Search billions of records on Ancestry.com
   
Website logo

Wordlist English (Modern)-Dutch
Character set: WinLatin1 (CP 1252)

a = aan, in, binnen, per, te, een, een of ander, een zeker, iemand, per, à, bij, elk, ieder, telkens, à, bij, elk, ieder, telkens, een

aalii = kleverige dodonea

Aar = Aar

aardvark = aardvarken

aardwolf = aardwolf

Aaron = Aäron

abaca = manilla, manillahennep

aback = bij verrassing

abacus = abacus, dekplaat

abalone = haliotis

abandon = afleggen, opgeven, prijsgeven, in de steek laten, laten varen, verlaten, ongeremdheid, afstand doen van, opgeven, uitvallen

abandoned = verlaten, gemeen, immoreel, onzedelijk, zedeloos, zedenkwetsend, brutaal, driest, onbeschaamd, schaamteloos

abandonedly = immoreel, schaamteloos, zonder blikken of blozen

abandonment = abandonnement, afstaan, afstand, cessie, concessie, toegeving, eenzaamheid, verlatenheid, woestheid, verlatenheid, verlating, natuurlijkheid, ongedwongenheid, natuurlijkheid, ongekunsteldheid, losheid, ongegeneerdheid, vrijmoedigheid

abandon oneself = zich overgeven

abase = kleinmaken, vernederen, verootmoedigen

abasement = vernedering, verootmoediging, verootmoediging, zelfvernedering

abase oneself = zich vernederen, zich verlagen

abash = in verlegenheid brengen, ongelegen komen, ontrieven, overbluffen, overdonderen

abashed = bedeesd, bevangen, blo, timide, verlegen

abashment = benardheid, hinder, knelpunt, penarie, verlegenheid

abatable = verminderbaar

abate = bedaren, bekoelen, luwen, tot rust komen, uitrazen, uitwoeden, luwen, verflauwen, verzwakken, afnemen, verminderen, afnemen, gaan liggen, inkorten, verminderen, afnemen, slinken, tanen, verflauwen, verminderen

abatement = verzwakking, afname, besnoeiing, vermindering, achteruitgang, verflauwing, vermindering, afslag, korting, rabat

abbacy = <jurisdictie van een abt>, abtschap

abbatial = <op een abt betrekking hebbend>, abdij-

abbess = abdis

abbey = abdij

abbot = abt, abt, <abt van een Tibetaans klooster>

abbotcy = abtschap

abbotship = abtschap

abbreviate = afkorten, bekorten, inkorten, afkorten, bekorten, inkorten, inkrimpen, korten, verkorten

abbreviation = afkorting, afkorting, verkorting, afkorting, bekorting, inkorting

ABC = ABC, alfabet, basisbeginselen, eerste beginselen, ABC, alfabet

ABC book = ABC-boek

abdicate = abdiceren, abdiqueren, afstand doen, afstand doen van, aftreden, abdiceren, abdiqueren, afstand doen, afstand doen van, aftreden, afschuiven

abdicate to = afschieten op

abdication = afstand, ontslagname, ontslagneming, troonsafstand, afstand, ontslagname, ontslagneming, troonsafstand

abdomen = abdomen, achterlijf, onderbuik, onderlijf, abdomen, achterlijf, abdomen, onderbuik, onderlijf, onderbuik, onderlijf, buik

abdominal = abdominaal, onderbuiks-, onderbuik-, buik-

abduct = ontvoeren

abduction = ontvoering

abductor = abductor, ontvoerder

abeam = dwars, dwarsscheeps

abed = in bed, op bed, te bed

abele = abeel, witte abeel, witboom, zilverpopulier

aberrance = afwijking, afdwaling, verdooldheid

aberrant = afdwalend, afwijkend, afdwalend, afwijkend

aberration = aberratie, afdwaling, afwijking, lichtafwijking, afwijking, abuis, fout, dwaling, vergissing, misstap, misstap

abet = agiteren, ophitsen, opruien, opstoken, opwinden, schudden, assisteren, bijstaan, helpen, ter zijde staan, aanstoken, irriteren, ophitsen, op stang jagen, prikkelen, sarren, dragen, schoren, steunen, ondersteunen, ruggesteunen, schragen

abetment = medeplichtigheid

abetter = mededader, medeplichtige, handlanger, medeplichtige

abhor = een afschuw hebben van, verafschuwen, verfoeien

abhorrence = gruwel, gruweldaad, verschrikking, afgrijzen, afschrik, afschuw, walging, weerzin, gruwel, afgrijzen, afschuw, zielsangst

abhorrent = afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, misselijk, onsmakelijk, stuitend, walgelijk, weerzinwekkend

abide = afhalen, wachten, te wachten staan, verbeiden, verwachten, dragen, naar buiten brengen, uithouden, verdragen, doorstaan, dulden, harden, uithouden, uitstaan, verdragen, doorbijten, doorzetten, voet bij stuk houden, volharden, volhouden, plakken, resideren, verblijf houden, vertoeven, wijlen, verwijlen, doorstaan, lijden, ondergaan, uitstaan, velen, verdragen, afwachten

abide by = zich houden aan, zich houden aan

abiding = aanhoudend, bestendig, blijvend, gedurig, vast, voortdurend, blijvend, over, resterend

ability = bekwaamheid, kundigheid, bekwaamheid, vermogen, bevoegdheid, competentie, deskundigheid, bevoegdheid, kwalificatie, macht, vermogen, kredietwaardigheid, solvabiliteit, solventie, geschiktheid

abiogenesis = abiogenese, abiogenesis, spontane generatie

abject = nietswaardig, verachtelijk, gemeen, infaam, laag, laaghartig, schunnig, vuig, belabberd, ellendig, miserabel, schamel, schunnig, stumperig

abjection = diepe vernedering, verachtelijkheid, gemeenheid, laaghartigheid, vuigheid

abjuration = afzwering, afzwering

abjure = abjureren, afzweren, afzweren, afgelasten, annuleren, ontbinden, tenietdoen, terugnemen, hernemen, herroepen, terughalen, terugnemen

