zuiver, helder, proper, rein, schoon, zindelijk, louteren, reinigen, schoonmaken, vegen, zuiveren
cleanliness = helderheid, kuisheid, zindelijkheid, zuiverheid
cleanly cut = duidelijk, knap, net, netto, netto-, verzorgd, zuiver, duidelijk, knap, net, verzorgd
cleanse = louteren, reinigen, schoonmaken, vegen, zuiveren
clear = hel, helder, klaar, licht, ophelderen, opklaren, oplichten, duidelijk, helder, klaar, uitgesproken, zuiver, duidelijk worden, helder worden, aanschouwelijk
clear away = afnemen, afruimen
clearly = duidelijk, helder, klaar
clef = sleutel, muzieksleutel
cleft = bergkloof
Cleopatra = Cleopatra
clergyman = geestelijke, geestelijke, pastoor, pastor, zielszorger, zielverzorger
clerk = bediende, kantoorbediende, winkelbediende, commies, klerk, schrijver
clever = bedreven, behendig, bekwaam, handig, vaardig, doortrapt, gewiekst, listig, slim, uitgeslapen
cliché = cliché, gemeenplaats, cliché, negatief
click = klakken, klappen, kletteren, klikken
client = afnemer, klant, koper, afnemer, cliënt, klant
clientèle = clientèle, klandizie, praktijk
cliff = klif, klip
climate = klimaat
climatic = klimaats-
climb = klauteren, klimmen, klimmen, naar boven gaan, rijzen, stijgen, bestijgen, beklimmen
climb down = bakzeil halen, bakzeil halen
climber = alpinist, bergbeklimmer, alpinist, bergbeklimmer
climber's hut = berghut
climbing = beklimming
cling to = blijven haken, zich vastgrijpen, zich vastklampen
clinic = kliniek
clip = knippen, scheren, snoeien
clippings = afval, rommel, vuil
clique = kliek, kongsi, pal, troep
cloak = jas, mantel
cloakroom = garderobe, kleedkamer, vestiaire
clock = klok, uurwerk
clockwise = met de klok mee, rechtsom
clod = bal, dot, klomp, klont, kluit, prop
clod of earth = aardkluit
clog = dichten, dichtmaken, stoppen, toestoppen, verstoppen, volstoppen
close = dichtdoen, dichtmaken, sluiten, toedoen, dichtgaan, sluiten, toegaan, toegroeien, toevallen, zich sluiten, gezellig, innig, intiem, knus, vertrouwelijk, na aan het hart, bedompt, eng, krap, nauw, benauwd, aanstaand, eerstvolgend, komend, dichtbij, nabij
closed = dicht, gesloten, toe
closet = kast
close to = dichtbij, in de buurt van, nabij, dichtbij, in de buurt van, nabij
close-up = voorgrond
cloth = laken, doek, stof, weefsel
clothe = kleden, aankleden, bekleden, omkleden, staan
clothes = goed, kleding, kleren
clothespeg = wasknijper
clothespin = wasknijper
clothes-press = hangkast, kleerkast
clothing = goed, kleding, kleren
cloud = benevelen, verdoezelen, wolk
cloudy = bewolkt, onduidelijk
clove-cheese = nagelkaas
clover = klaver
clown = clown, paljas, pias
club = club, sociëteit, genootschap, gezelschap, krans, kring, sociëteit, vereniging
club member = clublid
clubs = klaveren
cluster = bos, bundel, wis, ris, rist, tros
clutch = bemachtigen, grijpen, aangrijpen, vastgrijpen, beetnemen, pakken, beetpakken, koppeling
co- = aaneen, aaneen-, co-, samen, samen-
coach = onderwijzen, opvoeden, equipage, kales, koets, rijtuig, coachen, trainen, spoorwagen, wagon
coach-work = carrosserie
coal = kool, steenkool
coal-scuttle = kit, kolenbak, kolenkit
coarse = grof, hardhandig, lomp, onkies, ruw, grof, lomp, bobbelig, bultig, oneffen, ruig, rul, ruw, schraal
coast = kust-, kust, kustlijn, zeekant, zeekust
coast- = kust-
coastal = kust-
coat = jas, overjas, van een laagje voorzien, jas, overjas
coaxer = mooiprater
coaxingly = vleiend
cobalt = kobalt
cobra = brilslang, cobra
cocaine = cocaïne
cock = jongeheer, leuter, lul, pik, snikkel, haan
cockfight = hanengevecht
cock-pigeon = doffer
cockroach = kakkerlak
cocktail = cocktail
cocoa = cacao
coconut = klapper, klappernoot, kokosnoot
coconut palm = klapperboom, kokospalm
coco-nut pulp = kokospulp
coconut pulp = kokospulp
cocoon = cocon
Cocos Islands = Cocoseilanden
cod = kabeljauw
coddle = koesteren, troetelen, vertroetelen, verwennen
code = code, cijfer, geheimschrift
codfish = kabeljauw
codfish-oil = levertraan
coffee = koffie
coffee-house = bistro, café, koffiehuis
coffee-pot = koffiekan, koffiepot, koffiebus, koffiestruik
coffin = kist, doodkist
cognac = brandy, cognac
cogwheel = kamrad, kamwiel, tandrad, tandwiel
cohabit = samenwonen
coherent = coherent, samenhangend
coil = bobine, klos, spoel
coin = geldstuk, munt, penning, munten, munten
coincide = congruent zijn, elkaar dekken
coir = koor, rei, zangkoor
coir loft = koor, <koor (deel v.e. kerk)>
coition = bijslaap, coïtus
colander = vergiet, vergiet
cold = koud, kil, koud, kou, koude, verkoudheid, druipneus, neusverkoudheid
cold sweat = angstzweet
collapse = ineenstorten, instorten, uiteenvallen, uitvallen
collar = boord, halsboord, kraag, halsband, halsketting
collateral branch = zijtak
colleague = ambtgenoot, collega, ambtgenoot, collega, vakgenoot
collect = collecteren, innen, inzamelen, oogsten, plukken, rapen, verzamelen
collection = are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, drift, groep, hoop, kudde, schare, school, set, stel, troep, zwerm, heffing, inning, verzameling, bundel, collectie, verzameling
collective = collectief, gemeenschappelijk, gezamenlijk, collectief
college = college
collide = aanrijden, voorrijden, botsen
collide with = aanrijden tegen, stoten op, zich stoten aan, botsen met
collision = aanrijding, aanvaring, botsing
Cologne = Keulen
Cologne pot = Keulse pot
Colombia = Colombia
Colombian = Colombiaans, Colombiaan
Colombian woman = Colombiaanse
colon = dubbele punt
colonel = kolonel
colonial = koloniaal
colonize = koloniseren
colony = kolonie, nederzetting, volksplanting
colossal = geweldig, kolossaal, ontzaglijk, reusachtig
colossus = bakbeest, gevaarte, kolos
colour = kleuren, verven, kleur
colour-blind = kleurenblind
coltsfoot = hoefblad, klein hoefblad, hoefblad
columbine = akelei
Columbus = Columbus, Columbus, Columbus
column = colonne, kolom, pilaar, steunpilaar, zuil, kolom, rij, hoofd, rubriek
comb = kammen, uitkammen, kam
combat = bestrijden, het opnemen tegen
combination = combinatie, verbinding, vereniging
combine = combineren, samenvoegen, verbinden, combineren, zich verbinden
combustion = verbranding
come = afstammen, het gevolg zijn van, ontspruiten, voortkomen, komen
come about = gebeuren, toegaan, voortgang hebben, worden, aan de hand zijn, gebeuren, geschieden, voorkomen, voorvallen
come across = aantreffen, ontmoeten, tegemoet treden, tegenkomen, treffen, tegenkomen, treffen
come afterwards = later komen, nakomen
come back = terugkeren, terugkomen, wederkeren, wederkomen, weeromkomen
come close = in aantocht zijn, naderen, nabij komen, naderbij komen, naderen, nader treden
come closer = in aantocht zijn, naderen, dichtbijkomen, naderbijkomen, naderen, nabij komen, naderbij komen, naderen, nader treden
comedy = blijspel, komedie
come flocking in = toelopen, toestromen, toevloeien
come into = binnenkomen, inkomen
come into bloom = ontluiken, opbloeien
come later = later komen, nakomen
come on = aanpakken, gaan naar, genaken, naderen, in aantocht zijn, naderen, beginnen, een aanvang nemen, bijschuiven, naderen, nabij komen, naderbij komen, naderen, nader treden
come out = uitkomen
come over = bekruipen
comet = komeet, staartster
come to a halt = afslaan, blijven staan, halthouden, stilhouden, stilstaan, stoppen
come to an agreement = accorderen, bijeenpassen, kloppen, overeenstemmen, rijmen, stroken
come to an end = aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen
come together = aansluiten, zich aaneensluiten, zich verenigen
come to nothing = mislukken, afspringen
come to pass = bewaarheid worden, uitkomen
come true = bewaarheid worden, uitkomen, in vervulling gaan, verwezenlijkt worden
come up to = beantwoorden aan, stroken met
comfort = comfort, gemak, gerief, troosten, vertroosten
comfortable = comfortabel, gemakkelijk, geriefelijk, gerieflijk, welbehaaglijk
comfortably = aangenaam
comforter = speen, fopspeen, speen, fopspeen, stofzuiger, zuigglas, speen, fopspeen
comfrey = smeerwortel
comic = grappig, koddig, komisch, moppig
comical = grappig, koddig, komisch, moppig
Comine = Komen
coming = afkomstig
coming from = afkomstig uit
comma = komma
command = aanvoeren, bevelen, commanderen, het bevel voeren, bevel, commando, bevelen, gelasten, sommeren, verordenen, voorschrijven, bevel, bevelschrift, gebod, order, sommatie, verordening, bestrijken
commander = aanvoerder, commandant
commence = aanbinden, aanvangen, beginnen, aanbreken, aanvangen, beginnen, ingaan
commencement = begin, aanvang, begin, ontstaan, aanhef, aanvang, begin, intrede
commencing salary = beginsalaris
commend = loven, prijzen, roemen, verheerlijken, lof toezwaaien, loven, prijzen, roemen, aanbevelen, aantekenen, recommanderen, aanbevelen, recommanderen
commendable = loffelijk, lofwaardig
comment = annoteren, commentaar leveren op, commentariëren, toelichten, commentaar
commentary = nabeschouwing
comment on = commentariëren
commerce = handel, koopmanschap, nering
commissar = ceremoniemeester, commissaris
commission = boodschap, commissie, opdracht, commissie, courtage, commissie
commissioner = gecommitteerde, lasthebber
commit adultery = adulteren, echtbreken, overspel plegen
commit aggression = aanvallen
commit suicide = de hand aan zichzelf slaan, zelfmoord plegen
committee = comité
commodity = artikel, handelsartikel, waar, handelswaar
commodore = commodore
common = algemeen, gemeenschappelijk, gezamenlijk, gewoon, alledaags, grof, ordinair, plat, vulgair
common oak = zomereik
commonplace = afgezaagd, alledaags, banaal, gewoontjes, nietszeggend, plat, onbenullig, plat, triviaal, vulgair
commotion = agitatie, beroering, beweging, opschudding, stokerij, woeling, agitatie, onrust, opschudding, troebelen, agitatie, beroering, gisting, onrust, aanstoot, ergernis, schandaal
communicate = berichten, mededelen, meedelen, voortzeggen, aansteken, besmetten, infecteren
communication = communiqué, bericht, mededeling, tijding, bekendmaking, bericht, kennisgeving, mare, tijding, verwittiging
communication-cord = noodrem
communicative = aanspreekbaar
communion = communie
communism = communisme
communist = communist
community = gemeenschap, gemeente
community of interests = belangengemeenschap
commute = omleggen, omschakelen, overschakelen
Comoro Islands = Comoren
compact = compact, dicht
companian = begeleider, metgezel
companion = kameraad, kornuit, maat, makker, gezel, maat, metgezel, partner
company = firma, handelsfirma, handelshuis, firma, handelsfirma, handelshuis, compagnie, gezelschap, maatschappij, vennootschap, gezelschap, besloten vennootschap
comparatively = vergelijkenderwijs
compare = vergelijken
comparison = vergelijking
compartment = afdeling, branche, tak, vak, afdeling, compartiment, coupé, treincoupé
compass = kompas
compassion = erbarmen, mededogen, medelijden
compatible = congruent
compatriot = bewoner, <bewoner (van een land)>, landgenoot, landsman
compel = dwingen, noodzaken, verplichten
compensate = compenseren, goedmaken, vergoeden, lonen, belonen, terugdoen, vergelden, wedervergelden
compensation = beloning, loon, vergelding
compete = concurreren, meedingen, wedijveren
competent = bevoegd, competent, deskundig, vakkundig, zaakkundig
competition = wedijver, concurrentie, mededinging, wedijver, concours, match, wedstrijd
compilation = compilatie, verzamelwerk, compilatie
compile = compileren, samenstellen
compiler = compiler, compiler
complain = klagen, zijn beklag doen
complaint = aanklacht, beschuldiging, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging, beklag, klacht, aanklacht
complementary = aanvullend
complete = compleet, heel, volkomen, volledig, volslagen, voltallig, aanvullen, bijwerken, completeren, supplementeren, voleinden, compleet, totaal, vol, volkomen, volledig
completed = volbracht, volbracht, afgelopen, afgewerkt, beëindigd, klaar, volbracht
completely = compleet, heel, geheel, totaal, totaliter, volkomen, volledig, heel, geheel, ten volle, volkomen, volledig, voluit
complex = complex, samengesteld, complex, gecompliceerd, ingewikkeld, samengesteld
complexion = teint, tint
complicate = compliceren, ingewikkeld maken
complicated = gecompliceerd, ingewikkeld, gecompliceerd, ingewikkeld, samengesteld
compliment = complimenteren, compliment, plichtpleging
component = bestanddeel, ingrediënt, bestanddeel, component
compose = afhandelen, beslechten, componeren, samenstellen, componeren, maken, scheppen, schrijven
composed = beheerst
composer = componist, toondichter
composing = montage, zetting
composition = compositie, toondicht, toonzetting
composure = bedaardheid, kalmte, rust, gerustheid, rustigheid
comprehensibility = begrijpelijkheid, verstaanbaarheid
comprehensive = lijvig, veelomvattend
comprehensive insurance = all-riskverzekering
comprehensively = uitgebreid, uitgebreid
compress = comprimeren
comprise = beslaan, omvatten, behelzen, bevatten, inhouden
compulsory = bindend, dwingend, gedwongen, verbindend, verplicht, verplichtend
compunction = berouw
computation = becijfering, berekening, gecijfer, berekening
compute = berekenen, meten
computer = computer
comrade = kameraad, kornuit, maat, makker
concave = hol, ingevallen
conceal = ontveinzen, verbergen, verhelen, verschuilen, verstoppen
concede = toegeven
conceited = ijdel, nietig, onbelangrijk
conceive = in verwachting raken, zwanger raken, zwanger worden, ontvangen, <ontvangen (in de moederschoot)>
concentrated = dicht, dik, gebonden, geconcentreerd, sterk
concept = begrip, opvatting
conception = begrip, idee
concern = belang, belangrijkheid, betekenis, gewicht, zwaarwichtigheid, aangaan, betreffen, gelden, raken, aanbelang, aangaan, aanbelangen, betreffen, verkeren, zich verhouden, kommer, bekommernis, zorg, zorgvuldigheid
concerned = betrokken, bewust, desbetreffend, in kwestie
concerning = aangaande, betreffende, omtrent, wat betreft, aan, aangaande, betreffende, met, over, van, aangaande, met betrekking tot, ten opzichte van
concert = concert
concerto = concerto
concert-room = concertzaal, muziekzaal
concise = beknopt, bondig, kernachtig, kort, summier, zakelijk
conciseness = beknoptheid, bondigheid
conclude = afdoen, afhandelen, afwikkelen, afhandelen, beslechten
conclusion = conclusie, gevolgtrekking, bevinding, effect, resultaat, uitslag
conclusive = afdoend, een conclusie wettigend
concord = overeenstemming
concrete = beton, concreet
concubine = bijvrouw
concurrence = akkoord, overeenkomst, overeenstemming, akkoord, overeenkomst, overeenstemming
condemn = afkeuren, veroordelen, afkeuren, verwerpen, wraken
condemnable = afkeurenswaardig, laakbaar, verwerpelijk
condemnation = afkeuring, verwerping, wraking
condition = bepaling, conditie, voorwaarde, situatie, stand, stand van zaken, toestand, constellatie, gesteldheid, situatie, staat, stand, toestand
condolences = condoleantie, rouwbeklag
condom = condoom, kapotje
conduct = de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden, besturen, brengen, leiden, geleiden, voeren, gedrag, houding, wandel
conduct oneself = zich gedragen
conductor = bestuurder, conducteur, wagenbestuurder
cone = kegel, wafeltje
confectioner = banketbakker, koekbakker
confectioner's = banketbakkerswinkel
confectioner's shop = banketbakkerswinkel
confectionery = banketbakkerij, koekbakkerij
confederation = bondsstaat, confederatie, eedgenootschap
conference = conferentie
confess = bekennen, biechten, erkennen, toegeven, bekennen, erkennen, toegeven, biechten
confession = belijdenis, confessie, gezindte, bekentenis, biecht, erkenning, bekentenis, erkenning, biecht
confide = vertrouwen, toevertrouwen, vertrouwen hebben in
confidence = fiducie, geloof, vertrouwen, confidentie, vertrouwelijke mededeling, vertrouwelijkheid, vertrouwen, argeloosheid, naïveteit
confident = zelfbewust, zelfverzekerd
confidential = geheim, vertrouwelijk
confine = begrenzen, beknotten, beperken, beperkingen opleggen aan, beperken
confined = begrensd, beperkt, eindig
confined to one's bed = bedlegerig
confirm = aannemen, bevestigen, bekrachtigen, bevestigen, erkennen, staven, vormen
confirmation = aanneming, vormsel, bekrachtiging, bevestiging, vormsel
confiscate = confisqueren, in beslag nemen, konfiskeren, verbeurd verklaren
conflagration = brand, vuurzee
conflict = conflict
conform = in overeenstemming zijn, passen, rijmen, zich aanpassen
conforming = adequaat, overeenstemmend, passend, bijpassend
confront = het hoofd bieden, het hoofd bieden, bezwaar hebben tegen, standhouden, weerstaan, zich verzetten, het hoofd bieden, niet toegeven, niet wijken, pal staan
Confucius = Confucius
confuse = dooreenhalen, van zijn stuk brengen, verwarren, verwisselen
confusing = verwarrend, verwarrend
confusion = verwardheid, verwarring, disorde, janboel, rommel, rotzooi, verwarring, wanorde, war
confusion of ideas = begripsverwarring
congenital = aangeboren, ingeboren
congentital = aangeboren
congestion = aandrang, bloedaandrang, congestie, aandrang, bloedaandrang
Congo = Congo, Zaïre, Kongo
Congolese = Congolees, Kongolees
congratulate = feliciteren, gelukwensen
congratulation = felicitatie, gelukwens
congregate = bijeenkomen, samenkomen, vergaderen
congress = congres
congruent = congruent
conifer = naaldboom
conifer forest = naaldbos, naaldwoud
conjecture = gissen, vermoeden, gissing
conjugate = conjugeren, vervoegen
conjunction = conjunctie
connect = aan elkaar vastmaken, verbinden, aansluiten, verbinden, bijeenbinden, samenbinden, verbinden, aansluiten, binden, vastbinden, vastmaken, verbinden
connected = coherent, samenhangend
connection = samenhang, verbinding, aansluiting, contact, verbinding, geleding, verbinding, aansluiting, bond, liga, verbond
connect up = aansluiten, verbinden
conquer = veroveren
conscience = geweten
conscientious = consciëntieus, gewetensvol
conscious = bewust, welbewust
consciousness = besef, bewustzijn, bezinning
consecutively = achtereen, achtereenvolgens, successievelijk
consent = goedvinden, het eens zijn, toegeven, toestemmen, fiat, goedvinden, toestemming
consequence = consequentie, gevolg, gevolg, uitvloeisel, voortvloeisel
consequently = bijgevolg, derhalve, dus, zodoende, dientengevolge
conservation = behoud, bewaring, handhaving, behoud, instandhouding
conservative = behoudend, conservatief, behoudend, conservatief, conservatief, conservatief
conserve = behouden, bergen, bewaren, conserveren, onderhouden, overhouden
consider = beschouwen, nagaan, overwegen, rekening houden met, aanmerken als, beschouwen, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien, beschouwen, zien, houden voor, verslijten voor, zien als
considerable = aanmerkelijk, aanzienlijk, geruim
considerably = aanzienlijk
consideration = beraad, overweging, beraad, ruggespraak
consignee = ontvanger
consist = bestaan uit
consistency = consequentie, gevolg, samenstelling
consistent = coherent, samenhangend, consequent
consist of = bestaan uit
consolation = heul, troost, vertroosting
console = troosten, vertroosten
consonant = consonant, medeklinker
conspiracy = komplot, samenspanning, samenzwering
conspire = samenspannen, samenzweren
constant = bestendig, constant, gestaag, gestadig, stabiel, vast, standvastig, bestendig, constant, aanhoudend, onophoudelijk, voortdurend
constantly = aldoor, bij voortduring, permanent, voortdurend, constant, onophoudelijk, permanent, voortdurend
consternation = ontsteltenis, ontzetting, verbluftheid, consternatie, ontsteltenis, verbijstering, verslagenheid
constipate = constipatie veroorzaken, stoppen, verstoppen
constipated = hardlijvig, verstopt, hardlijvig
constipation = constipatie, obstipatie, verstopping, constipatie, obstipatie, verstopping
constitute = uitmaken, vormen
constitution = constitutie, grondwet
constitutional = constitutioneel, grondwettelijk, grondwettig
constringent = adstringerend, samentrekkend, wrang, adstringerend, samentrekkend
construct = aanleggen, bouwen, construeren
consul = consul
consulate = consulaat
consul general = consul-generaal
consult = consulteren, raadplegen
consultation = beraadslaging, consult, consultatie
consume = consumeren, slopen, verbruiken, verorberen, verteren
consumer = consument, gebruiker, verbruiker
consumption = tering, longtering, tuberculose
consumptive = teringlijder
contact = contact hebben, contact hebben met, contact maken met, aanraking, contact, voeling
contagion = besmetting, infectie, besmetting
contagious = aanstekelijk, besmettelijk, verpestend, aanstekelijk, besmettelijk
contain = behelzen, bevatten, inhouden
container = doos, bak, etui, foedraal, koker, korf, pot, zak, vat
contaminated = besmet, geïnfecteerd
contamination = besmetting, infectie, besmetting
contemplate = beschouwen
contemplative = beschouwelijk, beschouwend, contemplatief
contempt = minachting, schamperheid, verachting, versmading
contend with = bestrijden, het opnemen tegen
contented = tevreden, vergenoegd, voldaan
contention = bewering
contentment = tevredenheid
contents = inhoud, inhoud
contest = concours, match, wedstrijd
continent = continent, vasteland, werelddeel
contingency = eventualiteit
contingent = eventueel, gebeurlijk
continual = bestendig, constant, gestaag, gestadig, stabiel, vast, standvastig, bestendig, constant
continually = aldoor, bij voortduring, permanent, voortdurend
continuance = bestendiging
continuation = bestendiging, vervolg, voortzetting
continue = aanhouden, aanhouden, beklijven, duren, standhouden, voortduren, doorgaan, verder gaan met, vervolgen, voortgaan, voortzetten, bestendigen, continueren, doorlopen, voortduren
continue in office = aanblijven
continuous = doorlopend, onafgebroken, ononderbroken, staag, doorlopend, onafgebroken, ononderbroken
continuously = aldoor, bij voortduring, permanent, voortdurend, alsmaar, voortdurend
contort = twijnen, verbuigen, verdraaien, vertrekken, wringen, verwringen
contour = omlijning, omtrek
contraband = contrabande, smokkelwaar
contraceptive = anticonceptie-, anticonceptie-
contract = contract, verbintenis
contract a loan = een lening sluiten
contractor = aannemer, bouwondernemer
contradict = in tegenspraak zijn met, tegenspreken, tegenwerpen
contradistinction = tegenstelling, tegenstrijdigheid
contralto = alt, altstem, alt, altzangeres, alt, altzangeres, tweede alt
contralto voice = alt, altstem
contrary = strijdig, tegengesteld, tegenliggend, tegenstaand, tegenstrijdig, tegengesteld, tegenliggend, tegenstaand, tegenstrijdig
contrast = tegenstelling, tegenstrijdigheid, afsteken, contrasteren, contrast, tegenbeeld, tegenstelling
contribute = bijdragen
contribution = bijdrage, bijdrage
contrite = berouwvol, boetvaardig
contrition = berouw
contrived = bedrieglijk, slinks
control = bedienen, bestuur, bewind, heerschappij, regering, besturen, de scepter zwaaien, heersen, regeren
controller = controleur, opzichter, supervisor, verificateur, controller
control oneself = zich beheersen
controversy = controverse, pennestrijd, polemiek, twistgeschrijf
convalesce = aansterken, op verhaal komen
convenient = doelmatig, gemakkelijk, geschikt, gepast, passend
convention = congres, conventie
converge = convergeren, samenkomen, samenlopen
conversance = bekendheid
conversation = gesprek, onderhoud, conversatie, gesprek
converse = converseren, een gesprek voeren, converseren, een gesprek voeren
conversion = verandering, wijziging, verandering, wijziging, bekering, bekering, omwisseling, keer, kentering, verandering, verloop, keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling
convert = bekeren, bekeerling, bekeerling, proseliet
convey = aanvoeren, toevoeren, aangeven, aanreiken, afdragen, overbrengen, overgeven, toereiken
convey as passenger = vervoeren als passagier
convict = schuldig bevinden
conviction = overtuiging
convince = overtuigen
convoke = bijeenroepen, convoceren, konvoceren, uitschrijven
convulsion = kramp, stuip, stuiptrekking
co-occupant = medebewoner
cook = koken, keukenmeid, kokkin, kok, koken, opstaan
cooked = gekookt
cookie = biscuit
cooking pot = pan, kookpan, kookpot
cool = afkoelen, koel, bekoelen
cool down = afkoelen, bekoelen
cooling = bekoeling
cool season = koele seizoen
coop = hoenderhok, kippenhok, kippenren
cooperate = meewerken, samenwerken
co-operate = meewerken, samenwerken
coordinate = bijeenschakelen, coördineren, gelijkschakelen
co-ordinate = bijeenschakelen, coördineren, gelijkschakelen
Copenhagen = Kopenhagen
coping = nok, vorst
copious = abundant, overvloedig, rijk, uitbundig, volop, weelderig, welig, abundant, overvloedig, rijk, uitbundig, volop, weelderig, welig
copper = koperen, roodkoperen, koper, roodkoper
copulation = geslachtsdaad, paring
copy = afdruk, exemplaar, afschrift, afdruk, kopie, afdrukken, kopiëren, nabootsen, namaken, afschrift, afdruk, kopie, namaaksel
copyright = auteursrecht, copyright, kopijrecht
coquetry = behaagzucht
coquettish = behaagziek, koket
Corantin = Corantijn
cord = koorde, snaar, stemband, koord, koorde, lijn, lijntje, snoer, touw
cordial = hartelijk, hart-, hartelijk, innig, hartelijk, innig, hartelijk, hartgrondig
cordon = afzetting, kordon
core = kern, pit
coriander = koriander
Corinth = Corinthe
Corinthian = Corinthisch, Corinthisch
cork = kurk
corkscrew = kurketrekker
cormorant = aalscholver
corn = eelt, eksteroog, likdoorn, mais
corn chamomile = Roomse kamille, <motet met bijbelse woorden>
corn cockle = bolderik
cornel = kornoelje
corner = accapareren, opkopen, hoek, hoek, straathoek
cornflower = korenbloem
corona = corona
coronation = kroning, bekroning
corporal = korporaal, lichamelijk, lijfelijk
corporation = corporatie, gilde, vakvereniging
corporeal = lichamelijk, lijfelijk
corps = corps, korps, legerkorps
corpse = kadaver, kreng, lijk
corpulent = dik, lijvig
Corpus Christi = Sacramentsdag
corpuscle = pilletje
corral = stal, paardestal, kraal, omheind terrein
correct = correct, goed, juist, zuiver, bijsturen, corrigeren, verbeteren, afstraffen, goed, juist, recht
correspond = corresponderen, aansluiten
correspond to = overeenstemmen met, beantwoorden aan
corridor = baan, gang, overloop, rijstrook
corridor train = D-trein
corroborate = bekrachtigen, bevestigen, erkennen, staven, vormen
corrode = aantasten, bijten, corroderen, uitbijten, uitvreten, wegvreten
corrosive sublimate = sublimaat
corrugate = onduleren
corruption = bederf, omkoopbaarheid, verdorvenheid, zedenbederf, bederf
Corsica = Corsica, Corsica
Corsican = Corsicaans, Corsicaan, Corsicaans, Corsicaan
Corsican woman = Corsicaanse, Corsicaanse
cosmetic case = beauty-case
cosmetic powder = toiletpoeder
cosmos = heelal, kosmos
cost = kosten, kostprijs, kosten, onkosten
Costa Brava = Costa Brava
Costa Rica = Costa Rica
Costa Rican = Costaricaans, Costaricaan
costly = kostbaar, waardevol, duur, kostbaar, prijzig
costume = dracht, gewaad, kostuum, pak
cot = kinderbed
coterie = kliek, kongsi, pal, troep
cottage = huisje, hut
cotton = katoen, katoenen weefsel, katoen, ruwe katoen
cotton-wool = watten
couch = divan, rustbank, Turkse staatsraad, canapé
couch-grass = hondsgras, kweek, kweekgras
cougar = poema
cough = hoesten, hoest
council = raad, raadgevend lichaam
counsel = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, aankondigen, adviseren, bekendmaken, adviseren, raden, aanraden, advies, raad, raadgeving
counsellor = adviseur, mentor, raadgever
count = in aanmerking komen, meetellen, graaf, calculeren, rekenen, berekenen, tellen, uitrekenen, tellen, aftellen, neertellen
count down = aftellen, aftrekken, inhouden, korten
counter = toonbank
counterfeit = vervalsing, nagemaakt
countermand = afbestellen, afbestellen
countermand by telephone = afbellen
counterpane = sprei, beddesprei
countertenor = alt, altist, altzanger
count in = bijtellen, optellen, bijtellen
countless = ontelbaar, ontelbaar, talloos
country = open veld, platteland, land
countryman = boer, landman, plattelander
countryside = open veld, platteland
county = graafschap
county court = arrondissementsrechtbank
coupé = compartiment, coupé, treincoupé
couple = echtelieden, echtpaar, koppelen, paren
coupon = bon, coupon, kaartje, voucher
courage = dapperheid, durf, lef, moed
courageous = boud, dapper, kloek, koen, moedig, boud, dapper, ferm, onvervaard, stout, stoutmoedig, vermetel
courgette = courgette
courier = bode, ijlbode, koerier, loper
course = baan, parcours, cursus, leergang, koers, route, tracé, traject, schaal, schotel, schotel, onbenullig, plat, triviaal, vulgair
court = het hof maken, scharrelen, vrijen, instantie, rechtszaal, erf, hof, plaats, binnenplaats, hof, gerechtshof
courteous = beschaafd, welgemanierd, wellevend, beleefd, galant, heus, hoffelijk, welgemanierd, wellevend
courtesy = beleefdheid
Courtrai = Kortrijk
courtroom = rechtszaal
courtyard = erf, hof, plaats, binnenplaats
cousin = nicht, neef
cover = band, band, boekband, dek, dekking, bedekking, hulsel, beleggen, dekken, bedekken, toedekken, bedekking, deksel, kaft, omslag, dek, bedekking, bestrijken, buitenband, bekleden, overtrekken, bekleding, overtrek, bedekking, bekleedsel, kiemvlies, afleggen, aflopen, doorgaan, gaan door
covered = bedekt, bezaaid, begroeid
covered with blood = bebloed, bebloed, bloedbevlekt
coverlet = sprei, beddesprei
cover with dust = bestuiven, stoffig maken
covet = azen op, begeren, dorsten naar
covetousness = begeerte, begerigheid, graagte, begeerte, begerigheid
cow = runder-, koe
cow- = runder-
coward = bangerd, lafaard, bangerd, lafaard
cowardice = lafheid, lafhartigheid, lafheid, lafhartigheid
cowboy = cowboy
cower = hurken, in elkaar duiken, ineenkrimpen, ineenkronkelen
cowhouse = koestal
cowl = capuchon, huik, kap, mantelkap, schuifdak
cow parsnip = bereklauw
cowshed = koestal
cow-wheat = zwartkoren
coyote = coyote, prairiewolf
coypu = beverrat
crab = krab
crack = barst, barst, gaping, kier, kloof, spleet, split, spouw, knallen, knappen, kraken, knal, krak, barst, barst, scheur
crack-brained = geschift, getikt, getroebleerd, getroubleerd, tureluurs
cracked = gebarsten, gebarsten
crackle = kletteren, knapperen, knetteren
cradle = wieg, bakermat, geboorteplek
craft = arglist, boosaardigheid
craftiness = arglist, boosaardigheid
cramped = eng, krap, nauw, benauwd
cramp-iron = anker, armatuur, muuranker, muuranker, scheerlijn, stag, steundraad, tui
crane = kraan, hijskraan, kraan, hijskraan, kraanvogel
crane's-bill = ooievaarsbek
crank = arm, kruk, zwengel, zwing
crash into = stoten op, zich stoten aan
crawl = kruipen
crayfish = kreeft, rivierkreeft, zoetwaterkreeft
craze = bestseller, furore
craziness = gekheid, zinneloosheid, zinsverbijstering, gekte, gekheid, krankzinnigheid, uitzinnigheid, waanzin
crazy = dol, dolzinnig, gek, krankzinnig, stapel, uitzinnig, waanzinnig
creak = knarsen, piepen, knarsen, knersen, kraken, krassen
cream = vla, crème, puikje, room, romen, afromen, ontromen
crease = frommelen, kreukelen, verfomfaaien, verfrommelen, verkreukelen
create = creëren, maken, scheppen, componeren, maken, scheppen, schrijven
create a scandal = aanstoot geven
creature = wezen, schepping, schepsel, schepsel
credential = geloofsbrief
credit = credit, creditzijde, krediet, tegoed, batig, voordelig
credit card = kredietkaart
credulous = lichtgelovig
creep = kruipen
cremate = cremeren, verassen
cremation = crematie, lijkverbranding, verassing
Creole = Creools
Cretaceous = Krijt
Cretan = Kretenzer
Crete = Kreta
crevice = barst, barst, gaping, kier, kloof, spleet, split, spouw
crew = bemanning, bemanning, scheepsbemanning, scheepsvolk
crib = afkijken, spieken, afkijken
cricket = krekel, kriek
crime = misdaad, misdrijf
Crimea = Krim
criminal = crimineel, misdadig, snood, booswicht, crimineel, misdadiger, schobbejak, snoodaard
criminal law = strafwet
crimson = donkerrood, karmozijn, donkerrood, karmozijn
crippled = gebrekkig, verminkt
crisis = crisis
crisp = croquant, knapperig
critical = hachelijk, kritiek
criticism = aanmerking, beoordeling, kritiek
criticize = beoordelen, keuren, kritiseren
croak = krassen, kwaken
Croat = Kroaat
Croatia = Kroatië, Kroatië
Croatian = Kroatisch
crockery = aardewerk, aardewerk, faience, plateel
crockery set = servies, eetservies
crocodile = krokodillen, krokodil
crocus = krokus
Cronus = Cronus
crook = boef, ellendeling, ploert, schavuit, schurk, smiecht, spitsboef
cross = boos, kwaad, toornig, nijdig, verstoord, vertoornd, kruisen, over elkaar slaan, kruis, balorig, kregel, slechtgehumeurd, oversteken, overgaan, overlopen, oversteken
cross-cut Maryland = baai, rooktabak
cross out = doorhalen, doorstrepen, een streep halen door, schrappen, doorhalen, doorstrepen, een streep halen door, uitschrappen
cross roads = kruispunt, viersprong, wegkruising
crossways = kruiselings
crosswise = kruiselings
crossword puzzle = kruiswoordraadsel
crouch = hurken, in elkaar duiken
crow = kraai, bonte kraai, kraai, zwarte kraai
crowbar = hefboom, koevoet, spaak, zwengel, hefboom, koevoet
crowd = boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep, massa, menigte
crown = krans, bloemenkrans, kronen, bekronen, krans, kroon
crucifix = crucifix, kruisbeeld
crucify = kruisen, kruisigen
crude = bot, cru, grof, onbehouwen, onbewerkt, rauw, ruig, snauwerig, grof, hardhandig, lomp, onkies, ruw, grof, lomp
crude oil = aardolie, aardolie, ruwe olie, ruwe petroleum
cruel = barbaars, wreed, wreedaardig
cruise = kruisen, <kruisen (van schip)>
crumb = kruimel, broodkruimel
crumble = afbrokkelen, gruizelen, frommelen, kreukelen, verfomfaaien, verfrommelen, verkreukelen
crumble away = afbrokkelen, gruizelen
crumble off = afbrokkelen, gruizelen
crunchy = croquant, knapperig
crush = aandrang, run, toeloop, intrappen, verbrijzelen, vermorzelen, verpletteren, stampen, fijnstampen
crust of the earth = aardkorst
crutch = kruk
cruzeiro = cruzeiro
cry = kreet, roep, schreeuw, huilen, krijten, schreien, wenen
cry down = afbreken, afgeven op, afkammen
cry of distress = angstkreet
cry out = gieren, joelen, roepen, schreeuwen
crystal = kristalhelder, kristallen, kristal
Cuba = Cuba
Cuban = Cubaans, kubiek, kubusvormig, Cubaan, Cubaans
cube = blok, derde macht, dobbelsteen, klontje, kubus
cubic = Cubaans, kubiek, kubusvormig, kubiek
cubic metre = kubieke meter
cuckoo = koekoek
cucumber = komkommer
cuddle = knuffelen
cuddlesome = aanhalig
cuddly = aanhalig
cuff = manchet
cul-de-sac = doodlopende weg
culprit = dader, schuldige
cult = cultus, eredienst, verering, verheerlijking
cultivate = bebouwen, bewerken, kweken, bebouwen, beschaven, kweken, aankweken, telen, verbouwen
cultivation = bebouwing, bewerking