Abkhazia = Abchazië

Abkhazian = Abchazisch, Abchaziër

ablative = ablatief

ablaze = gloeiend, verterend, verzendend, vurig, in lichterlaaie, vlammend

able = bekwaam, capabel, kundig, bevoegd, competent, deskundig, vakkundig, zaakkundig, bevoegd, geschoold, vakbekwaam

-able = -baar, -waardig

able-bodied = gezond van lijf en leden

abloom = bloeiend, fleurig

ablution = wassing

ably = bekwaam, knap, kundig

abnegate = abnegeren, zich verloochenen, zich versterven, abjureren, afzweren

abnegation = abnegatie, zelfverloochening, zelfverloochening

abnormal = abnormaal, abnormaal, abnormaal, abnormaal, ongeregeld, onregelmatig

abnormality = abnormaliteit, abnormaliteit, abnormaliteit, afwijking, abnormaliteit, onregelmatigheid

abnormal psychology = psychopathologie

abnormity = abnormaliteit, abnormaliteit, afwijking, anomalie, onregelmatigheid

aboard = in de bus, in de bus, in de trein, aan boord, aan boord van, aan boord

abode = domicilie, woonplaats, kwartier, logies, onderkomen, woning, woonplaats, verblijf, verblijfplaats

abolish = afschaffen, afschaffen, afgelasten, annuleren, ontbinden, tenietdoen, terugnemen

abolition = afschaffing, afschaffing, afschaffing, eliminatie, ruiming, verwijdering, annulering, ontbinding, vernietiging

abolitionism = anti-slavernijbeweging

abolitionist = tegenstander van slavernij

abominable = afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, misselijk, onsmakelijk, stuitend, walgelijk, weerzinwekkend

abominate = een afschuw hebben van, verafschuwen, verfoeien

abomination = gruwel, gruweldaad, verschrikking, gruwel, gruweldaad, verschrikking, afgrijzen, afschrik, afschuw, walging, weerzin, gruwel

aboriginal = inboorlingen-, inheems, inlands, inboorling, inlander, binnenlands, inheems, inlands, inheems, inlands, aboriginal, Australische inboorling, <betrekking hebbend op de Australische inboorlingen>, aboriginal, Australische inboorling, inboorling, inlander, oorspronkelijk, origineel

aborigine = aboriginal, Australische inboorling, <betrekking hebbend op de Australische inboorlingen>

abort = aborteren, een miskraam krijgen, mislukken, ontijdig bevallen, aborteren, de vrucht afdrijven, doen mislukken, laten mislukken, aborteren, de vrucht afdrijven, laten mislukken, doen mislukken, aborteren, een miskraam krijgen, ontijdig bevallen, mislukken, floppen, in het water vallen, schipbreuk leiden, stranden, doen falen, laten mislukken, verijdelen, verkwijnen, versmachten, wegkwijnen, falen, misgaan, mislukken, sjezen, stralen, stranden, zakken, afwijzen, verijdelen

abortion = abortus, abortus provocatus, vruchtafdrijving, abortus, miskraam, mislukking, abortus, miskraam, debâcle, echec, fiasco, flop, mislukking, sof, echec, fiasco, mislukking, strop

abortionist = aborteur

abortive = mislukt, mislukt, nutteloos, ondienstig, onnuttig, vergeefs, vruchteloos, ijdel, nutteloos, vergeefs, vruchteloos

abound = in overvloed aanwezig zijn, krielen, krioelen, wemelen, wriemelen, zwermen

abounding in water = waterrijk

about = circulerend, in omloop, in omloop zijnd, aangaande, betreffende, omtrent, wat betreft, aan, aangaande, betreffende, met, over, van, circa, een stuk of, ongeveer, plusminus, zowat, om, om ... heen, omtrent, ongeveer, rondom

about-face = keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling

above = benoorden, ten noorden van, boven, meer dan, over, ruim, aan, boven, over, boven, daarboven, omhoog, naar boven, omhoog, op, opwaarts, bovenstaand, bovengenoemd, bovengenoemd, hierboven

above all = in het bijzonder, inzonderheid, vooral, in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk, in de eerste plaats

above-board = degelijk, eerlijk, eerzaam, fatsoenlijk, net, onomwonden, onverbloemd, open, rondborstig, innig, ongeveinsd, oprecht, rondborstig, trouwhartig, zuiver

above-mentioned = bovengenoemd, bovengenoemd

abracadabra = wartaal, toverspreuk

abrade = schaven, afschaven, schuren, gladschuren

Abraham = Abraham

abrasion = abrasie, afkrabbing, afslijting, wegkrabbing, afschaving, ontvelling, schaafwond, schram

abrasive = bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, bits, snibbig, schuur-, schuurmiddel, schuur-

abreact = afreageren

abreaction = afreageren

abreast = naast elkaar, zij aan zij, gelijke tred houdend

abridge = begrenzen, beknotten, beperken, beperkingen opleggen aan, afkorten, bekorten, inkorten, inkorten, verminderen, inkrimpen, korten, verkorten

abridgement = afkorting, verkorting, excerpt, overzicht, resumé, samenvatting, uittreksel

abroad = in het buitenland, circulerend, in omloop, in omloop zijnd, buiten, daarbuiten, uiterlijk, in het buitenland

abrogate = afschaffen, afschaffen, afgelasten, annuleren, ontbinden, tenietdoen, terugnemen

abrogation = afschaffing, afschaffing, abrogatie, afschaffing, intrekking, annulering, ontbinding, vernietiging

abrupt = abrupt, bruusk, kortaf, bars, bruusk, kortaangebonden, steil, onverhoeds, onverwacht, plotseling

abruptly = abrupt, botweg, kortaf

abscess = abces, etterbuil, ettergezwel, abces, etterbuil, ettergezwel

abscissa = abscis

abscond = drossen, weglopen, wegrennen, zich uit de voeten maken

abseil = afdalen langs een dubbelbevestigd touw

absence = afwezigheid, absentie, afwezigheid, mangel, uitstedigheid, verstek, verzuim, afwezigheid, euvel, gebrek, gemis, tekort, tekortkoming

absence of mind = verstrooidheid, verstrooidheid, verstrooiing, verzet

absent = verstrooid, afwezig, absent, afwezig, uitstedig, absent, afwezig, ontbrekend, vermist