culture = beschaving, bouw, cultuur, teelt, verbouwing
cultured = geleerd, knap, ontwikkeld
cunning = arglist, boosaardigheid, doortrapt, gewiekst, listig, slim, uitgeslapen, doortraptheid, slimheid
cunt = kut, vulva
cup = kop, kopje
cupboard = kast
cupboardbed = bedstee, bedstee, slaapkoets
cupcake = mop, koekje
Cupid = Amor, Cupido
cupola = koepel
Curaçao = Curaçao
curate = hulpprediker
cure = behandelen, cureren, beter maken, genezen, helen, genezen
curfew = avondklok
curiosity = nieuwsgierigheid, weetgierigheid, nieuwsgierigheid, nieuwsgierigheid
curious = curieus, typisch, vreemd, vreemdsoortig, benieuwd, nieuwsgierig
curl = krullen, krul, haarkrul, lok, haarlok, friseren, kappen, roeren, doorroeren, omroeren
currant = aalbes, aalbes, aalbesseboom, aalbesseboompje, aalbessestruik, aalbes, rode aalbes, rode bes
currant bush = aalbes, aalbesseboom, aalbesseboompje, aalbessestruik
currant custard = aalbessenvla, aalbessenvla
currant-jam = aalbessenjam
currant juice = aalbessesap
currant-leaf = aalbesseblad
currency = muntsoort, valuta
currency unit = munteenheid
current = actueel, tegenwoordig, loop, stroming, stroom, hedendaags, huidig, van vandaag, stroom, huidig, tegenwoordig, actueel, eigentijds, tegenwoordig
currently = tegenwoordig
curry = kerrie, afrossen, roskammen
curse = godlasteren, ketteren, vloeken, vervloeken, vermaledijen, vervloeken, verwensen, vloeken
cursor = cursor
curtail = inkrimpen, korten, verkorten
curtailment = besnoeiing, vermindering
curtain = doek, gordijn, overgordijn, scherm, voorhang, voorhangsel
curtsy = buigen, een buiging maken, nijgen, buiging, nijging, revérence, strijkage
curve = bocht, curve, kromme
curved = gebogen, krom
cushion = kussen
cuspidor = kwispedoor, spuugbak, spuwbak
cuss = godlasteren, ketteren, vloeken, vervloeken, vloeken
custom = gebruik, gewoonte, usance, gebruik, zede
customary = gebruikelijk, gewoon
customer = afnemer, cliënt, klant
custom-house = douanekantoor, grenskantoor
customs = douane
cut = maaien, zichten, vormen, vormgeven, hakken, houwen, kappen, cliché, negatief, afbreken, uitschakelen, uitzetten, fatsoeneren, knippen, slijpen, knippen, scheren, snoeien, snerpen, snijden, jaap, snede, snee, snijwond
cut a connection = afbreken, uitschakelen, uitzetten
cuticle = nagelriem
cut into = aanbreken, aansnijden, beginnen te snijden
cutlass = hartsvanger
cutlet = karbonade, kotelet, rib, ribstuk
cut off = afhakken, afhouwen, afkappen, omhakken, afknippen, afsnijden, afsteken, afsnijden, wegsnijden
cut the throat of = kelen
cuttings = afval, rommel, vuil
cut up = afbreken, afgeven op, afkammen
Cybele = Cybebe, Cybele
cybernetics = cybernetica
Cyclades = Cycladen
cyclamen = cyclame, cyclamen
cycle = fietsen, wielrijden, fiets, rijwiel, tweewieler, zwijntje, cyclus, kringloop
cycle-bag = fietstas
cyclone = cycloon, wervelstorm
cylinder = cilinder, rol
cylinder phonograph = fonograaf
cymbal = bekken, cimbaal
cymbalist = bekkenist
cynical = cynisch
cypres = cipres
Cyprian woman = Cypriotische
Cypriot = Cypriotisch, Cyprioot
Cypriote = Cypriotisch
Cyprus = Cyprus
czar = tsaar
czarina = tsarina
Czech = Tsjechisch, Tsjechisch, Tsjechische taal, Tsjech
Czechoslovak = Tsjechoslowaaks, Tsjechoslowaak
Czechoslovakia = Tsjechoslowakije, Tsjechoslowakije
Czechoslovakian = Tsjechoslowaaks, Tsjechoslowaak
Czech Republic = Tsjechië
Czech woman = Tsjechische, Tsjechoslowaakse
dabbler = amateur, dilettant, knutselaar
Dacca = Dacca
dad = pa, papa, pappa, pappie, vaartje
daddy = pa, papa, pappa, pappie, vaartje
daffodil = narcis
daft = geschift, getikt, getroebleerd, getroubleerd, tureluurs
Dagestan = Dagestaans
dagger = dolk
Daghestan = Dagestan, Dagestaans
Dagon = Dagon
dahlia = dahlia
Dahomey = Dahomey
daily = daags, alledaags, dagelijks, dagelijks
daily paper = courant, dagblad, krant
dainty = aardig, beminnelijk, lief, vriendelijk, delicaat, fijn, gevoelig, iel, kies, kieskeurig, tactvol, teder, teer
dairy = melkinrichting, zuivelfabriek
daisy = madeliefje, meizoentje, madeliefje
Dakar = Dakar
Dalecarlia = Dalecarlië
Dalmatia = Dalmatië, Dalmatië
Dalmatian = Dalmatiër
dam = afsluiting, barrière, dam, sperdam, stuw, stuwdam, versperring, afsluitdam, afsluitdijk, afsluitdam, afsluitdijk
damage = averij, zeeschade, schade aanrichten, schaden, verwoesten, zwaar beschadigen, schade, bederven, beschadigen, havenen, schenden, stukmaken, toetakelen, beschadiging, defect, gebrek
damaged = defect, gehavend, kaduuk, kapot, stuk
Damascus = Damascus
dame = jonkvrouw, vrouwe
dam in = bedijken
damn = verdomd, verdomme, godverdomme, verdoemen
Damocles = Damocles
damp = vochtig, vochtigheid, nattigheid, vocht, natheid, vochtigheid
dampen = bevochtigen, vochtig maken
dam up = afdammen, bedijken
dance = bal, danspartij, dansen, dans
dancer = danseres, danser
dandelion = leeuwetand, paardebloem
dandruff = roos
dandy = dandy, fat, kwast, modepop, saletjonker
Dane = Deen
danger = gevaar, gevaarlijkheid, hachelijkheid, gevaar, nood, onraad, perikel
danger of skidding = slipgevaar
dangerous = gevaarlijk, hachelijk, link
Danish = Deens, Deens, Deense taal
Danish language = Deens, Deense taal
Danish woman = Deense
Danube = Donau
daphne = peperboompje
dare = wagen, zich vermetelen, bestaan, durven, wagen, aandurven, zich wagen aan
dare to fight = aandurven
daring = brutaal, gedurfd, stout, stoutmoedig, vermetel, waaghalzerig, durf, gedurfdheid, lef, stoutheid, stoutmoedigheid, vermetelheid, dapper, driest, koen
dark = donker, somber, donker, duister
dark blue = donkerblauw, donkerblauw
darken = donker worden, versomberen
darkness = donker, duister, duisternis, duisternis
dark-room = kamer, kamertje, <ruimte in toestel>
darling = liefje, lieveling, lieverd, schat, schattebout, snoes, zoetelief, hartedief, lieverd, schat, schattebout, snoes
darn = bliksems, deksels, sakkerloot, verdorie, verduiveld, verrek
dart = pijltje
dash-board = beschot, dashboard, instrumentenbord, paneel, wagenschot
data = grondstof, materiaal, materieel
date = dactylus, dadel, dadel, dagtekenen, dateren, dagtekening, datering, datum, afspraak, rendez-vous
date-palm = dadelpalm
date palm = dadelpalm
daughter = dochter
daughter-in-law = schoondochter
David = David
davy = mijnlamp
dawn = aurora, morgenlicht, morgenrood, aanbreken van de dag, dageraad, ochtendgloren
day = dag
daybreak = aanbreken van de dag, dageraad, ochtendgloren
daydream = dromen, mijmeren, droom, dagdroom, wensdroom
day-dreamer = dromer, mijmeraar
daylight = daglicht
Day of Atonement = Grote Verzoendag
day-ticket = dagkaart
dazed = bedremmeld, beduusd, beteuterd, verbijsterd, verbouwereerd
dazzle = blind maken, verblinden, verblinden, verblinden
D-chord = D-snaar
deacon = diaken
dead = dodelijk, doods, afgestorven, dood, overleden, ter ziele
deaden = afbetalen, aflossen, afschrijven, amortiseren, delgen, uitdelgen
dead-end street = doodlopende straat
deadly = dodelijk, moorddadig
dead-nettle = dovenetel
Dead Sea = Dode Zee
deaf = doof
deaf and dumb = doofstom
deal = ronddelen, rondgeven, uitdelen, uitreiken, verdelen
deal in secondhand goods = in tweedehands goederen handelen
deal with = aan komen lopen, aanpakken, beginnen met, toetreden, behandelen, onderhandelen
dean = decaan, deken
dear = geacht, gezien, dierbaar, lief, duur, kostbaar, prijzig
dear to the heart = na aan het hart
death = dood, overlijden, sterfgeval, verscheiden, versterf
death throes = agonie, doodsangst, doodsstrijd, stervensnood, zieltoging
debatable = aanvechtbaar, betwistbaar
debate = debat
debauch = aan de rol zijn, brassen, boemelen, slempen, uitspatten, zwijnen
debauchery = uitspatting
debit = debet, debetzijde
debris = afval, prullaria, puin, rommel, rommelzooi, vuil, vuilnis
debt = schuld
debugger = debugger
decade = decennium
decametre = decameter, roede
decant = afgieten, afschenken, decanteren
decanter = decanteren, karaf
decapitate = het hoofd afslaan, onthoofden
decay = verval, bederf, rampspoed, tegenspoed, verval, bederf, debâcle, ondergang, verval
decayed = aftands, bouwvallig, gammel, uitgeleefd, uitgewoond, wrak
Deccan = Dekan
deceitful = bedrieglijk
deceive = bedriegen, misleiden
deceived = bedrogen, gedupeerd
deceived one = bedrogene, dupe
deceived person = bedrogene, dupe
deceiver = bedrieger, bedrieger
December = december, wintermaand
decent = behoorlijk, betamelijk, fatsoenlijk, keurig, voegzaam, welvoeglijk
decently = behoorlijk, fatsoenlijk, naar behoren, netjes, passend
deceptive = bedrieglijk, misleidend
decide = beslissen, besluiten, uitmaken, zich voornemen
decider = beslissingswedstrijd, finale, beslissingswedstrijd, finale
decimetre = decimeter, palm
decipher = ontcijferen, ontraadselen
decision = beslistheid, beslissing, besluit, uitspraak, wijzing, arrest
decision-making = besluitvorming
decisive = beslissend, cruciaal, finaal, overtuigend, afdoend, beslissend, stringent, van overwegend belang
deck = dek, scheepsdek, verdek
declaim = declameren, opzeggen, voordragen
declaration = declaratie, verklaring, aangifte, betuiging, declaratie, uitspraak, verklaring
declaration of policy = beginselverklaring, programma, beginselverklaring, programma
declare = aangeven, betuigen, declareren, verklaren
declare unfit for use = afkeuren
decline = afnemen, dalen, kleiner worden, verminderen, achteruitgaan, verslechteren, achteruitgaan, achteruitgaan, mislukken, tegenlopen, vervallen, achteruitgang, teruggang, verloop, vermindering
decoction = afkooksel
decode = decoderen
décor = decor, decoratie, onderscheiding, ridderorde, versiering, decor
decorate = versieren, decoreren, sieren, opsieren, tooien, uitdossen, versieren
decoration = decor, decoratie, onderscheiding, ridderorde, versiering, decor, decoratie, sieraad, tooisel, versiering, versiersel
decoy = lokken
decrease = afdraaien, verlagen, verlaging, afnemen, dalen, kleiner worden, verminderen, afnemen, verminderen, afname, afslaan, verlagen, inkorten, verminderen, afnemen, slinken, tanen, verflauwen, verminderen, afnemen, kleiner worden, minder worden, minderen, verkleinen, afnemen, verminderen
decree = decreteren, verordenen, voorschrijven, besluit, decreet, verordening, voorschrift
decrepit = aftands, bouwvallig, gammel, uitgeleefd, uitgewoond, wrak
dedicate = opdragen, spanderen, spenderen, toewijden
deduce = abstraheren, afleiden, deduceren
deduct = afhalen, rissen, ritsen, wegnemen
deductible = aftrekbaar, aftrekbaar
deem = geloven, houden voor, menen, achten, geloven, van mening zijn, vinden, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien, beschouwen, zien, houden voor, verslijten voor, zien als
deep = laag, zwaar, diep
deer = herte-, herten-, hert
deer- = herte-, herten-
deer-park = hertenkamp
defeat = nederlaag, bevangen, overwinnen, verslaan, zegevieren
defecate = kakken, ontlasting hebben, poepen, schijten
defection = afval, ontrouw, trouwbreuk
defence = afweer, defensie, verdediging, weer, verweer, achterhoede, noodweer, zelfverdediging
defend = opkomen voor, verdedigen, verweren
defendant = aangeklaagde, beklaagde, beschuldigde, verweerder, aangeklaagde, beschuldigde
defense = afweer, defensie, verdediging, weer, verweer, noodweer, zelfverdediging
deference = eerbiedwaardigheid
defiance = trots
defiantly = in weerwil van, niettegenstaande, ondanks, ten spijte van, trots
deficit = deficit, tekort, kastekort, nadelig saldo
defile = bergengte, bergpas, ontheiligen, ontwijden, profaneren, schenden, verontheiligen
define = bepalen, definiëren, omschrijven
defining = bepalend
definite = definitief, onherroepelijk, vast, bepaald, definitief
definite article = bepalend lidwoord
definitely = definitief, voorgoed, bepaald, beslist, per se, strikt, volstrekt, vooral, zeker
definitely not = beslist niet, in het minst niet, vooral niet
definition = bepaling, definitie, omschrijving
definitive = definitief, onherroepelijk, vast
deflect = afwijken
deflection = afwijking
deformed = mismaakt, misvormd
defraud = frauderen, knoeien, zwendelen, bedonderen, belazeren, verneuken
defray the cost of = bekostigen
defy = tarten, trotseren, uitdagen, uittarten, provoceren, tarten, tergen, uitdagen, uitlokken, uittarten
degenerate = degenereren, ontaarden, verbasteren, verworden, zinken, gedegenereerd, laaggezonken
degrade = degraderen, verlagen
degree = graad, mate, trap, graad, kop, onderschrift, titel
dejected = bedrukt, gedrukt
dejection = bedruktheid, gedruktheid, neerslachtigheid, bedruktheid, beklemming
delay = vertraging, aanhouden, uitstellen, verdagen, verschuiven, oponthoud, opschorting, uitstel, verdaging, verlating, verlet
delegate = afvaardigen, delegeren, afgevaardigde, gedelegeerde, afgevaardigde, gedeputeerde, afgevaardigde, gedeputeerde
delegation = afvaardiging, delegatie, afvaardiging, afvaardiging, delegatie, afvaardiging, afvaardiging
delete = uitvegen, uitwissen, wegvagen, wegvegen, wegwissen, afdrogen, vegen, afvegen, wissen, afwissen
Delft = Delft, Delfts
Delhi = Delhi
deliberate = beraadslagen, overleggen, beraadslagen, confereren, ruggespraak houden
deliberately = expres, met opzet, moedwillig, wetens
deliberation = beraadslaging, beraad, overweging, beraad, ruggespraak
delicacy = lekkernij, snoep, snoepgoed, versnapering
delicate = delicaat, fijn, gevoelig, iel, kies, kieskeurig, tactvol, teder, teer
delicious = heerlijk, kostelijk, overheerlijk
delight = in verrukking brengen, verrukken, verrukking
delighted = verrukt
delightful = beeldig, betoverend, heerlijk, verrukkelijk
delight in = genieten, genieten van, zich verheugen in, zich verlustigen in
delineate = aftekenen, omlijnen, omtrekken
delirious = van een delirium
delirium = delirium, geijl
deliver = bestellen, leveren, afleveren, toevoeren
delivery = levering, aflevering, inlevering, baring, voortbrenging, afgifte, inlevering, overdracht
delivery van = bestelauto, bestelwagen, bestelauto, bestelwagen
Delphi = Delphi
delta = delta
delude = begoochelen, beheksen, betoveren, begoochelen, illusies wekken bij
deluge = zondvloed
delusion = begoocheling, betovering
delusive = bedrieglijk, misleidend
deluxe = luxueus, weelderig
de luxe = luxueus, weelderig
demand = afname, aftrek, afzet, omzet, aftrek, eisen, opeisen, rekenen, vereisen, vergen, voorschrijven, vorderen
demand an account = rekenschap vragen
Demeter = Demeter
demigod = halfgod
demigodess = halfgodin
demob = afzwaaien
democracy = democratie, volksregering
democrat = democraat
democratic = democratisch
demolish = afbreken, afgeven op, afkammen, afbreken, slopen, neerhalen
demolition = afbraak, ontmanteling, sloop, afbraak, slechting, sloop
demon = boze geest, demon, duivel
demonic = demonisch, duivels, satanisch
demonstrate = demonstreren, vertonen, aantonen, bewijzen, belichten, tentoonstellen, uiteenzetten, uitstallen, tentoonstellen, uitstallen, belichten, betogen, demonstreren, laten blijken, manifesteren
demonstration = bewijs, demonstratie, vertoning, bewijs, <bewijs door redenering>, betoging, demonstratie, manifestatie
demonstrative = aanwijzend voornaamwoord, aanwijzend voornaamwoord
demonstrative pronoun = aanwijzend voornaamwoord, aanwijzend voornaamwoord
demure = uitgestreken, quasi-preuts, quasi-zedig, quasi-preuts, quasi-zedig
den = kavalje, kot, krot, rothuis, grot, hol, holte, krocht, spelonk, nest
Denmark = Denemarken
Denmark Strait = Straat Denemarken
denounce = aanbrengen, aangeven, klikken, verklikken
dense = dicht, dik, gebonden
dental = getand, tand-, tand-
dentist = tandarts
deny = ontkennen, loochenen, ontkennen
deny oneself = abnegeren, zich verloochenen, zich versterven
depart = afvaren, afreizen, op reis gaan, afgaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen, afreizen, op reis gaan
department = departement, afdeling, branche, tak, vak
departure = uittocht, vertrek, afrit, afvaart, vertrek
depend = afhangen, afhankelijk zijn, deel uitmaken, afhangen
dependant on = afhankelijk van
dependence = afhankelijkheid
dependent = afhankelijk, onderhorig
depend onldepend upon = afhangen van, afhankelijk zijn van
depict = afbeelden, uitbeelden, verbeelden, verzinnelijken, voorstellen
deplorable = bedroevend, grievend, spijtig, verdrietelijk
deport = deporteren
deportment = gedrag, houding, wandel
depose = afzetten, onttronen, van de troon stoten
deposit = afzetten, doen bezinken, afgeven, deponeren, in bewaring geven, inleggen
depository = bergplaats, bewaarplaats, depot, bergplaats
depravation = bederf
depress = deprimeren, neerdrukken, neerslachtig maken, terneerdrukken
depressed = down, gedrukt, terneergeslagen, bedrukt, gedrukt
depression = bedruktheid, gedruktheid, neerslachtigheid, depressie, bedruktheid, beklemming, crisis
deprive = afzetten, laten uitstappen, beroven, beroven, ontdoen, beroven, ontnemen
deprive ... of = beroven, beroven, ontdoen, beroven, ontnemen
deprive of = ontzetten uit, zuiveren van
depth = diepte, kolk, diepte, diepte
deputation = afvaardiging, afvaardiging, delegatie, afvaardiging, afvaardiging
depute = afvaardigen, deputeren, tot afgevaardigde kiezen
deputy = plaatsvervangend, subsidiair, vervangend, waarnemend, afgevaardigde, gedeputeerde, afgevaardigde, gedeputeerde
deride = bespotten, zich vrolijk maken over, bespotten, de spot drijven met, voor de zot houden
derision = bespotting, persiflage
derivation = afleiding, <afgeleid woord>
derive = afleiden, aftappen, afstammen, het gevolg zijn van, ontspruiten, voortkomen
descend = afdalen, naar beneden gaan, dalen, zakken, verzakken, wegzakken, zinken, afdalen, naar beneden gaan, zinken
descent = afdaling, afdaling, neerdaling
describe = beschrijven
description = beschrijving, schildering, tafereel
descriptive = beschrijvend
descry = bespeuren, gewaarworden, bespeuren, gewaarworden, bespeuren, in de smiezen krijgen, in het oog krijgen, ontwaren
desert = wildernis, woestenij, woestijn, in de steek laten, laten varen, verlaten, afvallen, ontrouw worden
deserter = afvallige, afvallige
deserve = toekomen, verdienen, waard zijn, waardig zijn
deserving = eerzaam, waar, waardig
design = schets, tekening, werkje, tekenen, aftekenen, trekken, uittekenen, dessin, schets, ontwerp, opzet, plan, plattegrond, aanleg, krabbel, ontwerp, schets
desirable = begerenswaardig, begeerlijk, wenselijk
desire = begeren, trek hebben in, verkiezen, verlangen, wensen, begeerte, lust, verlangen, wens, zin, zucht
desk = lessenaar, lezenaar, bureau, schrijfbureau, schrijftafel
desolate = naargeestig, somber, troosteloos, troosteloos
despair = vertwijfelen, wanhopen, radeloosheid, vertwijfeling, wanhoop
despairingly = uitroepen, wanhopig
desperate = radeloos, wanhopig, hopeloos, vertwijfeld, wanhopig
despise = minachten, verachten
despite = in weerwil van, niettegenstaande, ondanks, ten spijte van, trots, in weerwil van, niettegenstaande, ondanks, ten spijte van, trots
despot = dwingeland, despoot
despotic = despotisch, heerszuchtig
dessert = dessert, nagerecht, toespijs, toetje, dessert, nagerecht
destine = bestemmen, uittrekken
destine for = bestemmen voor, toedenken
destiny = bestemming, lot, lotsbestemming, voorland, fortuin, lot, levenslot
destitution = behoeftigheid, pauperisme
destroy = vernielen, vernietigen, verwoesten, ruïneren, te gronde richten, ten val brengen, verderven
destructible = afbreekbaar
destruction = vernietiging, vernieling, vernietiging, verwoesten, verwoesting, vernietiging
detachable = afneembaar
detached = vrijstaand, afstandelijk, afstandelijk, terughoudend
detached house = vrijstaand huis
detachment = afdeling, detachement, team
detail = bijzonderheid, detail, item
detailed = ampel, gedetailleerd, in het klein, omstandig, uitvoerig
detain = detineren, ophouden, reserveren, terughouden, weerhouden
détante = ontspanning
detective = detective, rechercheur
detention = aanhouding, arrestatie, inhechtenisneming, aanhouding, arrest, arrestatie, hechtenis
deter = afschrikken, verjagen
detergent = afwasmiddel
determine = determineren, nauwkeurig bepalen, bepalen, definiëren, omschrijven, bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen
determining = bepalend
deterrence = afschrikking, verjaging
deterrent = afschrikwekkend
detract from = afbreuk doen aan
detrimental = nadelig
detrimentally = nadelig, nadelig
Deuteronomy = Deuteronomium
develop = doen ontstaan, formeren, maken, ontwikkelen, evolueren, zich ontwikkelen, ontwikkelen, openbaren
developing country = ontwikkelingsland
development = evolutie, ontwikkeling, evolutie, ontwikkeling, wordingsproces
development plan = bestemmingsplan
deviate = aberreren, afdwalen, afwijken, afwijken
deviating = afwijkend, anomaal, onregelmatig
deviation = afwijking, afwijking, afwijking, verschil
device = apparaat, hulpmiddelen, inrichting, toestel
device driver = besturingsprogramma
devil = boze, droes, drommel, duivel
devilish = drommels, duivels, duivelachtig, verdomd, verrekt, weergaas
Devil's Island = Duivelseiland
devote = opdragen, spanderen, spenderen, toewijden
devoted = aanhankelijk, gehecht, opofferingsgezind, toegenegen, aanhankelijk, opofferingsgezind
devotedly = met overgave
devotion = eerbiedwaardigheid
dew = dauw
dexterous = bedreven, behendig, bekwaam, handig, vaardig
dharma = dharma
diabetes = diabetes, suikerziekte
diabolical = drommels, duivels, duivelachtig, verdomd, verrekt, weergaas
diagonal = ophaal
diagram = beeld, afbeelding, figuur, ontwerp, opzet, plan, plattegrond
dial = wijzerplaat, draaien, discus, plaat, grammofoonplaat, schijf
dialect = dialect, tongval
dialogue = dialoog, tweegesprek, tweespraak
diameter = diameter, middellijn
diamond = diamant
Diana = Diana
diarrhoea = buikloop, diarree, buikloop, diarree
diary = dagboek, journaal
dice = fijnhakken
dictate = dicteren
dictator = dictator
dictatorship = dictatuur
dictionary = woordenboek
die = doodgaan, overlijden, sterven, verscheiden, versmachten, muntstempel, dobbelsteen, teerling
die away = afsterven, uitsterven, wegsterven
diehard = keihard
diesel = diesel, dieselmotor
diet = dieet
dietary = diëet-
differ = schelen, uiteenlopen, verschillen
difference = onderscheid, verschil
different = uiteenlopend, verschillend, ongelijk, verschillend, ongelijk, verschillend, ongelijk, verschillend
differentiate = onderscheid maken, uit elkaar houden
differently = anders, anders, op een andere manier, anders, op een andere manier, anderszins, op een andere manier, op een andere wijze
differently named = anders genaamd
difficult = moeilijk, lastig, slim, zwaar
difficulty = bezwaar, moeilijkheid, strubbeling, zwarigheid
dig = opgraven, rooien, graven, spitten, woelen
digest = digereren, verduwen, verteren, verwerken
digestion = digestie, spijsvertering, digestie, vertering, spijsvertering, verwerking
digit = cijfer, nummer
dignified = deftig, waardig, zichzelf respecterend
dignity = waardigheid, zelfgevoel, zelfrespect
dig off = afgraven, weggraven
digression = afdwaling
dig up = delven, opduikelen, opgraven, rooien, uitgraven, winnen, opgraven, rooien
dike = dijk, waterkering
dilapidated = aftands, bouwvallig, gammel, uitgeleefd, uitgewoond, wrak
dilemma = dilemma
dilettante = amateur, dilettant, knutselaar
diligent = ijverig, naarstig, nijver, vlijtig
dill = dille
dilute = aanlengen, aanlengen, verdunnen, verspreiden
Diluvium = Diluvium
dim = schemerig, aanslaan, beslaan, schemerachtig, schemerig, donker, duister, mat, benevelen, verdoezelen
dimension = bestek, grootte, omvang, uitgebreidheid, afmeting, dimensie
diminish = afnemen, verminderen, afnemen, slinken, tanen, verflauwen, verminderen, afnemen, kleiner worden, minder worden, minderen, afnemen, verminderen
diminution = afname
diminutive = gering, karig, klein, luttel, min
din = herrie, lawaai, leven, ophef, rumoer
dining-room = eetzaal, eetkamer
dinner = diner, middageten, middagmaal
Diogenes = Diogenes
dip = indompelen, indopen, soppen
diploma = act, akte, bedrijf, document, nummer, stuk, akte, document, stuk, akte, brevet, bul, diploma
diplomat = diplomaat
direct = besturen, dirigeren, mennen, richten, de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden, direct, live, recht, rechtstreeks
direction = koers, leiding, richting, richtlijn
directions = aanwijzing, consigne, instructie
directly = direct, overeind, rechtop, rechtstreeks
director = bestuurder, directeur
directory = adresboek, catalogus
dirtiness = morsigheid, onreinheid, viesheid
dirty = morsig, onrein, smerig, vies, vuil, smerig, vuil
dirty story = schunnig verhaal
dis- = im-, in-, on-
disabled = gebrekkig, invalide, arbeidsongeschikt, arbeidsongeschikt
disabled person = invalide
disadvantage = minpunt, nadeel, schaduwzijde
disadvantageously = nadelig, nadelig
disagreeing = oneens
disagreement = onenigheid, verdeeldheid, geschil, meningsverschil, onenigheid, weigering
disappear = 'm smeren, verdwijnen, verzwinden, wijken, zwinden
disappearance = verdwijning
disappoint = ontgoochelen, tegenvallen, teleurstellen, teleurstellen
disappointment = ontgoocheling, tegenvaller, teleurstelling, desillusie, teleurstelling, leed, smart, verdriet, zorg
disapprobation = afkeuring, verwerping, wraking
disapproval = afkeuring, verwerping, wraking
disapprove = afkeuren, verwerpen, wraken
disapprove of = afkeuren, verwerpen, wraken
disarm = ontwapenen
disc = discus, plaat, grammofoonplaat, schijf, discus
discard = afdanken
disc drive = diskettestation
discharge = afvuren, losbranden, ontslaan, ontzetten, royeren, afvoer, wegvoering, afvoer, afdanken, afmonsteren, ontslaan, afmonstering, congé, ontslag, afschieten, ontladen
discharge pus = etteren, zweren
disciple = discipel
disciples = aanhang, leden, aanhang, achterban, aanhang, gevolg
discipline = discipline, tucht
discomfort = ongemak, ongerief
discontent = misnoegen, ontevredenheid, wrevel, wreveligheid
discontented = misnoegd, ontevreden, wrevelig
discontentedness = misnoegen, ontevredenheid, wrevel, wreveligheid
discord = onenigheid, verdeeldheid, geschil, meningsverschil, onenigheid, weigering
discount = disconto, afslaan, aftrekken, korten, korting geven, afslag, korting, rabat
discourage = afschrikken, verjagen
discover = ontdekken
discovery = ontdekking
discrete = bescheiden, discreet, onopvallend
discretion = beleid, omzichtigheid, voorzichtigheid
discrimination = discriminatie
discus = discus
discuss = bespreken, discuteren, van gedachten wisselen, behandelen, bepraten, bespreken, beredeneren
discussion = bespreking, discussie, bespreking, discussie, bespreking
disease = aandoening, kwaal, ziekte, aandoening, kwaal, ziekte
disembark = van boord gaan
disgust = afkeer, misselijkheid, walg, walging, weeheid, weerzin
disgusting = misselijk, onsmakelijk, stuitend, walgelijk, weerzinwekkend
dish = schaal, schotel, schaal, schotel, schotel
dish cloth = droogdoek, afdroogdoek, stofdoek
dishevel = in de war brengen, verfomfaaien
dish-mop = afwaskwast, vatenkwast
dish up = opscheppen
dishwasher = afwasmachine
dishwashing brush = afwasborstel, vatenkwast
disinfect = desinfecteren, ontsmetten
disintegrate = scheiden
disinterested = belangeloos, onbaatzuchtig
disk drive = diskettestation
diskette = diskette
dislike = afkeer, antipathie, hekel, tegenzin, een hekel hebben aan, minachten, versmaden
dislocate = ontwrichten, verrekken, verstuiken
dismal = afgrijselijk, afschuwelijk, afgezaagd, alledaags, banaal, gewoontjes, nietszeggend, plat, beklagenswaardig, erbarmelijk, zielig, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, afzichtelijk, foeilelijk, mistroostig, naargeestig, somber, triestig, donker, somber, betrokken, bewolkt, donker, somber, droef, bedroefd, droevig, treurig, verdrietig, bedroevend, droef, smartelijk, treurig, droefgeestig, melancholiek, weemoedig, zwaarmoedig, belabberd, ellendig, miserabel, schamel, schunnig, stumperig, naargeestig, somber, troosteloos, chagrijnig
dismantle = aftakelen, aftuigen, onttakelen
dismay = onthutsen, ontstellen, ontzetten, verbijsteren, verbluffen
dismayed = ontzettend, schrikbarend, schrikkelijk, verbluffend
dismiss = ontslaan, ontzetten, royeren, afzetten, laten uitstappen, afzenden, uitsturen, versturen, verzenden, wegsturen, wegzenden, afdanken, afmonsteren, ontslaan
dismount = afstijgen
disobedient = onwillig, ongehoorzaam, ongezeglijk
disorder = disorde, janboel, rommel, rotzooi, verwarring, wanorde, war
dispassionately = koel, lauw, lusteloos
dispatch = telegraferen, verzenden, afzenden, expediëren, verzenden, afdoen, afhandelen, afwikkelen, afhandelen, beslechten
dispatch note = adreskaart
dispensing chemist = apotheker, farmaceut
disperse = uiteendrijven, uiteenjagen, verspreiden, verstrooien, verdunnen, verspreiden
display = baltsen, balts, paraderen, pralen, prijken, pronken, corso, parade, pracht en praal, pralerij, vertoon
displeased = misnoegd, ontevreden, wrevelig
displeasure = misnoegen, ontevredenheid, wrevel, wreveligheid
disposal = aanvechting, lust, neiging, zin
dispose of = overdoen, tappen, verhandelen, verkopen, vervreemden, wegdoen
disposition = beschikking, aanleg, begaafdheid, gave, talent, aanleg, begaafdheid, gave, talent, aanleg, begaafdheid, gave, talent
dispute = disputeren, krakelen, twisten, redetwisten, strijden, dispuut, kwestie, strijd, twist, redetwist, twistgesprek
disquiet = storing veroorzaken, storing
dissatisfaction = misnoegen, ontevredenheid, wrevel, wreveligheid
dissatisfied = misnoegd, ontevreden, wrevelig
dissect = doorsnijden, sectie verrichten
dissemble = huichelen, veinzen
disseminate = uitstrooien, uitzaaien, uitzaaien
dissension = onenigheid, verdeeldheid, geschil, meningsverschil, onenigheid, weigering
dissenting = andersdenkend
dissipation = uitspatting
dissolve = oplossen, opgelost worden, oplossen
dissuade = afraden
dissuade from = afraden, afraden, ontraadselen
dissymmetric = asymmetrisch, asymmetrisch
distance = afstand, eind, afstand, distantie
distant = ver, verwijderd, ververwijderd, afgelegen, ver, veraf, verafgelegen, verwijderd, ververwijderd
distil = branden, distilleren, overhalen, stoken
distinct = duidelijk, helder, klaar, uitgesproken, zuiver
distinction = onderscheiding
distinctive = karakteristiek, zich onderscheidend, fijnbeschaafd, gedistingeerd, zich onderscheidend
distinguish = onderkennen, onderscheiden, onderscheid maken tussen
distract = afleiden, verstrooien
distracted = afgetrokken, verstrooid
distraction = afleiding, verstrooiing, afleiding, verstrooiing, verzetje, afleiding, ontspanning, verzet
distress = bedroeven, grieven, smarten, behoeftigheid, pauperisme, bedroeven, droevig stemmen, verdrieten
distress prize = afbraakprijs
distribute = ronddelen, rondgeven, uitdelen, uitreiken, verdelen, distribueren, rondbrengen, verdelen
distribution = uitreiking, verdeling, distributie, verdeling
distributor = verdeler
district = arrondissement, arrondissement, district, gouw, buurt, wijk, stadswijk
distrust = wantrouwen
disturb = belemmeren, hinderen, storen, verstoren
disturbance = agitatie, beroering, gisting, onrust, storing
ditch = gracht, greppel, groef, groeve, kuil, sloot
divan = divan, rustbank, Turkse staatsraad
dive = duiken, duiken, onderduiken, zinken
diver = duiker
diverge = afwijken
divergent = afwijkend, anomaal, onregelmatig
diverse = menigvoudig, menigvuldig, verschillend
diversion = afleidingsmanoeuvre, afleiding, verstrooiing, afleiding, verstrooiing, verzetje, afleiding, ontspanning, verzet
divert = afleiden, verstrooien, afleiden, laten afvloeien, wegleiden, wegvoeren
divide = afzonderen, scheiden, afscheiden, schiften, scheiden, afbreken, delen, splitsen, opsplitsen, verdelen
divine = goddelijk
diving-bell = duikerklok
division = divisie, legerafdeling
division of labor = arbeidsverdeling, werkverdeling
division of labour = arbeidsverdeling, werkverdeling
divorce = scheiding, echtscheiding
divorced = gescheiden, gescheiden
dizziness = duizeligheid, duizeling
dizzy = duizelig
dizzying = duizelingwekkend
Djibouti = Djibouti
DNA = DNA
do = maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren, friseren, kappen
do a favor = de goedheid hebben, ter wille zijn, zo goed willen zijn
do a favour = de goedheid hebben, ter wille zijn, zo goed willen zijn
do away with = afschaffen, elimineren, opdoeken, uitmaken, verwijderen, wegdoen
do business = handel drijven, handelen
dock = dok, op een zijspoor zetten, stallen, zuring
doctor = doctor, arts, dokter, geneesheer, medicus
document = act, akte, bedrijf, document, nummer, stuk, akte, document, stuk, akte, bescheid, document, papier, schriftuur, stuk
do down = afkraken
doe = hinde
dog = hond
dogberry = kornoelje
dog-fish = hondshaai
dog-kennel = hondehok, kennel
dogma = dogma, leerstelling, leerstuk
dogmatic = dogmatisch, geen tegenspraak duidend
do harm to = afbreuk doen aan
doll = pop, tonnetje
dollar = dollar
Dolomites = Dolomieten
dolphin = dolfijn
dome = koepel, bol, gewelf
domestic = binnenlands, inheems, inlands, familie-, gezins-, huiselijk, eigen, huiselijk, vertrouwd
domestic animal = huisdier
domesticated = huis-
dominate = de baas zijn, meester zijn
Dominica = Dominica, Dominicus
Dominican = Dominicaans, Dominicaan
Dominican Republic = Dominicaanse Republiek, Dominicaanse Republiek
dominion = dominion
Don = Don
donate = cadeau geven, schenken
done = afgelopen, afgewerkt, beëindigd, klaar
Don Juan = Don Juan
donkey = ezels-, ezel
donkey- = ezels-
donkey-driver = ezeldrijver
Don Quixote = Don Quichot
don't ... = niet ...-en, ... niet
don't mention it = geen dank, graag gedaan, dat geeft niet, dat is niet erg, het doet er niet toe
door = deur, portier
doorway = deuropening
doorwoman = portierster
do penance = boete doen, boeten
Dorian = Dorisch
Doric = Dorisch
dose = dosis
do something crooked = schurkachtig handelen, zich op oneerlijke wijze toeëigenen
dossier = bestand, dossier
dot = oog, punt, spikkel, stip
do the honours = de honneurs waarnemen
double = dubbel, duplex, tweeledig, tweevoudig, nasynchroniseren, verdubbelen
double bed = tweepersoonsbed
double lock = nachtslot
doubt = dubben, in dubio staan, twijfelen, twijfel, twijfeling
doubtful = bedenkelijk, te betwijfelen, twijfelachtig, discutabel, dubieus, twijfelachtig
dough = beslag, deeg, pasta
dove = duifje, duif, tamme duif
down = dons, nesthaar, waas, naar beneden, neerwaarts, omlaag, naar beneden, neerwaarts, omlaag
downhill = bergafwaarts
download = downloaden
down payment = aanbetaling, aanbetaling
downstairs = beneden, daarbeneden, onder, beneden, onderaan de trap
down the slope = bergafwaarts
dowry = bruidsschat, huwelijksgift
doze = druilen, dutten, sluimeren
dozen = dozijn, twaalftal
Dr. = dr.
draft = cambio, wissel, concept, klad, traite
drag = trekken, boegseren, slepen, trekken, voorttrekken
dragon = draak, vlieger
dragonfly = juffertje, libel, waterjuffer
drain = afdruipen, neerdruipen, aftappen, afwateren, draineren, droogleggen, afwateren
drain-cock = aftapkraan
drainer = druiprek, afdruiprek
draining = afwatering, drainering
draining board = druiprek, afdruiprek
drain-pipe = afvoerbuis
drake = gent, mannetjeseend, woerd
Drakensberg Mountains = Drakensbergen
dram = aperitief, borrel
drama = drama, toneelstuk
drape = draperen
drastic = drastisch, sterk werkend
draw = aanlokken, bekoren, toelachen, trekken, aantrekken, verlekkeren, tekenen, aftekenen, trekken, uittekenen, gelijkheid, pariteit, naar zich toe halen, aftekenen, omlijnen, omtrekken, trekken, een streep trekken, trekken, hozen, ontlenen, putten, scheppen
draw attention = attenderen, attent maken, een wenk geven, opmerkzaam maken op
draw back = intrekken, terugtrekken
drawer = la, lade, schuiflade
drawers = onderbroek
drawing = schets, tekening, werkje, dessin, schets
drawing-paper = tekenpapier
draw lots = loten
draw out = ontlokken, slaken, uitbrengen, uithalen, uitdrijven, uiten
draw tighter = aantrekken, strakker aantrekken
draw up to the table = aanschuiven, aanschikken
dreadful = ijselijk, schrikaanjagend, verschrikkelijk, vervaarlijk, vreselijk
dream = dromen, mijmeren, droom, dagdroom, wensdroom, dromen, droom
dreamer = dromer, mijmeraar
dreamland = dromenland
dreary = afgrijselijk, afschuwelijk, doods, eenzaam, uitgestorven, verlaten, woest, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, afzichtelijk, foeilelijk, mistroostig, naargeestig, somber, triestig, donker, somber, betrokken, bewolkt, donker, somber, droefgeestig, melancholiek, weemoedig, zwaarmoedig, naargeestig, somber, troosteloos, onbebouwd, onontgonnen, wild, woest, onbeschaafd, wild, bedroefd, treurig, triest, triestig
dress = een verband omleggen, verzorgen van een wond, japon, jurk, toga, kleden, aankleden, bekleden, omkleden, staan, zich aankleden, zich aankleden
dress-coat = rok
dresser = commode, ladenkast, aanrecht
dressing = bemesting
dressing-gown = kamerjas, kamerjapon, ochtendjapon
drift = drijven, afdrijven, op drift zijn
drill = boren
drink = drinken, pimpelen, zuipen, brouwsel, drank, drankje, drinken, gebruiken
drinkable = drinkbaar
drinking-water = drinkwater
drink to excess = drinken, pimpelen, zuipen
drip = droppelen, druipen, druppelen, drop, droppel, druppel, lik
drip down = afdruipen, neerdruipen
drive = oprijlaan, oprit, drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven, aandrijven, aandrijving, chaufferen, rijden, vervoeren
drive away = uitdrijven, verdrijven, verjagen, wegdrijven, wegjagen, afrijden, uitlopen, uitvaren, vertrekken, wegrijden
drivel = bazelen, kolderen, raaskallen
drive off = afrijden, uitlopen, uitvaren, vertrekken, wegrijden
drive on = drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven
drive out = ontlokken, slaken, uitbrengen, uithalen, uitdrijven, uiten, naar buiten jagen, uitdrijven, uitjagen, uitwijzen, verbannen
drive over = berijden
driver = bestuurder, stuurman, bestuurder, conducteur, wagenbestuurder, bestuurder, chauffeur, bestuurder, roerganger, stuurman, bestuurder, chauffeur, voerman, bestuurder, chauffeur
drive shaft = aandrijfas
drive through = doordrijven
driving axle = aandrijfas
driving-licence = rijbewijs
driving mirror = achteruitkijkspiegel
driving-school = autorijschool, rijschool, autorijschool
drizzle = motregenen, motregen, stofregen
drizzling rain = motregen, stofregen
dromedary = dromedaris
droop = hangen
drop = druppel, waterdruppel, vallen, afvallen, neervallen, storten, verschieten, kappen, vellen, neervellen, wippen, drop, droppel, druppel, lik, afnemen, slinken, tanen, verflauwen, verminderen, achterwege laten, weglaten
drop in = aanwippen
droplet = druppel
drop of water = druppel, waterdruppel
drop out = afvallen, niet meer meedoen
dropsy = waterzucht
drown = verdrinken, vergaan, verloren gaan, doen verdwijnen, onderdompelen, verdrinken, verzuipen
drowsy = druilerig, slaperig, lodderig, maf, slaperig
drug = dope, drogerij, drug, kruid, artsenij, geneesmiddel, medicijn, drug, narcoticum, verdovend middel, bedwelmen, narcotiseren, verdoven, wegmaken, bedwelmen
drug addict = drugverslaafde, drugsverslaafde
drugstore = apotheek
drum = bus, rol, trom, trommel
drummer = tamboer, trommelaar, trommelslager
drunk = beschonken, dol, dronken, zat, dronkaard, zatlap
drunkenness = beschonkenheid, dronkenschap, roes, zatheid, zwijmel, roes, zwijmel, zwijmelgeest, zwijmeling
dry = dor, droog, drogen, afdrogen, droogmaken, uitdrogen, drogen, droogvallen, droog worden, opdrogen, uitdrogen, verdrogen
dry cleaner's = stomerij
dry in the sun = in de zon laten drogen
dryness = dorheid, droogheid, droogte
dry-nurse = baker
dual = dubbel, duplex, tweeledig, tweevoudig
duchess = hertogin
duchy = hertogdom
duck = eende-, eenden-, eend, eendebout, eend
duck- = eende-, eenden-
duck egg = eendeëi
duck meat = eend, eendebout
duck's = eende-, eenden-
dude = dandy, fat, kwast, modepop, saletjonker
duenna = chaperonne
dues = bijdrage, contributie
duke = hertog
dull = afstompen, verdierlijken, flauw, dom, onnozel, simpel, stompzinnig, dof, gesmoord, stomp, toonloos, lusteloos, saai
dumb = sprakeloos, stom
dumbfounded = ontzettend, schrikbarend, schrikkelijk, verbluffend
dummy = speen, fopspeen, speen, fopspeen, stofzuiger, zuigglas, speen, fopspeen
dump = stortplaats, stortplaats, storten, strooien
dun = manen, aanmanen
dun for payment = manen, aanmanen
dung = drek, drol, keutel, ontlasting, stront, uitwerpselen, vijg, schijt
Dunkirk = Duinkerke, Duinkerken
dunning-letter = maanbrief
duplicate = multipliceren, verveelvoudigen
during = gedurende, onder, staande, terwijl, tijdens, voor
during the day = overdag, overdag
during the night = bij nacht, 's nachts, 's nachts
dusk = halfdonker, schemer, schemerdonker, schemering, halfdonker, schemer, schemerdonker, schemering
dust = stof, stoffen, afstoffen, stof afnemen
dust rag = droogdoek, afdroogdoek, stofdoek
dust-sheet = hoes
dusty = stoffig
Dutch = Hollands, Nederlands, Nederlands, Nederlandse taal
Dutch Flanders = Zeeuws-Vlaanderen, Zeeuws-Vlaanderen
Dutch language = Nederlands, Nederlandse taal
Dutchman = Hollander, Nederlander
Dutch nationality = Nederlanderschap
Dutch woman = Nederlandse
duty = plicht, verplichting
duty-free = belastingvrij, onbelastbaar
dwarf = dwergachtig, minuscuul, dwerg, dwerg, mannetje
dwell = gevestigd zijn, huizen, resideren, wonen
dwelling = kwartier, logies, onderkomen, woning
dwelling-place = domicilie, woonplaats
dwelling-place-residence = woonplaats
dye = verf, tint, kleur, verven, tinctuur, verf
dynamite = dynamiet
dyspepsia = dyspepsie, indigestie, slechte spijsvertering, indigestie, indigestie
dyspnea = ademnood, kortademigheid
dyspnoea = ademnood, kortademigheid
dysprosium = dysprosium
Dzungaria = Dzjoengarije
each = à, bij, elk, ieder, telkens, al de, al het, alleman, een ieder, elk, ieder, iedereen, elk, ieder
each other = elkaar, elkander, mekaar
each time = telkens
eager = begerig, belust, gretig, happig, verlekkerd
eagerness = begeerte, begerigheid, graagte, begeerte, begerigheid
eagle = adelaar, arend
eagle owl = oehoe
eaglet = adelaarsjong, arendsjong
ear = oor, aar, kolf
ear-drop = hanger, oorbel, oorhanger
earl = graaf
earlobe = oorlel
early = pril, vroeg, vroegtijdig, tijdig, vroeg
early in the morning = in de vroegte, 's morgens vroeg
earmark = bestemmen, uittrekken
earn = behalen, verdienen, winnen, verdienen
earn back = herwinnen, inhalen
earnest = bona fide, ernstig, serieus, stemmig
earphone = hoorn, telefoonhoorn
earring = hanger, oorbel, oorhanger, oorring
ear shell = haliotis
earth = aanaarden, aardbodem, aarden, met de aarde verbinden, aarde, aardrijk, bodem, grond, land, aanaarden
earth connection = aarding, aardleiding
earthen = aarden, klei-, van klei, aarden, aards
earthenware = aardewerk, aardewerk, faience, plateel
earthing = aarding, aardleiding
earthly = aarden, aards
earthquake = aardbeving
earthquake shock = aardschok
earth satellite = aardsatelliet, kunstmaan
earth's axis = aardas
earth's crust = aardkorst
earth up = aanaarden, aanaarden
earth wire = aarding, aardleiding
earthworm = pier, worm, aardworm, regenworm, aardworm
easel = bank, bok, ezel, rek, schraag, stander, stellage, werkbank
easily = allicht, gemakkelijk, met gemak
east = oostwaarts, naar het oosten, oosten, oriënt
East Asia = Oost-Azië
East China Sea = Oostchinese Zee
Easter = Pasen
eastern = oostelijk, oosters
East Flanders = Oost-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen
East Friesland = Oost-Friesland, Oost-Friesland, Oost-Friesland
East German = Oostduits
East Germany = DDR, Duitse Democratische Republiek, Oost-Duitsland
East-Indian = Oostindisch
east of = beoosten, ten oosten van
eastward = oostwaarts, naar het oosten
eastward of = beoosten, ten oosten van
eastwards = oostwaarts, naar het oosten
easy = licht, makkelijk, gemakkelijk, vlot
eat = beffen, bikken, gebruiken, eten, nuttigen, vreten
eat cunt = beffen
eat up = opeten, verorberen
eavesdrop = afluisteren, afluisteren, luistervink spelen
ebb = eb-, eb, ebben, terugvloeien
Ebro = Ebro
ecclesiastic = geestelijk, kerkelijk
echo = echoën, naklinken, weergalmen, echo, nagalm, naklank, weerklank, nabauwen, galm, naklank, resonantie, galmen, resoneren, weergalmen, weerklinken, nagalm, weergalm, weerklank
E-chord = E-snaar
economical = economisch
economics = economie
economy = economie, spaarzaamheid, volkshuishoudkunde, zuinigheid, besparing, bezuiniging, uitwinning, besparing, uitsparing
ecstasy = extase, vervoering, geestvervoering, zielsvervoering
ecstatic = extatisch, zwijmeldronken
Ecuador = Ecuador
Ecuadorian = Ecuadoriaans
edelweiss = edelweiss
Eden = Eden
edge = boord, kant, kust, oever, wal, walkant, waterkant, zeekant, rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom
edging = rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom
edible = eetbaar
edify = stichten
Edinburgh = Edinburg
edit = opmaken, opstellen, redigeren, stellen, stileren
edition = druk, editie, uitgaaf, uitgave
editor = editor, redacteur, redacteur, editor
editorial office = redactie
educate = dresseren, grootbrengen, kweken, opleiden, opvoeden
educated = geleerd, knap, ontwikkeld
education = opvoeding, vorming, opleiding, opvoeding, onderrichting, onderwijs
eel = aal, paling
eel-fishing = palingvangst
eel-like = aalachtig
eelmonger = palingventer
eel-pie = aalpastei
eel-pot = aalfuik, palingfuik
eel-shaped = aalvormig
eelskin = aalsvel
eelspear = aalgeer, aalschaar, aalspeer, aalvork
eel-trap = aalfuik, palingfuik
eelworm = azijnaaltje
eerie = eng, griezelig, griezelig, ijzingwekkend
effect = effect, indruk, effect, werking, uitwerking, bevinding, effect, resultaat, uitslag
effective = afdoend, doeltreffend, effectief, werkdadig, werkzaam
effectual = afdoend, doeltreffend, effectief, werkdadig, werkzaam
effervescent = mousserend, schuimachtig, schuimend, schuimig
efficacious = afdoend, doeltreffend, effectief, werkdadig, werkzaam
effigy = beeldenaar
effluent = afvalwater
effort = moeite, poging, moeite
efforts = bemoeienis, geploeter, gesjouw, streven
egg = ei
eggfruit = aubergine, aubergine
egg nog = advocaat
eggplant = aubergine, aubergine
Egypt = Egypte
Egyptian = Egyptisch, Egyptenaar
Eiffel Tower = Eiffeltoren
eight = acht
eighteen = achttien
eighteenth = achttiende
eightfold = achtvoudig
eighth = achtste, achtste
eighth part = achtste
eight hundred = achthonderd
eighty = tachtig
einsteinium = einsteinium
either ... or = of ... of
eland = elandantilope
elastic = elastisch, rekbaar, soepel, veerkrachtig
Elba = Elba
Elbe = Elbe
elbow = elleboog
elbow-room = armslag, carte blanche, armslag, armslag, bewegingsvrijheid
elder = ouder, vlier, vlierstruik
elder brother = oudere broer, oudere broer, oudere zus, oudere zuster
elderly = bedaagd, hoogbejaard
elder sibling = oudere broer, oudere zus, oudere zuster
elder sister = oudere zus, oudere zuster, oudere broer, oudere zus, oudere zuster
elect = kiezen, uitkiezen, uitlezen, uitpikken, verkiezen, uitzoeken
elected = gekozen, select, uitgelezen, uitgezocht, uitverkoren
election = keur, keus, keuze, optie, verkiezing
electric = elektrisch
electric fan = ventilator, wan
electricity = elektriciteit
electric plug = plug, prop, stekker, stop, stopmiddel, tap
electric socket = mof, stopcontact
electric torch = zaklantaarn
electron = elektron
electronic = elektronisch
electronics = elektronica
elegant = bevallig, elegant, net, piekfijn, zwierig
elegy = elegie, klaaglied, klaagzang, treurdicht
element = beginsel, bestanddeel, element, deel, deeltje, item, jaartelling, partikel, punt, basis, fundament, grondslag, bestanddeel, ingrediënt, bestanddeel, component
elemental = elementair
elementary = elementair
elementary education = basisonderwijs
elements = ABC, alfabet, basisbeginselen, eerste beginselen, ABC, basisbeginselen, eerste beginselen
elephant = olifants-, olifant
elephant- = olifants-
elephantine = olifants-
elephant's = olifants-
elevator = lift
eleven = elf
eleventh = elfde
elf = elf, luchtgeest
elide = afkappen, elideren
eliminate = afvoeren, elimineren, uitschakelen, verwijderen, wegwerken
elision = afkapping
elk = eland, wapiti
elm = iep, olm
eloquent = welsprekend
El Salvador = El Salvador
Elsass = Elzas, Elzas
else = ander, anders, langer, meer
elsewhere = elders, ergens anders, naar elders
elver = aal
Elysium = Elyzeese Velden
embalm = balsemen, met balsem bestrijken, balsemen, met balsem bestrijken, balsemen
embank = bedijken
embankment = dijk, waterkering
embark = aan boord gaan, scheep gaan
embarrass = in verlegenheid brengen, ongelegen komen, ontrieven
embarrassment = benardheid, hinder, knelpunt, penarie, verlegenheid
embassy = ambassade, ambassade, gezantschap, ambassade, ambassadegebouw, gezantschapsgebouw
embassy building = ambassade, ambassadegebouw, gezantschapsgebouw
embellish = flatteren, opwerken, verfraaien, vermooien
emblem = embleem, kleur, zinnebeeld
embodiment = belichaming, belichaming
embody = belichamen, belichamen, belichamen
embrace = omarmen, omhelzen, omarmen, omhelzen, omvademen, omarmen, omklemmen, omknellen, omspannen, omvatten
embroider = borduren
emerald = smaragd
emerge = opdagen, opdraven, te voorschijn komen, uitkomen, verschijnen, opduiken, bovenkomen, opduiken
emergency = crisis
emigrate = emigreren, uittrekken, uitwijken
eminent = aanzienlijk, eminent, uitstekend, voortreffelijk, vooraanstaand
emissary = bode, gezant, afgezant
emit = uitstralen
emmet = mier
emotion = aandoening, gewaarwording, aandoening, bewogenheid, emotie, roersel
emperor = keizer
emphasis = klem, nadruk
emphasize = benadrukken, met nadruk zeggen, nadruk leggen op, onderstrepen
emphatic = nadrukkelijk, dringend, nadrukkelijk
empire = imperium, rijk, keizerrijk
employ = aannemen, aanwerven, huren, in dienst nemen, tewerkstellen, aanwenden, benutten, gebruiken
employee = employé, personeelslid, werknemer
employer = werkgever, werkgever
employment = aanwending, toepassing, aanwending, toepassing
employment exchange = arbeidsbureau, arbeidsbeurs
empress = keizerin
emptiness = leegheid, leegte
empty = hol, ledig, leeg, lens, loos, ledigen, legen, lenzen, lichten, ruimen, uithalen
enamel = tandglazuur, emailleren, brandverf, email, glazuur
enchanter = duivelskunstenaar, tovenaar
enchanting = betoverend
enchantment = toverij
encipher = versleutelen
enclose = omsluiten
enclosure = kraal, omheind terrein
encode = codificeren, codificeren
encore = bis, nog eens
encounter = aantreffen, ontmoeten, tegemoet treden, tegenkomen, treffen, ontmoeting
encourage = aansporen, aanvuren, aanwakkeren, opwekken, zwepen, aanmoedigen, bemoedigen, stijven, animeren, opkikkeren, opmonteren, verlevendigen
encouragement = aanmoediging, bemoediging, stijving
encyclopaedia = encyclopedie
end = einde, uiteinde, uiterste deel, afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen, aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen, afloop, eindigen, slot, afloop, besluit, eind, einde, slot, uiteinde, voleinding
endanger = in gevaar brengen, in gevaar stellen
endeavour = moeite doen, pogen, streven, trachten, zich beijveren, zoeken, pogen, streven, zich inspannen
ending = uiteinde, uitgang, aflopend, eindigend, afloop, besluit, eind, einde, slot, uiteinde, voleinding
endive = andijvie
endlessly = tot in het oneindige
end-of-the-line = eindstation
endorse = endosseren, gireren, wenden
endorsee = geëndosseerde
endorsement = endossement, giro
endorser = endossant, overdrager
endow = begiftigen, meegeven
end up = aankomen, arriveren, aankomen, arriveren, aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen, aanbelanden, aanlanden, terechtkomen
endure = aanhouden, beklijven, duren, standhouden, voortduren, dragen, naar buiten brengen, uithouden, verdragen, doorstaan, dulden, harden, uithouden, uitstaan, verdragen, doorstaan, lijden, ondergaan, uitstaan, velen, verdragen, aanzien, dulden, lijden, toelaten, tolereren, velen, verdragen
enemy = belager, vijand
energetic = energiek, ferm, flink, krachtig, voortvarend
energy = arbeidsvermogen, energie, fut, spirit, veerkracht, wilskracht
engaged = geëngageerd, verloofd, geëngageerd, verloofd
engage in a controversy = polemiseren
engagement = engagement, verloving, engagement, verloving, verloving
engine = locomotief, machine, motor
engineer = ingenieur
England = Engeland
English = Engels, Engels, Engelse taal, Engelse
English Channel = Het Kanaal
English language = Engels, Engelse taal
Englishman = Engelsman
Englishwoman = Engelse
engrave = graveren, griffen
engraving = graveerwerk, gravure, prent
engulf = binnenkrijgen, innemen, inslikken
enhance = vermeerderen
enigma = puzzel, raadsel
enigmatic character = raadselachtigheid
enjoy = blij zijn, genieten van, zich verblijden, zich verheugen, genieten, genieten van, zich verheugen in, zich verlustigen in
enjoyable = aangenaam, behaaglijk, genoeglijk, heerlijk, plezierig
enjoy oneself = zich amuseren, zich vermaken, zich vermeien
enlarge = uitbouwen, uitbreiden, vergroten
enlargement = uitbouwing, vergroting, vergroting
enlighten = illumineren, verlichten
enlist = dienst nemen
enmity = animositeit, vijandigheid, vijandschap
ennumeration = opsomming
enormous = enorm, enorm, geweldig, gigantisch
enormously = enorm, uiterst, enorm, uiterst, bijzonder, danig, duchtig, geducht, schromelijk
enough = genoeg, voldoende, basta, genoeg, nogal, tamelijk, vrij, voldoende
entangle = betrekken, verstrikken, verwarren, verwikkelen
entangled hair = verward haar
enter = indoen, steken, insteken, binnengaan, binnenlopen, ingaan, boeken, bijboeken, inschrijven, registreren, binnenkomen, inkomen
enterprise = bedrijf, onderneming
enterprising = ondernemend
entertain = recipiëren, afleiden, verstrooien, gastvrijheid verlenen aan, onthalen, trakteren, vergasten, vrijhouden
entertaining = aardig, amusant, leuk, vermakelijk
entertainment = aardigheid, amusement, pretje, vermaak, vermakelijkheid
enthusiasm = enthousiasme, geestdrift, uitbundigheid
enthusiastic = enthousiast, geestdriftig, uitbundig
entice = verleiden, verlokken, weglokken, bekoren, in verzoeking brengen, verleiden, verlokken, verzoeken
enticing = aanlokkelijk, lekker
entire = compleet, gans, heel, geheel, vol, volkomen, volslagen
entirely = compleet, heel, geheel, totaal, totaliter, volkomen, volledig, finaal, heel, geheel, helemaal, totaal, volkomen, volledig
entirety = geheel
entomb = begraven, ter aarde bestellen
entrance = entree, ingang, toegang
entreaty = bede, smeekbede
entrée = hors d'oeuvre, voorgerecht
entrust = belasten met, opdracht geven, opdragen, vertrouwen, toevertrouwen, vertrouwen hebben in
entry = aanmelding
enuresis = bedwateren, bedplassen, bedwateren
envelop = hullen, inwikkelen, omhullen, toestoppen, woelen
envelope = couvert, enveloppe
envious = afgunstig, ijverzuchtig, jaloers, wangunstig, afgunstig, ijverzuchtig, jaloers
environment = medium, milieu, omgeving, omgeving, omstreken, omtrek
environs = omgeving, omstreken, omtrek
envisage = beschouwen
envoy = bode, gezant, afgezant
envy = benijden, jaloers zijn op, misgunnen, afgunst, ijverzucht, jaloezie, nijd, wangunst
Eocene = Eoceen
Eos = Eos
epaulet = epaulet, schouderbedekking
epic = episch
epic poem = epos, heldendicht
epilepsy = epilepsie, toevallen, vallende ziekte
Epiphany = Driekoningen
epiphyte = epifyt
episcopal = bisschoppelijk, doorluchtig
episode = aflevering, episode
epistle = brief, epistel, zendbrief
epoch = tijdperk, tijdsgewricht
epsilon = epsilon
equal = eender, egaal, gelijk, gelijkmatig, evenaren, gelijk zijn aan
equality = gelijkheid, pariteit
equally = even, evenzeer, gelijk, gelijkelijk, even, eveneens, idem, insgelijks, van hetzelfde
equator = equator, evenaar, evennachtslijn
Equatorial Guinea = Equatoriaal Guinea
equestrian = paarde-, paarden-
equilibrium = balans, evenwicht, evenwichtstoestand, balans, evenwicht, evenwichtstoestand
equinox = nachtevening, dag-en-nachtevening
equip = toerusten, uitrusten, uitvoeren
equipment = apparatuur, hardware, accommodatie, inrichting, uitrusting, uitrustingsstuk, toerusting, uitrusting
equivalent = equivalent, gelijkwaardig, equivalent
-er = -aar, -er, -ist, -aard, -e, -erd
era = tijdperk, tijdsgewricht, jaartelling, tijdrekening
eradicate = ontwortelen
erase = gommen, met gom bestrijken
eraser = gom, gummi
erbium = erbium
erect = inrichten, oprichten, stichten, vestigen, baseren, funderen, grondvesten, stichten, vestigen
erecting = montage, zetting
Eris = Eris
Eritrea = Eritrea
erotic = erotisch, zwoel
err = dwalen, een fout maken, ernaast zitten, zich vergissen
errand = boodschap, commissie, opdracht, bericht, boodschap
errand-boy = loopjongen
erroneous = fout, foutief, onjuist, verkeerd
error = abuis, fout, dwaling, vergissing
eryngo = kruisdistel
erysipelas = belroos, wondroos
escalator = roltrap
escape = ontgaan, ontkomen, ontsnappen, ontsnapping
escort = accompagnement, begeleiding, begeleiden, escorteren, gewapend begeleiden, begeleiding, escort, geleide, vrijgeleide
escudo = escudo
Eskimo = Eskimo
especially = in het bijzonder, inzonderheid, vooral, in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk
Esperantist = Esperantist
Esperanto = Esperanto
essay = dissertatie, proefschrift, stelling, thesis
essence = essence, essentie, kern, wezen, wezenheid
essential = essentieel, intrinsiek, vitaal, wezenlijk
establish = inrichten, oprichten, stichten, vestigen, baseren, funderen, grondvesten, stichten, vestigen, bevinden, constateren, vaststellen
establishment = etablissement, instelling, vestiging
estate = bezitting, boerderij, goed, landgoed, erfenis, nalatenschap
esteem = achten, achting hebben voor, achting toedragen, hoogachten, achting, tel, beschouwen, nagaan, overwegen, rekening houden met, achting, aanzien, gezochtheid
estimate = begroting, begroten, schatten, taxeren, waarderen
estimates = begroting
Estonia = Estland
Estonian = Estlands, Est, Estlander
Estonian woman = Estlandse
estuary = zeearm
-et = -je, -ke, -pje, -tje
eta = èta
etc. = enz., etc.
et cetera = enzovoort, enzovoorts
etching = ets
eternal = eeuwig
eternity = eeuwigheid, onvergankelijkheid, eeuwigheid
ether = ether
ethic = ethiek, zedenkunde, zedenleer
ethical = ethisch, zedenkundig
ethics = ethiek, zedenkunde, zedenleer
Ethiopia = Ethiopië
Ethiopian = Ethiopisch, Ethiopiër
Ethiopian woman = Ethiopische
ethnic group = geslacht, stam, volksstam
ethos = sfeer, stemming
etiquette = etiket, etiquette, label
Etna = Etna
Etruria = Etrurië, Etrurië
Etrurian = Etrurisch, Etruskisch, Etruriër, Etrusk
Etruscan = Etrurisch, Etruskisch, Etruriër, Etrusk
eunuch = eunuch
euphonious = schoonklinkend, welluidend, zoetvloeiend
Euphrates = Eufraat
euro = euro
Europa = Europa, Europa, Europa
Europe = Europa, Europa
European = blanke, Europeaan, Europees, Europeaan
European bizon = wisent
European Union = Europese Unie
europium = europium
Euxine Sea = Zwarte Zee
Eva = Eva
evacuate = evacueren, ontruimen
evade = mijden, ontwijken, uit de weg gaan, vermijden
evangelic = evangelisch
evaporate = doen verdampen, indampen, uitdampen, verdampen, uitdampen, verdampen, vervliegen, vervluchtigen
even = effen, gelijk, vlak, effenen, gelijkmaken, slechten, eender, egaal, gelijk, gelijkmatig, egaliseren, gelijkmaken, vlakken, zelfs, kiet, quitte, een paar vormend, even, gelijkmatig, geregeld, regelmatig, steevast
even if = al, ook al, zelfs als
evening = avondje, avond
evening classes = avondschool
evening dress = rok, avondkleding
evening frock = avondjapon
evening gown = avondjapon
evening meal = avondeten, avondmaal
evening paper = avondblad, avondkrant
evening-primrose = teunisbloem
evening-school = avondschool
Evening Star = Avondster, Venus, Avondster, Venus
evening twilight = avondschemering, vallen van de nacht, avondschemering
event = belangrijke gebeurtenis, evenement, gebeuren, gebeurtenis, gebeurtenis, gebeuren, gebeurtenis, incident, voorval, gebeurde, gebeurtenis, voorgevallene, gebeurtenis, gelegenheid, geval, gebeurtenis
eventual = eventueel, gebeurlijk
eventuality = eventualiteit
ever = eenmaal, eens, ooit, wel eens, altijd, immer, steeds
-ever = dan ook, ook maar
Everist = Mount Everest
everlasting = altijddurend, eindeloos, oneindig, altijddurend, eeuwig, voortdurend
ever since = sinds, sedert, vanaf
every = al de, al het, alleman, een ieder, elk, ieder, iedereen, elk, ieder
everybody = al de, al het, alleman, een ieder, elk, ieder, iedereen, alleman, een ieder, iedereen
everyday = alledaags, grof, ordinair, plat, vulgair
every kind of = allerhande, allerlei, van elke soort
every one = al de, al het, alleman, een ieder, elk, ieder, iedereen, alleman, een ieder, iedereen
everyone's = aller, ieders
every other day = om de andere dag, om de dag
everything = allemaal, alles
every time = telkens
everywhere = allerwegen, alom, overal, wijd en zijd, alom, allerwegen, overal
evident = apert, duidelijk, evident, kennelijk, klaarblijkelijk, uitgesproken
evoke = naar buiten roepen, ten gevolge hebben, uitlokken
evolution = evolutie, ontwikkeling, evolutie, ontwikkeling, wordingsproces
evolve = evolueren, zich ontwikkelen
ex- = ex-, gewezen, oud-, voormalig, vroeger
exact = accuraat, exact, nauwkeurig, rekwireren, vorderen, opvorderen, goed, juist, recht
exaction = afpersing, knevelarij, afpersing
exactitude = accuratesse, nauwgezetheid, stiptheid, zorgvuldigheid, accuratesse, nauwkeurigheid, precisie
exactly = accuraat, nauwgezet, precies, exact, precies, exact, juist, precies, scherp, vlak, juist, net, OK, okee, okay, oké, pal, precies
exactness = nauwkeurigheid, precisie, stiptheid, zorgvuldigheid
exaggerate = chargeren, overdrijven
examination = examen, keuring, onderzoek, nauwkeurig onderzoek, aanschouwing, beschouwing
examine = examineren, nakijken, onderzoeken, nauwkeurig onderzoeken, exploreren, nagaan, onderzoeken, uitvissen, uitzoeken, vorsen
example = toonbeeld, voorbeeld
excavate = delven, opduikelen, opgraven, rooien, uitgraven, winnen
exceed = overtreffen, te boven gaan, uitblinken, uitmunten, voorbijstreven
exceedingly = bijzonder, buitengewoon
excellency = eerwaarde, hoogheid, majesteit
except = behalve, bij uitzondering, buiten, op ... na, uitgezonderd, uitzonderen, behalve, buiten, ongerekend
except for = behalve, buiten, ongerekend, behoudens
exception = uitzondering
exceptional = uitzonderlijk
excess = buitensporigheid, exces, overdaad, uitspatting, uitwas
excessive = buitensporig, excessief, extreem, verregaand
excessively = buitensporig, excessief
exchange = centrale, inwisseling, ruil, omruiling, uitwisseling, verruiling
exchange rate = koers, notering, beursnotering, prijsnotering
excise = accijns, verbruiksbelasting
excise-duty = accijns, verbruiksbelasting
excitation = opwinding
excite = aanwakkeren, opwinden, prikkelen, verhitten, werken op, aanstoken, irriteren, ophitsen, op stang jagen, prikkelen, sarren
excitement = agitatie, agitatie, beroering, gisting, onrust, opwinding, opgewondenheid, opwinding, gejaagdheid, opwinding, opwinding
excite pity = vermurwen
exciting = opwindend
exclude = uitsluiten, buitensluiten, uitsluiten, uitzonderen
exclusive = exclusief, uitsluitend
exclusively = exclusief, uitsluitend, alleen, enkel, maar, pas, slechts, uitsluitend
excommunication = anathema, ban, banvloek, excommunicatie, ban, banvloek, excommunicatie
excrement = drek, drol, keutel, ontlasting, stront, uitwerpselen, vijg, schijt
excursion = excursie, tocht, toer, trip, uitstapje
excuse = verontschuldigen, excuseren, verontschuldigen, verschonen
excuse me = pardon, sorry, het spijt me
excuse oneself = zich excuseren
execute = executeren, ter dood brengen, terechtstellen
executioner = beul
exempt = ontslaan, vrijstellen
exercise = drillen, oefenen, oefening
exercise-book = aflevering, katern, schrift
exert = beoefenen, betrachten, in de praktijk brengen, uitoefenen
exertion = krachtsinspanning
exhale = ademen, getuigen van, uitademen, uitwasemen
exhausted = op, uitgeput, uitverkocht, afgemat, bekaf, doodmoe
exhibit = belichten, tentoonstellen, uiteenzetten, uitstallen, tentoonstellen, uitstallen, belichten, exposeren, tentoonstellen
exhibition = expositie, tentoonstelling
exhibitioner = beursstudent
exhortation = aanmaning, aansporing, vermaan, vermaning, waarschuwing, aanmaning
exile = uitbannen, verbannen, balling, banneling, ballingschap, verbanning, balling, banneling
exist = bestaan
existence = aanzijn, bestaan, bestaan, zijn
exit = afrit, uitgang, uitweg, uitgaan, uitkomen, uitlopen, uitstappen, uitstijgen, uittreden
Exodus = Exodus
exotic = exotisch, uitheems
expansion = expansie, uitzetting
expect = afhalen, wachten, te wachten staan, verbeiden, verwachten
expectation = afwachting, afwachting, verwachting
expedite = afdoen, afhandelen, afwikkelen
expedition = expeditie
expel = uitdrijven, verdrijven, verjagen, wegdrijven, wegjagen
expense = kosten, onkosten
expenses = besteding, uitgaaf, vertering, uitgaven
expensive = duur, kostbaar, prijzig
experience = belevenis, ervaring, ondervinding, belevenis, lotgeval, wedervaren, wederwaardigheid, beleven, doorleven, doormaken
experienced = bedreven, geoefend, deskundig, ervaren, geoefend, zaakkundig
experiment = experimenteren, experiment, proef, proefneming
experimental = empirisch, experimenteel
expert = deskundig, expert, deskundige, expert, kenner, bedreven, geoefend, specialist, vakman, deskundige, kenner, zaakkundige, deskundig, ervaren, geoefend, zaakkundig, deskundige, zaakkundige
expertness = bedrevenheid, bedrevenheid, handigheid, slag, vaardigheid, vlugheid
expire = aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen, doodgaan, overlijden, sterven, verscheiden, versmachten
explain = beduiden, toelichten, uiteenzetten, uitleggen, verklaren, beduiden, duidelijk maken, uitleggen, verhelderen, verklaren, beduiden, te verstaan geven, uitleggen, verklaren, voorhouden
explanation = explicatie, toelichting, uiteenzetting, uitleg, verklaring, rekenschap, uitduiding, verklaring
explode = exploderen, losbarsten, ontploffen, springen, uitbarsten
exploit = exploiteren, uitbuiten, uitmelken
exploration = speurtocht, speurwerk, onderzoek, speurwerk
explore = exploreren, nagaan, onderzoeken, uitvissen, uitzoeken, vorsen
explosion = explosie, ontploffing, uitbarsting
explosive device = <apparaat om iets op te blazen>
export = exporteren, uitvoeren
expose = belichten, tentoonstellen, uiteenzetten, uitstallen
exposition = expositie, tentoonstelling
exposure = belichting, tentoonstelling, uitstalling, uitstelling
exposure meter = belichtingsmeter, lichtmeter
exposure time = belichtingstijd
express = uitdrukken, exprestrein, sneltrein, speciale koerier, ontlokken, slaken, uitbrengen, uithalen, uitdrijven, uiten, betuigen, opperen, uitdrukken, uiten, uitspreken, verwoorden
express condolences = condoleren
expression = betuiging, bewoording, gezegde, uitdrukking, uiting, zegswijze, air, gelaatsuitdrukking, gezicht, uiterlijk, uitzicht
express oneself = zich uitdrukken
expressway = autoweg
expurgate = kuisen
extend = bestek, grootte, omvang, uitgebreidheid, ophouden, rekken, strekken, uitbreiden, uitsteken, uitstrekken, prolongeren, verlengen, verlengen
extension = achtervoegsel, suffix
extensive = omvangrijk, uitgebreid, veelomvattend, breedvoerig, groot, royaal, ruim, uitgebreid, uitgestrekt, wijd
exterior = aanblik, aanschijn, buitenkant, uiterlijk, uiterlijk, uitwendige
exterminate = uitroeien, verdelgen
external = buiten-, extern, uiterlijk, uitwendig
extinguish = blussen, doven, uitblussen, uitdoen, uitdoven, uitmaken