absentee = afwezige, wegblijver

absenteeism = absenteïsme

absent-minded = afgetrokken, verstrooid, verstrooid, afwezig, wezenloos

absent oneself = wegblijven

absent onself = afgaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen

absinth = absint, absintlikeur, absint, absintlikeur, alsem, alsem

absolute = absoluut, onvermengd, onvoorwaardelijk, volstrekt, puur, zuiver, absoluut, volkomen,volstrekt, absoluut, onvermengd, puur, zuiver, absoluut, onbeperkt, ongelimiteerd, absoluut, onafhankelijk, op zichzelf staand, compleet, heel, volkomen, volledig, volslagen, voltallig, onbeperkt, ongelimiteerd, beslist noodzakelijk, onvermijdelijk, volstrekt, grenzeloos, onbegrensd

absolutely = absoluut, beslist, ten enenmale, volstrekt, inderdaad, metterdaad, waarachtig, waarlijk, warempel, werkelijk, bepaald, beslist, per se, strikt, volstrekt, vooral, zeker, echt, inderdaad, naar waarheid, waarachtig, waarlijk, werkelijk

absolute power = alleenheerschappij, autocratie

absolute rule = alleenheerschappij, autocratie

absolute ruler = alleenheerser, autocraat

absolution = absolutie, vrijspraak, absolutie, genade, gratie, vergeving, vergiffenis, absolutie

absolutism = absolutisme

absolve = absolutie geven, absolveren, vrijspreken, absolutie geven, absolveren

absorb = absorberen, in beslag nemen, opslorpen, beschikken over, disponeren, opslorpen, resorberen, slurpen, opslurpen

absorbed in = opgaand in, verdiept in, verzonken in

absorbent = absorberend, absorberend materiaal, absorberend, vloei-

absorbing = betoverend, boeiend, fascinerend, boeiend

absorption = absorptie, opslorping

abstain = abstineren, zich abstineren, zich onthouden, zich onthouden, zich onthouden

abstain from = zich onthouden van

abstemious = bezadigd, matig, nuchter, sober, stemmig

abstention = onthouding, terughoudendheid

abstinence = onthouding, terughoudendheid

abstract = abstract, afgetrokken, abstraheren, in de wacht slepen, zich toeëigenen, abstraheren, afleiden, deduceren, afhouden, onthouden, onttrekken, weghouden, afnemen, afpakken, weghalen, wegnemen, afleiden, besluiten, concluderen, een gevolgtrekking maken, excerperen, resumeren, samenvatten, excerpt, overzicht, resumé, samenvatting, uittreksel, theoretisch

abstracted = afgetrokken, verstrooid, verstrooid

abstraction = abstractie, abstraheren, abstractie, abstract begrip, verstrooidheid, verstrooidheid, extractie, onttrekking, ontvreemding, diefstal, ontvreemding

abstruse = geheimzinnig, mysterieus, raadselachtig, diepzinnig

absurd = absurd, dwaas, ongerijmd, onzinnig, zinneloos, zot, onzinnig, zinledig, zinloos

absurdity = absurditeit, onding, ongerijmdheid, absurditeit, ongerijmde, ongerijmdheid, zinloosheid

abundance = onbekrompenheid, overvloed, uitbundigheid, weligheid, abundantie, overvloed, rijkdom, overvloed

abundant = abundant, overvloedig, rijk, uitbundig, volop, weelderig, welig, abundant, overvloedig, rijk, uitbundig, volop, weelderig, welig, overvloedig, rijkelijk

abundantly = in overvloed, rijkelijk, ruimschoots, volop

abuse = gescheld, affronteren, beledigen, krenken, affront, belediging, smaad, euvel, kwaad, misstand, ongemak, mishandeling, misbruiken, misbruik maken van, misbruik, beledigen, grieven, krenken, verongelijken, affront, belediging, krenking, mishandelen, slecht behandelen, mishandeling, pesterij, koeioneren, kwellen, martelen, mishandelen, treiteren

abuse of power = ambtsmisdrijf

abusive = beledigend, grievend, krenkend

abut = belenden, grenzen aan

abutment = beer, steunbeer, schoor, schoor

abut on to = bijna ... zijn, grenzen aan, in de buurt komen van, zwemen naar

abut to = bijna ... zijn, grenzen aan, in de buurt komen van, zwemen naar

abysmal = ondoorgrondelijk, onpeilbaar, hopeloos, vertwijfeld, wanhopig, ijselijk, schrikaanjagend, verschrikkelijk, vervaarlijk, vreselijk, immens, onmetelijk

abyss = afgrond, afgrond

Abyssinia = Abessinië, Ethiopië

Abyssinian = Abessijns, Abessijn, Abessiniër

acacia = acacia

academic = academisch, student, academisch, universitair, academicus, hoogleraar

academician = <lid van een geleerd genootschap>

academy = academie, genootschap, hogeschool, hogeschool

academy of music = conservatorium

acanthus = acanthus, bereklauw

accede = lid worden, goedvinden, het eens zijn, toegeven, toestemmen, lid worden, toetreden

accelerate = accelereren, bespoedigen, verhaasten, versnellen, optrekken, versnellen, terugzetten, verhaasten, vervroegen, bespoedigen, verhaasten, versnellen, acceleren, versnellen

acceleration = acceleratie, versnelling, bevordering, spurt, versnelling, verhaasting, versnelling, acceleratie, versnelling

accelerative = versnellend

accelerator = accelerateur, gaspedaal, versneller, gaspedaal

accelerator pedal = accelerateur, gaspedaal, versneller, gaspedaal

accent = accentueren, beklemtonen, de klemtoon leggen op, accent, klemtoon, nadruk, benadrukken, met nadruk zeggen, nadruk leggen op, klem, nadruk, accent, tongval

accent mark = accent, accentteken, kapje

accentuate = accentueren, beklemtonen, de klemtoon leggen op, benadrukken, met nadruk zeggen, nadruk leggen op

accept = aannemen, aanvaarden, accepteren, erkennen, ontvangen

acceptable = aannemelijk, aanvaardbaar, acceptabel, geldig, schikkelijk, acceptabel, ontvankelijk

acceptance = aanvaarding, aanneming, onthaal, ontvangst, opname, toelating

acceptation = <standaardbetekenis v.e. woord>

accepted = aanvaard, erkend, gangbaar, geaccepteerd, algemeen geaccepteerd, gangbaar

acceptor = acceptant

access = oprijlaan, oprit, aanval, offensief, vlaag, binnengaan, entree, intrede, toegang, aandrift, drang, aandrang, impuls, opwelling, stuwing

accessible = genaakbaar, toegankelijk, bereikbaar, gevoelig, ontvankelijk, receptief

accession = aanwinst, acquest, buit, prooi, aanwinst, acquisitie, buit, prooi, verkrijging, verwerving, aanmelding, toetreding, aanvaarding, ambtsaanvaarding, vermeerdering, troonsbestijging

accessorie = aanhangsel

accessories = accessoires, toebehoren

accessory = bijbehorend, bijkomend, bijkomstig, erbij horend, secundair, aanhangsel, bijkomstigheid, bijwerk, bijzaak, aanbehorend, bijbehorend, bijzaak, mededader, medeplichtige, medeplichtig, medeschuldig, handlanger, medeplichtige, bijzaak

accessory matter = bijzaak

access road = toegangsweg, snelwegoprit

accidence = toeval, toevalligheid, morfologie, vormleer

accident = accident, ongeluk, ongeval

accidental = accidenteel, incidenteel, toevallig, bijkomend, meer, verder

accidentally = per ongeluk

accident-prone = <een grotere kans op ongelukken lopend>

accident risk = ongevallenrisico

acclaim = bij acclamatie benoemen, toejuichen, zijn bijval betuigen, acclamatie, bijval, toejuiching, adhesie betuigen, applaudisseren, toejuichen, applaus, bijval, bijvalsbetuiging, toejuiching, bijval, fiat, goedkeuring

acclamation = bijval, toejuichingen, acclamatie, bijval, toejuiching, bijvalsbetuiging, applaus, bijval, bijvalsbetuiging, toejuiching

acclimate = acclimatiseren

acclimatization = acclimatisering

acclimatize = acclimatiseren, acclimatiseren

acclivity = glooiing, helling, schuinte

accolade = eerbetoon, eerbetuiging, accolade

accommodate = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren

accommodate oneself = aanpassing

accommodating = inschikkelijk, meegaand, toegevend, behulpzaam, hulpvaardig, coulant, goedig, handelbaar, toegevend

accommodating ladder = valreep

accommodation = aanpassing, accommodatie, aanpassing, accommodatie, aanpassing, akkoord, inrichting, maatregel, regeling, schikking, zetting, inschikkelijkheid, meegaandheid, toegevendheid, huisvesting, inkwartiering, faciliteiten, afspraak, akkoord, schikking, verbintenis, compromis, middenweg, tussenvoorstel, vergelijk, goedigheid, handelbaarheid, toegevendheid, willigheid, kwartier, logies, onderkomen, woning, huisvesting, logies, nachtverblijf

accomodate = aanpassen, accommoderen, onderdak bieden, onder dak brengen, een dienst bewijzen, afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen, gastvrijheid verlenen aan, baten, bijstaan, helpen, ter zijde staan

accomodate oneself = zich aanpassen, zich schikken

accomodate with = voorzien van, voorzien van

accomodation = compromis

accompaniment = accompagnement, begeleiding, accompagnement, begeleiding

accompanist = begeleider, metgezel

accompany = accompagneren, begeleiden, vergezellen, meelopen met

accompanying = bijgaand, ingesloten

accomplice = mededader, medeplichtige, handlanger, medeplichtige

accomplish = bereiken, behalen, inhalen, reiken tot, treffen, bewerkstelligen, doorvoeren, tot stand brengen, verwezenlijken, geheel maken, klaren, volbrengen, voltooien, nakomen, naleven, uitvoeren, verrichten, vervullen, voltrekken

accomplished = beschaafd, welopgevoed, uitgemaakt, voldongen, volleerd, voldongen, bevoegd, competent, deskundig, vakkundig, zaakkundig, deskundig, ervaren, geoefend, zaakkundig, getalenteerd, talentvol

accomplishment = prestatie, daad, handeling, prestatie, verrichting, beëindiging, voltooiing, inlossing, naleving, uitvoering, vervulling, voltrekking

accord = het eens zijn, overeenstemmen, samengaan, akkoord, overeenkomst, overeenstemming, akkoord, overeenkomst, overeenstemming, bijeenpassen, harmoniëren, samenklinken, afspraak, akkoord, schikking, verbintenis, gedogen, toelaten, toestaan, vergunnen, veroorloven

accordance = akkoord, overeenkomst, overeenstemming, akkoord, overeenkomst, overeenstemming

according as = blijkens, ingevolge, langs, naar, volgens

accordingly = dus, ergo, ook weer, toch, toch wel, zodoende, dienovereenkomstig, bijgevolg, derhalve, dus, zodoende

according to = naargelang, blijkens, ingevolge, langs, naar, volgens

accordion = accordeon, trekharmonika

accordionist = accordeonist, harmonikaspeler

accord with = harmoniëren met

accost = aanklampen, aanspreken, toespreken

account = explicatie, toelichting, uiteenzetting, uitleg, verklaring, factuur, nota, rekening, warenlijst, bericht, informatie, inlichting, terechtwijzing, verwittiging, reden, rekenschap, uitduiding, verklaring, bericht, mededeling, tijding, beschouwen, nagaan, overwegen, rekening houden met, conto, rekening, geloven, houden voor, menen, afdoening, afrekening, beweegreden, drijfveer, motief, term, achten, geloven, van mening zijn, vinden, beschrijving, schildering, tafereel

accountable = verklaarbaar, verantwoordelijk, verantwoordelijk, aansprakelijk, verantwoordelijk, aansprakelijk, toerekenbaar, verantwoordelijk

accountancy = accountancy

accountant = accountant, boekhoudkundige, accountant

account book = huishoudboek, register, rol

account for = voor zijn rekening nemen, rekenschap afleggen, beduiden, toelichten, uiteenzetten, uitleggen, verklaren, beduiden, duidelijk maken, uitleggen, verhelderen, verklaren, uitmaken, vormen, aansprakelijk zijn, verantwoordelijk zijn, verantwoorden