extort = afdwingen, afpersen, knevelen, afdwingen
extortion = afpersing, knevelarij, afpersing
extortioner = afzetter
extra = extra, figurant
extract = afleiden, zetten, aftreksel, zetsel
extraordinarily = bijzonder, buitengewoon
extraordinary = bijzonder, buitengewoon
extravagant = buitenissig, buitensporig, extravagant
extreme = bovenmatig, ergst, extreem, uiterst, ultra
extremely = allemachtig, allemachtig, extreem, in hoge mate, uitermate, uiterst, bijzonder, danig, duchtig, geducht, schromelijk
exult = jubelen
exultation = gejubel
eye = kijker, oog
eyebrow = wenkbrauw
eyelid = ooglid
fable = fabel
fabric = weefsel
fabricate = fabriceren, maken, aanmaken, vervaardigen
façade = façade, gevel, pui, voorgevel, voorpui
face = het hoofd bieden, het hoofd bieden, gelaat, gezicht, aangezicht, toet
face-ache = aangezichtspijn
facile = licht, makkelijk, gemakkelijk, vlot
facilitate = verlichten, vergemakkelijken, opluchten, vergemakkelijken, verlichten
fact = feit
faction = partij, stem
factory = fabriek, fabriek, metaalfabriek
factual = feitelijk, werkelijk
faculty = faculteit
fade = vervagen, bleek worden, tanen, verbleken, verschieten, kwijnen, verdorren, verflensen, verleppen, verwelken
Fafner = Fafner
faggot = brandstapel, mutsaard, mutserd
fag out = afbeulen, afjakkeren, afmatten, afbeulen, afjakkeren
fail = mislukken, floppen, in het water vallen, schipbreuk leiden, stranden, afsterven, uitsterven, wegsterven, falen, misgaan, mislukken, sjezen, stralen, stranden, zakken, laten, nalaten, nalaten, niet doen
fail to appear = achterwege blijven
failure = abortus, miskraam, mislukking, mislukking, bankroet, failliet, faillissement, krach, debâcle, echec, fiasco, flop, mislukking, sof, afgang
faint = licht, zwak, bewusteloos raken, bezwijmen, flauwvallen, in zwijm vallen, zwijmen, flauwte, onmacht, bezwijming, zwijm
fair = bazaar, markt, marktplaats, marktplein, blond, jaarbeurs, kermis, markt, billijk, fair, rechtvaardig, kermis, aardig, niet onbeduidend
fairly = aardig, tamelijk
fairy = feeëriek, feeën-, fee, geest
fairy tale = sprookje
faith = fiducie, geloof, vertrouwen
faithful = trouw, getrouw, loyaal, trouw, getrouw, trouwhartig
faked = nagemaakt
falcon = valk
fall = afvallen, afvallig worden, uitvallen, vallen, afvallen, neervallen, storten, verschieten, val, afnemen, slinken, tanen, verflauwen, verminderen
fallacious = bedrieglijk, misleidend
fall away = afvallen, vermageren
fall backwards = achterovervallen
fall ill = ziek worden
fall in = aantreden, in de rij gaan staan, in de rij komen
fall in love with = verliefd worden op, verliefd raken op, verliefd worden op
fall into abeyance = in onbruik raken
fall into line = aantreden, in de rij gaan staan, in de rij komen
fall off = afvallen, afvallig worden, uitvallen, achteruitgaan, verslechteren
fall short of = tekortschieten in
false = bedrieglijk, dubbelhartig, loos, onecht, onwaar, vals, vervalst, onwaar, onwaar
false acacia = robinia, valse acacia
false step = misstap
falsify = vervalsen, vervalsen
fame = beroemdheid, faam, befaamdheid, gerucht, mare, reputatie, roem, roep, glorie, lof, roem, beroemdheid, beroemdheid, faam, vermaardheid
familiarity = bekendheid
family = familie, gezin, huis, huisgezin
family tree = stamboom, genealogie, geslachtkunde, stamboom, stamboom
famine = geeuwhonger
famous = alom bekend, befaamd, beroemd, vermaard, welbekend, befaamd, beroemd, gevierd, roemruchtig, vermaard, wijdvermaard, beroemd, glorierijk, glorieus, roemrijk, roemruchtig, roemvol, beroemd, gerenommeerd, gevierd, vermaard
fan = aanblazen, aanvuren, aanwakkeren, aanzetten, verlevendigen, waaien, frisse lucht toewaaien, wannen, waaier
fanatical = dweepziek, dwepend, fanatiek
fancier = amateur, dilettant, knutseaar, liefhebber
fancy = in de waan verkeren, wanen, bedenken, zich verbeelden, zich voorstellen, dromen, mijmeren
fancy fair = bazaar, fancyfair
fanfare = fanfare, fanfarekorps
fantastic = fantasierijk, fantastisch, grillig
fantasy = fantasie, verbeeldingskracht
far = ver, verwijderd, ververwijderd, afgelegen, ver, veraf, verafgelegen, verwijderd, ververwijderd, achteraf, afgelegen, ver
far away = achteraf, afgelegen, ver
fare = gesteld zijn, het maken
Far East = Verre Oosten, Verre Oosten
farewell = adieu, vaarwel, afscheid, vaarwel
farm = bezitting, boerderij, goed, landgoed, in pacht hebben, pachten, pacht, pachten
farm- = agrarisch
farmer = agrariër, boer, landbouwer, agrariër, boer, landbouwer, boer, meier, pachter, boer, landman, agrariër, boer, landbouwer, agrariër, boer, landbouwer
farmers' union = boerenbond
farming = agricultuur, akkerbouw, landbouw
farmland = bouwland
farm out = verpachten
fart = een wind laten, scheet, veest, wind
farther = verder, verder, verderop, verder
fascinate = betoveren, fascineren
fascinated = geboeid, gefascineerd
fascinating = betoverend, boeiend, fascinerend
fashion = mode, modus, wijs
fashionable = in de mode, mode-, in zwang, modieus
fast = vasten, gevestigd, hecht, stevig, vast, gauw, gezwind, haastig, snel, spoedig, vlug, gauw, hard, in allerijl, schielijk, snel, vlug
fasten = aanbinden, meren, onderbinden, tuigeren, vastbinden, vastleggen, aanbinden, meren, onderbinden, tuigeren, vastbinden, vastleggen, bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen, bevestigen, vastmaken, vastzetten, verstevigen, grendelen, afgrendelen, aandraaien
fast train = sneltrein, sneltrein
fat = dik, lijvig, buikig, corpulent, dikbuikig, zwaarlijvig, dik, vet, vettig, vet, corpulent, gezet, zwaarlijvig
fate = bestemming, lot, lotsbestemming, voorland, lot, noodlot, fortuin, lot, levenslot
fateful = fataal, funest, noodlottig
father = pater, vader, vader, vader
Father Christmas = Kerstman, Kerstman
father-in-law = schoonvader
fatherland = vaderland
fatherless = vaderloos
fatigue = afbeulen, afjakkeren, afmatten
fatty = dik, vet, vettig
faucet = kraan, tap, tapkraan
fault = schuld
favor = begunstigen, bevoordelen, voorstaan, voortrekken, gunst, begunstiging, genadigheid, gedienstigheid, welwillendheid
favorite = uitverkoren
favour = begunstigen, bevoordelen, voorstaan, voortrekken, gunst, begunstiging, genadigheid, gedienstigheid, welwillendheid
favourable = goedgezind, gunstig, toegenegen, welgezind
favourite = uitverkoren, favoriet, lieveling
fawn = kalf, hertekalf, kalf, reekalf
fear = angst, beklemming, benauwdheid, grote angst, zielsangst, bang zijn voor, duchten, schromen, terugschrikken voor, vrezen, beduchtheid, vrees
fearful = angstig, kopschuw, vervaard
fearless = boud, dapper, ferm, onvervaard, stout, stoutmoedig, vermetel
feast = banketteren, feestmaal, festijn, gelag, smulpartij
Feast of Expiation = Grote Verzoendag
Feast of Tabernacles = Loofhuttenfeest, Loofhuttenfeest
feather = pen, pluim, veer, veder, pen, pluim, veer, veder
feature = trek, gelaatstrek, karaktertrek
February = februari, sprokkelmaand
federal = federaal
federation = bond, federatie
fee = honorarium
feed = bikken, gebruiken, eten, nuttigen, vreten, spijzigen, te eten geven, voederen, voeren, voeden, laten grazen, weiden
feeding-bottle = zuigfles
feel = tasten, betasten, voelen, bevoelen, aftasten, gewaarworden, voelen, aanvoelen, gevoelen, zich voelen, gevoel, zin
feel ... = ... aanvoelen
feel dizzy = duizelig zijn
feel fine = het goed maken, zich goed voelen
feeling = gevoel, zin
feel sorry for = berouw hebben van
feign = doen alsof, fingeren, simuleren, veinzen, voorgeven, voorwenden
feldspar = veldspaat
felloe = velg
fellow = aaneen, aaneen-, co-, samen, samen-, kerel, knul, persoon, snuiter, sujet, vent, man, manspersoon, vent
fellow-creature = medemens, naaste
fellow-thinker = geestverwant, medestander
felly = velg
felspar = veldspaat
felt = vilt
female = vrouwtje, wijfje, vrouwelijk, moer, vrouw, wijfje, vrouwelijk
female admirer = bewonderaarster, vereerster
female adorer = aanbidster, vereerster
female adventurer = avonturierster
female aid = helpster
female ambassador = ambassadrice
female angel = engel, vrouwelijke engel
female cat = poes
female cook = keukenmeid, kokkin
female hairdresser = kapster
female journalist = journaliste, dagbladschrijfster, journaliste
female laborer = arbeidster
female martyr = martelares
female mulatto = mulattin
female panther = wijfjespanter
female pigeon = duifje
female relative = familielid, verwant, vrouwelijk familielid, vrouwelijke verwant
female singer = zangeres
female slave = slavin
female stenotypist = stenotypiste
female stranger = vreemdelinge
female student = studente
female tailor = kleermaakster
female teacher = lerares, onderwijzeres, schooljuffrouw
female thief = dievegge
female worshipper = aanbidster, vereerster
femal labourer = arbeidster
femal worker = arbeidster
feminine = vrouwelijk
fence = afsluiting, barrière, heining, hek, versperring, paalwerk, palissade, schutting, staketsel, heler, schermen
fence in = afrasteren
fence off = afrasteren, afsluiten, omheinen, omsluiten
fender = haardscherm, vuurscherm
fennel = venkel
Fenris = Fenrir
ferment = fermenteren, gisten, werken
fermium = fermium
fern = varen
ferry = bak, overzetboot, pont, pontveer, schouw, veerboot, veerpont
fertile = vruchtbaar, vruchtbaar
fertilization = bemesting
fertilize = gieren, mesten, bemesten
fertilizer = mest
fervor = ambitie, ijver, vuur
fervour = ambitie, ijver, vuur
festival = festival, feest, festiviteit, fuif, partij
fetch = aandragen, bezorgen, brengen, aanbrengen, halen, gaan halen
fetter = boeien, ketenen, boei, keten, kluister
feudal = feodaal
fever = koorts
feverish = koortsachtig, koortsig
few = weinig
fewer = min, minder
fewest = minst
fiancé = bruidegom, galant, verloofde
fiancée = bruid, meisje, verloofde
fiasco = debâcle, echec, fiasco, flop, mislukking, sof
fiber = vezel
fibre = vezel
fiction = fictie, verbeelding, verdichtsel, verzinsel
fictional = denkbeeldig, fictief, verdicht
fiction writer = romanschrijver
fictitious = denkbeeldig, fictief, verdicht
fief = leen, leengoed
field = akker, akker, land, landerij, terrein, veld, land, veld, akker, land, landerij, veld, terrein, veld, veld
field hospital = ambulance, veldhospitaal, ziekenauto, ziekenwagen, ambulance, veldhospitaal
fierce = woest
fifteen = vijftien
fifteenth = vijftiende
fifth = vijfde, vijfde
fifty = vijftig
fig = vijg
fight = kampen, strijden, strijd voeren, vechten, knokken, vechten, bestrijden, het opnemen tegen
fight against = bestrijden, het opnemen tegen
fighting cock = kemphaan
fig-tree = vijg, vijgeboom, vijg, vijgeboom
figurative = figuurlijk, oneigenlijk
figure = cijferen, rekenen, cijfer, nummer, beeld, afbeelding, figuur, calculeren, rekenen, berekenen, tellen, uitrekenen
file = bestand, dossier, vijlen, vijl, kaartsysteem, aktentas, boekentas, theca, verzameling, beurt, file, gelid, reeks, rij, toerbeurt
files = archief
filing card = fiche, kaart, kaartje
Filipino = Filippijn, Filippino
fill = beslaan, in beslag nemen, dempen, vullen, invullen, spekken, stoppen, volmaken, volschenken
fillet = haarband, band
fill in = dempen, vullen, invullen, spekken, stoppen, volmaken, volschenken
filling station = benzinepomp, benzinestation
fill up = dempen, vullen, invullen, spekken, stoppen, volmaken, volschenken
film = film, rolprent, film, fotorolletje
film strip = film, filmpje
filter = filteren, filtreren, zijgen, filter
filthy = morsig, onrein, smerig, vies, vuil
fin = vin
final = finaal, uiteindelijk
finalize = fatsoeneren, in het net schrijven
finally = eindelijk, per saldo, ten slotte
finance = bekostigen, financieren, financiën, geldmiddelen
financial = financieel, geldelijk
financial year = boekjaar
find = gewaar worden, merken, bemerken, vernemen, waarnemen, vinden, bevinden, treffen, aantreffen
find oneself = verkeren, voorkomen, zich bevinden, zich ophouden, zich bevinden
find out = informatie inwinnen, informeren, inlichtingen vragen, horen, vernemen
fine = fijn, fraai, mooi, knap, net, schoon, excellent, kostelijk, tiptop, tof, uitmuntend, voortreffelijk, uitstekend, wonderwel, delicaat, fijn, gevoelig, iel, kies, kieskeurig, tactvol, teder, teer, uitstekend, beboeten, boete, geldboete
finger = vinger, peuteren, pulken, vingeren
finish = appreteren, opmaken, stijven, appreteren, opmaken, aantikken, geheel maken, klaren, volbrengen, voltooien, klaarspelen, voltooien, afwerken, uitwerken, afwerken, beëindigen, klaarkomen met, volbrengen, afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen, afwerken, bereiden, klaarmaken, toebereiden, verzetten, voltooien
finished = afgelopen, afgewerkt, beëindigd, klaar, af, afgelopen, gereed, klaar
finishing off = afwerking
finish off = afwerken, beëindigen, klaarkomen met, volbrengen
finish one's studies = afstuderen
Finland = Finland
Finn = Fin
finnish = afdoen, afhandelen, afwikkelen
Finnish language = Fins, Finse taal
Finnish woman = Finse
fir = spar, zilverspar
fire = afvuren, losbranden, ontslaan, ontzetten, royeren, vuur, brand, vuurzee, afdanken, afmonsteren, ontslaan, afschieten, ontladen, paffen, schieten, vuren, aanvuren, aanvuren, aanwakkeren, aanzetten, verlevendigen
fire-alarm = brandmelder
fire at = beschieten, schieten op
firebox = broeinest, haard
firebrand = aanstoker, ophitser, opstoker
firecall = brandmelder
fire-damp = mijngas, mijngas
firefly = vuurvliegje
fire off = afvuren, losbranden, afschieten, ontladen
fire on the hearth = haardvuur
fireplace = haardstede, schoorsteen, schouw, stookplaats
fire upon = beschieten, schieten op
firewood = brandhout
fireworks = vuurwerk
firing = beschieting, geschiet, schietpartij, vuren
firing-cap = capsule, doosvrucht, kapseltje, zaadhuisje
firm = gevestigd, hecht, stevig, vast, firma, handelsfirma, handelshuis, firma, handelsfirma, handelshuis, ferm, fors, hecht, potig, robuust, sterk, stevig, stoer, struis, categorisch, beslist, pertinent, degelijk, deugdelijk, flink, gedegen, hecht, solide, vast
firm in one's principle = beginselvast, principieel
firm in one's principles = beginselvast, principieel
firmly = pal, stevig, vast
firmness = beslistheid
first = eerste, eerst, allereerst, ten eerste, vooreerst
first aid = EHBO, eerste hulp, EHBO, eerste hulp, EHBO
first-aider = EHBO-er
first-aid station = EHBO-post
first floor = begane grond
first instalment = aanbetaling, aanbetaling
firstly = eerst, allereerst, ten eerste, vooreerst
first name = voornaam, voornaam
first night = première
first of all = eerst, allereerst, ten eerste, vooreerst
first run = première
firth = zeearm
fiscal system = belastingstelsel
fiscal year = belastingjaar, fiscaal jaar
fish = vissen, vissen, vis
fisherman = visser, visverkoper, visser
fishing rod = hengel, hengel
fish with a fish-trap = vissen met een fuik, vissen met een fuik
fish with a line = hengelen, vissen, hengelen
fish with a net = vissen met een net, vissen met een net
fission = atoomsplitsing
fist = knuist, vuist
fit = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, beroerte, aanmaning, aanval, passen, in overeenstemming zijn, passen, aanpassen, afstemmen, in overeenstemming brengen, rijmen, passen, deugen, geschikt zijn
fitful = grillig, nukkig, onberekenbaar, vlinderachtig, wispelturig
fit in = in overeenstemming zijn, passen
fitness = geschiktheid
fit out = afzetten, beslaan, garneren, stofferen, uitmonsteren
fitter = monteur, bankwerker, fitter, fitter
fitting = behoorlijk, betamelijk, fatsoenlijk, keurig, voegzaam, welvoeglijk, adequaat, overeenstemmend, passend, bijpassend
fitting up = montage, zetting
fit together = ineenpassen, in elkaar passen, bijeenpassen, harmoniëren, samenklinken, congruent zijn, elkaar dekken
five = vijf
fix = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, determineren, nauwkeurig bepalen, bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen, bevestigen, vastmaken, vastzetten, verstevigen, herstellen, maken, repareren, verhelpen, verstellen, herstellen, repareren
fixed = onbeweeglijk, star, vast
fixed with nails = nagelvast, spijkervast
fixing = bepaling, vaststelling
fix up = aanrichten, arrangeren, ordenen, regelen, terechtbrengen
fjord = fjord
flag = dundoek, vaan, vlag, banier, standaard, vaandel, veldteken, vendel, wimpel
flake off = afbladderen, afschilferen, afschilferen
flame = laaien, vlammen, opwinding, vlam, vuur
flamingo = flamingo
flammable = brandbaar
flan = vla, vlaai, vlade
Flanders = Vlaanderen, Vlaanderen
flannel = flanellen, flanel
flapper = bakvis
flare = flakkeren, flikkeren, schitteren, vonken schieten, wapperen
flare up = flakkeren, flikkeren, schitteren, vonken schieten, wapperen
flash = flikkeren, flitsen, gloren
flash on = aanflitsen, aanfloepen, aangaan, ontbranden
flask = veldfles
flat = appartement, flat, mol, molteken, effen, gelijk, vlak, coulisse, plat, slap
flat-iron = bout, strijkbout, strijkijzer
flatter = vleien
flatterer = mooiprater
flattery = vleierij, gevlei, vleierij
flavor = kruiden, op smaak brengen
flavour = aroma, geur, kruiden, op smaak brengen
flaw = barst
flax = vlas
flay = afstropen, vellen
flea = vlo
flee = ontgaan, ontkomen, ontsnappen, de vlucht nemen, vleden, vluchten
flee back = terugvluchten
fleece = afzetten, afzetten, snijden
fleet = vloot, vloot
Flemming = Vlaming
Flemmish = Vlaams
flesh = vlees
flexible = buigbaar, buigzaam, lenig, smijdig
flicker = flakkeren, flikkeren
flier = strooibiljet
flight = vliegtocht, vlucht, vlucht
flight engineer = boordwerktuigkundige
flight mechanic = boordwerktuigkundige
flighty = luchthartig, luchtig
fling = slingeren, swingen, zwaaien
fling off = afgooien, afwerpen, uitgooien
flint = keisteen, kiezel, kiezelsteen, vuursteen
flirt = aan de scharrel zijn, fladderen, flirten, scharrelen, wapperen, koketteren
flit = aan de scharrel zijn, fladderen, flirten, scharrelen, wapperen
float = dobberen, drijven, vlotten, drijven, zwemmen, zweven
flock = kudde, roedel
flock of goats = kudde geiten
flog = afranselen, met een stok slaan
flood = toeloop, vloed, toevloed, vloed, toeloop, vloed, toevloed, zondvloed, vloed-, vloed, inunderen, onder water zetten, overstromen, inundatie, overstroming, watersnood, watervloed, bedelven, overstelpen, verpletteren
floor = etage, verdieping, vloer
flop = afgang
Florence = Florence
Florida = Florida
flounder = spartelen, worstelen, zich aftobben
flour = bakmeel, bloem, meel
flourish = fanfare, fanfarekorps
flow = lopen, stromen, vlieten, vloeien, loop, stroming, stroom
flow down = afvloeien, weglopen, wegvloeien
flower = bloem
flowerpot = bloempot
flow off = afvloeien, weglopen, wegvloeien
flow towards = toelopen, toestromen, toevloeien
flu = griep, influenza
fluent = stromend, vloeiend
fluff = dons, nesthaar, waas
fluid = vloeistof, dun, vloeibaar, nat, vloeistof, vocht
fluorescent lamp = TL-buis
fluorine = fluor
Flushing = Vlissingen
flute = fluit
flutter = agitatie, agitatie, beroering, gisting, onrust, aan de scharrel zijn, fladderen, flirten, scharrelen, wapperen, trilling, vibratie
fly = aanvliegen, balans, onrust, vliegen, vlieg
fly away = uitvliegen, vertrekken, vervliegen, wegvliegen
FM receiver = FM-ontvanger
FM transmitter = FM-zender
foam = bruisen, schuimen, tintelen, schuim
focus = brandpunt, focus, haard
fog = damp, floers, mist, nevel
fold = plooien, vouwen, omvouwen, plooi, vouw, schaapskooi, schapestal
-fold = -voud
folder = map, ordner, aflevering, katern, schrift
foliage = bladertooi, gebladerte, loof
folk = volk
folklore = folklore, volkskunde
folk song = volkslied, volksliedje
follow = handelen volgens, opvolgen, nagaan, volgen, bewandelen, bijhouden, volgen, voortvloeien, later komen, nakomen
followers = aanhang, achterban, aanhang, gevolg
following = aanhang, leden, aanstaand, volgend, aanhang, gevolg, aanstaand, volgend
follow-up = nabehandeling
follow up with one's eyes = nakijken, naogen
fondle = aaien, aaien
font = doopvont
food = eten, etenswaar, gerecht, spijs, kost, voeder, voeding, voedingsmiddel, voedsel, voer
fool = dwaas, malloot, zot, bedonderen, belazeren, verneuken, bedotten, beduvelen, beetnemen, om de tuin leiden, domkop, domoor, schaapskop, stomkop, stommeling, sufferd
foolish = dol, dom, dwaas, onverstandig, zot, bot, dom, onbenullig, schaapachtig, stom, zwakhoofdig
foot = voet, poot, voet, voet, poot
football = voetbal, voetbal, Amerikaans voetbal
footwarmer = stoof
footwear = schoeisel
fop = dandy, fat, kwast, modepop, saletjonker
for = gedurende, onder, staande, terwijl, tijdens, voor, door, in ruil voor, op, op grond van, uit, vanwege, voor, wegens, aangezien, daar, omdat, vermits, want, wijl
for a long time = allang, sinds lang, vanouds, lang, lang, langdurig, gedurende lange tijd, voor lange tijd
forbid = verbieden
forbidding = afschrikwekkend
force = doordrukken, zich opdringen, dwingen, noodzaken, verplichten, sterkte, kracht, macht, sterkte, forceren, geweld aandoen, verkrachten, forceren, opdringen
ford = doorwaden
fore = voorbeschikking, voorgrond
fore- = voor-, achterklein-, oer-
forecast = beduiden, voorspellen, voorzeggen, waarzeggen, voorspellen, voorzeggen, waarzeggen, profeteren, voorspellen, voorzeggen, voorspellen, prognose, verwachting, voorspelling
forefather = stamvader, voorvader, voorzaat
foreground = voorgrond
forehead = voorhoofd
foreign = buitenlands, uitheems, buitenlands, onwennig, vreemd
foreign country = buitenland
foreigner = buitenlander, buitenlandse, vreemdelinge, buitenlander, onbekende, vreemde, vreemdeling
foreign lady = buitenlandse, vreemdelinge
foreign woman = buitenlandse, vreemdelinge
foreleg = voorpoot
foresee = bedacht zijn op, verwachten, vooruitzien, voorzien
foreseeable = afzienbaar
forest = bos, woud
forest path = bospaadje, bospad
foretell = beduiden, voorspellen, voorzeggen, waarzeggen, voorspellen, voorzeggen, waarzeggen, profeteren, voorspellen, voorzeggen
forever = eeuwig, voor eeuwig
for ever = eeuwig, voor eeuwig
for every reason = om alle redenen, overal om
foreward = naar voren, voorover, vooruit, voort, voorwaarts
foreword = voorbericht, voorrede, voorwoord
for example = bijvoorbeeld, bij voorbeeld
forge = smeden
forged = nagemaakt
forget = afleren, vergeten, verleren
forgetful = vergeetachtig
forget-me-not = vergeet-mij-niet, vergeet-mij-nietje
forgive = begenadigen, vergeven
for instance = bijvoorbeeld, bij voorbeeld
forks, knives and spoons = bestek, couvert, eetgerei, tafelgerei
form = aangaan, formeren, vormen, gedaante, vorm, formulier
form a group = samenkomen, samenrotten, samenscholen, zich groeperen, zich groeperen
formal = afgemeten, ceremonieel, plechtig, plechtstatig, afgemeten, formeel
form an embankment = afdammen
former = verleden, voorafgaand, voorgaand, vorig, vroeger, ex-, gewezen, oud-, voormalig, vroeger, gewezen, voormalig, vroeger
formerly = daarvoor, eerder, indertijd, vooraan, voorheen, vroeger, weleer
formidable = bijzonder, buitengewoon
form of application = aanvraagformulier, aanvraagformulier, aanvraagformulier
Formosa = Formosa
formula = formule
formulate = formuleren, inkleden, vervatten
form up = aantreden, in de rij gaan staan, in de rij komen
for no reason = nergens om, om geen enkele reden, zomaar, zonder reden
for nothing = gratis, om niet, pro Deo
for obvious reasons = begrijpelijkerwijs
for rent = te huur
forsake = in de steek laten, laten varen, verlaten
for sake of = door, in ruil voor, op, op grond van, uit, vanwege, voor, wegens
for sale = te koop, veil, gangbaar, verhandelbaar, verkoopbaar, vervreemdbaar
for some reason = om de een of andere reden
forswear = afzweren
forsythia = Chinees klokje, forsythia
Forth = Fort
for the first time = voor de eerste keer, voor de eerste maal
for the greater part = goeddeels, grotendeels, goeddeels, grotendeels
for the most part = goeddeels, grotendeels, goeddeels, grotendeels
for the reason that = aangezien, daar, doordat, omdat, aangezien, daar, omdat, vermits
for the rest = overigens, trouwens, verder, voor de rest
for the time being = vooralsnog, vooreerst, voorlopig, voorshands
fortification = fort, sterkte, verschansing, versterking
fortify = sterken, kracht bijzetten, sterken, versterken
fortnight = twee weken, veertien dagen
for ... together = aaneen, achtereen, onophoudelijk, aaneen, aan één stuk door, in één ruk, ononderbroken
fortress = vesting
fortunate = gelukkig, zegenrijk
fortunately = gelukkig
fortune = fortuin, fortuinlijkheid, lot, fortuin, lot, levenslot
fortune teller = waarzegster, waarzegger, waarzegster, voorspeller, waarzegger, wichelaar
forty = veertig
forum = forum
forward = aanvaller, voorspeler
fossil = fossiel, verstening
foster-parents = pleegouders
foul = smerig, vuil
foul weather = hondeweer
found = baseren, funderen, grondvesten, stichten, vestigen, baseren
foundation = stichting, basis, fundament, grondslag, bodem, grond, achtergrond, ondergrond
fountain = fontein, bron, wel, kwel, welput
fountain-pen = vulpen
fountain pen = vulpen
four = vier
fourteen = veertien
fourteenth = veertiende
fourth = vierde, kwart, vierde, vierendeel
fowl = gevogelte, hoen, hen, kip, hoen, kip, hoen
fox = vos
foxglove = vingerhoedskruid, vingerhoedskruid, gewoon vingerhoedskruid
fraction = breuk, fractie, breuk, fractie
fracture = breuk, gotisch lettertype
fracture of the leg = beenbreuk
fragile = breekbaar, broos, breekbaar, broos, fragiel, breekbaar, broos
fragment = deel, deeltje, item, jaartelling, partikel, punt, brok, fragment, stuk
fragmentary = fragmentarisch
fragrant = aromatisch, geurig, geurig, welriekend
frame = inlijsten, in een lijst zetten, vatten, kozijn, raamkozijn, vensterkozijn, vensterraam, kader, lijst, omlijsting, raam, lijst, schilderijlijst, spant
framework = kader, lijst, omlijsting, raam
France = Frankrijk
Franconia = Frankenland
Frankfort = Frankfort
Frankfort upon the Main = Frankfort aan de Main
frankly = open en bloot, ronduit, rondweg, vrijuit
frankness = openheid
fraud = bedrieger, oplichter, bedriegerij, oplichting
freckle = sproet, zomersproet
free = los, onbelemmerd, onbezet, open, vlot, vrij, vrijgesteld, leeg, onbezet, open, vrij, gratis, kosteloos, vrij, gratis, om niet, pro Deo
free and easy = frank, ongegeneerd, ongedwongen, vrij, vrijmoedig, vrijpostig
freedom = vlotheid, vrijheid, vrijdom
freemason = vrijmetselaar
free-standing = vrijstaand
freeway = autoweg
freeze = vriezen, bevriezen, diepvriezen
freezer = vriesvak, vriezer
freezing cold = vorst
French = Frans, Frans, Franse taal
French language = Frans, Franse taal
Frenchman = Fransman
French Polynesia = Frans Polynesië
French Riviera = Rivièra, Franse Rivièra
Frenchwoman = Française, Franse
frequent = bezoeken, geregeld bezoeken, veelvuldig
frequently = dikwijls, gedurig, menigmaal, vaak, veel, veelal, veeltijds
fresh = fris, luchtig, onbedorven, vers
freshen = aanwakkeren, sterker worden, toenemen
fresh water = zoet water, zoet water
fretful = aalwaardig, aalwarig, gemelijk, verdrietig
friction = wrijving, wrijving, wrijvingsweerstand
Friday = vrijdag
friend = vriendin, vriend
friendless = zonder vrienden
friendly = aardig, lief, voorkomend, vriendelijk, zoet, amicaal, bevriend, vriendschappelijk
friendship = vriendschap
Friesland = Friesland, Friesland, Friesland
frieze = fries, Fries, fries
fright = angst
frighten = doen schrikken, schrik aanjagen, verschrikken, bang maken, beangstigen, verschrikken, vrees aanjagen
frigid = koud
frindge = franje
fringe = rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom
Frisian = Fries, Friezin, fries, Fries, Fries, Fries, Friezin, Fries
Frisian woman = Friezin, Friezin
fritillary = keizerskroon, kievietsbloem, kievitsbloem, kievietsbloem, kievitsbloem
frivolity = frivoliteit, frivoliteit, ijdelheid
frivolous = frivool, lichtzinnig, wuft, ijdel, nietig, onbelangrijk
frock coat = geklede jas
frog = kikker, kikvors
frogbit = kikkerbeet
frog's legs = kikkerbilletjes
frolic = dartel, olijk, ondeugend, schalks, schelms, dartelen, robbedoezen, stoeien
frolic about = bokkesprongen maken
frolicsome = dartel, olijk, ondeugend, schalks, schelms
from = aan, door, met ingang van, sedert, sinds, van, vanaf, van, met ingang van, sedert, vanaf, op de, uit, van
from here = hiervandaan, vanhier, hiervandaan, van hier
from there = daarvan, daar ... vandaan, vandaar
from where = van waar, waarvandaan, waar ... vandaan
front = voorkant, voorzijde, front, gevel, voorkant, voorzijde
frontage = front, gevel, voorkant, voorzijde
frontier = grens, perk
front paw = voorpoot
frost = vorst, vorst
frostbite = door bevriezing veroorzaakte wond
frosted = mat, mat-, berijpt, met rijp bedekt
froth = roeren, doorroeren, omroeren, bruisen, schuimen, tintelen, schuim
frowsy = bedompt
frozen = bevroren, bevroren
fruit = vrucht
fruitful = vruchtbaar, vruchtdragend
fruit-tree = ooftboom, vruchtboom
frustrate = frustreren
fry = bakken, fruiten
frying-pan = bakpan, pan, koekepan, pat
frying pan = pan, koekepan, pat
fuel = brandstof, stookmateriaal, brandstof, stookmateriaal
fuel tank = benzinetank, benzinetank, busje, hostiekistje, trommeltje
full = compleet, totaal, vol, volkomen, volledig, verzadigd, vol, zat
full-grown = meerderjarig, mondig, groot, volgroeid, volwassen
full moon = volle maan
full of holes = vol met gaten
full of images = beeldrijk
full of life = levenskrachtig, vitaal
full of zeal = ambitieus, ijverig, noest, volijverig, vurig
full payment = afbetaling
fully = heel, geheel, ten volle, volkomen, volledig, voluit
fumble = friemelen, morrelen, scharrelen, morrelen
fume = uitwasemen, damp, uitwaseming
fumy = stinkend
fun = amusement, vermaak, schik, vermaak, genoegen, plezier, pret, vermaak
function = functioneren, het doen, in zijn werk gaan, werken, functie, ambt, baan, betrekking, plaats, werkkring
functionary = functionaris, official
fund = fonds, kapitaal, fonds, geldkist, kas
fundamental = fundamenteel
funeral = begrafenis, teraardebestelling, begrafenis, graflegging, teraardebestelling
funeral procession = begrafenisstoet, rouwstoet
funeral service = rouwdienst
fungus = paddestoel, zwam
funk = bangerd, lafaard, bangerd, lafaard
funnel = trechter
funny = aardig, amusant, leuk, vermakelijk, grappig, koddig, komisch, moppig
fur = aanbakken, aanzetten, aanslag, huid, pels, vacht, vel, dierevel, bont, pels
fur coat = bont, pels
furious = dol, doldriftig, verwoed, woedend, woest, spinnijdig, verbolgen, woedend, woest
furlough = verlof, vrijaf
furnace = kachel, oven
furnish = bestellen, leveren, afleveren, toevoeren, aankleden, meubileren
furnished = gemeubileerd
furniture = ameublement, huisraad, inboedel, meubels, meubilair
furniture van = verhuisauto, verhuiswagen, verhuisauto, verhuiswagen
fur piece = bont, pels
furrow = fronsen, rimpelen, frons, geul, groef, rimpel, voor, vore, zog
further = nader, verder, verderop, langer, meer
furthermore = bovendien, daarenboven, verder, voorts
fuse = kousje, lont, pit, lampepit
fuss = bedoening, rompslomp, bedoening
futile = ijdel, nutteloos, vergeefs, vruchteloos
future = aankomend, beginnend, in spe, toekomend, toekomstig, toekomende tijd, toekomst, verschiet, toekomende tijd, toekomst, verschiet
fuzzy = dampig, heiig, mistig, nevelig
gaberdine = gabardine
Gabon = Gabon
gadfly = brems, daas, paardehorzel
gadolinium = gadolinium
Gaelic = Keltisch, Gaelisch, Gaelische taal
gag = moppen tappen, grap, grol, kwinkslag, mop, pots, scherts, ui, aardigheidje, bak, grap, jok, mop, scherts
gain = aanwinst, acquest, buit, prooi, behalen, verdienen, winnen, baat, gewin, verdienste, winst, aankomen, zwaarder worden, baat, belang, gewin, profijt, voordeel, winst
gaiter = slobkous, beenkap
galactic = galactisch, melkweg-
Galicia = Galicië, Galicië, Galicië, Galicië
Galician = Gallicisch
Galilee = Galilea, Galilea
gall = gal, galnoot, plantengal, gal
gallant = braaf, dapper, eerlijk, ferm, flink, kranig, manhaftig, vriendelijk
gallery = gaanderij, galerie, galerij, gang, trans
gallery of a mine = mijngang
Gallic = Gallisch
gallium = gallium
galloon = gallon
gallop = galopperen, galop
galosh = overschoen
Gambia = Gambia, Gambia
gamble = dobbelen
game = spel, match
gamecock = kemphaan
gamma = gamma
gammer = besje, oude vrouw, oudje
gamut = scala, toonladder, toonschaal
gander = gander, mannetjesgans
gang = bende, schare, troep, compagnie, ploeg, rot, vendel
Ganges = Ganges
gangster = gangster
gangway = doorgang, overgang, passage, loopplank
Ganymede = Ganymedes
gaol = gevangenis, kerker, nor, gevangenis, gevangenis
gap = bres, gaping, opening, hiaat
gape = gapen, wijd openstaan, dom kijken, gapen, aangapen
gape at = aangapen
garage = garage, garage, stalling, zijspoor
garbage = afval, rommel, uitschot, afval, uitschot
garbage can = vuilcontainer, vuilnisbak, vuilnisemmer, vuilnisvat
garbage dump = puinhoop, vuilnisbelt
garden = hof, tuin
gardener = hovenier, tuinier, tuinman
gardenia = gardenia
gardening = tuinieren
gargle = gorgelen, spoelen, afspoelen
garland = krans, bloemenkrans, guirlande, slinger, slingerkrans
garlic = knoflook
garlic bulb = knoflookteentje
garment = gewaad, kledingstuk, gewaad, kleding, kleed
garnish = afzetten, beslaan, garneren, stofferen, uitmonsteren
garret = dakkamertje, zolderkamer, zolderkamertje
garrison = bezetting, garnizoen
gas = gas
gas cannister = gasfles
Gascon = Gasconjer, opschepper
gas cylinder = gasfles
gasolene = benzine
gasoline = benzine
gasp = naar adem snakken
gas tank = benzinetank
gastric juice = maagsap, maagzuur
gate = draaihek, doorgang, overgang, passage, poort
gateway = poort
gather = abstraheren, afleiden, deduceren, collecteren, innen, inzamelen, oogsten, plukken, rapen, verzamelen, afleiden, besluiten, concluderen, een gevolgtrekking maken, bijeenkomen, samenkomen, vergaderen
gathering = bijeenkomst, meeting, samenkomst, vergadering
Gaul = Gallië, Gallië, Galliër
Gaulish = Gallisch
gaunt = hoekig, hoekvormig, doods, eenzaam, uitgestorven, verlaten, woest, mager, schraal, sprietig, dun, luchtig, mager, schraal, sprietig, mistroostig, naargeestig, somber, triestig, mager, schraal, schriel, spichtig, droef, bedroefd, droevig, treurig, verdrietig, droefgeestig, melancholiek, weemoedig, zwaarmoedig, naargeestig, somber, troosteloos, leeg, onbewoond, verlaten, eenzaam, onbemand, onbevolkt, onbewoond, uitgestorven, verlaten, mager, schraal, huiveringwekkend, luguber
gauze = gaas
gawk = dom kijken, gapen, aangapen
gay = goedgehumeurd, goedgeluimd, lustig, monter, vrolijk, jolig, luimig, opgewekt, welgemutst, homofiel, homosexueel, flikker, homo, homofiel
gaze = staren, aanstaren, turen
gazelle = gazel
gazette = blad, krant
GDR = DDR, Duitse Democratische Republiek, Oost-Duitsland
gear = kamrad, kamwiel, tandrad, tandwiel, versnelling
gear-box = versnellingsbak, versnellingsbak
gear-case = versnellingsbak, versnellingsbak
gecko = gekko, toke, tokeh, tokkeh
gee-up = hop
geisha = geisha
gelding = ruin
gem = steen, edelgesteente, edelsteen, juweel
gendarme = gendarme, veldwachter, rijksveldwachter
gene = gen
genealogical = genealogisch
genealogist = genealoog
genealogy = genealogie, geslachtkunde, stamboom, genealogie, geslachtkunde
general = generaal, algemeen, in het groot, schetsmatig, algemeen, universeel, algemeen, generaal
generality = algemeenheid, universaliteit, algemeenheid
generally = doorgaans, in het algemeen, over het algemeen, überhaupt
generalship = beleid, omzichtigheid, voorzichtigheid
generate = verwekken
generation = generatie, geslacht
generative = generatief, geslachtelijk, sexueel
generous = genereus, goedgeefs, gul, royaal, scheutig, vrijgevig, genereus, gul, kwistig, rijkelijk, royaal, scheutig, vrijgevig
Genesis = Genesis, Scheppingsboek
Geneva = Genève
genital = geslachts-, seksueel
genius = beschermgeest, genie, genius, genie
Genoa = Genua
genre = genre, genrestuk
gentian = gentiaan
gentle = liefelijk, zacht, zoet, mild, zacht, zachtaardig, zachtmoedig, zachtzinnig, zoel
gentleman = heer, heerschap, meneer, mijnheer, heer, heerschap, meneer, gentleman, heer, gentleman, heer
gentlemanlike = beschaafd, keurig, beschaafd, keurig
gentleness = mildheid, zachtheid, zachtaardigheid, zachtmoedigheid, zoelheid
gently = voorzichtig, zachtjes
genuine = authentiek, echt, onvervalst, waar
genuinely = echt, werkelijk, wezenlijk
genuinly = echt, inderdaad, naar waarheid, waarachtig, waarlijk, werkelijk
geographer = aardrijkskundige, geograaf, aardrijkskundige, geograaf
geographic = aardrijkskundig, geografisch
geographical = aardrijkskundig, geografisch
geography = aardrijkskunde, geografie
geological = geologisch
geologist = geoloog
geology = aardkunde, geologie
geometry = geometrie, meetkunde
Georgia = Georgië, Groezië
Georgian = Georgisch, Georgiër, Groeziër
geranium = geranium, pelargonium
germ = microbe, kiem, oog, zaad, zaadkiem
German = Duits, Duits, Duitse taal, Duitse, Duitser, Germaan
German Federal Republic = Bondsrepubliek, Bondsrepubliek Duitsland
Germanic = Germaans
germanium = germanium
German language = Duits, Duitse taal
German measles = rodehond
German woman = Duitse
Germany = Duitsland
germinate = kiemen, ontkiemen
gesture = gebaren, gesticuleren, gebaar, geste
get = buit maken, behalen, verkrijgen, verwerven, aankomen, arriveren, aankomen, arriveren, bereiken, behalen, inhalen, reiken tot, treffen, deelachtig worden, krijgen, verkrijgen, uitreiken, verschaffen, verstrekken, aanschaffen, doen, laten, laten doen, maken, halen, gaan halen, raken, worden, aanvatten, nemen, oprapen, pakken, vatten, aanschaffen, zich voorzien van, genieten, krijgen, ontvangen, toucheren, betrekken, halen, laten komen, ontbieden
get acquainted with = bekend raken met
get a divorce = scheiden, scheiden
get angry = in toorn ontsteken, boos worden, zich kwaad maken
get-at-able = aanspreekbaar
get blurred = aanslaan, beslaan
get bored = zich vervelen
get caught on = blijven haken, zich vastgrijpen, zich vastklampen
get cold = afkoelen
get covered with = beslaan, beslaan
get dim = beslaan, beslaan
get divorced = scheiden
get dressed = zich aankleden
get drunk = dronken worden
get finished = afkrijgen
get hungry = honger krijgen
get in = instappen, in een auto stappen, doordringen
get in a quarrel = ruzie krijgen
get into a car = instappen, in een auto stappen
get lost = teloorgaan, verloren gaan, wegraken, zoek raken
get married = in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen
get mouldy = schimmelen, beschimmelen, verschimmelen
get off = afdalen, naar beneden gaan, zinken
get off the subject = afdwalen, opzijgaan
get out = uitstappen, uitstappen
get out of a car = uitstappen
get out of a habit = afleren, afwennen, afleren, met een gewoonte breken
get over = troost vinden in
get ready = gereedkomen, klaarkomen
get rid of = afschaffen, elimineren, opdoeken, uitmaken, verwijderen, wegdoen, afwerpen, zich bevrijden van
get stronger = aansterken, op verhaal komen
get tired = vermoeid raken
get up = gaan staan, opstaan, opstaan, uit bed komen, opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen, gaan staan, opstaan, zich voordoen
get used = aarden, gewend raken, wennen
get well = beterschap
get wet = een nat pak krijgen, nat worden, zweten
Ghana = Ghana, Ghanees
Ghanaian = Ghanees
ghastly = afgrijselijk, afschuwelijk, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, doodsbleek, afgrijselijk, afschuwelijk, huiveringwekkend, luguber
Ghent = Gendt, Gent
gherkin = augurk
ghost = blinde, blinde bij kaarspel, geest, schim, spook
giant = reus, kerel, reus
gibberish = Bargoens
gibbon = gibbon
Gibraltar = Gibraltar
Gideon = Gideon
gift = cadeau, donatie, geschenk, gift, schenking, cadeau, gave, gift, geschenk
gifted = begaafd, geboren, talentvol, begaafd, talentvol
gigantic = gigantisch, reusachtig
Gilbert Islands = Gilbert Eilanden
gild = vergulden, vergulden
Gilgamesh = Gilgamesj
gill = kieuw
gin = jenever, klare
ginger = gember
giraffe = giraffe
gird = aangespen, gorden, aangorden, omgorden
girder = balk, onderlegger, ribbe
girdle = ceintuur, gordel, riem
girl = meid, meisje
giro payment slip = acceptgirokaart
gist = essence, essentie, kern, wezen, wezenheid
give = cadeau geven, schenken, geven, aangeven, opbrengen, toebrengen, toekennen, verlenen, aanbieden, indienen, presenteren, spelen, vertonen, voorstellen
give an account = aanbrengen, melden, overbrengen, verslaan, verslag uitbrengen
give an airing = luchten, spuien, uitluchten, ventileren
give a repeat order for = nabestellen
give a ring = bellen, aanbellen, luiden, schellen, aanbellen
give as an excuse = doen alsof, voorgeven, voorwenden
give a ticket = bekeuren, notuleren, verbaliseren
give back = hergeven, reproduceren, teruggeven, vergelden, weergeven
give birth = bevallen, ter wereld brengen
give birth to = baren, bevallen, het leven schenken, teweegbrengen, voortbrengen
give in = afstaan, het veld ruimen, toegeven, wijken, zwichten
give notice = aandienen, aankondigen, adverteren, melden, verkondigen
give off an odour = geuren, rieken, ruiken
give offence = aanstoot geven
give pain to = bedroeven, grieven, smarten
give rise to = aandoen, aanrichten, stichten, teweegbrengen, veroorzaken
give tongue = aanslaan, beginnen te blaffen
give up = afstaan, het veld ruimen, toegeven, wijken, zwichten, afstand doen van, opgeven, uitvallen
give utterance to = ontlokken, slaken, uitbrengen, uithalen, uitdrijven, uiten
give way = afstaan, het veld ruimen, toegeven, wijken, zwichten
glacier = gletsjer
glad = blij, verblijd, verheugd
gladiolus = gladiool, zwaardlelie
gladness = blijdschap, blijdschap, blijheid, verheugenis, verheuging, vreugde
glamor = autoriteit, gezag, prestige
glamour = autoriteit, gezag, prestige
glamourous = prestigieus
glance = een blik werpen, een blik werpen op
glass = glas, drinkglas, glazen, glas
glasses = bril
glassy = glasachtig, glazig
glaze = glanzen, glazuren, verglazen, glazuur
glide = een glijvlucht maken, zweefvliegen, glibberen, glijden, glippen, schuiven, uitglijden
glider = zeilvliegtuig, zweefvliegtuig, zweeftoestel
globe = bal, bol, kloot, kogel, aardbol, globe, wereldbol
globe-flower = kogelbloem
globe-trotter = wereldreiziger
gloomy = naargeestig, somber, troosteloos
glorify = loven, prijzen, roemen, verheerlijken
glorious = beroemd, glorierijk, glorieus, roemrijk, roemruchtig, roemvol
glory = glorie, lof, roem, beroemdheid
gloss = glans, schijn, schittering, pracht, glosse, kanttekening
glossary = glossarium, terminologie, vakwoordenboek, vakwoordenlijst
glove = handschoen
glow = blaken, gloeien, in gloed staan, gloed, vuur
glow in the dark = fosforesceren
glow with heat = blaken, gloeien, in gloed staan
glue = kit, kleefmiddel, kleefstof, lijm, lijmen, hechten, plakken, lijm
gnash = knarsen, piepen
gnat = mug, steekmug
gnat-bite = muggebeet
gnaw = knagen, knagen
gnaw off = afkluiven, knabbelen
gnome = aardmannetje, gnoom
gnu = gnoe, wildebeest
go = gaan, lopen, van stapel lopen, verlopen, zich begeven, gaan, karren, rijden, varen, gaan, zullen
goal = doel, doelstelling, doelwit, honk, wit, doel, goal
go around = omgaan, rondgaan
go astray = afdwalen, opzijgaan, dwalen, afdwalen, van de weg afwijken, verdwalen, afdwalen, opzijgaan, afdwalen
goat = geit, bok, sik
go away = afgaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen
go back = achteruitgaan, verslechteren, achteruitgaan, achteruitgaan, terugdeinzen, teruggaan, teruggaan, terugkeren, teruglopen, terugtrekken, weer gaan
go backwards = achteruitgaan, achteruitgaan, terugdeinzen, teruggaan
go bad = bederven
go beyond = overgaan, overlopen, oversteken, overgaan, oversteken, te boven gaan
goblet = beker, kelk, bloemkelk, miskelk, beker, bokaal, cup, drinkbeker
goblin = aardmannetje, gnoom, aardmannetje, kabouter, kobold
go broke = bankroet gaan, failliet gaan, failleren, mislukken
go by = afgaan op
go crazy = dol worden, gek worden
god = god, godheid
godfather = naamgever, peet, peetoom, peetvader, peter
go down = afdalen, naar beneden gaan, dalen, zakken, verzakken, wegzakken, zinken, afslaan, dalen, teruglopen, afdalen, naar beneden gaan, zinken, ondergaan, afvaren
go downhill = aftakelen, gebrekkig worden, in verval raken, vervallen
God's acre = begraafplaats, kerkhof
go fast = haast maken, spoed maken, voortmaken, zich haasten, zich spoeden
go for a walk = aan de wandel zijn, lopen, tippelen, wandelen
go forward = voorwaarts gaan
Gog = Gog
go in = binnengaan, binnenlopen, ingaan
going down = achteruitgang, teruggang, verloop, vermindering
gold = gouden, gulden, goud
gold braid = gallon
Gold Coast = Goudkust, Goudkust
gold-coloured = goudkleurig
golden = gouden, gulden, goudblond, goudkleurig
golden eagle = steenarend
Golden Fleece = Gulden Vlies
goldenrod = guldenroede
golden yellow = goudgeel
goldfinch = distelvink, putter
goldfish = goudvis
gold-mine = goudmijn
goldsmith = goudsmid
golf = golf, golfspel, bocht, boezem, golf, golfspel, inham, zeeboezem, golf, golfspel
Golgotha = Golgotha, Golgotha
Goliath = Goliath
gonorrhea = gonorroe
good = goed, okee, goed, welzijn
good afternoon = goedemiddag, goeiemiddag
good breeding = beschaafdheid, welgemanierdheid
goodbye = adieu, vaarwel, afscheid, vaarwel, dag, tot ziens, tot weerziens
good-bye = afscheid, vaarwel
goodbye- = afscheids-
good day = dag, goedendag, goeiendag
good evening = goedenavond, goeienavond
good-for-nothing = nutteloos, onbruikbaar, deugniet, nietsnut, rabauw, rekel
Good Friday = Goede Vrijdag
good health = op uw gezondheid, proost, prosit, santé
good-hearted = goedaardig, goedaardig, goedhartig, goedig, coulant, goedig, handelbaar, toegevend
good-looking = goeduitziend
good luck = veel geluk, veel geluk
good morning = goedemorgen, goeiemorgen
good-natured = aardig, lief, voorkomend, vriendelijk, zoet
goodness = goedheid
good night = goedenacht, goeienacht, welterusten
goods = colli, goederen, colli, colli's, goederen, waren
good-smelling = geurig, welriekend
good taste = smaak, goede smaak
go off = aftakelen, gebrekkig worden, in verval raken, vervallen, afgaan
go on = doorgaan, verder gaan met, vervolgen, voortgaan, voortzetten
go on foot = gaan, lopen, te voet gaan
go on pension = met pensioen gaan
go on pilgrimage = een pelgrimstocht maken
go on the blink = haperen, stuk gaan, uitvallen
goose = gans
gooseberry = klapbes, kruisbes
go out = uitgaan, uitkomen, uitlopen, uitstappen, uitstijgen, uittreden
Gordian = Gordiaans
gorge = bergkloof
gorilla = gorilla
gospel = evangelie
gossip = kletsen, kwaadspreken, klets, kletspraat, prietpraat
go straight to = afgaan op
Goth = Goot
Gothenburg = Gotenburg
Gothic = gotisch, Gotisch
go through = beleven, doormaken, ervaren, ondervinden, afleggen, aflopen, doorgaan, gaan door, beleven
go to bed = gaan slapen, naar bed gaan, zich ter ruste begeven
go to court = procederen
go to sleep = gaan slapen
go to the cinema = naar de film gaan
go to the movies = naar de film gaan
goulash = goulash
go under = onder ... doorgaan
go up = naar boven gaan, opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen, oplopen, rijzen, stijgen, klimmen, naar boven gaan, rijzen, stijgen, bestijgen
gourd = kalebas, pompoen
gout = jicht, podagra
govern = aanvoeren, besturen, regeren, besturen, de scepter zwaaien, heersen, regeren
governess = gouvernante, huisonderwijzeres
government = gouvernement, overheid, regering
government inspector = inspecteur, revisor
governor = bestuurder, gouverneur
go with = meegaan
gown = japon, jurk, toga
grab = bemachtigen, grijpen, aangrijpen, vastgrijpen
grace = sierlijkheid, bevalligheid, gratie, genade
graceful = bevallig, gracieus, sierlijk
gracefulness = sierlijkheid, bevalligheid, gratie
grade = graad, mate, trap, aantekening, nota, notitie, noot, muzieknoot, graad, rang, stand, status
gradual = geleidelijk
gradually = geleidelijk, langzamerhand, zoetjes aan, geleidelijk
graduate = afgestudeerd, gediplomeerd, afstuderen, een diploma halen, een diploma behalen
Grail = Graal
Grail Knight = Graalridder
grain = korrel, pit, zaadkorrel, graan, koren, aderen, marmeren
Grain Coast = Peperkust
grain of salt = zoutkorrel
grain of sand = zandkorrel
gram = gram
grammar = grammatica, spraakkunst, spraakleer
grammar school = basisschool, lagere school
gramme = gram
Grammont = Geraardsbergen
grammophone disc = plaat, grammofoonplaat
grand = grandioos, groots, overweldigend, verheven
grandchild = kleinkind
granddad = opa
granddaughter = kleindochter
grandfather = grootvader, opa
grandiose = grandioos, groots, overweldigend, verheven
grandmother = grootmoeder, oma
grand-nephew = achterneef
grand-niece = achternicht
grandparent = grootouder
grandparents = grootouders
grandson = kleinzoon
granite = granieten, graniet
granny = grootje, oma
grant = toegeven
granule = korrel, pit, zaadkorrel
grape = druif
grapefruit = grapefruit, pompelmoes, grapefruit, pompelmoes
grapevine = wijnstok, wingerd
graphic = aanschouwelijk
graphic arts = grafiek, grafische kunst
graphics = grafiek, grafische kunst
grapple = beetnemen, pakken, beetpakken, beetkrijgen, beetnemen, pakken, vangen, vastpakken, vatten
grasp = bemachtigen, grijpen, aangrijpen, vastgrijpen, beetpakken, grijpen, greep, greep, inname, slag, vat
grass = gras, gras, kruid, gras
grass green = grasgroen
grasshopper = sprinkhaan, sprinkhaan
grate = knarsen, piepen, knarsen, knersen, kraken, krassen, afrastering, hek, rooster, traliehek, raspen
grateful for = dankbaar voor, dankbaar voor
grating = geknars, gekras, geknars
gratis = ten geschenke, gratis, om niet, pro Deo
gratitude = dankbaarheid, erkentelijkheid, dankbaarheid, dank, dankzegging
grave = angstig, bang, bedenkelijk, zorgbarend, zorgwekkend, graf, groeve
gravel = gravel, grind, gruis, steengruis, keisteen, kiezel, kiezelsteen, vuursteen
grave-mound = grafheuvel
graveyard = begraafplaats, kerkhof
gravity = zwaartekracht
gravy = jus, saus, sop
graze = grazen, weiden, afgrazen
grease = invetten, vet
greasy = dik, vet, vettig
great = excellent, kostelijk, tiptop, tof, uitmuntend, voortreffelijk, groot, fantastisch
great-aunt = oudtante
Great Bear Lake = Groot Berenmeer
Great Britain = Brittannië, Groot-Brittannië
Greater Antilles = Grote Antillen
greater celandine = schelkruid, stinkende gouwe
greater-than sign = groter-danteken
greatgrand- = achterklein-, oer-
greatgrandchild = achterkleinkind, achterachterkleinkind
greatgranddaughter = achterkleindochter
great-grandfather = overgrootvader
great-grandmother = overgrootmoeder
greatgrandson = achterkleinzoon
Great Slave Lake = Groot Slavenmeer
great-uncle = oudoom
grebe = aalduiker, fuut, aalduiker, fuut
Greece = Griekenland
greediness = begeerte, begerigheid, graagte, begeerte, begerigheid
greedy = begerig, belust, gretig, happig, verlekkerd
Greek = Grieks, Griek, Griek, Helleen
Greek woman = Griekse
green = groen, groen
Greenland = Groenland, Groenland, Groenlands
Greenlander = Groenlander
Greenland Sea = Groenlandzee
greenweed = brem
greet = groeten, begroeten
greeting = begroeting, verwelkoming, welkomstgroet, begroeting, groet, saluut
grenade = granaat
Grendel = Grendel
grey = grauw, grijs, grijs
greyhound = hazewind, windhond, hazewindhond
grid = hekje, kruis, afrastering, hek, rooster, traliehek
grief = bedroefdheid, mistroostigheid, somberheid, leed, smart, verdriet, zorg
grieve = bedroeven, beproeven, verdriet doen, verdrieten, bedroeven, droevig stemmen, verdrieten, bedroeven, ergeren, grieven, verdriet doen, verdrieten
grill = afrastering, hek, rooster, traliehek
grim = grimmig
grimace = gezichten trekken, grijnzen, grijns, grimas
grind = knarsen, piepen, kwellen, malen, vermalen
grind out = afdraaien, opdreunen, <zeurderig herhalen>
grip = bemachtigen, grijpen, aangrijpen, vastgrijpen, griep, influenza
gripped = geboeid, gefascineerd, belangstellend, geïnteresseerd
grisly = eng, griezelig, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, griezelig, ijzingwekkend
grit = gravel, grind, gruis, steengruis
groan = kermen, kreunen, stenen, steunen, kermen, zuchten
grocer = kruidenier
groin = lies
groom = groom, piccolo, stalknecht, paardeknecht, rijknecht, stalknecht
grope = tasten, betasten, voelen, bevoelen, aftasten
groschen = groschen
grotesque = grillig, grotesk, potsierlijk
grotto = grot
ground = bodem, grond, achtergrond, ondergrond, aarde, bodem, fond, grond, ondergrond, voedingsbodem, baseren, terrein, aarden, met de aarde verbinden
ground-floor = benedenverdieping, parterre
ground floor = bel-etage, eerste etage, eerste verdieping, begane grond, bel-etage, eerste verdieping
ground frost = nachtvorst
grounding = aarding, aardleiding
ground ivy = hondsdraf
groundless = ongegrond
ground level = begane grond
ground-nut = aardnoot, apenoot, pinda
grounds = terrein
ground wire = aarding, aardleiding
group = are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, drift, groep, hoop, kudde, schare, school, set, stel, troep, zwerm, groep, groepering
group member = groepslid
grouser = brombeer, kniesoor, mopperaar, mopperpot
grow = gebeuren, toegaan, voortgang hebben, worden, raken, worden, gedijen, groeien, toenemen, wassen, aanwassen, bebouwen, beschaven, kweken, aankweken, telen, verbouwen, groeien, aangroeien, stijgen, toenemen
growl = kankeren, mopperen, morren, sputteren
grow more beautiful = mooier worden, opknappen
grown over = begroeid
grown-up = meerderjarig, mondig, volwassene
grow sour = verzuren, zuur worden
grow stronger = aansterken, op verhaal komen
growth = groei, ontwikkeling, wasdom, aanwas, gestalte, groei, aangroei, ontwikkeling, toename, groei, plantengroei, groei
grub = delven, opduikelen, opgraven, rooien, uitgraven, winnen, graven, spitten, woelen, larve
grudge = wrok, haatdragendheid, wrok, haatdragendheid, rancune, wraakgierigheid, wraakzucht, wrok
gruel = brij, moes, pap
gruesome = afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, eng, griezelig, ijselijk, schrikaanjagend, verschrikkelijk, vervaarlijk, vreselijk, huiveringwekkend, luguber, griezelig, ijzingwekkend
gruff = bars, honds, nors, nurks, onaardig, onvriendelijk, stuurs, zuur
grumble = kankeren, mopperen, morren, sputteren
grumbler = brombeer, kniesoor, mopperaar, mopperpot
guarantee = aval, wisselborgtocht, borg staan voor, garanderen, sponsoren, waarborgen, garantie, waarborg, waarborging
guarantee of a bill = aval, wisselborgtocht
guard = behoeden, bewaren voor, bewaken, bewaren, de wacht hebben, hoeden, waken over, bewaarder, bewaker, hoeder, wacht, wachter, bewaking, hoede, garde, wacht, lijfwacht, conducteur, conductor
guardian angel = beschermengel, schutsengel, beschermengel, genius
Guatemala = Guatemala
Guatemalan = Guatemalteeks, Guatemalteek
Guelderland = Gelderland, Gelderland, Gelderland
guelder rose = sneeuwbal
Guelders = Gelderland, Gelderland, Gelderland, Gelders
guess = doorzien, gissen, raden, gissing, aannemen, menen, stellen, vermoeden, veronderstellen
guesswork = gissing
guest = gast, introducé, logé
guide = besturen, dirigeren, mennen, richten, de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden, gids, gids, gidsboek, reisgids, vademecum, leiding, besturen, brengen, leiden, geleiden, voeren
guidebook = gids, gidsboek, leidraad, richtsnoer, gids, gidsboek, reisgids, vademecum
guilder = gulden
guile = arglist, boosaardigheid
guileless = argeloos
guilt = schuld
guiltless = onbedorven, onnozel, onschuldig, schuldeloos
guilty = schuldig
Guinea = Guinea, Guinee, Guinees
guinea-pig = cavia, Guinees biggetje, cavia, Guinees biggetje
guitar = gitaar
gulden = gulden
gulf = afgrond, bocht, boezem, golf, golfspel, inham, zeeboezem, bocht, boezem, golf, inham, zeeboezem, afgrond
Gulf of Aden = Golf van Aden
Gulf of Bothnia = Botnische Golf
Gulf of California = Golf van Californië
Gulf of Finland = Finse Golf
Gulf of Genoa = Golf van Genua
Gulf of Mexico = Golf van Mexico
Gulf of Oman = Golf van Oman
Gulf of Panama = Golf van Panama
Gulf of Valencia = Golf van Valencia
Gulf of Venezuela = Golf van Venezuela
gully = bergkloof
gulp down = opslokken, verzwelgen
gum = tandvlees, tandvlees, gom, gummi
gun = geweer, roer, geweer, roer, schietwapen, vuurwapen
gun-carriage = affuit
gunner = artillerist, artillerist
gunpowder = kruit, buskruit
gunsight = richtmiddel, vizier, zoeker
gurgle = murmelen, <murmelen (v. beekje>), kabbelen, klateren, murmelen
gush = opspatten, stuiven, verspuiten
gusto = animo, bedrijvigheid, drukte, opgewektheid, tierigheid, vertier
guy = kerel, knul, persoon, snuiter, sujet, vent
Guyana = Guyana, Guyana
gymnastics = gymnastiek
gypsum = gips
gypsy = zigeuner
gyroscope = gyroscoop
habit = aanwensel, hebbelijkheid, gebruik, gewoonte, usance
habitation = bewoning
hack = hakken, houwen, kappen
hackneyed = afgezaagd, afgezaagd
haddock = schelvis
Hades = Hades
haemorhoids = aambeien
haemorrhoid = aambei
hafnium = hafnium
haggle = afdingen, marchanderen, pingelen
Hague = Haags
hail = hagel
hail from = afkomstig zijn van, stammen uit, stammen van
hailstone = hagelkorrel, hagelsteen
hair = beharing, haar, haardos, haar, haar, haren
hair-do = knipbeurt
hairdresser = kapster, kapper
hair of the head = haar, haardos, hoofdhaar
hairpiece = pruik
hair ribbon = haarband
hairs = haar, haren
hair-splitter = haarklover, muggezifter, haarklover, muggezifter, pietlut, vitter, woordenzifter
hair-splitting = haarkloverij, muggezifterij, gevit, haarkloverij, muggezifterij, vitterij
hairy = behaard, harig, ruig, ruigharig
Haiti = Haïti, Haïti
halberd = hellebaard
halcyon = ijsvogel, ijsvogel
half = half, helft
half-brother = halfbroer, stiefbroer
half-sister = halfzuster
half-tone = cliché, negatief
halibut = heilbot
haliotis = haliotis
hall = hal
halo = aureool, heiligenkrans, nimbus, stralenkrans, difussiehalo, kring, <ring om zon of maan>, nimbus, stralenkrans
halt = afslaan, blijven staan, halthouden, stilhouden, stilstaan, stoppen, aanhouden, keren, stilleggen, stilzetten, stoppen, stuiten
halyard = hijskraan
ham = ham
Hamburg = Hamburg
hamburger = hamburger
hamburger meat = gehakt
hamlet = buurtschap, gehucht, vlek
hammer = hameren, hamer
hammering = gehamer
hammock = hangmat
hamper = bemoeilijken, belemmeren, obstructie voeren, opstoppen, verstoppen
hand = aanreiken, overhandigen, ter hand stellen, arbeider, werker, werkman, werkkracht, arbeider, werkman, werkmier, hand, aangeven, aanreiken, afdragen, overbrengen, overgeven, toereiken
hand-bag = reticule, tasje, handtasje, tas, handtas
handbook = gids, gidsboek, reisgids, vademecum
handful = handjevol, handvol
handicap = belemmering, hindernis, hinderpaal
handicraft = ambacht, beroep, handwerk, vak
handiwork = handwerk
handkerchief = zakdoek
handle = handvat, hengsel, klink, kruk, oor, peuteren, pulken, vingeren, hanteren, manipuleren, omgaan met, gevest, handvat, hals, heft, knop, steel, behandelen, onderhandelen
handlebars = roer, stuur
hand over = aanreiken, overhandigen, ter hand stellen, aangeven, aanreiken, afdragen, overbrengen, overgeven, toereiken
handshake = hand, handdruk
handsome = fijn, fraai, mooi, knap, net, schoon
handy = doelmatig, gemakkelijk, geschikt, gepast, passend
hang = hangen, hangen, ophangen, opknopen, ophangen
hang down = afhangen
hang-glider = hang-glider
hanging lamp = hanglamp
hangings = behang
hangman = beul
hang onto = houden, bijhouden, vasthouden
Hannibal = Hannibal
Hanoi = Hanoi
Hanover = Hannover
Hanse = Hanze
Hanseatic League = Hanze
happen = gebeuren, toegaan, voortgang hebben, worden, aan de hand zijn, gebeuren, geschieden, voorkomen, voorvallen
happiness = geluk, geluk
happy = gelukkig, zegenrijk, blij, verblijd, verheugd
harass = bestoken
harbour = haven
hard = hard, moeilijk, lastig, slim, zwaar, hard, onzacht, stug, inspannend, zwaar
harden = harden, stalen, temperen
hardly = amper, kwalijk, nauwelijks, ternauwernood, lastig, moeilijk, zwaar
hardness = hardheid, stugheid
hard-worked = afgezaagd
hardworking = ijverig, naarstig, nijver, vlijtig, arbeidzaam, ijverig, nijver, vlijtig, werkzaam
hardy = aanbeeldbeitel
hare = haas
harem = harem
haricot = boon, prinsesseboon, snijboon, sperzieboon
harm = benadelen, benadelen, duperen, kwetsen, letsel toebrengen, kwetsuur, letsel, benadelen, deren, schaden, afbreuk, nadeel, schade
harmful = nadelig, schadelijk, schadelijk
harmonica = accordeon, harmonica
harmonious = eendrachtig, harmonisch
harmonize = bijeenpassen, harmoniëren, samenklinken
harmony = eendracht, harmonie, samenklank
harness = span, spannen, bespannen, inspannen, tuigen, optuigen, voorspannen, gareel, tuig
harp = harp
harpy = harpij, Zuidamerikaanse arend
harrier = kiekendief, kerk, kiekendief, kiekendief
harrow = eggen
harry = afstropen, uitschudden
harsh = doordringend, schel, scherp, adstringerend, samentrekkend, wrang, wrang, beestachtig, bruut, dierlijk, ruw, bars, honds, nors, nurks, onaardig, onvriendelijk, stuurs, zuur, grof, hardhandig, lomp, onkies, ruw
harshness = hardheid, hardvochtigheid
harvest = oogst, oogsten, oogst, opbrengst
hash = hekje, kruis
hashish = hasj, hasjiesj
haste = haast, haastigheid, ijl, gejakker, haast, haastigheid
hastily = gehaast, haastig, inderhaast
hat = hoed
hatch = arceren, schaduwen, arceren, schaduwen
hatch out = uitbroeden
hate = haten, haat
hated = gehaat
haul = trekken
haunt = spoken, kwellen, vervolgen
Havana = Havanna
have = hebben, erop nahouden, genieten, krijgen, ontvangen, toucheren
have a bath = baden, een bad nemen
have a fever = koorts hebben
have a good time = zich amuseren, zich vermaken, zich vermeien
have an accident = een ongeluk krijgen
have an erection = een erectie krijgen
have an interest in = belang hebben bij
have a subscription = abonnee zijn, abonnee zijn van, geabonneerd zijn
have a tendency = neigen
have at one's disposal = beschikken over, disponeren
have bad luck = pech hebben, pech hebben, wanboffen
have compassion on = beklagen, medelijden hebben, medelijden hebben met
have confidence in = vertrouwen, toevertrouwen, vertrouwen hebben in
have diarrhoea = diarree hebben
have effect = effect sorteren, uitwerking hebben, werken, uitwerken
have enough = genoeg hebben, vol zitten
have faith = fiducie hebben in, vertrouwen, vertrouwen stellen in
have faith in = fiducie hebben in, vertrouwen, vertrouwen stellen in, vertrouwen op
have good luck = boffen, geluk hebben, het treffen, zwijnen
have got = hebben, erop nahouden
have got hold of = beethebben
have the right to = het recht hebben, mogen
have to = horen, behoren, dienen, moeten, zullen
Hawaii = Hawaii
Hawaiian = Hawaiiaans
hawk = havik
hawk's-beard = streepzaad
hawkweed = havikskruid
hay = hooi
haystack = hooiberg, hooimijt, opper
hazard = toeval, toevalligheid, kans lopen, op het spel zetten, risico lopen, riskeren, wagen, gewaagdheid, risico, waag, waagstuk
hazardous = bedenkelijk, gewaagd, riskant, waaghalzerig
haze = bedillen, haarkloven, het lastig maken, muggeziften, vitten
hazel = hazelaar, hazelaar
hazelnut = hazelnoot
hazel-tree = hazelaar, hazelaar
H-bomb = H-bom, waterstofbom
he = 'ie, 'm, hem, hij
head = de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden, hoofd, kop, krop, hoofd, kop, krop, kop, beeldenaar
headache = hoofdpijn
header = hoofd, rubriek
head for = aansturen op
heading = graad, kop, onderschrift, titel
headlamp = koplamp
headlight = koplamp, lichtbak, reflector
headmaster = hoofd der school, hoofdonderwijzer, schoolhoofd
head of a department = afdelingschef
head of a school = hoofd der school, hoofdonderwijzer, schoolhoofd
head of cattle = beest, bruut, stuk vee
head of department = afdelingschef
head of state = staatshoofd, staatshoofd
headquarters = hoofdkwartier
head up = aanvoeren, besturen, regeren
heal = beter maken, genezen, helen, genezen
health = gezondheid
health resort = kuuroord
healthy = fit, gezond, valide
heap = accumuleren, ophopen, opeenhopen, opeenhopen, ophopen, stapelen, opstapelen, opeenstapelen, tassen, boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep, are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, drift, groep, hoop, kudde, schare, school, set, stel, troep, zwerm, hoop, opper, hooiopper, schelf, stapel
hear = horen, vernemen, verstaan, horen, vernemen
hearing = gehoor, gehoor
hearing aid = gehoorapparaat, gehoorapparaat
hearsay = faam, befaamdheid, gerucht, mare, reputatie, roem, roep
heart = hart
heart- = hart-
heartburn = maagbrand, zuur, maagzuur, brandend maagzuur
hearth = haard, haardstede, open haard, stookplaats, vuurhaard, haardstede, schoorsteen, schouw, stookplaats
hearty = hartelijk, hart-, hartelijk, innig, hartelijk, innig, hartelijk
heat = gloed, vuur, stoken, verwarmen, bronst, geslachtsdrift, hitte, smoorhitte
heater = kachel, verwarming
heath = heide, heideveld, dophei, dopheide
heather = heide, struikheide
heating = verwarming
heaven = hemel, lucht
heavenly = hemel-, hemels, hemels
heavenly body = hemellichaam, ster
heavy = drukkend, zwaar
Hebrew = Hebreeuws, joods, Hebreeuws, Hebreeuwse taal, Hebreeër, jood
Hebrew language = Hebreeuws, Hebreeuwse taal
Hebrides = Hebriden
Hecate = Hecate
hectolitre = hectoliter, mud
hectometre = hectometer
Hector = Hector
hedge = haag, heg, steg, haag, heg
hedge clippers = heggeschaar
hedge shears = heggeschaar
hedge-sparrow = bastaardnachtegaal
hedonism = genotzucht
heel = hiel, hak
he-goat = bok, geitebok
height = hoogte, hoogte, stand
heighten = aandikken, verergeren
height of the barometer = barometerstand
heir = erfgenaam, legataris
Helen = Helena
helium = helium
helix = propeller, schroef, schroefdraad, vliegtuigschroef
hell = hel, hel
Hellas = Hellas
hellebore = nieskruid
Hellenian = Helleens
Hellenic = Helleens
hello = hallo, dag, gegroet, hallo, hoi
helm = roer, stuur
helmet = helm
help = assistentie, hulpbetoon, assisteren, bijstaan, helpen, ter zijde staan, assistentie, bijstand, hulp, baten, bijstaan, helpen, ter zijde staan, assistentie, bijstand, heul, hulp, toedoen, toeverlaat