accounting = accountancy, boekhouden, boekhouding

account sales = verkooprekening

accoutrement = accommodatie, inrichting, uitrusting, uitrustingsstuk

accoutrements = accommodatie, inrichting, uitrusting, uitrustingsstuk

accredit = accrediteren, toedichten, toekennen, toeschrijven, geloven, houden voor, menen

accretion = aanwas, gestalte, groei, aangroei, ontwikkeling, toename, aanslibbing

accrue = afstammen, het gevolg zijn van, ontspruiten, voortkomen, gedijen, groeien, toenemen, wassen, aanwassen, oplopen, rijzen, stijgen, groeien, aangroeien, toenemen

accrue from = afkomstig zijn van, stammen uit, stammen van

accrue to = ten deel vallen, toevallen

accumulate = accumuleren, ophopen, opeenhopen, zich ophopen, zich opeenhopen, opeenhopen, ophopen, stapelen, opstapelen, opeenstapelen, tassen, kruien, samenscholen, samenrotten, te hoop lopen, zich ophopen

accumulation = opeenhoping, opeenhoping, opeenhoping, opeenstapeling, samenscholing, boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep

accumulative = zich ophopend, zich opeenhopend, zich ophopend, zich opeenhopend, aangroeiend

accumulator = accu, accumulator, accumulator, verzamelaar

accuracy = accuratesse, nauwgezetheid, stiptheid, zorgvuldigheid, accuratesse, nauwkeurigheid, precisie, nauwkeurigheid, precisie, stiptheid, zorgvuldigheid, nauwgezetheid

accurate = accuraat, nauwgezet, nauwkeurig, prompt, stipt, zorgvuldig, juist, minutieus, precies, scherp, secuur, stipt, zorgvuldig, angstvallig, scrupuleus

accursed = verdoemd, gehaat, verdoemd

accurst = verdoemd, gehaat, verdoemd

accusal = aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging

accusation = aanklagen, beschuldigen, beschuldiging, aanklacht, beschuldiging, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging, aangifte, aanklacht, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging

accusative = accusatief, vierde naamval

accusatory = beschuldigend, beschuldigend

accuse = aanklagen, beschuldigen, betichten, aanbrengen, aangeven, klikken, verklikken, beschuldigen, betichten, aanklagen

accused = aangeklaagde, beklaagde, beschuldigde, verweerder, aangeklaagde, beschuldigde

accuse of = beschuldigen van, beschuldigen van

accuser = aanklager, beschuldiger, aanklager, klikspaan, verklikker, beschuldiger, klager

accustom = gewend zijn, gewoon zijn, plegen, wennen, aanwennen, gewoon maken

accustomed = gebruikelijk, gewoon

accustom oneself = aarden, gewend raken, wennen

ace = aas, uitblinker, crack, uitblinker

acephalans = koplozen

acephalous = koploos

acerbic = doordringend, schel, scherp, adstringerend, samentrekkend, wrang, wrang, wrang, bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, scherp, bitter, bitter, zuur

acerbity = wrangheid, wrangheid, felheid, guurheid, schelheid, scherpheid, scherpte, schrilheid, bitterheid, verbittering, bitterheid

acetate = acetaat, azijnzuur zout

acetic acid = azijnzuur

acetone = aceton

acetous = zuur

acetyl- = acetyl-

acetylene = acetyleen

Achaea = Achaea

Achaia = Achaea

ache = haken naar, hunkeren, smachten, smachten naar, snakken naar, pijn doen, zeer doen, pijn hebben, pijn lijden, pijn, wee, zeer, hunkeren, reikhalzen, verlangen, smachten, zuchten, zuchten naar, pijn hebben, pijn lijden

ache for = haken naar, verlangen naar

Acheron = Acheron

achievable = doenlijk, haalbaar, uitvoerbaar, doenlijk, haalbaar, maakbaar, te doen, uitvoerbaar, uitvoerbaar

achieve = buit maken, behalen, verkrijgen, verwerven, bereiken, behalen, inhalen, reiken tot, treffen, bewerkstelligen, doorvoeren, tot stand brengen, verwezenlijken, geheel maken, klaren, volbrengen, voltooien, maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren, nakomen, naleven, uitvoeren, verrichten, vervullen, voltrekken

achievement = actie, daad, handeling, verrichting, werking, zet, prestatie, daad, handeling, prestatie, verrichting, succes, welslagen

Achilles = Achilles

Achilles' heel = achilleshiel

Achilles' tendon = achillespees

achromatic = kleurloos

achrostic = acrostichon, letterdicht, naamdicht

acid = LSD, doordringend, schel, scherp, zuur, zuur, adstringerend, samentrekkend, wrang, wrang, bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, sarcastisch

acid drop = zuurtje

acidify = zuren, verzuren, zuur maken, verzuren, zuur worden

acidity = zurigheid, zuurheid, zuurgraad

acidness = zurigheid, zuurheid, sarcasme

acid test = vuurproef

ack-ack = luchtafweergeschut, luchtdoelgeschut

acknowledge = agnosceren, als waarheid aannemen, erkennen, honoreren, danken voor, bedanken voor, bekennen, biechten, erkennen, toegeven, bekennen, erkennen, toegeven, bekrachtigen, bevestigen, erkennen, staven, vormen

acknowledgement = erkenning, bewijs van erkentelijkheid, bekentenis, biecht, erkenning, bekentenis, erkenning, erkenning, herkenning, kwitantie, ontvangbewijs, reçu

acme = apogeum, hoogtepunt, summum, toppunt, hoogtepunt, toppunt, hoogtepunt, summum, toppunt

acne = acne, acne, dauwworm, eczeem, acne, meeëter, vetpuistje

acolyte = aanhanger, adept, beoefenaar, volgeling, aanhanger, adept, volgeling, altaardienaar, acoliet, aanhanger, lid, lidmaat

aconite = akoniet, monnikskap

acorn = eikel

acoustic = akoestisch

acoustics = akoestiek, geluidsleer, klankleer

acquaint = berichten, informeren, inlichten, verwittigen, voorlichten, aankondigen, in kennis stellen, meedelen, mededelen, verwittigen