help down = afhelpen
helper = assistent, famulus, helper, hulp, assistent, helper, hulp
helpful = behulpzaam, hulpvaardig
helpfulness = behulpzaamheid, hulpvaardigheid
helpless = hulpeloos, waar niet aan te doen valt
help off = afhelpen
Helsinki = Helsinki
Helvetia = Helvetië
Helvetian = Helvetiër
hemisphere = halfrond, hemisfeer
hemlock = dolle kervel
hemorrhoid = aambei
hemp = hennep
hemp-nettle = hennepnetel
hen = kip, kippevlees
hence = hiervandaan, vanhier, hiervandaan, van hier
Henegovia = Henegouwen
hen's egg = kippeëi
hepatica = leverbloempje
hepatitis = hepatitis
her = aan haar, aan 'r, aan d'r, haar, 'r, d'r, naar haar, naar d'r, haar, hun, zijn, 'r, d'r, haar, ze, zij, haar, 'r, d'r, haar
Hera = Hera
Heracles = Hercules
herald = uitbazuinen, heraut, voorbode
heraldry = heraldiek, wapenkunde
herb = gras, kruid, kruid
Hercules = Hercules
herd = are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, drift, groep, hoop, kudde, schare, school, set, stel, troep, zwerm, kudde, roedel
here = hier, hierheen, hier, alhier, hierzo
hereafter = hiernamaals
here and there = hier en daar
here are = alsjeblieft, alstublieft, hier, hierzo, kijk, ziedaar, ziezo
hereditary = erfelijk, overerfelijk
heredity = erfelijkheid, overerfelijkheid
here is = alsjeblieft, alstublieft, hier, hierzo, kijk, ziedaar, ziezo
heresy = ketterij
heretic = ketter
heretical = ketters
herewith = hierbij
Hermes = Hermes
hermit = heremiet, kluizenaar
hero = held, heros
heroic = heldhaftig, heroïsch
heroin = heroïne, heldin, heroïne, heroïne
heroine = heldin, heroïne, heldin
heroism = heldenmoed, heldhaftigheid
heron = reiger
herpes = herpes, herpes
herring = haring, zeebanket
hers = de hare, het hare
herself = zelf, vanzelf, zelve
hesitant = aarzelend, aarzelend
hesitate = aarzelen, dubben, schoorvoeten, schromen, weifelen, waggelen, wankelen, wiebelen, zwichten
hesitation = aarzeling, geweifel, hapering, weifeling, aarzeling, schroom, weifeling
Hesperus = Hesperus
Hestia = Hestia
hexadecimal = hexadecimaal, zestientallig
hexagon = zeshoek
hey = hallo, hee, hee daar, zeg, hola
hibiscus = hibiscus
hiccup = hikken, hik, snik
hidden = clandestien, verborgen, verdekt, verkapt, verscholen, verstopt
hide = huid, pels, vacht, vel, dierevel, ontveinzen, verbergen, verhelen, verschuilen, verstoppen, onderduiken, zich schuilhouden, zich verbergen
hide-and-seek = verstoppertje
hide oneself = onderduiken, zich schuilhouden, zich verbergen
hideous = afgrijselijk, afschuwelijk, afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, afgrijselijk, afschuwelijk
high = hoog, verheven, high
high-flown = buitenissig, buitensporig, extravagant
high-handedness = aanmatiging, onbescheidenheid
Highlander = Hooglander
high school = gymnasium
high society = de hogere standen
high tide = toeloop, vloed, toevloed, hoog water, vloed, vloed
highway = grote weg, verkeersweg, eenbaansweg, heerbaan, rijweg, straatweg
hill = aanaarden, heuvel, aanaarden
hillside = glooiing, helling, schuinte, heuvelhelling
hill up = aanaarden, aanaarden
him = aan 'm, aan hem, 'm, hem, naar 'm, naar hem, 'ie, 'm, hem, hij, 'm, hem
Himalayas = Himalaya
himself = zelf, vanzelf, zelve
hind = hinde, achterste, achterste, later, volgend
hind axle = achteras
hinder = bemoeilijken, belemmeren, beletten, doorkruisen, storen, stremmen, verhinderen, belemmeren, obstructie voeren, opstoppen, verstoppen, belemmeren, hinderen, storen, verstoren
hindmost = achterste, achterste, later, volgend
hind part = achtereind
hindrance = belemmering, belet, beletsel, stoornis, storing, verhindering
Hindu = hindoeïstisch, hindoe
hind wheel = achterwiel
hinge = scharnier
hinny = muilezel, muilezel
hint = zinspelen, tip
hinterland = achterland, achterland
hip = heup
hippo = nijlpaard
Hippocrates = Hippocrates
hippopotamus = nijlpaard
hire = aannemen, aanwerven, huren, in dienst nemen, tewerkstellen, charteren, huren, afhuren, huur
hired house = huurhuis
hired out = verhuurd
hirsute = behaard
his = de zijne, het zijne, zijn, haar, hun, zijn
Hispaniola = Hispaniola
hiss = fluiten, sissen
historian = chroniqueur, kroniekschrijver
history = geschiedenis, historie, verhaal
hit = houwen, klappen, kloppen, slaan, klappen, kloppen, slaan, opvallen, bestseller, furore, halen, inslaan, raken, teisteren, treffen
hitch on = enteren, haken, aanhaken, vasthaken
hither = hier, hierheen
hoar = berijpt, met rijp bedekt
hoarse = hees, rauw, schor
hoax = bedotten, beduvelen, beetnemen, om de tuin leiden
hobby = hobby, hobby, liefhebberij
hock = Rijnwijn
hockey = hockey, hockey
hod = mortelbak
hoe = schoffel
hog = varken, zwijn
hogweed = bereklauw
hoist = hijsen, ophijsen, ophijsen
hoist up = hijsen, ophijsen, ophijsen
hold = aanhouden, ruim, scheepsruim, houden, bijhouden, vasthouden
hold against = aanrekenen, toedichten, toeschrijven, toerekenen, wijten
hold a post-mortem = nakaarten
hold back = achterhouden, detineren, ophouden, reserveren, terughouden, weerhouden
holder = foedraal, houder, schede
hold responsible = aansprakelijk stellen, verantwoordelijk stellen
hole = gracht, greppel, groef, groeve, kuil, sloot, gat, oog
holiday = rustdag, snipperdag, vakantiedag, vrije dag
holiness = heiligheid
Holland = Holland, Nederland
Hollander = Hollander
hollow = diepliggend, hol, hol, ingevallen, hol, hol, hol
hollow-eyed = hologig
holly = hulst
holmium = holmium
holy = gewijd, heilig, geheiligd, sacraal
holy object = heilig object
homage = eed van trouw, eerbetoon, hulde, huldebetoon, huldeblijk
home = huiswaarts, naar huis, tehuis, thuis
Homer = Homerus
homesickness = heimwee
homy = gezellig, huiselijk
Honduran = Hondurees, Hondurees
Honduran woman = Hondurese
Honduras = Honduras
honest = degelijk, eerlijk, eerzaam, fatsoenlijk, net
honey = honing
honeycomb = honingraat
honeymoon = huwelijksweken
honeysuckle = kamperfoelie
Hongkong = Hongkong, Hong Kong
Honolulu = Honoloeloe
honor = eren, huldigen, vereren, eer, eerbewijs, hulde
honorary = eervol, ere-, honorair, vererend, ere-, weledel, weledelgeboren, weledelgeleerd
honour = eren, huldigen, vereren, eer, eerbewijs, hulde
hood = apache, straatschuimer, afzuigkap, kapotjas, motorkap, wagenkap, capuchon, huik, kap, mantelkap, schuifdak, bedekking, deksel, kaft, omslag
hoodlum = gangster
hoof = hoef
hook = agrafe, haakje, slot, spang, angel, vishaak, haakvormig, krom, haak, haken, haak
hooker = hoer, lichtekooi, prostituée, publieke vrouw, snol, termeier, prostituée, snol
Hook of Holland = Hoek van Holland
hook on = enteren, haken, aanhaken, vasthaken
hooks and eyes = haaksluiting
hoop = hoepel
hoopoo = hop
hoot after = najouwen
hooter = claxon, kuif, toeter, claxon, hoorn, toeter, claxon, hoorn, toeter
hop = hinkelen, hop, <hop (plant>), huppelen
hope = hopen, hoop, uitzicht, verwachting
hope for = ambiëren, dingen naar, najagen, nastreven, streven naar
hopefully = hopelijk
hops = hop, <hop (plant>)
horde = bende, horde
horizon = gezichtseinder, horizon, kim
horizontal = horizontaal, platliggend, waterpas
horn = claxon, hoorn, toeter, hoorn, claxon, hoorn, toeter
hornbeam = haagbeuk
horned viper = horenslang
hornet = horzel, schapenhorzel
horoscope = horoscoop
horrible = afgrijselijk, afschuwelijk, afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, gruwelijk, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, afzichtelijk, foeilelijk, ijselijk, schrikaanjagend, verschrikkelijk, vervaarlijk, vreselijk, afgrijselijk, afschuwelijk, angstaanjagend, angstwekkend, beangstigend, vervaarlijk, huiveringwekkend, luguber
horror = gruwel, gruweldaad, verschrikking, afgrijzen, afschrik, afschuw, walging, weerzin, verschrikking, afgrijzen, afschuw, zielsangst
horse = paarde-, paarden-, paard, ros
horse- = paarde-, paarden-
horse-chestnut = kastanje, paardekastanje
horse-fly = brems, daas, paardehorzel
horsepower = paardekracht, paardekracht
horseradish = mierik, mierikswortel
horse-radish = mierik, mierikswortel
horseshoe = hoefijzer
horsewoman = amazone
Horus = Horus
hospitable = gastvrij, herbergzaam
hospital = gasthuis, hospitaal, ziekenhuis
hospitality = gastvrijheid, gastvrijheid
host = herbergier, logementhouder, waard, gastheer
hostage = garant, gijzelaar, gijzelaar
hostel = herberg, logement
hostess = waardin, gastvrouw
hostile = vijandelijk, vijandig
hot = gloeiend, heet, smoorheet, snikheet
hotchpotch = allegaartje
hotel = hotel
hot-headed = heethoofdig
hot season = hete seizoen
hour = uur
houri = hoeri, houri
hours' = -urig
hour's = -urig
house = geslacht, huis, pand, huis, pand
house- = huis-
house charge = bedieningsgeld
housed = behuisd, gehuisvest, wonend, woonachtig
housefly = vlieg
housekeeper = huishoudster
house of correction = bagno, tuchthuis
house of ill fame = bordeel, hoerenkast, huis van plezier
house of worship = bedehuis, kerk, kerkgebouw
house-owner = huiseigenaar
house to let = huurhuis
housewife = huisvrouw, vrouw des huizes
hovel = kavalje, kot, krot, rothuis
hover = zweven
how = hoe, op welke manier, op welke wijze, hoe, op welke manier, op welke wijze, als, hoe, op welke manier, op welke wijze, wat, zoals, hoe, op welke manier, op welke wijze, hoe, op welke manier, op welke wijze, wat
however = echter, maar, niettemin, toch
how far = hoever
howl = brullen, huilen, kreet, brullen, bulderen, daveren, loeien
how long = hoelang, hoelang, voor hoelang
how many = hoeveel, hoeveelste, hoeveel, hoeveel, hoeveel
how much = hoeveel, hoeveel, hoeveel, hoeveel
hub = bus, naaf, naaf
hub-cap = naafdop, wieldop
huddle = hokken, samenleven
Hudson Strait = Hudsonstraat, Straat Hudson, Hudsonstraat
hue = tint, nuance, nuancering, schakering
hug = knuffelen, omarmen, omhelzen, omvademen, omarmen, omklemmen, omknellen, omspannen, omvatten
huge = gigantisch, reusachtig, enorm, geweldig, gigantisch, geweldig, kolossaal, ontzaglijk, reusachtig
hull = bodem, casco, romp, scheepsromp
hum = brommen, gonzen, razen, snorren, suizelen, suizen, tuiten, zoemen
human = menselijk
human being = mens
humane = humaan, menselijk
humanist = humanist
human race = mensdom, mensheid
humble = deemoedig, nederig, onderdanig
humble oneself = zich vernederen
humid = vochtig
humiliating = beschamend, beschamend, vernederend
humility = deemoed, nederigheid, ootmoed
hummingbird = kolibrie
humor = humor
humour = gemoedsgesteldheid, humeur, humor, gemoedsgesteldheid, humeur, humor, humor
humourous = humoristisch
hump = bochel, bult
humus = humus, teelaarde
hunchback = bultenaar, gebochelde
hunch-backed = gebocheld, gebocheld
hundred = honderd
hundred thousand = honderdduizend
Hungarian = Hongaars, Hongaarse, Hongaar
Hungarian woman = Hongaarse
Hungary = Hongarije
hunger = honger
hungry = hongerig
hunt = jacht maken op, jagen, bejagen
hunt after = najagen, nastreven
hunter = jager
hunt for = najagen, nastreven, najagen
hurdy-gurdy = draaiorgel, pierement
hurray = hoera
hurricane = orkaan
hurried = gehaast, haastig
hurriedly = gehaast, haastig, inderhaast
hurry = haast maken, spoed maken, voortmaken, zich haasten, zich spoeden, dringen, haasten, jachten, tot haast aanzetten, urgent zijn, haast maken, zich haasten, haast maken, zich haasten
hurt = pijn doen, zeer doen, bezeren, pijn doen, pijn veroorzaken, benadelen, benadelen, duperen, kwetsen, wonden, verwonden
husband = echtgenoot, gemaal, man
husk = dop, schaal, schil, schors
husked rice = gepelde rijst
hustler = energiek iemand, energiek persoon
hut = hut, stulp
hyaena = hyena
hybrid = bastaard-, hybridisch
Hydra = Hydra
hydrogen bomb = H-bom, waterstofbom
hydrophobia = hondsdolheid, waterschuwheid, watervrees
hygiene = hygiëne
hygienic = hygiënisch, sanitair
hymn = hymne, kerkgezang
Hypnos = Hypnos
hypnosis = hypnose
hypnotic trance = hypnose
hypnotist = hypnotiseur
hypnotize = biologeren, hypnotiseren
hypocrite = huichelaar, hypocriet, veinzer
hypocritical = gehuicheld, geveinsd, huichelachtig, hypocriet
hypothesis = hypothese, onderstelling, veronderstelling
hypothesize = veronderstellen
hypothetical = hypothetisch
hysteria = hysterie
hysterical = hysterisch
Iberian = Iberisch
ibex = steenbok, steenbok
ibis = ibis
-ible = -baar, -waardig
ice = ijs, consumptie-ijs, ijsje, ijsco, ijs
iceberg = ijsberg
icecream = ijs, consumptie-ijs, ijsje, ijsco
Iceland = IJsland
Icelander = IJslander
Icelandic = IJslands
icing = glacé
icon = pictogram
iconoclasm = beeldenstorm, beeldenstorm
iconoclast = beeldenstormer
icy = ijs-, ijskoud, ijzig
ID = legitimatie, legitimatiebewijs
I.D. = legitimatie, legitimatiebewijs
idea = begrip, benul, denkbeeld, idee, voorstelling, begrip, idee, begrip, opvatting
ideal = ideaal, ideaal
idealist = idealist
identical = identiek
identify = identificeren, vereenzelvigen
identity = identiteit
ideology = ideologie
idiocy = idiotie, idiotisme
idiom = idioom, taaleigen, idiotisme
idiot = idioot, zwakhoofd
idiotic = idioot
idol = afgodsbeeld, afgod, idool
idolator = afgodendienaar, heiden, paganist
idolatry = afgodendienst, afgoderij, afgodendienst, afgoderij
idol worship = afgodendienst, afgoderij, afgodendienst, afgoderij
idyll = idylle
if = als, indien, ingeval, wanneer
if the occasion arises = bij voorkomende gelegenheden, eventueel, mogelijkerwijs
ignition = ontbranding, ontsteking, vonkontsteking
ignore = negeren, onder tafel schuiven, passeren, wegcijferen
iguana = leguaan
il- = im-, in-, on-
Iliad = Ilias
ill = naar, ziek
ill fate = lot, noodlot
ill-fated = fataal, funest, noodlottig
ill humor = spleen, zwaarmoedigheid
ill humour = spleen, zwaarmoedigheid
illiterate = analfabetisch, ongeletterd, analfabeet, analfabeet
illness = aandoening, kwaal, ziekte, ziekte
illuminate = illumineren, verlichten, aansteken, belichten, verlichten, voorlichten
illusion = begoocheling, drogbeeld, illusie, waan, zinsbedrog
illustrate = illustreren, veraanschouwelijken, verluchten
illustration = illustratie, verluchting
im- = im-, in-, on-
image = beeld, afbeelding, plaat, prent, voorstelling, beeld, afbeelding, figuur, beeld, gelijkenis
imagination = inbeelding, verbeelding
imagine = bedenken, zich verbeelden, zich voorstellen
Imhotep = Imhotep
imitate = imiteren, nabootsen, nadoen
imitation = imitatie, nabootsing, navolging, imitatie, nabootsing, namaak, imitatie, navolging
immaterial = lauw, onverschillig
immediate = ogenblikkelijk, prompt
immediately = dadelijk, onmiddellijk, op stel en sprong, terstond, zonder verwijl, aanstonds, dadelijk, meteen, op staande voet, schielijk, subiet, zo
immense = enorm, geweldig, gigantisch, immens, onmetelijk
immensely rich = schatrijk
immerse = indompelen, onderdompelen, indompelen, indopen, soppen
immigrate = immigreren
immune = immuun, onvatbaar, resistent
imp = aardmannetje, kabouter, kobold
impale = spietsen
impartial = afzijdig, neutraal, onpartijdig, onpartijdig, partijloos
impatient = ongeduldig, duldeloos, ongeduldig
impeach of = beschuldigen van, beschuldigen van
impede = belemmeren, obstructie voeren, opstoppen, verstoppen
impediment = belemmering, hindernis, hinderpaal, belemmering, obstructie, verstopping
impel = stuwen, aansporen, aanvuren, aanwakkeren, opwekken, zwepen, drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven
impenetrable = ondoordringbaar
imperialism = imperialisme, imperialisme
imperialist = imperialist
impertinence = brutaliteit, hondsheid, vrijpostigheid
impertinent = brutaal, onbeschaamd, vrijpostig
impetus = heftigheid, onstuimigheid, vuur, aandrift, drang, aandrang, impuls, opwelling, stuwing, aansporing, aansporing, prikkel, prikkeling, stimulatie
implicate = betrekken, verstrikken, verwarren, verwikkelen
implore = afsmeken
imply = impliceren, insluiten, beduiden, betekenen
import = importeren, invoeren
important = belangrijk, erg, ernstig, voornaam, zwaar, zwaarwichtig
impose = forceren, opdringen
impose upon = zich opdringen
imposing = imponerend, indrukwekkend
impossible = onbestaanbaar, onmogelijk, uitgesloten
impossibly = met geen mogelijkheid, onmogelijk
imposter = bedrieger, bedrieger, bedrieger, charlatan, kwakzalver, wonderdokter
impotent = impotent
impress = imponeren, indruk maken op, indruk maken op
impressible = gevoelig, ontvankelijk, receptief, gevoelig, ontvankelijk, receptief, vatbaar
impression = effect, indruk, belichting, effect, impressie, indruk
impressionism = impressionisme
impressionist = impressionist
imprint = afdruk, afdruk, spoor
imprison = gevangen zetten, opsluiten
improve = verbeteren, veredelen
impulse = aandrift, drang, aandrang, impuls, opwelling, stuwing
impulsive = luchthartig, luchtig
imputation = aantijging
in = aan, in, binnen, per, te
in- = im-, in-, on-
in abeyance = uitgesteld, opgeschort, verdaagd
inaccessible = ongenaakbaar, ontoegankelijk
in accordance with = in overeenstemming met, blijkens, conform, volgens
in action = actief, bedrijvend, bedrijving, werkdadig, werkend, werkzaam, actief, bedrijvig, werkdadig, werkend, werkzaam
in addition = extra, op de koop toe, bovendien, buitendien, daarbij, verder, bovendien, buitendien, daarbij, bovendien, daarenboven, verder, voorts
in a hurry = gehaast, haastig, inderhaast
in all = bij elkaar, in totaal, totaliter
in all respects = alleszins
in another way = anders, op een andere manier
in any event = in elk geval, in ieder geval
in Arabic = in het Arabisch, op zijn Arabisch
inaugural = inaugureel
inaugurate = inaugureren, inaugureren, inwijden, onthullen
inauguration = inauguratie, inwijding
in a way = als, als het ware, of alsof
inborn = aangeboren, ingeboren, aangeboren
inbred = aangeboren, ingeboren, aangeboren
incandescent = witgloeiend
incarnation = incarnatie, vleeswording
in case = in het geval dat
in cash = baar, contant, cash, contant
incendiary = brandstichtend
incendiary bomb = brandbom
incense = wierook
incensory = wierookvat
inception = begin
incest = bloedschande, incest, bloedschande, incest
inch = duim, <duim als lengtemaat>
in charge = bevelvoerend
incidental = bij-, minder belangrijk, ver, zij-, zijdelings
incinerate = verassen, verbranden
incite = agiteren, ophitsen, opruien, opstoken, opwinden, schudden, aanstoken, irriteren, ophitsen, op stang jagen, prikkelen, sarren, provoceren, tarten, tergen, uitdagen, uitlokken, uittarten, de sporen geven, prikkelen
incitement = aansporing, aansporing, prikkel, prikkeling, stimulatie
inclination = aanvechting, lust, neiging, zin
incline = geneigd zijn, geneigd zijn tot, neigen, buigen, doen overhellen, neigen
inclined = genegen, geneigd, gezind
inclined to travel = reislustig
include = behelzen, bevatten, inhouden, betrekken, insluiten
including = incluis, inclusief, inbegrepen, met inbegrip van, tot en met, inclusief, met inbegrip van
inclusive = inclusief
inclusively = incluis, inclusief, inbegrepen, met inbegrip van, tot en met
income = inkomen, ontvangst, opbrengst, verdienste, inkomen, inkomsten, recette, rente
in command = bevelvoerend
incomplete = incompleet, onvolledig
inconceivable = onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk
in consequence of = ingevolge, ten gevolge van
inconsistent = inconsequent
inconvenient = moeilijk, lastig, slim, zwaar
incorrect = fout, mis, onjuist, verkeerd
increase = opdrijven, ophogen, verheffen, verhogen, oplopen, rijzen, stijgen, aanwakkeren, sterker worden, toenemen, uitbouwen, uitbreiden, vergroten, uitbouwing, vergroting, groeien, aangroeien, toenemen, vergroting, vergroten, vermeerderen, groeien, aangroeien, stijgen, toenemen, aangroei, toename, vermeerdering
increasingly = in toenemende mate, meer en meer, steeds meer
incredible = onaannemelijk, ongelofelijk
incredibly insolent = hondsbrutaal, onbeschoft
incubate = broeden, broeden op, koesteren
incubus = angstdroom, incubus, nachtduivel, nachtmerrie
incus = aanbeeld, aanbeeldsbeentje, gehoorbeentje, aanbeeldbeentje
indecision = besluiteloosheid, wankelmoedigheid
indecisive = besluiteloos, onzeker, wankel, wankelbaar, wankelmoedig
indeed = feitelijk, inderdaad, metterdaad, immers, toch, wel, zeker, echt, werkelijk, wezenlijk, echt, inderdaad, naar waarheid, waarachtig, waarlijk, werkelijk
indent = inspringen
independant = onafhankelijk, zelfstandig, onafhankelijk
indescribably = onbeschrijflijk
in detail = rijpelijk
index = indexeren, index, inhoudsopgave, register, aanduiding, aanwijzing, index, lijst, tabel, tafel
India = India
Indian = Indiaas, Indisch, Indiase, Indiër, Indiaans, Indiaan
Indian corn = mais
Indian ink = Oostindische inkt, Oostindische inkt, Oostindische inkt
Indian Ocean = Indische Oceaan
Indian woman = Indiase
indicate = aanduiden, aangeven, aanwijzen, uitduiden, laten zien, tentoonspreiden, tonen, vertonen, wijzen, uitwijzen, aanduiden, aangeven, een teken geven, merken, kenmerken, tekenen
indication = teken, voorbode, voorteken, omen, voorteken, aanduiding, aanwijzing
indicative = aantonende wijs, indicatief
indicative mood = aantonende wijs, indicatief
indict for = beschuldigen van, beschuldigen van
indictment = aanklacht, beschuldiging, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging
indifference = flegma
indifferent = lauw, onverschillig
indigence = behoeftigheid, pauperisme
indigenous = autochtoon, autochtoon
indigestion = dyspepsie, indigestie, slechte spijsvertering, indigestie, indigestie
indignant = verontwaardigd
indispensable = onmisbaar, onontbeerlijk
indistinct = duister, onduidelijk, troebel, vaag
in distress = benard, benepen, in verlegenheid
indium = indium
individual = individueel, hoofdelijk, enkeling, individu, sujet
indivisible = ondeelbaar
Indo-China = Achter-Indië, Indo-China, Achter-Indië, Indo-China
Indo-European = Indo-europees, Indo-europeaan, Indogermaans
Indo-Germanic = Indogermaans
Indonesia = Indonesië
Indonesian = Indisch, Indonesisch, Indonesiër
Indonesian woman = Indonesische
Indra = Indra
induce = afleiden, besluiten, concluderen, een gevolgtrekking maken
inducement = aanleiding, aanleiding
indulge = ontzien, sparen, toegeeflijk zijn voor, zich laten vermurwen
indulge in = zich overgeven aan
indulgence = aflaat, aflaat
Indus = Indus
industrial = industrie-, industrieel
industrial branch = bedrijfstak
industrialist = industrieel
industrious = ijverig, naarstig, nijver, vlijtig
industry = ijver, naarstigheid, vlijt, industrie, nijverheid
in easy circumstances = bemiddeld, gegoed, gezeten, welgesteld
inebriety = beschonkenheid, dronkenschap, roes, zatheid, zwijmel
in English = in het Engels, in het Engels, op zijn Engels
inert = bewegingloos, energieloos, traag
in every respect = alleszins
in every way = alleszins, op alle manieren, op alle wijzen, alleszins
in exchange for = jegens, met, tegen, tegenaan, tegenover, versus
inexpensive = goedkoop, goedkoop
inexperienced = groen, onervaren
inexplicable = onverklaarbaar
inexpressibly = onuitsprekelijk
in fact = inderdaad, metterdaad, waarachtig, waarlijk, warempel, werkelijk, feitelijk, inderdaad, metterdaad
infant = kind, kind
infant in arms = bakerkind
infantry = infanterie, voetvolk
infect = aansteken, besmetten, infecteren, verpesten
infected = besmet, geïnfecteerd, bederf veroorzakend, septisch
infection = besmetting, infectie, besmetting, infectie, besmetting
infectious = aanstekelijk, besmettelijk, verpestend, aanstekelijk, besmettelijk
infer = afleiden, besluiten, concluderen, een gevolgtrekking maken
inference = conclusie, gevolgtrekking
inferior = minderwaardig, minderwaardig, ondeugdelijk, inferieur, minderwaardig
infernal = duivels, hels
infertile = onvruchtbaar, schraal, steriel, onvruchtbaar
infest = onveilig maken
infestation = plaag
infirm = gebrekkig, verminkt
infirmity of purpose = besluiteloosheid, wankelmoedigheid
inflammation = ontsteking
inflammatory = opruiend
inflate = opblazen, doen zwellen, oppompen
inflated = opgeschroefd
inflation = inflatie
influence = beïnvloeden, invloed hebben op, invloed, inwerking
influenza = griep, influenza
inform = berichten, informeren, inlichten, verwittigen, voorlichten, aankondigen, in kennis stellen, meedelen, mededelen, verwittigen
information = informatie, bericht, informatie, inlichting, terechtwijzing, verwittiging
in front of = voor
infuse = aftrekken, laten trekken, zetten
infusion = aftreksel, zetsel
ingenious = geniaal
in good condition = in goede staat verkerend
ingredient = bestanddeel, ingrediënt, bestanddeel, component
Ingush = Ingoesj
Ingushia = Ingoesjië, Ingoesjië
inhabitant = bewoner, ingezetene, inwoner, bewoner
inhale = inademen, ophalen
inherit = beërven, erven
inheritance = boedel, erfdeel, erfenis, erfstuk, versterf, versterving
inhibit = beletten, verhinderen, verhoeden, belemmeren, beletten, doorkruisen, storen, stremmen, verhinderen
initial = initiaal, voorletter, aanvangs-, aanvankelijk, begin-, beginletter, initiaal, beginletter, voorletter
initial cost = aanloopkosten
initial costs = aanloopkosten
initial deposit = aanbetaling, aanbetaling
initial stage = aanloopperiode
initial velocity = aanvangssnelheid, beginsnelheid
initiate = de stoot geven tot, het initiatief nemen tot
inject = injecteren, inspuiten
injection = injectie, inspuiting, spuitje
injure = bederven, beschadigen, havenen, schenden, stukmaken, toetakelen, benadelen, benadelen, duperen
injured = gewond
injury = blessure, kwetsuur, wond, verwonding
ink = inkt
inkpot = inktkoker, inktpot
ink-well = inktkoker, inktpot
-in-law = aangetrouwd, behuwd, schoon-
inlet = fjord
in my opinion = mijns inziens
in my view = mijns inziens
inn = herberg, logement, herberg, uitspanning
innate = aangeboren, ingeboren, aangeboren
inner = binnenste, binnenlands, intern, inwendig
Inner Mongolia = Binnen-Mongolië, Binnen-Mongolië
inner tube = binnenband, luchtpijp, binnenband
innkeeper = herbergier, logementhouder, waard
innocence = onbedorvenheid, onschuld, schuldeloosheid
innocent = onbedorven, onnozel, onschuldig, schuldeloos
in no way = geenszins, in geen geval, op geen enkele wijze
inoculate = enten, inenten, oculeren
inoffensive = argeloos
in one's absence = bij verstek, bij verstek
inordinate = buitensporig, excessief, extreem, verregaand
inorganic = anorganisch
in principle = in beginsel, in principe
input = invoer
in question = betrokken, bewust, desbetreffend, in kwestie
inquiry = enquête
inquiry-office = informatiebureau
inquisitive = nieuwsgierig, weetgierig, benieuwd, nieuwsgierig, nieuwsgierig
inquisitively = met nieuwsgierigheid, nieuwsgierig, met nieuwsgierigheid, nieuwsgierig
in rows = in de rij, in een rij, in rijen
insane = dol, dolzinnig, gek, krankzinnig, stapel, uitzinnig, waanzinnig
insane asylum = gekkenhuis
insanity = gekheid, zinneloosheid, zinsverbijstering, gekte, gekheid, krankzinnigheid, uitzinnigheid, waanzin
insatiable = onlesbaar
inscription = inscriptie
insect = insekt
insect repellent = afweermiddel tegen insekten
insert = indoen, steken, insteken, indoen, inleggen, inzetten, inschuiven, instoppen
in short supply = karig, schaars, schraal, schriel
inside = aan, in, binnen, per, te, binnenste, binnenlands, intern, inwendig, binnenwerk, ingewand, binnen, daarbinnen, binnenwaarts, naar binnen, binnen, binnenin, binnenste, inwendige
insidious = arglistig
insignia = blazoen, insigne, wapen
insignificant = beuzelachtig, luizig, onbeduidend, onbetekenend, onnozel, insignificant, onbeduidend, onbetekenend, zinledig, zinloos
insinuate = insinueren
insist = aandringen
insistence = aandrang, aandrang
inspect = inspecteren, inspectie houden, schouwen, visiteren
inspection = inspectie, schouw, schouwing, visitatie, inspectie, keuring
inspector = inspecteur, opzichter, inspecteur
inspiration = ingeving, bezieling, inspiratie
inspire = bezielen, inboezemen, inspireren, aanvuren, aanvuren, aanwakkeren, aanzetten, verlevendigen
inspiring = bezielend
in spite of = in weerwil van, niettegenstaande, ondanks, ten spijte van, trots, in weerwil van, niettegenstaande, ondanks, ten spijte van, trots
install = aanleggen, fitten, installeren
installment payment = afbetaling
instalment = afbetalingstermijn, annuïteit, aanbetaling, aanbetaling
instant = moment, ogenblik, oogwenk, tel, tijdstip, wijl, wip
instantly = dadelijk, onmiddellijk, op stel en sprong, terstond, zonder verwijl
instead = in plaats daarvan
instead of = in plaats van, in stede van
instigate = aansporen, aanvuren, aanwakkeren, opwekken, zwepen
instigator = aanstoker, ophitser, opstoker, aanstichter, initiatiefnemer
instinct = aandrift, instinct
institute = gesticht, inrichting, instituut, kostschool
institution = instelling
instruct = instrueren, aanschrijven
instruction = aanwijzing, consigne, instructie, onderricht, onderwijs, ontwikkeling
instructor = instructeur, leraar, onderwijzer, schoolmeester
instrument = instrument, werktuig
instruments of murder = moordtuig
insubordinate = onwillig, ongehoorzaam, ongezeglijk, oproerig, opstandig
insubstantial = licht
insulate = afzonderen, isoleren
insulation = isolatie, isolering
insulator = isolator
insult = affronteren, beledigen, krenken, affront, belediging, smaad, beledigen, grieven, krenken, verongelijken
insulted = beledigd, gebelgd
insulting = beledigend, smadelijk
insurance = assurantie, verzekering
insurance policy = polis
insure = assureren, veilig stellen, verzekeren
insurer = assuradeur, verzekeraar, verzekeringsagent
integer = heel, geheel
integral = integraal, onaangetast, ongeschonden
integrated circuit = geïntegreerd circuit, IC, chip
intellect = geest, intellect, verstand
intellectual = intellectueel, verstandelijk, intellectueel, verstandsmens
intelligence = bevattingsvermogen, intelligentie, knapheid, snuggerheid, intelligentie
intelligent = bevattelijk, intelligent, knap, snugger
intelligibility = begrijpelijkheid, verstaanbaarheid
intend = bedoelen, beogen, mikken, mikken op, rooien, ten doel hebben, van plan zijn, voorhebben, voornemens zijn, zich voorstellen
intense = fel, intens, intensief, sterk
intensive = fel, intens, intensief, sterk
intention = doel, bedoeling, plan, strekking, toeleg, voornemen, zin
intentional = bedoeld, moedwillig, opzettelijk
inter = begraven, ter aarde bestellen
intercede = voorspreken
intercessor = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, advocaat, raadsman
interchange = ruilen, inruilen, wisselen, inwisselen, uitwisselen, verruilen
interest = belang inboezemen, interesseren, belangstelling, aangelegenheid, belang, belangstelling, interest, rente, interest, rente
interested = belangstellend, geïnteresseerd
interesting = belangwekkend, interessant, curieus, typisch, vreemd, vreemdsoortig
interface = interface
interference = storing
interfere with = zich bemoeien met, storing veroorzaken
interior = binnenste, inwendige
interjection = tussenwerpsel
interment = begrafenis, teraardebestelling, begrafenis, graflegging, teraardebestelling
intermission = pauze, rust
intermittent = hortend, intermitterend
internal = binnenste, binnenlands, intern, inwendig
internal combustion engine = explosiemotor, verbrandingsmotor
international = internationaal
international express = D-trein
international express train = D-trein
interpret = duiden, interpreteren, uitleggen, verklaren, vertolken
interpretation = interpretatie, uitlegging, vertolking
interpreter = interpreter, tolk, vertolker
interpunction = interpunctie, punctuatie
interrogate = een verhoor afnemen, ondervragen, verhoren, overhoren, uithoren, uitvragen
interrupt = interrumperen, onderbreken, schorsen
interruption = interruptie, onderbreking, schorsing
interval = interval, tussenruimte
intervene = ingrijpen, interveniëren, tussenbeide komen
interview = interviewen, interview, vraaggesprek
intestine = darm
intestines = ingewanden
in that way = dus, aldus, in dier voege, op die wijze, zo, zodanig, zodoende
in the absence of = in afwezigheid van, bij gebrek aan
in the abstract = in theorie, theoretisch
in the beginning = aanvankelijk, in het begin, aanvankelijk
in the circumstances = al naar het valt, naar de omstandigheden
in the Cuban way = op zijn Cubaans
in the daytime = overdag
in the evening = 's avonds
in the meantime = daarentegen, intussen, inmiddels, vast, voorlopig, zolang
in the middle of = medio, midden, in het midden van, middenin, te midden van
in the morning = 's morgens, 's ochtends
in the presence of = in aanwezigheid van
in the rear = aan het einde, achteraan
intimate = gezellig, innig, intiem, knus, vertrouwelijk
in time = bijtijds, op tijd, tijdig
intimidation = bangmakerij
into = aan, in, binnen, per, te
intolerant = onverdraagzaam
intone = een lied aanheffen, inzetten
into the heights = de hoogte in
intoxicate = bedwelmen
intoxicated = beschonken, dol, dronken, zat
intoxicating liquor = bedwelmende drank
intractable = balsturig
intrepid = brutaal, gedurfd, stout, stoutmoedig, vermetel, waaghalzerig
intrigue = intrigeren, konkelen, bekonkelen
introduce = aanbieden, indienen, presenteren, spelen, vertonen, voorstellen, aanbieden, indienen, presenteren, spelen, vertonen, voorstellen
introduction = inleiding, introductie
intrude = zich indringen, zich opdringen, zich teveel bemoeien met
in turn = beurtelings, bij toerbeurt, om de beurt, op de beurt, op de rij af
invade = binnenrukken, binnenvallen
in vain = tevergeefs
invasion = inval, invasie
invective = scheldwoord, schimpwoord
invent = bedenken, bekokstoven, uitdenken, uitkienen, verzinnen, komen achter, uitvinden, uitvinden
invention = uitvinding, vinding, uitvinding, uitvinding, uitvinding
inventor = uitvinder
inventory = boedel, inventaris
inverted comma = aanhalingsteken
inverted commas = aanhalingstekens
invest = beleggen, inhuldigen, investeren
investigate = exploreren, nagaan, onderzoeken, uitvissen, uitzoeken, vorsen
investigation = examen, keuring, onderzoek, nauwkeurig onderzoek, enquête, speurtocht, speurwerk, onderzoek, speurwerk
investment = belegging, investering
investor = belegger, investeerder
invincible = onbedwingbaar, onoverwinnelijk
invitation = invitatie, uitnodiging
invite = inviteren, noden, uitnodigen, vragen
invite tenders for = aanbesteden, aanbesteden
invoice = declareren, factureren, op een rekening schrijven, factuur, nota, rekening, warenlijst
invoke = aanroepen, aanroepen, oproepen, praaien, aanroepen, afsmeken
inwards = binnenwaarts, naar binnen, binnenwaarts, naar binnen
in what way = hoe, op welke manier, op welke wijze, hoe, op welke manier, op welke wijze, hoe, op welke manier, op welke wijze, hoe, op welke manier, op welke wijze
in which = waarin, waarop
in working order = bedrijfsklaar, bedrijfsklaar
Io = Io
iodine = jodium
Ionian = Jonisch
iota = jota
I.Q. = intelligentiequotiënt, IQ
Iran = Iran, Perzië
Iranian = Iraans, Iraniër, Perziër
Iranian woman = Iraanse, Perzische
Iraq = Irak
Iraqi = Iraaks, Irakees
Iraquian = Iraaks, Irakees
Ireland = Ierland
Irene = Irene
iridium = iridium
iris = iris, lis
Irish = Iers
Irishman = Ier
Irish Sea = Ierse Zee
Iriswoman = Ierse
iron = ijzeren, ijzer, strijken, gladstrijken, bout, strijkbout, strijkijzer
iron clothes = strijken, gladstrijken
ironic = ironisch
ironing board = strijkplank
iron wire = ijzerdraad
ironwork = beslag
irony = ironie
irradiate = bestralen
irradiation = bestraling
irresistible = onweerstaanbaar
irresolute = besluiteloos
irresolution = besluiteloosheid, wankelmoedigheid
irrigate = bevloeien, gieten, begieten, sproeien, besproeien, wateren
-ish = -achtig
Ishtar = Isjtar
Isis = Isis
Islam = islam, mohammedanisme
Islamic = islamitisch
island = eiland
-ism = -isme
isn't it = is het niet, nietwaar, of niet
isn't that so = is het niet, nietwaar, of niet
isolate = afzonderen, isoleren
isolated = alleenstaand, geïsoleerd
isolation = isolatie, isolering, afzondering, isolement, afzondering, isolement
Israel = Israel, Israël
Israelian = Israelisch, Israëlisch, Israeli, Israëli, Israeliër, Israëliër
Israelite = Israelitisch, Israeliet
Israelitish = Israelitisch
Israeli woman = Israelische, Israëlische
issue = emitteren, uitgeven, nageslacht, afkondigen, proclameren, uitvaardigen, verkondigen
-ist = -aar, -er, -ist
Istanbul = Istanboel
Istria = Istrië
it = daaraan, daar ... aan, eraan, er ... aan, erheen, er ... heen, 't, het, 't, het
Italian = Italiaans, Italiaans, Italiaanse taal, Italiaan
Italian language = Italiaans, Italiaanse taal
Italian Riviera = Rivièra, Italiaanse Rivièra
Italian woman = Italiaanse
Italy = Italië
itch = jeuken, kriebelen, krieuwelen, wriemelen, jeuk
it doesn't matter = het doet er niet toe, het geeft niet, dat geeft niet, dat is niet erg, het doet er niet toe, dat geeft niet, dat is niet erg, het doet er niet toe
item = deel, deeltje, item, jaartelling, partikel, punt
Ithaca = Ithaca
it is rumoured that = naar verluidt
it is understood that = naar verluidt
its = haar, hun, zijn, haar, zijn
it's a matter of = het gaat om, het gaat over
itself = zelf, vanzelf, zelve
-ity = -heid, -ie, -schap, -te, -teit
ivory = ivoorkleurig, ivoren, ivoor
Ivory Coast = Ivoorkust, Ivoorkust
ivy = klimop
jack = boer, <boer in kaartspel>, dommekracht, krik, vijzel
jackal = jakhals
jacket = buis, colbert, jasje
jack off = onaneren, zich aftrekken, zich afrukken
Jacob = Jacob, Jacobus
jade = afbeulen, afjakkeren, afmatten, jaden, bittersteen, jade, nefriet, afbeulen, afjakkeren
jaguaro = jaguar
jail = gevangenis, kerker, nor, gevangen zetten, opsluiten, gevangenis, gevangenis
jam = jam, marmelade, moes
Jamaica = Jamaica
January = januari, louwmaand
Janus = Janus
Jap = Jap
Japan = Japan, Japan
Japanese = Japans, Japans, Japanse taal, Japannees, Japanner
Japanese language = Japans, Japanse taal
Japanese woman = Japanse
jargon = Bargoens, jargon, taaltje
Jason = Jason
Java = Java
Javan = Javaans
Javanese = Javaans, Javaan
Javanese woman = Javaanse
Java Sea = Javazee
javelin = speer, werpspeer, werpspies
jaw = kaak, kakement
jawbone = kaak, kakement
jaws = bek, muil, afgrond, bek, muil, opening
jay = gaai, Vlaamse gaai
jazz = jazz
jealous = afgunstig, ijverzuchtig, jaloers, jaloers, naijverig
jealousy = jaloezie, naijver
jeer = schimpen, beschimpen
jeer at = honen, spotten, bespotten, schimpen, beschimpen
Jehovah = Jehova
jelly-fish = kwal, zeekwal
jenny-ass = ezelin
Jericho = Jericho
jerk = schokken, rukken
Jersey = Jersey
Jerusalem = Jeruzalem, Jeruzalem
jest = boerten, gekscheren, schertsen
jester = clown, hansworst, harlekijn, zot
Jesus = Jezus
Jesus Christ = Jezus Christus
jet plane = jet, straalvliegtuig
Jew = Hebreeër, jood, jood, Jood
jewel = steen, edelgesteente, edelsteen, juweel, juweel, kleinood
jeweller = juwelier, juwelier
Jewish = Hebreeuws, joods, joods
Jibuti = Djibouti
jingle = kletteren, klingelen, rinkelen, tingelen, geklingel
job = arbeid, emplooi, karwei, werk, arbeidsplaats, ambt, baan, betrekking, plaats, werkkring, karwei, klus, opgave, taak
job- = aangenomen
jocular = guitig, snaaks
jog = aanstoten, een duw geven, toestoten, joggen
Johannesburg = Johannesburg
join = lid worden, toetreden, zich aansluiten, aan elkaar vastmaken, verbinden, aaneenvoegen, bijeenbrengen, samenbrengen, verenigen, aansluiten, zich aaneensluiten, zich verenigen, bijeenbinden, samenbinden, verbinden, aansluiten, binden, vastbinden, vastmaken, verbinden, verenigen, zich verenigen
joining = aansluiting, vereniging
joint = geleding, gewricht, knoop, lid, gelid, collectief, gemeenschappelijk, gezamenlijk, algemeen, gemeenschappelijk, gezamenlijk
joke = grap, grol, kwinkslag, mop, pots, scherts, ui, boerten, gekscheren, schertsen, aardigheidje, bak, grap, jok, mop, scherts
jolt = schokken
Jordan = Jordanië, Jordaan
Jordanian = Jordaniër
Joseph = Jozef
Joshua = Jozua
jot = jota
journal = courant, dagblad, krant
journalist = journaliste, journalist, dagbladschrijfster, journaliste, dagbladschrijver, journalist
journey = reis, tocht, toer, trip
Jove = Jupiter, Jupijn, Jupiter
joy = blijdschap, blijdschap, blijheid, verheugenis, verheuging, vreugde
joyful = heuglijk, verblijdend, verheugend, verheuglijk
joystick = stuur, stuurtoestel
jubilant = jubel-
jubilation = gejubel
jubilee = jubileum-, jubileum
Judaism = jodendom
judge = berechten, oordelen, beoordelen, vonnissen, rechter, richter, beoordelaar, beoordelen
judgement = arrest
judgment = gericht, judicium, oordeel, vonnis
jug = kan, kruik, kan, pan, pot, doos, bak, etui, foedraal, koker, korf, pot, zak, vat
juggle = jongleren
juggler = jongleur
juice = sap
July = hooimaand, juli
jumbled up = verward
jumble-sale = bazaar, fancyfair
jump = springen, sprong
jump off = afspringen, afspringen
junction = aansluiting, vereniging
June = juni, zomermaand
june bug = meikever
jungle = jungle, oerwoud, rimboe
junior = aankomend, beginnend
Juno = Juno
junto = kliek, kongsi, pal, troep
Jupiter = Jupiter, Jupijn, Jupiter, Jupijn, Jupiter
Jurassic = Jura
jurist = jurist
jury = jury, jury
just = billijk, fair, rechtvaardig, alleen, enkel, maar, pas, slechts, uitsluitend, alleen, maar, slechts, aanstonds, dadelijk, meteen, op staande voet, schielijk, subiet, zo, juist, net, OK, okee, okay, oké, pal, precies, juist, net, pas, straks, zoëven, zojuist
justice = billijkheid, gerechtigheid, rechtvaardigheid
just now = juist, net, pas, straks, zoëven, zojuist
just one = maar één, slechts één
jute = Jut, jute, jute
Jutland = Jutland, Jutland, Jutland
Jutlander = Jut, Jut, jute, Jut
Kabul = Kaboel
kangaroo = kangoeroe
kappa = kappa
Karelia = Karelië
Karian Sea = Karische Zee
karma = karma
Kashmir = Kasjmir
Katar = Katar
Kattegat = Kattegat
Kazak = Kazachstaans
Kazakh = Kazachstaans
Kazakhstan = Kazachstan, Kazachstan
kea = kea
keel = kiel
keen = druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker
keep = blijven, fokken, opfokken, opkweken, telen, bewaken, bewaren, de wacht hebben, hoeden, waken over, behouden, bergen, bewaren, conserveren, onderhouden, overhouden, gadeslaan, observeren, toekijken, toezien, waarnemen, nakomen, naleven, uitvoeren, verrichten, vervullen, voltrekken, behouden, bergen, redden
keep an eye on = bespioneren, op de uitkijk staan
keep at a distance = afhouden, weghouden
keep at bay = afhouden, weghouden
keep back = achterhouden
keep ... burning = aanhouden, laten branden
keeper of the records = archivaris, archivaris
keep house = beheren, besturen, huishouden
keep in = nahouden
keep on = aanhouden, beklijven, duren, standhouden, voortduren
keep one's hands off = afblijven van, laten staan
keepsake = aandenken, gedenkschrift, aandenken, gedachtenis, gedenkteken, souvenir
kennel = hondehok, kennel
Kenya = Kenia
Kenyan = Keniaans, Keniaan
Kenyan woman = Keniaanse
kerchief = hoofddoek
Kerguelen = Kerguelen
kernel = kern, pit
kerosene = lampolie
kettle = ketel, ketel, waterketel, ketel, keteldal, kookketel, waterketel
key = scala, toonladder, toonschaal, toets, sleutel
keyboard = klavier, toetsenbord
Khartoum = Chartoem
Khartum = Chartoem
kibbutz = kibboets
kick = schoppen, trappen, schop, trap
kick down = aftrappen
kick it = afkicken
kick-off = aftrap, inzet
kick off = aftrappen, inzetten, aftrappen
kid = een geintje maken, geitje
kidney = nier
Kieff = Kiëv, Kiëv
kill = doden, doodmaken, ombrengen
kill oneself = de hand aan zichzelf slaan, zelfmoord plegen
kiln = kachel, oven
kilo = kilo, kilogram
kilometre = kilometer
kilt = kilt, Schotse rok
kimono = kimono
kind = aardig, lief, voorkomend, vriendelijk, zoet, aardig, beminnelijk, lief, vriendelijk, goedaardig, goedhartig, goedig, bereidvaardig, bereidwillig, schikkelijk, voorkomend, welwillend, attent, bereidwillig, toeschietelijk, aard, slag, soort
kindle = aanmaken, aansteken, doen ontbranden, ontsteken, stoken
kindness = liefheid, voorkomendheid, vriendelijkheid
king = dam, jonkvrouw, vrouwe, dam, heer, koning, vorst
kingdom = koninkrijk
kingfisher = ijsvogel, ijsvogel
kingship = koningschap
kip = kip
Kirghizia = Kirgizië, Kirgizië
kirk = kerk, kerkgebouw
kiss = kussen, zoenen, kus, zoen
kiss and be friends again = afzoenen
kitchen = keuken, kookgelegenheid
kite = kiekendief, kerk, kiekendief, kiekendief, wouw
kitten = katje
klaxon = claxon, hoorn, toeter, claxon, hoorn, toeter
knapsack = knapzak, ransel
knapwood = centaurie
knead = kneden
knee = knie
kneel = knielen, knielen, knielen, knielen, op de knieën vallen
knife = mes
knight = ridder, paard
knit = breien
knitting needle = breinaald, breipen
knob = gevest, handvat, hals, heft, knop, steel
knock = klappen, kloppen, slaan, opvallen, klap, klets, klop, slag, tik, veeg
knock at the door = aankloppen
knock-kneed legs = X-benen
knock off = afslaan, debatteren, afstoten, afslaan, wegslaan
knot = een knoop leggen, knopen, geleding, knoest, knoop, knooppunt, kwast
know = bekend zijn met, kennen, beheersen, kennen, machtig zijn, weten
know how = weten, beheersen, kennen, machtig zijn
knowledge = bekendheid, kennis, kunde, kennis, kunde, medeweten, verstand, weten
kopje = kopje
Koran = Koran
Korea = Korea
Korean = Koreaans, Koreaan
Korean woman = Koreaanse
Kremlin = Kremlin
Krishna = Krisjna
krypton = krypton
Kurd = Koerd
Kurdish = Koerdisch
Kurdistan = Koerdistan, Koerdistan
Kurile Islands = Koerilen
Kuwait = Koeweit
Kyrgyz = Kirgizisch
label = etiket, label
labor agreement = arbeidsovereenkomst
laboratory = laboratorium
laboratory assistent = amanuensis
labor dispute = arbeidsconflict
laborer = arbeider, werker, werkman, werkkracht, arbeider, werkman, werkmier
laborers = arbeiders, werkers, werkvolk
labor exchange = arbeidsbureau, arbeidsbeurs
labor-intensive = arbeidsintensief
labor market = arbeidsmarkt
labor movement = arbeidersbeweging
labour = bevallen, ter wereld brengen
labour agreement = arbeidsovereenkomst
labour contract = arbeidsovereenkomst
labour dispute = arbeidsconflict
labourer = arbeider, werker, werkman, werkkracht, arbeider, werkman, werkmier
labourers = arbeiders, werkers, werkvolk
labour exchange = arbeidsbureau, arbeidsbeurs
labour-intensive = arbeidsintensief
labour market = arbeidsmarkt
labour movement = arbeidersbeweging
labour pains = barensnood
labour-union = vakbond, vakvereniging, syndicaat
Laccadives = Laccadiven
lace = kant
lack = derven, missen, ontberen, afwezigheid, euvel, gebrek, gemis, tekort, tekortkoming
lackey = herenknecht, lakei
lacquer = lakken, verlakken, lak
lad = jongen, knaap
ladder = ladder, ladder
laddie = jongen, knaap
ladies and gentlemen = dames en heren, meneer en mevrouw, dames en heren
lady = dam, jonkvrouw, vrouwe, jonkvrouw, vrouwe, dame, mevrouw, dame, mevrouw, dame
ladybug = lieveheersbeestje, onze-lieve-heersbeestje
Lady Day = Annunciatie, Maria-Boodschap
lady help = assistente, assistente, helpster
lady-in-waiting = hofdame
ladylike = beschaafd, keurig, damesachtig
lady's bag = damestas, damestasje
lady's mantle = alchemilla, vrouwenmantel, alchemilla, vrouwenmantel
laggard = achterblijver
lagoon = lagune, kustmeer
laid up = bedlegerig
lake = meer, plas, waterplas
Lake Albert = Albertmeer
Lake Chad = Tsjaadmeer, Tsjaadmeer
Lake Malawi = Malawimeer
Lake of Geneva = Meer van Genève
Lake Rudolf = Rudolfmeer
Lake Superior = Bovenmeer
Lake Victoria = Victoriameer
lamb = lams-, lamsvlees, lam
lambda = labda
lame = hinkend, kreupel, mank
lament = steen en been klagen, weeklagen
lamp = lamp
lamp-shade = kap, lampekap
lance = lans, piek, speer, spies, spiets
land = aan land gaan, aan wal komen, landen, aan land gaan, landen, aanlanden, land, dalen, landen, neerstrijken, aarde, aardrijk, bodem, grond, land
landing = daling, landing
landing-stage = aanlegplaats, landingsplaats, steiger, aanlegsteiger, aanlegplaats, aanlegplaats, steiger
landlady = waardin
landlord = herbergier, logementhouder, waard
landmark = mijlpaal
landscape = landschap
landslide = aardverschuiving, aardverschuiving
land tortoise = landschildpad
lane = steeg
language = taal
lanky = groot, lang, rijzig
lantern = lantaarn
Lao = Laotiaans, Laotiaanse taal
Laos = Laos
Laotian = Laotiaans, Laotiaan
Laotian language = Laotiaans, Laotiaanse taal
lap = kabbelen, klapperen, klotsen, plassen, plonzen
Lapland = Lapland, Lapland
Laplander = Lap, Laplander
Lapp = Laplands, Lap, Laplander
Lappish = Laplands
Lappish woman = Laplandse
Lapponian woman = Laplandse
lapse = terugvallen
lapsed = aftands, bouwvallig, gammel, uitgeleefd, uitgewoond, wrak
larch = lariks, lork, lorkeboom
larder = provisiekast
large = groot
large spoon = pollepel
lark = leeuwerik
larkspur = ridderspoor
Larne = Laarne
larva = larve
laryngitis = keelontsteking
larynx = strottehoofd
lass = meid, meisje
lasso = lasso
last = verleden, voorafgaand, voorgaand, vorig, vroeger, aanhouden, aanhouden, beklijven, duren, standhouden, voortduren, bestendigen, continueren, doorlopen, voortduren, achterste, jongstgeleden, laatst, afgelopen, laatstleden, verleden, verschenen, vervlogen, voorbij
last days of autumn = naherfst
lasting = aanhoudend, bestendig, blijvend, gedurig, vast, voortdurend, aanhoudend, continu, onafgebroken, voortdurend, bestendig, constant, aanhoudend, onophoudelijk, voortdurend
last night = gisteravond, gisternacht, de vorige nacht, vannacht
last week = verleden week, vorige week, verleden week, vorige week
late = laat, vergevorderd, laat
late at night = laat in de nacht
late in the afternoon = laat in de middag
late in the morning = laat in de ochtend
lately = de laatste tijd, recentelijk
later = later
later on = later, op een later tijdstip, later
latex = latex
lath = lat
lathe = draaibank, draaischijf
lather = sop, zeepsop
Latin = Latijns, Latijn
Latin America = Latijns-Amerika
latrine = latrine
Latvia = Letland
Latvian = Lets, Let
Latvian woman = Letse
laud = loven, prijzen, roemen, verheerlijken, lof toezwaaien, loven, prijzen, roemen
laugh = lachen, lach
laugh at = uitlachen
laughter = gelach, hilariteit, lachbui
launch = lanceren, ontketenen, uitschrijven, van stapel laten lopen, barkas
laundress = wasvrouw, wasvrouw
laundry = wasserij
laundry mark = wasmerkje
laurel = laurier, lauwer
lava = lava-, lava
lavatory = wasgelegenheid, washok, wasinrichting
lavender = lavendel
law = recht, wet
lawless = bandeloos, ongebreideld, teugelloos
lawn = batist, gazon, grasmat, grasveld, perk, gazon, grasmat, grasveld
law of nature = natuurwet
lawsuit = geding, gerechtszaak, proces, rechtsgeding, verloop
lawyer = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, advocaat, raadsman, jurist
laxative = laxans, laxeermiddel
lay = leggen, neerleggen, vlijen, leke-, wereldlijk
lay a distress upon = beslag leggen op
lay before = aanhangig maken
lay-by = parkeerplaats, parkeerterrein
lay down = leggen, steken, plaatsen, stellen, stoppen, zetten
layer = aardlaag, afleggen, marcotteren, aflegger, loot, laag, pak, aardlaag, grondlaag
layer of earth = aardlaag, aardlaag, grondlaag
lay hold of = aanvatten, nemen, oprapen, pakken, vatten
layman = leek, niet-ingewijde
lay on top of = liggen bovenop
lay out = spreiden, ontvouwen, uitspreiden
laziness = luiheid
lazy = lui, lui
lead = de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden, besturen, brengen, leiden, geleiden, voeren, loden, lood
lead away = afbrengen
leader = aanvoerder, baas, chef, gebieder, gids, leider, geleider, leidsman, voorman
leading = leidend, toonaangevend, toongevend
leading article = hoofdartikel
leaf = blad, vel
leaflet = brochure, ingenaaid boek, paperback, vlugschrift
leaf through = bladeren, doorbladeren, ombladeren
league = mijl, bond, liga, verbond
League of Nations = Volkenbond
lean = schragen, steunen, stutten, ondersteunen, leunen, mager, schraal, sprietig, dun, luchtig, mager, schraal, sprietig
lean against = aanleunen tegen
leap = springen, sprong
leap down = afspringen, afspringen
leap upon = bespringen, bespringen, zich storten op, zich werpen op
leap-year = schrikkeljaar
learn = leren, aanleren
learned = geleerd, knap, ontwikkeld
learn of = horen, vernemen
learnt = aangeleerd
lease = in pacht hebben, pachten, ceel, cedel, huurcontract, huurovereenkomst
least = minst, kleinste, minste
leasurely = langzaam, op zijn gemak, zachtjes, zoetjes
leather = leerachtig, lederen, leren, taai, leder, leer
leather goods = lederwaren, lederwerk
leave = afvaren, afreizen, op reis gaan, afgaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen, in de steek laten, laten varen, verlaten, verlof, vrijaf, afreizen, op reis gaan, nalaten, laten, laten begaan, laten schieten, loslaten, toelaten
leave behind = achterlaten, nalaten
leave in abeyance = laten rusten
leaven = gist
leave out = nalaten, uitlaten, verzaken, verzuimen, weglaten
leave out of account = negeren, onder tafel schuiven, passeren, wegcijferen, buiten beschouwing laten, geen rekening houden met, geen rekening houden met
leaving certificate = einddiploma
leaving examination = eindexamen
leavings = afval, rommel, uitschot
Lebanese = Libanees, Libanees, Libanees
Lebanon = Libanon, Libanongebergte, Libanon
lectern = lessenaar, lezenaar
lector = lector
lecture = college geven, college, een lezing houden, een spreekbeurt houden, lezing, spreekbeurt, voordracht
lecturer = lector
Leda = Leda
leech = bloedzuiger
leek = look
left = linker-, links, linkerzijde, linksaf, linksom, naar links, blijvend, over, resterend
left out = weggelaten, weggelaten
left over = blijvend, over, resterend
left side = linkerzijde
leg = been, been, onderbeen, poot
legal = legaal, wettelijk, wettig, gewettigd
legation = legatie
legend = legende, volksoverlevering
legendary = legendarisch, legendarisch
legging = beenkap
legible = leesbaar
legion = legioen
legitimize = echten, legitimeren
leisurely = kalm, op zijn gemak, rustig
leitmotif = Leitmotiv
lemming = bergmuis, lemming
lemon = citroen
lemonade = limonade
lemon juice = citroensap
lemon-tree = citroenboom, citroenboom
lend = lenen, uitlenen, voorschieten, lenen, lenen aan, lenen, lenen, lenen aan
length = langdurigheid, lengte, langdurigheid, lengte
lengthen = doortrekken, rekken, uitleggen, uitrekken, uittrekken, verlengen
lengthwise = daarlangs, in de lengte
leniency = mildheid, zachtheid, zachtaardigheid, zachtmoedigheid, zoelheid
lenient = goedertieren, lankmoedig, schappelijk
lens = lens
lentil = linze
leopard = luipaard, panter
leper = lepralijder, leproos, melaatse
leprosy = lepra, melaatsheid
Lesotho = Lesotho
less = min, minder
-less = on-
less and less = minder en minder, steeds minder
lessen = inkorten, verminderen
Lesser Antilles = Kleine Antillen
lesser bindweed = akkerwinde
lesser-than sign = kleiner-danteken
lesson = les
let = laten, laten begaan, laten schieten, loslaten, toelaten, verhuren, verhuren
lethargy = doffe onverschilligheid, lethargie, schijndood, zinsverdoving
Lethe = Lethe
let know = kenbaar maken, openbaren, aankondigen, in kennis stellen, meedelen, mededelen, verwittigen
let off = afschieten, ontladen
let's start = aan de slag, hup, vooruit
Lett = Let
letter = brief, epistel, zendbrief, brief, epistel, missive, schrijven, letter
letterbox = bus, brievenbus
letter of credit = accreditief
letter of introduction = aanbevelingsbrief
letter of recommendation = aanbevelingsbrief
Lettish = Lets
lettuce = latuw, salade, sla, kropsla
Levant = Levant
Levantine = Levantijns, Levantijn
level = aan de schouder brengen, aanleggen, effen, gelijk, vlak, effenen, gelijkmaken, slechten, eender, egaal, gelijk, gelijkmatig, egaliseren, gelijkmaken, vlakken, afgraven, weggraven, horizontaal, platliggend, waterpas, nivelleren, hoogte, niveau, peil, plan
level-crossing = overweg, spoorwegovergang
level crossing = overgang, oversteekplaats, zebrapad
lever = beuren, heffen, ophalen, oprichten, tillen, verheffen
Levite = Leviet
lewd = oneerbaar, onkuis, ontuchtig, onzedelijk
lewdly = onkuis
Leyden = Leiden
Leyden jar = Leidse fles
liability insurance = aansprakelijkheidsverzekering
Lias = Lias
liberal = liberaal, vrijzinnig
Liberia = Liberia
Liberian = Liberiaans, Liberiaan
Liberian woman = Liberiaanse
librarian = bibliothecaris
library = bibliotheek, boekerij
Libya = Libië
Libyan = Libisch, Libiër
licence = licentie, vergunning, vergunning, vrijbrief
license = een vergunning geven, licentie, vergunning, vergunning, vrijbrief
licentious = bandeloos, ongebreideld, teugelloos
lick = likken
lid = bedekking, deksel, kaft, omslag
lie = liggen, liegen, leugen, onwaarheid
Liechtenstein = Liechtenstein
Liechtensteiner = Liechtensteiner
lie down = gaan liggen, zich neerleggen, zich uitstrekken, gaan liggen, zich uitstrekken, gaan liggen, zich neerleggen, zich uitstrekken
lie encamped = kamperen, legeren
Liège = Luik
lieutenant = luitenant
life = hachje, leven
lifebelt = reddingsgordel
life-belt = reddingsgordel
life-boat = reddingsboot
lifeless = lusteloos, saai
lift = opgraven, rooien, beuren, heffen, ophalen, oprichten, tillen, verheffen, opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen, lift
ligament = band
ligature = afbinden, toebinden
light = aanmaken, aansteken, doen ontbranden, ontsteken, stoken, aansteken, het licht aandoen, het licht aansteken, hel, helder, klaar, licht, licht, niet zwaar, helder, licht, lichtend, aansteken, belichten, verlichten, voorlichten, licht, schijn, schijnsel, licht, zwak, licht, licht
lighten = bliksemen, flikkeren, flitsen
lighter = aansteker, vuurmaker
lighthouse = lichttoren, vuurbaak, vuurtoren
lighting = belichting
lightly = licht, lichtjes, zwak, zwakjes, voorzichtig, zachtjes
lightning = bliksem, flits, hemelvuur, schicht, bliksemschicht, vuurstraal
light-switch = lichtknop, lichtschakelaar, lichtknop, lichtschakelaar
light up = belichten, beschijnen, overschijnen
Ligurian Sea = Ligurische Zee
likable = waard om van te houden
like = als, hoe, op welke manier, op welke wijze, wat, zoals, als, op de manier van, op de wijze van, zoals, eender, gelijkend, gelijksoortig, gelijkvormig, soortgelijk, hechten aan, houden van, mogen, waarderen
-like = -achtig
likely = waarschijnlijk
like this = dus, aldus, in dier voege, op die wijze, zo, zodanig, zodoende, aldus, op deze manier, op deze wijze, zo, aldus, op deze manier, op deze wijze, zo
likewise = eveneens, evenzeer, mede, ook, even, eveneens, idem, insgelijks, van hetzelfde
lilac = sering, sering
lily = lelie
lily-of-the-valley = lelietje der dalen, lelietje-van-dalen
limb = lid, lidmaat
Limburg = Limburg
lime = kalk, limoen, linde-, linden-
lime- = linde-, linden-
lime-tree = linde, lindeboom
limit = begrenzen, beknotten, beperken, beperkingen opleggen aan, grens, perk, beperken
limitation = begrenzing, beperking
limited = begrensd, beperkt, eindig
limited liability = besloten vennootschap
limited liability company = naamloze vennootschap, naamloze vennootschap
limp = hinken, kreupel lopen, mank lopen, slecht functioneren, trekken
linden-tree = linde, lindeboom
line = sim, snoer, hengelsnoer, vislijn, vissnoer, lijn, linie, regel, schreef, streep, toer, beurt, file, gelid, reeks, rij, toerbeurt
lineage = afkomst, afstamming, komaf
linen = linnen, doek, lijnwaad, linnen
lineseed oil = lijnolie
line up = aantreden, in de rij gaan staan, in de rij komen
lingo = Bargoens
linguist = linguïst, taalgeleerde, taalkundige
linguistic = taal-, taalkundig, linguïstisch, taalkundig
lining = voering
link = monteren, zetten, schakel, schalm
linker = linker
link together = aaneenschakelen
link up = aaneenschakelen
linoleum = linoleum, vloerzeil
lion = leeuw
lip = lip
liquefied petroleum gas = LPG, L.P.G.
liqueur = likeur
liquid = vloeistof, dun, vloeibaar, nat, vloeistof, vocht, dun, vloeibaar, vloeistof, vloeibaar
liquidate = afwikkelen, liquideren, opheffen, solveren, laten verdwijnen, dieven, wegmaken, doden, doodmaken, ombrengen
liquid manure = aal, aalt, gier
liquor = alcohol, drank, alcoholische drank, sterke drank
lira = lier, lire, lire
Lisbon = Lissabon
lisp = lispelen
list = een lijst maken, uitlisten, ceel, cedel, lijst, rol
listen = aanhoren, luisteren, beluisteren, toehoren, toeluisteren
listener = luisteraar, toehoorder
listen in = afluisteren
litany = litanie
liter = liter
literal = letterlijk, woordelijk
literary = letterkundig, literair, litterair
literature = letterkunde, literatuur, litteratuur
lithium = lithium
Lithuania = Litouwen
Lithuanian = Litouws, Litouwer
Lithuanian woman = Litouwse
litigate = procederen
litre = liter
litter = baar, draagbaar
little = gering, karig, klein, luttel, min, gering, luttel, weinig, weinig
little bell = bel, belletje, klokje
little bird = vogeltje
little boat = bootje
little brother = broertje
little by little = geleidelijk, langzamerhand, zoetjes aan, geleidelijk
little owl = nachtuil, steenuil
little present = aardigheidje, cadeautje
Little Red Ridinghood = Roodkapje
Little Snow White = Sneeuwwitje
little stick = staafje, stokje
liturgy = liturgie
live = gevestigd zijn, huizen, resideren, wonen, leven
live in lodgings = op kamers wonen
lively = ad rem, geestig, gevat, snedig, meeslepend, pittig, smeuïg, vurig
live on = bestaan van
liver = lever
liver sausage = leverworst
livestock = kudde, levende have, vee, veestapel
live through = beleven, doorleven, doormaken
live together = samenwonen, samenleven
live to see = beleven, doormaken, ervaren, ondervinden, beleven
live upon = bestaan van
living alone = alleenstaand
living-room = huiskamer, woonkamer, zitkamer
living room = huiskamer
Livonia = Lijfland, Lijfland
Livonian = Lijflands, Lijflander
lizard = hagedis
load = laden, laden, beladen, belasten, inladen, lading, last, vracht, vulling
loaded with = belastend, geladen met
loaf = brood, mik
loafer = baliekluiver, sjap, sjappie
loan = lenen, lening, overneming
loathe = een afschuw hebben van, verafschuwen, verfoeien
lobe of the ear = oorlel
lobster = langoest, kreeft, pantserkreeft, kreeft, zeekreeft
local = lokaal, plaatselijk
locate = leggen, plaatsen, situeren, stationeren
location = lokaliteit, oord, plaats, ruimte, zetel
loch = fjord, meer, plas, waterplas
Loch Ness = Nisse
lock = sas, sluis, sassluis, schutsluis, spui, slot, op slot doen, sluiten, afsluiten
locked = afgesloten, op slot
locksmith = slotenmaker
lock up = insluiten, opsluiten, wegbergen, wegsluiten
locomotive = motorisch
locust = sprinkhaan
Lofoten Islands = Lofoten
lofty = hoog, verheven
logic = logica
logical = logisch
logical reasoning = rede, verstand
log in = inloggen
log out = uitloggen
loin = kruis, lende
Loki = Loki
London = Londen
Londoner = Londenaar
lonely = eenzaam
long = lang, lang, lang, lange tijd, voor lange tijd
longan = longan
longboat = barkas
long for = hunkeren, reikhalzen, verlangen, smachten, zuchten, zuchten naar
longing = smachtend, verlangend, hunkering, verlangen, zielsverlangen, zucht
longitude = lengte, <lengte (geo.)>
look = er uitzien, het uiterlijk hebben van, aanblik, aanzien, air, schijn, uiterlijk, verschijning, voorkomen, alsjeblieft, alstublieft, hier, hierzo, kijk, ziedaar, ziezo, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien, blik, aanblik, kijk
look after = bewaken, bewaren, de wacht hebben, hoeden, waken over, nakijken, naogen, behartigen, verzorgen, oppassen, verzorgen
look askance = loensen, scheelkijken, scheelzien
look at = beschouwen, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien
look down = naar beneden kijken, neerkijken
look for = snorren, uitkijken naar, uitzien naar, zoeken, opzoeken
look forward = zich verheugen
look forward to = zich verheugen op
looking-glass = spiegel
loom = weefgetouw
loop = maas, steek, breisteek, strik
loopy = geschift, getikt, getroebleerd, getroubleerd, tureluurs
loose = mul, rul, diarree-, iel, los, luchtig, mul, los
loose cover = hoes
lord = lord, heer, heerschap, meneer, mijnheer, heer, heerschap, meneer
Lorelei = Lorelei
Lorraine = Lotharingen
lorry = truck, vrachtauto, vrachtwagen, truck, vrachtauto, vrachtwagen
lose = afvallen, vermageren, kwijtraken, opgeven, verbeuren, verliezen, verspelen, verliezen, verslagen worden
lose flesh = afvallen, vermageren
lose in weight = afvallen, vermageren
lose one's way = verdolen, verdwalen
loss = deficit, nadeel, schade, strop, verlies, aderlating, verlies, schadepost, verlies, vermissing
lost = kwijt, verloren, vervlogen, de weg kwijt, verdwaald
lot = kavel, perceel
Lothringen = Lotharingen
lottery = loterij, verloting
lotus = lotus, rolklaver, lotus
loud = hard, luid
loudly = hardop, luid
lounge = salon, zaal
lounge suite = bankstel
louse = luis
Louvain = Leuven
lovable = beminnelijk, beminnenswaardig, lief, lieftallig
love = beminnen, houden van, liefhebben, affectie, liefde, min, sexuele hartstocht, duurte, kostbaarheid, dol zijn op, gek zijn op, verzot zijn op
loved = bemind, geliefd
loved one = beminde, lief, geliefde, liefje, zoetelief, beminde, lief, geliefde, liefste
lovely = aangenaam, behaaglijk, genoeglijk, heerlijk, plezierig, fijn, fraai, mooi, knap, net, schoon, beeldschoon, kostelijk, magnifiek, prachtig, dierbaar, lief, allerliefst, beeldig, betoverend, heerlijk, verrukkelijk, bekoorlijk, charmant, innemend, schattig, snoeperig, snoezig
love of one's neighbour = menslievendheid, naastenliefde, naastenliefde, naastenliefde
lover = geliefde, minnares, vriendin, vrijster, geliefde, minnaar, vriend, vrijer, beminde, lief, geliefde, liefje, zoetelief, beminde, lief, geliefde, liefste
loving = liefhebbend
low = laag, gemeen, infaam, laag, laaghartig, schunnig, vuig
lower = afdraaien, verlagen, laten zakken, neerhalen, strijken, laten zakken, neerlaten, strijken, vellen, afslaan, verlagen
lower-arm = benedenarm, onderarm, voorarm
lower case letter = kleine letter, minuskel
lower course = benedenloop
lowering = verlaging
lower middleclass = kleinburgerlijk
lower part = onderdeel, onderkant, onderste
lower part of the body = abdomen, achterlijf, onderbuik, onderlijf, abdomen, onderbuik, onderlijf
Low German = Laagduits, Nederduits, Platduits
low relief = bas-reliëf, bas-reliëf
low tide = eb, eb, eb
loyal = loyaal, trouw, getrouw, trouwhartig
LP = langspeelplaat, LP, langspeelplaat, LP
LPG = LPG, L.P.G.