acquaintance = kennismaking, bekendheid, kennismaking, bekende, kennis, relatie, bekendheid, kennis, kunde

acquaint oneself = zich bekend maken

acquaint onself with = zich op de hoogte stellen van

acquiesce = stilzwijgend instemmen, stilzwijgend toestemmen, berusten

acquiescence = berusting, stilzwijgende instemming, stilzwijgende toestemming, berusting, gelatenheid, berusting

acquire = buit maken, behalen, verkrijgen, verwerven, aankopen, aankopen, kopen, zich eigen maken

acquired = aangeleerd

acquirement = acquisitie, prestatie, verworvenheid

acquisition = acquisitie, aanwinst, acquest, buit, prooi, aanwinst, acquisitie, buit, prooi, verkrijging, verwerving, koop, aankoop, inkoop, gekochte, aankoop, aankoop, aanschaf, afname, inkoop, koop, overname, aankoop, aanschaf, koop

acquisitive = begerig, belust, gretig, happig, verlekkerd, hebberig, hebzuchtig

acquit = absolutie geven, absolveren, vrijspreken, absolveren, vrijspreken, ontslaan van verantwoordelijkheid

acquittal = absolutie, vrijspraak, afbetaling, effening, kwijting, kwijtschelding, vereffening, lossing, inlossing, naleving, uitvoering, vervulling, voltrekking

acre = acre, acre

acreage = <opppervlakte in acres>

acrid = doordringend, schel, scherp, wrang, bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, bits, snibbig

acrimonious = bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, bits, snibbig

acrimony = bitsheid, snibbigheid, felheid, guurheid, schelheid, scherpheid, scherpte, schrilheid

acrobat = acrobaat, kunstenmaker

acrobatic = acrobatisch

acrobatics = acrobatiek

acronym = acroniem, acroniem, letterwoord

Acropolis = Acropolis

across = horizontaal, in horizontale richting, kruiselings, kruiselings, kruiselings, dwars door, aan de overkant van, over, overheen, over ... heen, aan de overkant, naar de andere kant, naar de overkant

across from = jegens, met, tegen, tegenaan, tegenover, versus

act = ageren, doen, bezig zijn, handelen, optreden, te werk gaan, actie, daad, handeling, verrichting, werking, zet, act, akte, bedrijf, document, nummer, stuk, acteren, akte, bedrijf, act, nummer, effect sorteren, uitwerking hebben, werken, uitwerken, maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren, daad, handeling, prestatie, verrichting, beïnvloeden, invloed hebben op, wet, aanbieden, indienen, presenteren, spelen, vertonen, voorstellen, te werk gaan

actable = speelbaar

act as = optreden als

act as agent = bemiddelen

act as a middleman = makelen

act as patron = beschermen, sponsoren

act crazy = krankzinnig zijn

act for = vertegenwoordigen

acting = toneelspel, plaatsvervangend, subsidiair, vervangend, waarnemend

actinium = actinium, zeeanemoon, actinium

action = actie, gedoe, handeling, optreden, toedoen, werking, actie, daad, handeling, verrichting, werking, zet, gevecht, kamp, slag, strijd, treffen, veldslag, inwerking, daad, handeling, prestatie, verrichting, invloed, inwerking, machinerie, mechanisme, werk, geding, gerechtszaak, proces, rechtsgeding, verloop

actionable = vervolgbaar

action committee = actiecomité, actiecomité

action group = actiecomité, actiecomité

action replay = action replay

Actium = Actium

activate = aanzetten, aanzetten tot, activeren, aandoen, aanrichten, stichten, teweegbrengen, veroorzaken, radioactief maken

active = actief, bedrijvig, werkzaam, actief, bedrijvend, bedrijving, werkdadig, werkend, werkzaam, actief, bedrijvig, werkdadig, werkend, werkzaam, bedrijvend, functionerend, werkend, arbeidzaam, ijverig, nijver, vlijtig, werkzaam

active voice = bedrijvende vorm

activism = activisme

activist = activist, agitator, onruststoker, ophitser, twiststoker

activity = actie, gedoe, handeling, optreden, toedoen, werking, activiteit, bedrijvigheid, activiteit, bedrijvigheid, werkdadigheid, arbeidzaamheid, werklust, werkzaamheid, bezigheid, emplooi, animo, bedrijvigheid, drukte, opgewektheid, tierigheid, vertier

act of God = natuurramp

act of grace = amnestie, begenadiging, kwijtschelding van straf

act on = handelen volgens, opvolgen

actor = acteur, komediant, speler, toneelspeler

act out = bewerkstelligen, doorvoeren, tot stand brengen, verwezenlijken

actress = actrice, toneelspeelster

actual = effectief, werkelijk, daadwerkelijk, feitelijk, werkelijk, hedendaags, huidig, van vandaag, reëel, werkelijk, daadwerkelijk, wezenlijk

actuality = realiteit, werkelijkheid, wezenheid, wezenlijkheid

actually = inderdaad, metterdaad, waarachtig, waarlijk, warempel, werkelijk, feitelijk, inderdaad, metterdaad

actuarial table = actuariële tabel

actuary = actuaris, archiefmedewerker, actuaris, actuaris

actuate = bewegen, verroeren, aandrijven

act up = nukken vertonen

act upon = handelen volgens, opvolgen

act wise = haarkloven

acuity = felheid, guurheid, schelheid, scherpheid, scherpte, schrilheid, aandacht, acht, attentie, oplettendheid, pienterheid, scherpzinnigheid, schranderheid, snuggerheid

acumen = pienterheid, scherpzinnigheid, schranderheid, snuggerheid

acupuncture = acupunctuur

acupuncturist = acupuncteur

acute = bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, acuut, helder, scherp, voorbijgaand, fel, intens, intensief, sterk, pienter, scherpzinnig, schrander, snugger, spits, vernuftig

ad = aankondiging, advertentie, bericht, reclame

adage = spreekwoord

adagio = adagio, langzaam, adagio

Adam = Adam

adamant = onvermurwbaar, keihard, spijkerhard, onbuigzaam, onvermurwbaar

Adam's apple = adamsappel

adapt = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, bewerken, zich aanpassen, zich schikken, aanpassen