LSD = LSD
Lucifer = Lucifer, Lucifer, Satan
luck = bof, buitenkansje, geluk, mazzel, tref, veine, zwijn, zwijntje, fortuin, lot, levenslot, kans, uitzicht
luggage = bagage
luggage ticket = bagagebiljet
luggage-van = bagagewagen
lukewarm = lauw, zoel
lull = wiegen
lullaby = slaaplied, wiegelied
lump = bal, dot, klomp, klont, kluit, prop, brok, fragment, stuk, massa, bonk, brok, eindje, homp, stukje
lump of earth = aardkluit
lunacy = gekheid, zinneloosheid, zinsverbijstering, gekte, gekheid, krankzinnigheid, uitzinnigheid, waanzin
lunar = lunair, maan-, maan-
lunatic = bezetene, gek, krankzinnige
lunch = lunch, twaalfuurtje, het middagmaal gebruiken
lung = long
lungwort = longkruid
lupine = lupine, wolvin, lupine
lure = lokken
lurid = bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, schel, geruchtmakend, sensationeel
lust = hartstocht, lust, passie, roes, verslaving, verwoedheid, geilheid, lust, wellust
lute = luit
lutetium = lutecium
Luxemburg = Luxemburg, Luxemburg, Luxemburg, Luxemburgs
Luxemburger = Luxemburger, Luxemburger
Luxor = Luxor
luxurious = luxueus, weelderig
luxury = luxeartikel, weeldeartikel, luxe
Lybian woman = Libische
lyceum = lyceum
Lycia = Lycië
Lycian = Lycische, Lyciër
Lycian woman = Lycische
Lydia = Lydië
Lydian = Lydisch, Lydiër
lye = loog
lying-in room = kraamkamer
lying-in woman = kraamvrouw
lynx = los, lynx
Lyra = Lier
lyre = lier, lire, lier
lyric = tekst
macabre = eng, griezelig, macaber, griezelig, ijzingwekkend
macaroni = macaroni
macaw = ara, Indische papegaai
Maccabees = Makkabeeën
Macedonia = Macedonië
Macedonian = Macedonisch, Macedoniër
mach = mach
Machiavelli = Machiavelli
machine = machine
machine of government = bestuursapparaat
machinery = machinerieën
mackerel = makreel
mad = dol, dolzinnig, gek, krankzinnig, stapel, uitzinnig, waanzinnig, dol, hondsdol, razend
Madagascan = Madagaskisch, Malagassisch
Madagascar = Madagascar, Malagasië, Madagascar, Malagasië
madam = dame, mevrouw, mevrouw
Madeira = Madeira
madness = gekheid, zinneloosheid, zinsverbijstering, gekte, gekheid, krankzinnigheid, uitzinnigheid, waanzin
Madonna = Madonna
Madrid = Madrid
Maestricht = Maastricht
maestro = maëstro, meester, grootmeester
magazine = blad, krant, magazine, periodiek, revue, tijdschrift
Magdalena = Magdalena
Magdalenian = Magdalenien
magic = magie, toverkunst, tover-, toverachtig, toverij
magical = magisch, toverachtig
magician = goochelaar, duivelskunstenaar, tovenaar
magnanimous = edelmoedig, grootmoedig
magnesium = bitteraarde, magnesium
magnet = magneet
magnetic = magnetisch
magnetism = magnetisme
magnetize = magnetiseren
magnificent = grandioos, groots, overweldigend, verheven
magnifying glass = loep, vergrootglas
Magog = Magog
magpie = ekster
Magyar = Magyaar
maid = dienares, dienstmeisje, meid, kamenier, kamermeisje
maidenhair = adiantum, haarmos, venushaar
mail = post, posterijen
mailbox = bus, brievenbus
mailman = postbeambte, postbode
main = hoofd-, voornaamste, hoofd-, voornaamste
mainland = continent, vasteland, werelddeel
mainly = in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk
maintain = argumenteren, betogen, vertogen, behouden, bergen, bewaren, conserveren, onderhouden, overhouden
maintenance = behoud, bewaring, handhaving, behoud, instandhouding
maize = mais
majestic = majestueus, statig, plechtstatig, verheven
majesty = statigheid, verhevenheid, majesteit, eerwaarde, hoogheid, majesteit
major = majoor, hoofd-, voornaamste
majoram = majoraan, marjolein
Majorca = Majorca
majority = meerderheid, meerderjarigheid, gros, meerderheid, merendeel
major road = voorrangsweg, heerbaan, hoofdweg
make = koersen, stevenen, afstevenen, maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren, doen, laten, laten doen, maken
make a bad decision = een verkeerde beslissing nemen, fout beslissen
make a contract = aangaan, afsluiten, contracteren
make ... acquaintance = kennis maken met
make a deposit = een aanbetaling doen
make a down payment = een aanbetaling doen
make a draft = trasseren, trekken
make a list = een lijst maken, uitlisten
make a mistake = dwalen, een fout maken, ernaast zitten, zich vergissen
make an appeal to = een beroep doen op
make an appointment = afspreken, een afspraak maken
make a night of it = nachtbraken
make an offer of = aanbieden, te koop aanbieden
make a noise = aangaan, denderen, rommelen, rumoeren, te keer gaan
make a note = aantekenen, noteren, opschrijven, teboekstellen
make a project of = beramen, ontwerpen, plannen
make a stroke = trekken, een streep trekken
make a uvular R = brouwen, <met keel-r spreken>
make available = beschikbaar stellen
make a will = nalaten, vermaken
make bitter = verbitteren
make clean = louteren, reinigen, schoonmaken, vegen, zuiveren
make eyes at = lonken
make fast = bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen
make for = aansturen op, afstevenen op
make fun of = honen, spotten, bespotten
make glad = verblijden, verheugen
make love = sex bedrijven, sex hebben, vrijen, de liefde bedrijven, gemeenschap hebben, sex hebben
make money = geld verdienen
make music = musiceren, muziek maken
make no account of = geringachten, geringschatten
make smooth = banen, effenen, gladmaken, gladstrijken, uitstrijken
make the sign of the cross = zich bekruisen
make-up = blanketsel, make-up, schmink
make up = uitmaken, vormen, blanketten, grimeren, schminken, blanketsel, make-up, schmink
make up one's mind = tot een besluit komen
make use of = benutten, te baat nemen, waarnemen, aanwenden, benutten, gebruiken
make war = oorlogvoeren, strijden
make war against = beoorlogen
make war on = beoorlogen
making = aanmaak, fabricage, fabricatie, vervaardiging, aanmaak, farad, gedoe, vervaardiging, aanmaak, gedoe, vervaardiging
Malacca = Malakka
malaria = malaria
Malawi = Malawi
Malawian = Malawisch, Malawiër
Malay = Maleis, Maleier
Malaysia = Maleisië
Malaysian = Maleisisch, Maleisiër
Maldive Islands = Malediven
Maldives = Malediven
Maldivian = Maledivisch, Malediviër
male = mannelijk, mannelijk exemplaar, mannetje, mannelijk, mannelijk, mannetje
male cat = kater
male cook = kok
malfunction = haperen, stuk gaan, uitvallen, bijdraaien, panne hebben
Mali = Mali
Malian = Malinees, Malisch
Malian woman = Malische
malicious = boosaardig, hatelijk, kwaadaardig, snood, te kwader trouw, vals
Malines = Mechelen, Megchelen
mallow = kaasjeskruid, maluwe, malva
malt = mout
Malta = Malta
Maltese = Maltezer, Maltezer
mam = ma, mam, mamma, mammie
mammal = zoogdier, zoogdier
Mammon = Mammon
mammy = ma, mam, mamma, mammie
man = bemannen, mens, man, manspersoon, vent
manage = administreren, beheren, besturen, toedienen, administreren, beheren, besturen, besturen, dirigeren, mennen, richten, beheren, besturen, huishouden
manageability = gedweeheid, meegaandheid, volgzaamheid
manageable = handelbaar, inschikkelijk
management = administratie, administratiekantoor, bestuur, administratie, beheer, bestuur, toediening, bestuur, bestuur, directie, administratie, beheer, bestuur, toediening
manager = administrateur, beheerder, bestuurder, zetbaas, administrateur, beheerder, gerant, manager, menner, bestuurder, directeur
Manchuria = Mantsjoerije, Mantsjoerije, Mantsjoerije
Manchurian = Mantsjoerijns, Mantsjoe, Mandsjoerijns, Mantsjoerijns
mandate = lastbrief, mandaat, volmacht
maneuver = manoeuvre
manganese = mangaan
manger = bak, drenkbak, eetbak, krib, trog, drinktrog
mango = manga, mango
mangosteen = mangisboom
mango-tree = mangaboom, mangoboom
manicure = manicuren
manifacture = aanmaak, fabricage, fabricatie, vervaardiging, aanmaak, gedoe, vervaardiging
manifest = laten blijken, manifesteren, manifest
Manila = Manilla
manipulate = hanteren, manipuleren, omgaan met
mankind = mensdom, mensheid
manner = manier, trant, wijze
manoeuvre = manoeuvre
man of genius = genie
mansion = herenhuis
mantel = schoorsteenmantel
mantelpiece = schoorsteenmantel
mantle = jas, mantel
manufacture = fabriceren, maken, aanmaken, vervaardigen, aanmaak, farad, gedoe, vervaardiging
manure = mest
manuring = bemesting
manuscript = handschrift, kopij, manuscript
many = menig, veel, vele
Maori = Maori, Maori-taal
Maori language = Maori, Maori-taal
map = kaart, landkaart, kaart, kaart, landkaart
maple = esdoorn-, aak, ahorn, esdoorn
maple- = esdoorn-
marble = pilletje, marmeren, marmer
march = lopen, marcheren, tippelen
march off = aftrekken, sterven, vergaan, verscheiden
march on = aanrukken, opmarcheren
Marcus = Marcus, Mark, Marke, Marcus, Mark
margarine = margarine
margin = kant, marge, rand
marguerite = ganzebloem, margriet, paarlemoentjes
Mariana Islands = Marianen, Marianeneilanden
marigold = goudsbloem
marijuana = marihuana
marionette = marionet
maritime = maritiem, zee-
mark = merken, tekenen, merk, merkteken, zegel, mark, sein, signaal, teken, bewijs, blijk, teken, merkteken, wenk, aanmunten, afdrukken, slaan, stempelen, zijn stempel drukken op
mark down = afprijzen
market = afzetgebied, bazaar, markt, marktplaats, marktplein, jaarbeurs, kermis, markt, afzetgebied, markt, markt, marktplaats, marktplein
marketplace = markt, marktplaats, marktplein
market trader = marktkoopman
mark of Cain = Kaïnsteken
mark out = afbakenen
mark with a cross = aankruisen
marmelade = jam, marmelade, moes
Maroni = Marowijne
Marquesas Islands = Marquesas Eilanden
marriage = echt, echtverbintenis, huwelijk, huwelijkse staat, echt, echtverbintenis, huwelijk, echt, echtverbintenis, huwelijk
married = gehuwd, getrouwd, gehuwd, getrouwd, gehuwd, getrouwd
married people = echtelieden, echtpaar
marry = in de echt verbinden, trouwen, uithuwelijken, in de echt verbinden, trouwen, uithuwelijken, in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen, de vrouw worden van, huwen, trouwen met, de man worden van, huwen, trouwen met
Mars = Mars
marsh = broek, drasland, moer, moeras
Marshall Islands = Marshall Eilanden
martagon lily = Turkse lelie
marten = marter
marter = marter, wezel
martial = krijgshaftig, oorlogszuchtig
Martian = Marsbewoner, Martiaan
martyr = martelares, bloedgetuige, martelaar
marvel = zich verbazen, zich verwonderen
marvel at = zich verbazen, zich verwonderen
mascara = mascara
masculine = mannelijk
mashed potatoes = puree, aardappelpuree
mask = bemantelen, bewimpelen, maskeren, verbloemen, dekmantel, masker, mom, mombakkes
masked ball = bal masqué, gemaskerd bal
mason = metselaar
masonic = vrijmetselaars-
masonry = metselwerk
masquerade = maskering, maskerade
mass = boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep, massa, menigte, massa, eucharistieviering, mis
massacre = bloedbad, moordpartij, afslachten, moorden, neerhouwen, bloedbad, moordpartij, slachting
Massacre of Saint Bartholomew = Bartholomeusnacht
massage = masseren, massage
massive = massief
mass produce = in grote hoeveelheden fabriceren
mast = mast
master = meester worden, onder de knie krijgen, doctorandus, licentiaat, magister, meester, maëstro, meester, grootmeester, baas, heer, meester, patroon
master builder = aannemer, bouwondernemer
masterful = bazig
Master of the Mint = muntmeester
masturbate = masturberen
mat = mat, schaakmat
match = lucifer, match, paren, koppelen
match-make = koppelen
match-maker = koppelaarster, huwelijksmakelaar, koppelaar
mate = paren, gemeenschap hebben, paren
material = materieel, stoffelijk, grondstof, materiaal, materieel, stof, weefsel
materialize = materialiseren, verstoffelijken
materials = benodigdheden, benodigdheden
maternal aunt = tante, tante van moederskant
maternal grandfather = grootvader, grootvader van moederskant, opa van moederskant
maternal grandmother = oma van moederskant
maternal grandparents = grootouders van moederskant
maternal uncle = oom, oom van moederskant
mathematical = mathematisch, wiskundig
mathematician = mathematicus, wiskundige
mathematics = mathematica, wiskunde
matrimony = echt, echtverbintenis, huwelijk, huwelijkse staat
matrix = gietvorm, matrijs, matrix
matron = intendante
matter = aangelegenheid, affaire, ding, zaak, geval, naamval, zaak, geval, zaak, materie, stof, zelfstandigheid, goedje, spul, stof, substantie, zelfstandigheid
Matterhorn = Matterhorn
mattress = matras
mature = belegen, bezonken, rijp
matzo = matse, paasbrood
Maundy Thursday = Witte Donderdag
Mauretanian = Mauritanisch, Mauritaniër
Mauritania = Mauretanië
Mauritius = Mauritius
maw = afgrond, bek, muil, opening
maxim = sententie, spreuk, zinspreuk
maximum = maximaal, maximum-, maximum
may = mogen, het recht hebben, mogen
Maya = Maya
maybe = misschien, mogelijk, mogelijkerwijs, soms, wellicht
mayhap = misschien, mogelijk, mogelijkerwijs, soms, wellicht
mayor = burgemeester, burgervader, burgemeester, burgervader, dorpsburgemeester
me = aan me, aan mij, me, mij, naar me, naar mij, aan me, aan mij, me, mij, naar me, naar mij, aan me, aan mij, me, mij, naar me, naar mij, aan me, aan mij, me, mij, naar me, naar mij, aan me, aan mij, me, mij, naar me, naar mij, me, mij, me, mij, me, mij, me, mij, me, mij
mead = mede, mee
meadow = beemd, grasland, wei, weide, weiland, beemd, wei, weide, weidegrond, weiland
meager = mager, schraal, sprietig, belabberd, ellendig, miserabel, schamel, schunnig, stumperig
meal = bloem, meel, gort, griesmeel, grut, grutten, eten, maal, maaltijd
mealies = mais
mean = gemiddeld, van plan zijn, voorhebben, voornemens zijn, zich voorstellen, doorsnee, gemiddeld, middelbaar, midden-, gemiddeld, middelmaat, midden, beduiden, betekenen, bedoelen
meander = kronkelen, slingeren
meaning = doel, bedoeling, plan, strekking, toeleg, voornemen, zin, betekenis, zin, betekenis, portee, zin
meaningless = onbeduidend, onbetekenend, zinledig, zinloos
means = middel, werktuig, middelen, medium, middel, remedie, weg, middelen
meanwhile = daarentegen, intussen, inmiddels, vast, voorlopig, zolang, intussen, inmiddels, intussen, ondertussen
measles = mazelen
measurable = afzienbaar
measure = meten, meten, afmeten, opmeten, opnemen, roeien, uitmeten, grootte, maat, mate
measured = afgemeten, ceremonieel, plechtig, plechtstatig, afgemeten
measurement = afmeting, dimensie, meting, afmeting, opmeting, grootte, maat, mate
measure out = afwegen, doseren
meat = vlees
meat-fly = aasvlieg, strontvlieg
Mecca = Mekka
mechanic = mecanicien, werktuigkundige, mecanicien
mechanical = mechanisch, werktuiglijk, mechanisch
mechanics = mechanica, werktuigkunde, mechanica, werktuigkunde
Mechlin = Mechelen, Megchelen
medal = medaille, penning
meddler = bemoeial, bemoeial, <toekijker bij kaartspel>
meddlesome = bemoeiziek, bemoeiziek, indiscreet
meddlesomeness = bemoeizucht, bemoeizucht, indiscretie
mediate = middelen, bemiddelen
mediation = bemiddeling, bemiddeling, tussenkomst
medical = geneeskundig, helend, medicinaal, geneeskundig, medisch
medicine = artsenij, geneesmiddel, medicijn, geneeskunde
medick = rupsklaver
Medina = Medina
meditate = mediteren, nadenken, peinzen, zinnen
meditative = nadenkend
Mediterranean = Middellandse Zee, Middellandse Zee
medly = allegaartje
Medusa = Medusa
meekness = mildheid, zachtheid, zachtaardigheid, zachtmoedigheid, zoelheid
meercat = meerkat
meet = bijeenkomen, samenkomen, vergaderen, elkaar ontmoeten, afspreken, aantreffen, ontmoeten, tegemoet treden, tegenkomen, treffen, afhalen, ophalen, afhalen, komen halen, ophalen
meet each other = elkaar ontmoeten, elkaar tegenkomen
meeting = vergadering, zitting, bijeenkomst, meeting, samenkomst, vergadering, meeting
meet one another = elkaar ontmoeten, elkaar tegenkomen
meet with = bevredigen, paaien, tegemoetkomen aan, tevredenstellen, voldoen
Mekong River = Mekong
melancholy = droefgeestig, melancholiek, weemoedig, zwaarmoedig, droefgeestigheid, melancholie, weemoed, zwaarmoedigheid
Melanesia = Melanesië
Melanesian = Melanesisch, Melanesiër
melilot = honingklaver
mellowness = malsheid, weekheid, zachtheid
melodrama = melodrama
melodramatic = melodramatisch
melody = deun, deuntje, melodie, wijs, wijsje
melon = meloen
melt = dooien, ontdooien, wegsmelten, smelten, doen smelten, versmelten, vloeibaar maken, doorbranden, smelten, versmelten, vloeibaar worden
melting = dooi
member = aanhanger, lid, lidmaat, lid, lidmaat, aanhanger, lid, partijganger, partijlid
member of parliament = kamerlid, parlementariër, volksvertegenwoordiger
membership = lidmaatschap
memento = aandenken, gedenkschrift, aandenken, gedachtenis, gedenkteken, souvenir
memorable = gedenkwaardig, heuglijk
memorize = uit het hoofd leren, van buiten leren, memoriseren
memory = aandenken, gedachtenis, geheugen, herinnering, heugenis, geheugen, computergeheugen
menace = dreigen, bedreigen, dreiging, bedreiging, dreigement
menacing = dreigend, bedreigend, dreigend, bedreigend
mend = boeten, flikken, lappen, oplappen, stoppen, verstellen
mendelevium = mendelevium
mendicant friar = bedelmonnik, bedelmonnik
mendicant order = bedelorde
mental = geestelijk, mentaal
mentally deficient = achterlijk
mention = gewag maken van, noemen, vermelden, gewag, predicaat, vermelding
menu = kaart, menu, menu, spijskaart
Mephistopheles = Mefistofeles, Mefistofeles
merchandise = waar, handelswaar, koopwaar, waar, handelswaar
merchant = handelaar, koopman, zakenman, handelaar, koopman, zakenman
merciful = barmhartig, goedertieren, barmhartig
mercifulness = barmhartigheid, barmhartigheid, genade
mercury = kwik, kwikzilver
mercy = barmhartigheid, barmhartigheid, genade, barmhartigheid, genade
mere = bloot, enkel, louter
merit = toekomen, verdienen, waard zijn, waardig zijn, verdienste
merlin = steenvalk
merry = goedgehumeurd, goedgeluimd, lustig, monter, vrolijk, jolig, luimig, opgewekt, welgemutst
merry-go-round = carrousel, draaimolen, zweefmolen
mesh = maas, steek, breisteek, strik
Mesolithic = Mesolithicum
Mesolithic Age = Mesolithicum
Mesopotamia = Mesopotamië, Tweestromenland, het Tweestromenland
Mesozoic = Mesozoïcum
Mesozoic era = Mesozoïcum
mess = brij, moes, pap
message = bericht, boodschap, bekendmaking, bericht, kennisgeving, mare, tijding, verwittiging
messenger = bode, gezant, afgezant
Messiah = Messias
Messina = Messina
metal = metaal
metalled = kei-, keislag-, stenen, stenig
metamorphosis = gedaanteverandering, vervorming, gedaanteverwisseling, metamorfose
metaphor = beeld, beeldspraak, metafoor
meteoric stone = aëroliet, meteoor, meteoorsteen
meteorite = aëroliet, meteoorsteen, meteoriet, meteoriet, aëroliet, meteoorsteen, meteoriet
meteorology = meteorologie, weerkunde
method = methode
methodical = methodisch, schools
Methodist = methodistisch, methodist
method of preparation = bereidingswijze
Methuselah = Methusalem
methylated spirit = brandspiritus
metre = meter, metrum, versmaat
metric = metriek
metropolis = hoofdstad, metropolis, metropool, moederland, wereldstad, grote stad, wereldstad, hoofdstad
Meuse = Maas
Mexican = Mexicaans, Mexicaan
Mexican woman = Mexicaanse
Mexico = Mexico
Mexico City = Mexico-Stad
mica = glimmer, mica
microbe = microbe
microfilm = microfilm
micrometre = micrometer
Micronesia = Micronesië
microphone = microfoon
microscope = microscoop
Midas = Midas
midday = middag, noen
midday meal = diner, middageten, middagmaal
middle = doorsnee, gemiddeld, middelbaar, midden-, middelmaat, midden
middle-aged = van middelbare leeftijd
Middle Ages = Middeleeuwen
middleclass = burgerlijk
middleclass citizen = bourgeois, burger, burgerman
Middle Dutch = Diets, Middelnederlands, Diets, Middelnederlands
Middle East = Midden-Oosten, Midden-Oosten, Nabije Oosten
middy = adelborst
midge-bite = muggebeet
midget = dwergachtig, minuscuul, dwerg
midnight = middernacht, middernacht
midnight mass = nachtmis
midshipsman = adelborst
midwife = verloskundige, vroedvrouw, verloskundige, vroedvrouw
migrant = migrerend, trekkend, rondtrekkend
migrate = rondreizen, trekken, rondtrekken, zwerven
Milan = Milaan
mild = mild, zacht, zachtaardig, zachtmoedig, zachtzinnig, zoel
mildness = mildheid, zachtheid, zachtaardigheid, zachtmoedigheid, zoelheid
mile = mijl
milepost = mijlpaal
milestone = mijlpaal
military = militair, oorlogs-, martiaal, militair
military division = divisie, legerafdeling
milk = melk, melken
milk-powder = melkpoeder
mill = molen, metaalfabriek
millenium = duizendjarig tijdperk, millennium
millennium = millennium
miller = molenaar, mulder
millibar = millibar
millimetre = millimeter
milliner = modemaakster, modiste
million = miljoen
millionaire = miljonair
mince = fijnhakken
minced meat = gehakt
mind = geest, intellect, verstand, geest, verstand, gadeslaan, observeren, toekijken, toezien, waarnemen
mine = de mijne, het mijne, mijn, mijngang, mijn, mijn, mijn
minefield = mijnenveld
minelayer = mijnenlegger
miner = mijnwerker
mineral = mineraal, delfstof, mineraal
Minerva = Minerva
mine sweeper = mijnenveger
mingle = mengen, mixen, temperen, vermengen, verwarren, wassen, doorlopen, zich vermengen
minimum = miniem, minimaal, minimum
mining = mijnbouw
mining-engineer = mijningenieur
minister = bewindsman, minister
ministerial = ministerieel
ministry = ministerie, ministerie
minority = minderheids-, minderheid, minderjarigheid, minoriteit
mint = munt, kruizemunt, pepermunt, munt, munten, munten
mint-master = muntmeester
minuend = aftrektal
minus = min, minus
minus sign = minteken
minute = minuut
minutes = bekeuring, notulen, proces-verbaal, protocol
Miocene = Mioceen
miracle = mirakel, wonder
miraculous = miraculeus, wonderbaar, wonderbaarlijk, wonderdadig, wonderdoend
mirage = fata morgana, luchtspiegeling
mirror = afspiegelen, spiegel
miscalculate = buiten de waard rekenen, misrekenen, zich verrekenen
miscarriage = abortus, miskraam, mislukking, abortus, miskraam, mislukking
miscarry = aborteren, een miskraam krijgen, mislukken, ontijdig bevallen, aborteren, een miskraam krijgen, ontijdig bevallen, mislukken, falen, misgaan, mislukken, sjezen, stralen, stranden, zakken
miscellaneous = allerlei, allerhande
mischievous = boosaardig, hatelijk, kwaadaardig, snood, te kwader trouw, vals, dartel, guitig, schelmachtig, snaaks
miser = duitendief, gierigaard, schraper, vrek
miserable = jammerlijk, catastrofaal, rampzalig, beklagenswaardig, erbarmelijk, zielig, beroerd, kwaad, kwalijk, slecht, verkeerd, onzalig, mistroostig, naargeestig, somber, triestig, arm, armelijk, armoedig, droef, bedroefd, droevig, treurig, verdrietig, bedroevend, droef, smartelijk, treurig, belabberd, ellendig, miserabel, schamel, schunnig, stumperig, behoeftig, berooid, nooddruftig
miserably = ellendig
miserliness = gierigheid, inhaligheid, schraperigheid, vrekkigheid
miserly = gierig, hebzuchtig, inhalig, pinnig, schraperig, vrekkig
misery = armoe, ellende, misère, narigheid, nood, schamelheid
misfeasance = ambtsmisdrijf
misleading = bedrieglijk, illusoir
miss = misgrijpen, mislopen, missen, missen
mission = missie, opdracht, zending
missionary = missionaris, zendeling
mist = damp, floers, mist, nevel
mistake = abuis, fout, dwaling, vergissing
mistaken = fout, foutief, onjuist, verkeerd
Mister = meneer, mijnheer
mistletoe = maretak, vogellijm
mistress = bazin, bazin, meesteres
misty = dampig, heiig, mistig, nevelig
misunderstand = misvatten, verkeerd begrijpen
misunderstanding = misverstand
mite = mijt
miter = mijter
mitre = mijter
mitten = handschoen
mix = mengen, mixen, temperen, vermengen, verwarren, wassen, doorlopen, zich vermengen
mixture = mengsel, mengeling, mengelmoes, vermenging
mizzle = motregenen
mnemonic = mnemonisch
moan = kermen, zuchten
mobile = beweegbaar, los, mobiel, roerend
mobilize = mobiliseren
mock = honen, spotten, bespotten, bespotten, zich vrolijk maken over, bespotten, de spot drijven met, voor de zot houden
mockery = bespotting, persiflage, aanfluiting, aanfluiting, persiflage, spot, spotternij
mode = manier, trant, wijze, mode, modus, wijs
model = modelleren, mal, maquette, model, toonbeeld, voorbeeld, boetseren, modelleren, model, model, schema
modem = modem
moderate = bescheiden, matig, gematigd, schappelijk, sober, matigen, opvangen, temperen
moderation = matigheid
modern = bijdetijds, modern, nieuwerwets
Modern Greek = Nieuwgrieks
Modern Hebrew = Ivriet
modernize = moderniseren
modest = bescheiden, discreet, ingetogen, teruggetrokken, zedig
modestly = bescheiden, gematigd, met mate
modesty = bescheidenheid, discretie, stilzwijgen, stilzwijgendheid, bescheidenheid, discretie, zedigheid, bescheidenheid, ingetogenheid, kuisheid
modify = modificeren, wijzigen
Mohammed = Mohammed
Mohammedan = islamiet, mohammedaan, moslim, islamiet, mohammedaan, muzelman, islamiet, mohammedaan, moslim
moist = vochtig, klam, mottig, vochtig
moisture = aanslag, condens
mold = boetseren, modelleren, gieten, afgieten, vorm, gietvorm, schimmel
Moldavia = Moldavië
Moldavian = Moldavisch, Moldaviër
mole = mol
molecule = molecuul
Moloch = Moloch
Molotov cocktail = Molotovcocktail, molotovcocktail
Moluccan = Moluks, Molukker
Moluccas = Molukken
molybdenum = molybdeen
mom = ma, mam, mamma, mammie
moment = moment, ogenblik, oogwenk, tel, tijdstip, wijl, wip
momentarily = even, eventjes, korte tijd, elk ogenblik, elk moment
momentary = kortstondig
mommy = ma, mam, mamma, mammie
Monacan = Monegask
Monaco = Monaco
monarch = monarch, vorst
monastery = klooster, mannenklooster
Monday = maandag
Monegasque = Monegaskisch
monetary system = muntstelsel
monetary union = muntunie, monetaire unie
monetary unit = munteenheid
money = geld, poen
money-box = fonds, geldkist, kas
money box = fonds, geldkist, kas
money-grubber = geldwolf
money order = postwissel
Mongol = Mongool
Mongolia = Mongolië, Mongolië
Mongolian = Mongools, Mongool
mongoose = ichneumon, mangoest, mungo, ichneumon, mangoest, mungo
mongrel = bastaard-, hybridisch
monitor = afluisteren
monk = monnik, kloosterbroeder, monnik
monkey = aap
monkey-like = aapachtig, aapachtig
monkey puzzle = apestaartboom, apetreiter, araucaria, slangenden
monkey-wrench = Engelse sleutel, Engelse sleutel
monkshood = akoniet, monnikskap
monocle = monocle, oogglas
monogamy = monogamie
monologue = alleenspraak, monoloog
monopolize = accapareren, opkopen
monopoly = alleenhandel, monopolie
monotonous = eentonig, monotoon, saai, eentonig, monotoon
monsignor = monseigneur, monseigneur
monster = mormel, rotbeest, mormel, klerehond, kolerehond, rothond, teringhond, gedrocht, monster, ondier, wangedrocht
monstrance = monstrans
monstrosity = monsterachtigheid
monstrous = gedrochtelijk, monsterachtig, monsterlijk
montbretia = montbretia, montbretia
Montenegrin = Montenegrijns, Montenegrijn
Montenegro = Montenegro
month = maand
monthly = maand-, maandelijks, maandelijks
monthly nurse = baker
monument = gedenkteken, monument
monumental = monumentaal
mood = gemoedstoestand, moreel, stemming, sfeer, stemming, gemoedsgesteldheid, humeur, humor, gemoedsgesteldheid, humeur
moon = maan
moon- = maan-
moor = aanbinden, meren, onderbinden, tuigeren, vastbinden, vastleggen, aanbinden, meren, onderbinden, tuigeren, vastbinden, vastleggen, steppe
moorage = ankerplaats, ligplaats, rede, ankerplaats, rede
moorhen = waterhoen
mooring = ankerplaats, ligplaats, rede, ankerplaats, rede
Moorish = Moors
moose = eland
moped = bromfiets
moraine = gruiswal, morene
moral = moreel, zedelijk, zedenkundig, moraal, strekking, moraal, zedenles
moralist = moralist, zedenkundige, zedenmeester
morality = moraliteit, zedelijkheid, deugd
morals = moraal, zedenkunde, zedenleer
moratorium = moratorium, surséance, moratorium
Moravia = Moravië
Moravian = Hernhutter
Moravian brother = Hernhutter
mordant = beits
more = meer, langer, meer
more and more = in toenemende mate, meer en meer, steeds meer
morel = morille, morille
morello = morel
more or less = min of meer
moreover = overigens, trouwens, verder, voor de rest, bovendien, buitendien, daarbij, verder, bovendien, buitendien, daarbij, bovendien, daarenboven, verder, voorts
more precisely = nader
mores = gebruik, zede
Moresque = Moors
more than = boven, meer dan, over, ruim
morganatic = morganatisch
morganatical = morganatisch
Mormon = mormoons, mormoon
morning = morgen, ochtend
morning star = morgenster
morning time = morgenstond
Moroccan = Marokkaans, Marokkaan
Moroccan woman = Marokkaanse
Morocco = Marokko
morose = aalwaardig, aalwarig, gemelijk, verdrietig
morpheme = morfeem
Morpheus = Morpheus
morphia = morfine
morphine = morfine
morphine addict = morfinist
morphinomaniac = morfinist
morphology = morfologie
Morse alphabet = Morsealfabet
Morse code = morse-
Morse key = morsesleutel
morsel = hap, mondvol, hap
mortal = sterfelijk
mortar = mortier, vijzel
morter = metselkalk, mortel, mortier, specie
mortgage = hypotheek
mortician = begrafenisondernemer, begrafenisondernemer
mosaic = mozaïek
mosaic work = mozaïek
Moscow = Moskou, Moskou
moselle = Moezelwijn
Moses = Mozes
Moslem = islamiet, mohammedaan, moslim, islamiet, mohammedaan, muzelman, islamiet, mohammedaan, moslim
mosque = moskee
mosquito = muskiet
mosquito-net = muskietengaas, muskietennet
mosquito net = muskietengaas, klamboe, muggengaas, muskietengaas, klamboe, muskietennet
mosquito-netting = muskietengaas, muskietennet
mosquito repellant = afweermiddel tegen muskieten
moss = mos
moss-green = mosgroen
mossy = mossig
most = hoogst, meest
most charming = alleraardigst, alleraardigst
most important = belangrijkste, voornaamste
mostly = grotendeels, merendeels, overwegend
most of = het grootste deel van, het merendeel van
motel = motel
motet = motet
moth = nachtvlinder, uil, uiltje, mot
moth-eaten = mottig
mother = bemoederen, moeder
mother-in-law = schoonmoeder
Mother's Day = Moederdag
mothproof storage bag = mottenzak
motion = motie, resolutie
motionless = bewegingloos, onbeweeglijk, roerloos, stationair, stil
motion picture = film, rolprent
motivation = motivatie, motivatie, motivatie
motive = aanleiding, aanleiding, beweegreden, drijfveer, motief, term
motor = motor
motor-boat = motorboot
motor car = auto, automobiel
motorcycle = motor, motorfiets
motor-cycle policeman = motoragent
motor-cyclist = motorrijder
motorial = motorisch
motoring = automobilisme
motorist = automobilist, automobilist, autobestuurder, automobilist, automobilist
motorize = motoriseren
motor-launch = motorboot
motor road = autobaan, snelweg, autosnelweg, autobaan, snelweg, autosnelweg, snelverkeersweg
motor tyre = autoband, autoband
motor vehicle = motorrijtuig, motorvoertuig
motorway = autobaan, snelweg, autosnelweg, autobaan, autosnelweg, autobaan, snelweg, autosnelweg, snelverkeersweg
motto = devies, leus, leuze, lijfspreuk, wapenspreuk, zinspreuk, devies, motto
mould = boetseren, modelleren, gieten, afgieten, vorm, gietvorm, schimmel
mouldy = duf, muf, vuns, vunzig, beschimmeld, duf, muf, schimmelig
mouldy smell = muffe lucht
mount = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, monteren, zetten
mountable = beklimbaar
mountain = berg
mountain air = berglucht
mountain-ash = lijsterbes, lijsterbessestruik
mountain-ash berry = lijsterbes
mountain chain = gebergte, bergketen
mountain climber = alpinist, bergbeklimmer, alpinist, bergbeklimmer
mountaineer = alpinist, bergbeklimmer, alpinist, bergbeklimmer
mountaineering = alpinisme, alpensport, bergbeklimming
mountaineering boot = bergschoen
mountain hut = berghut
mountain lion = poema
mountainous = bergachtig
mountain pass = bergengte, bergpas
mountain pasture = alp, alpenweide
mountain path = bergpaadje, bergpad
mountain peak = bergtop
mountain range = bergketen
mountain ridge = bergkam, rib, ribbe, scherpe rand, kam, bergkam, hanekam, rug, bergrug, rug, bergrug, bergrug
mountain slope = berghelling
mountain top = bergtop
mounted = bereden, bereden
Mount Elbrus = Elbroes
mounting = beslag, montage, zetting, beklimming
mourn = rouwen, bejammeren, betreuren, bewenen
mournful = rouw-, naargeestig, somber, troosteloos
mourning = rouw
mouse = muis
mousepad = mousepad
mousetrap = muizeval
moustache = knevel, snor, knevel, snor
mouth = bek, muil, bek, mond, monding, mond, monding, bek, mond, monding, uitmonding
mouthful = hap, mondvol, mondvol
move = aangrijpen, bewegen, ontroeren, opzij schuiven, verschuiven, wegschuiven, aandoen, aangrijpen, bewegen, ontroeren, treffen, bewegen, verroeren, bewegen, zich bewegen, zich verroeren, omzetten, overbrengen, overplaatsen, verleggen, verplaatsen, zich verplaatsen, verhuizen, verhuizen, verhuizing
movement = beweging, beweging, slag, zet
movie = film, rolprent, bioscoopfilm, speelfilm
movie theatre = bioscoop, cinema
moving = aangrijpend, emotioneel, roerend, ontroerend, aandoenlijk, roerend, ontroerend, treffend
mow = maaien, zichten
mozaic floor = mozaïekvloer
Mozambican = Mozambikaans, Mozambikaan
Mozambique = Mozambique
Mr. = dhr., heer, heerschap, meneer, mijnheer, meneer, mijnheer
Mr. and Mrs. = dames en heren, meneer en mevrouw, meneer en mevrouw
Mrs. = dame, mevrouw, mevrouw
mu = mu
much = veel, veel
muck-water = aal, aalt, gier
mucous = slijmerig, snotterig
mucus = slijm
mud = drek, modder, slijk, slik, drek, modder, slib, slijk
muddy = bemodderd
mudguard = slijkbord, spatbord, spatscherm
mud-stained = bemodderd
muezzin = moëddzin, mueddzin
mug = bakkes, smoel, smoelwerk, tronie
Muhammad = Mohammed
mulatto = mulattin, mulat
mulberry-tree = moerbei, moerbeiboom, moerbei, moerbeiboom
mule = muil, muiltje, slof, muildier
muleteer = muildierdrijver
mullein = toorts
multi- = veel-
multicoloured = bont, veelkleurig
multinational = multinationaal, multinationaal
multiple = veelvoud
multiply = multipliceren, vermenigvuldigen, multipliceren, verveelvoudigen
multitasking = multitasking
multitude = boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep, massa, menigte
mummification = mummificatie
mummy = mummie
munition = munitie, ammunitie
muntjac = blafhert, muntjak
mural = muurschildering, wandschildering
mural painting = muurschildering, wandschildering
murder = moorden, vermoorden, moord
murderer = moordenaar, killer, moordenaar
murderess = moordenares
murderous weapon = moordwapen
murk = donker, duister, duisternis
murmur = murmelen, <murmelen (v. beekje>), brommen, mompelen, morren, mummelen, murmelen, ruisen, suizeling, kabbelen, klateren, murmelen
muscatel = muskaatwijn, muskaatwijn
muscle = spier
Muscovite = Moskous, Moskovitisch, Moskoviet
muscular = spier-
muse = muze
muser = dromer, mijmeraar
museum = museum
mush = brij, moes, pap
mushroom = champignon, paddestoel, zwam, champignon, champignon
music = muziek
musical = muzikaal, muziek-, musical, muzikaal, musical
musical-box = muziekdoos
musical box = muziekdoos
musical club = muziekvereniging
musical evening = muziekavond
musical instruction = muziekonderwijs
musical instrument = muziekinstrument, speeltuig
musicality = muzikaliteit
musical performance = muziekuitvoering
musical society = muziekvereniging
musical time = beleid, maat, tact, ritme
music-book = muziekboek
music-box = muziekdoos
musician = musicus, muzikant, speelman, toonkunstenaar
music-lesson = muziekles
music-lover = muziekliefhebber
musicology = muziekwetenschap
music-stand = muziekstander
musk = muskus
musk-deer = muskusdier
musket = musket, musket
musketeer = musketier, musketier
musk-ox = muskusos
musk-rat = muskusrat, bisamrat, muskusrat
musky smell = muskuslucht
Muslim = islamiet, mohammedaan, moslim, islamiet, mohammedaan, muzelman, islamiet, mohammedaan, moslim
muslin = mousseline, neteldoek
musquash = muskusrat, bisamrat, muskusrat
mussel = mossel
mussel-bank = mosselplaat
mussel-bed = mosselplaat
Mussulman = islamiet, mohammedaan, moslim, islamiet, mohammedaan, muzelman, islamiet, mohammedaan, moslim
must = horen, behoren, dienen, moeten, zullen, most
mustard = mosterd
mustard-gas = mosterdgas
mustard pot = mosterdpot
mustard sauce = mosterdsaus
mustard seed = mosterdzaad
muster-roll = monsterrol
musty = duf, muf, vuns, vunzig
mutation = mutatie
mute = sprakeloos, stom, stomme
mutineer = muiter, oproerling, rebel
mutiny = muiterij, onlusten, opstand
mutter = brommen, mompelen, morren, mummelen, murmelen, ruisen
mutton = schapevlees
mutual = onderling, wederkerig, wederzijds
mutually = over en weer
mutual understanding = stilzwijgende overeenkomst
muzzle = bek, muil, muilkorven, muilband, muilkorf, muilkorf
my = m'n, mijn, mijn, m'n
Mycenae = Mycene
myriad = myriade
myrrh = mirre
myself = mezelf, mijzelf
mysterious = geheimzinnig, mysterieus, raadselachtig
mysteriousness = raadselachtigheid
mystery = geheimenis, mysterie, raadsel
mystic = mystiek, mysticus
mystical = mystiek
mysticism = mysticisme
mystification = bedotterij, fopperij, mystificatie
mystify = bedotten, beduvelen, beetnemen, om de tuin leiden
myth = mythe
mythical = mythisch
mythologist = mytholoog
mythology = mythologie
myxomatosis = myxomatose
nabob = nabob
nadir = nadir, voetpunt
nag = hit
naïf = argeloos, naïef, ongekunsteld, onnozel
nail = nagelen, spijkeren, nagel, draadnagel, spijker, nagel
nail-bed = nagelbed
nail-brush = nagelborstel
nail clipper = nagelknipper
nail clippers = nagelknipper
nail-file = nagelvijltje
nail-scissors = nagelschaartje
nail-varnish = nagellak
naïve = argeloos, naïef, ongekunsteld, onnozel
naked = bloot, naakt, onbedekt, onopgesmukt
nakedness = naaktheid
name = benaming, naam, naamwoord
name-day = naamdag
nameless = anoniem, naamloos
namely = in naam, namelijk, te weten
name-plate = naambordje
namesake = naamgenoot
Namibia = Namibië
Namibian = Namibisch, Namibiër
Namibian woman = Namibische
Namur = Namen
nandu = nandoe, nandoe
nanometre = nanometer
nap = druilen, dutten, sluimeren
nape = nek
naphthalene = naftaleen, naftaleen
naphthaline = naftaleen, naftaleen
naphthol = naftol
napkin = servet
Naples = Napels
narcissus = narcis
narrate = debiteren, verhalen, vertellen
narrative = relaas, verhaal, vertelling, vertelsel
narrow = bekrompen, eng, krap, nauw, smal
narrow space = engte, nauwe ruimte
nasal = nasaal, neus-
Nassau = Nassau
nasturtium = klimkers
nasty = afgrijselijk, afschuwelijk, afkeer inboezemend, antipathiek, gemeen, onguur, ploertig, rottig, vuig, schurkachtig, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, akelig, naar, onaangenaam, lelijk, afzichtelijk, foeilelijk, beroerd, kwaad, kwalijk, slecht, verkeerd, oneerlijk, boosaardig, hatelijk, kwaadaardig, snood, te kwader trouw, vals, gemeen, immoreel, onzedelijk, zedeloos, zedenkwetsend, gemeen, infaam, laag, laaghartig, schunnig, vuig, onaangenaam, onplezierig
Natal = Natal
nation = natie, volk, volk
national = nationaal, vaderlands
nationality = nationaliteit, nationaliteit, staatsburgerschap
nationalization = naasting
nationalize = naasten, nationaliseren
native = autochtoon, autochtoon, oorspronkelijke bewoner, autochtoon, oerbewoner, aangeboren, ingeboren, inheems, inlands, inboorling, inlander, aangeboren, autochtoon, autochtoon
natural = natuurlijk
natural gas = aardgas
natural law = natuurwet
naturally = natuurlijk, uiteraard, van nature
nature = aard, geaardheid, karakter, aard, geaardheid, karakter, natuur, wezen, natuur, aard, geaardheid, karakter, natuur, wezen
naught = nihil, nul
naughty boy = bengel, blaag, rekel, snotaap, straatbengel, vlegel
nausea = afkeer, misselijkheid, walg, walging, weeheid, weerzin
nauseate = afkeer i