adaptability = aanpassingsvermogen, aanpassingsvermogen

adaptable = aanpasbaar, adaptabel, aanpasbaar

adaptation = aanpassing, adaptie, bewerking, modificatie, aanpassing, omschakeling, aanpassing, adaptatie, bewerking, modificatie

adapted = aangepast, bewerkt

adapt oneself = zich aanpassen, zich schikken, aanpassing

adaptor = bewerker

a day = per dag

add = bijtellen, optellen, optellen, bijdoen, bijmengen, bijvoegen, toegeven, toevoegen, aanbouwen, achtervoegen

addendum = extraatje, toegift

adder = adder

addicted = verslaafd

addiction = manie, rage, verslaafdheid, verslaving

Addis Ababa = Addis-Abeba

addition = optelling, extraatje, toegift, aanhangsel, appendix, bijlage, supplementie, toeslag, toevoeging

additional = additioneel, extra, supplementair, overig, verder, extra, bijkomend, meer, verder, nog een

additionally = extra, op de koop toe

additive = extraatje, toegift

addled = bedorven, rot, verrot, bot, dom, onbenullig, schaapachtig, stom, zwakhoofdig

address = adresseren, adres, aanklampen, aanspreken, toespreken

addressee = geadresseerde, geadresseerde

addressing machine = adresseermachine, adresseermachine

address list = adresboek

addressograph = adresseermachine

add together = totaliseren

add up = bijtellen, optellen, optellen, optellen

Adelaide = Aal, Aaltje

Aden = Aden

adept = aanhanger, adept, beoefenaar, volgeling, adept, beoefenaar, maëstro, meester, grootmeester, deskundig, ervaren, geoefend, zaakkundig

adequate = adequaat, bijbehorend

adhere = rijmen, zich aanpassen

adherence = aanhankelijkheid, gehechtheid, verkleefdheid, verknochtheid, trouw, getrouwheid, trouw, getrouwheid, loyaliteit, trouwhartigheid, aanhankelijkheid, toegenegenheid

adherent = aanhanger, adept, beoefenaar, volgeling, aanhanger, adept, volgeling

adherents = aanhang, leden, aanhang, achterban, aanhang, gevolg

adhere to = aanhangen

adhesion = adhesie, grip

adhesive = klevend, aanklevend, plakmiddel

adhesive plaster = diachylon, hechtpleister

adhesive tape = plakband

ad hoc = ad hoc

adiabatic = adiabatisch

adieu = adieu, vaarwel

ad infinitum = tot in het oneindige

ad interim = plaatsvervangend, subsidiair, vervangend, waarnemend

adipose = adipositas, vetzucht

adjacent = aangrenzend, aanliggend, dichtbijgelegen, dichtbijzijnd, aangrenzend, aanliggend, aangrenzend, aanliggend, naburig, belendend

adjectival = bijvoeglijk

adjective = adjectief, bijvoeglijk naamwoord

adjoin = belenden, grenzen aan

adjoining = aangrenzend, aanliggend, belendend

adjourn = aanhouden, uitstellen, verdagen, verschuiven

adjournment = oponthoud, opschorting, uitstel, verdaging, verlating, verlet

adjudge = gunnen, toekennen, toeslaan, toewijzen

adjudicate = rechtspreken, vonnissen, uitspraak doen

adjudication = toekenning, toeslag, toewijzing, berechting, judicium, sententie, uitspraak, vonnis

adjunct = aanhangsel, appendix, bijlage, supplementie, toeslag, toevoeging, bepaling, complement, bijvoegsel, supplement, toevoegsel

adjure = bezweren

adjust = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanpassen, afstellen, fitten, passend maken, verstellen, bijstellen, rechtzetten, rectificeren, verbeteren, gelijkzetten, goed zetten, rechtzetten, stellen

adjustable = instelbaar, verstelbaar, regelbaar

adjustable wrench = moersleutel, schroefsleutel

adjusted = afgepast

adjustment = aanpassing, omschakeling, aanpassing, adaptatie, bewerking, modificatie, afstelling, instelling, akkoord, inrichting, maatregel, regeling, schikking, zetting

adjutant = adjudant, ordonnansofficier

ad-lib = improviseren

administer = administreren, beheren, besturen, toedienen, administreren, beheren, besturen, toedienen

administer the last sacraments = bedienen, zalven

administration = administratie, administratiekantoor, bestuur, administratie, bestuur, administratie, beheer, bestuur, toediening, bestuur, bestuur, directie, administratie, beheer, bestuur, toediening, gouvernement, overheid, regering

administration of the last sacraments = bediening, zalving

administrative = administratief, bestuurlijk, administratief

administrative expenses = administratiekosten, leges

administrator = administrateur, beheerder, administrateur, beheerder, bestuurder

admirable = bewonderenswaardig

admiral = admiraal, vlootvoogd, vlaggeschip

admirality = admiraliteit

Admirality Islands = Admiraliteitseilanden

admiralship = admiraalschap

admiration = bewondering

admire = bewonderen

admirer = bewonderaarster, vereerster, bewonderaar

admiring = bewonderend

admissible = toelaatbaar

admission = aanvaarding, aanneming, onthaal, ontvangst, opname, toelating, admissie, toelating, binnengaan, entree, intrede, toegang, toegangsprijs, bekentenis, biecht, erkenning, bekentenis, erkenning

admission fee = toegangsprijs

admission ticket = entreebiljet, toegangsbewijs, toegangskaartje

admit = binnenlaten, toelaten, toegeven, bekennen, biechten, erkennen, toegeven, bekennen, erkennen, toegeven, laten binnenkomen, toelaten, gedogen, toelaten, toestaan, vergunnen, veroorloven

admittance = admittantie, reciproke impedantie, admissie, toelating, binnengaan, entree, intrede, toegang

admittedly = weliswaar, toegegeven

admixture = menging, tempering, vermenging, mengsel, mengeling, mengelmoes, vermenging

admonish = manen, aanmanen, aansporen, vermanen, waarschuwen

admonition = aanmaning, aansporing, vermaan, vermaning, waarschuwing

ado = herrie, lawaai, leven, ophef, rumoer

adobe = <bouwsteen van gedroogde klei>

adolescence = puberteit

adolescent = opgeschoten, puber, puber, pubermeisje, puber

Adonis = Adonis

adopt = aannemen, adopteren, zich eigen maken, aannemen, adopteren, zich eigen maken, aannemen, adopteren, zich eigen maken

adopted = aangenomen, geadopteerd

adoption = aanneming, adoptie, aanneming, adoptie, adoptie

adoptive = aangenomen, adoptie-, geadopteerd

adoptive child = aangenomen kind, pleegkind, aangenomen kind, pleegkind

adorable = aanbiddelijk, aanbiddenswaardig

adoration = aanbidding, adoratie, aanbidding, adoratie

adore = aanbidden, adoreren, verafgoden, vereren

adored one = aangebedene

adorer = aanbidster, vereerster, aanbidder, vereerder, aanbidder, vereerder

adorn = versieren, decoreren, sieren, opsieren, tooien, uitdossen, versieren

adorned = opgesmukt

adornment = decoratie, sieraad, tooisel, versiering, versiersel, opsmuk, ornament, sieraad, tooi, versiering

adrenal gland = bijnier

adrenaline = adrenaline

Adrian = Adriaan, Adrianus

Adrianople = Adrianopel

Adriatic = Adriatische Zee, Adriatische Zee

Adriatic Sea = Adriatische Zee, Adriatische Zee

adroit = bijdehand, bedreven, behendig, bekwaam, handig, vaardig, druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker

adstringent = stopmiddel, stopmiddel, stopmiddel

adulation = pluimstrijkerij, strooplikkerij

adult = adult, volwassene, meerderjarig, mondig, groot, volgroeid, volwassen, volwassene

adulterate = verdunnen, versnijden, verwateren, vervalsen

adulterer = adulter, echtbreker

adulteress = echtbreekster

adulterous = echtbrekend, overspelig

adultery = echtbreuk, overspel

adult film = pornofilm, pornografische film

adulthood = volwassenheid

adumbration = afschaduwing

advance = aanpakken, gaan naar, genaken, naderen, aanrukken, opmarcheren, opmars, in aantocht zijn, naderen, voor-, voorwaarts gaan, attenderen op, attent maken op, naar voren brengen, bevorderen, verhogen, opdrijven, ophogen, verheffen, verhogen, oplopen, rijzen, stijgen, terugzetten, verhaasten, vervroegen, bijschuiven, naderen, bespoedigen, verhaasten, versnellen, opschieten, veld winnen, vlotten, vooruitgaan, vorderen

advancement = bevordering, voortgang, vooruitgang, vordering

advantage = pré, voordeel, baat, belang, nut, voordeel

advantageous = voordelig, goedgezind, gunstig, toegenegen, welgezind, bevorderlijk, dienstig, nuttig

advent = advent

adventitious = bijbehorend, bijkomend, bijkomstig, erbij horend, secundair, incidenteel, toevallig

adventure = avontuur, lotgeval, perikel, wederwaardigheid

adventurer = avonturierster, avonturier, avonturier

adventurous = avontuurlijk, avontuurlijk, op avontuur belust, avontuurlijk, bedenkelijk, gewaagd, riskant, waaghalzerig

adverb = adverbium, bijwoord

adverbial = bijwoordelijk

adversary = tegenstander, tegenspeler, tegenstander, vijand

adverse = strijdig, tegengesteld, tegenliggend, tegenstaand, tegenstrijdig, vijandelijk, vijandig, nadelig, nadelig, schadelijk

adversity = rampspoed, tegenspoed, verval

advert = acht slaan op, letten op, opletten, oppassen, passen op, reclame

advertence = aandacht, acht, attentie, oplettendheid

advertency = aandacht, acht, attentie, oplettendheid

advertise = aandienen, aankondigen, adverteren, melden, verkondigen, propaganda maken voor, propageren, uitdragen, verspreiden, adverteren, reclame maken, reclame maken voor

advertisement = aankondiging, advertentie, bericht, reclame

advertiser = adverteerder, verkondiger, advertentieblad

advertising pillar = aanplakzuil

advice = advies, raad, raadgeving, bekendmaking, bericht, kennisgeving, mare, tijding, verwittiging

advisable = raadzaam

advise = aankondigen, adviseren, bekendmaken, adviseren, raden, aanraden

advise against = afraden, afraden, ontraadselen

advocate = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, bepleiten, opkomen voor

adze = dissel

Adzharia = Adzjarië

Aegir = Aegir

aegis = aegide, aegis, bescherming, schild, aegide, aegis

Aeneas = Aeneas

Aeolus = Aeolus

aeon = eeuwigheid

aerate = luchten, spuien, uitluchten, ventileren, waaien, frisse lucht toewaaien, wannen

aerial = bovengronds, lucht-, met lucht gevuld, antenne, ra, spriet, voelhoorn, voelhoren, voelspriet

aerobatics = luchtacrobatiek

aerobic = aëroob, in lucht levend

aerodrome = vlieghaven, vliegveld

aerodynamic = aërodynamisch

aerodynamics = aërodynamica

aerogramme = luchtpostblad, luchtpostbrief

aerolite = aëroliet, meteoorsteen, meteoriet, aëroliet, meteoorsteen, meteoriet

aeronaut = aëronaut, luchtschipper, luchtvaarder, vliegenier

aeronautics = luchtvaart, luchtvaartkunde, luchtvaart, aviatiek, luchvaart, vliegwezen

aeroplane = vliegmachine, vliegtuig

aerosol = aërosol, spuitbus

aesthete = estheet

aesthetic = esthetisch

aesthetics = esthetica, schoonheidsleer

aetiology = studie van ziekteoorzaken

afar = achteraf, afgelegen, ver

a few = enige, sommige, sommigen, een paar, enige, enkele, sommige, wat, een paar, enige, enkele, sommige, wat

a few minutes = een moment, even, eventjes

affable = aardig, lief, voorkomend, vriendelijk, zoet

affair = aangelegenheid, affaire, ding, zaak, geval, naamval, zaak, geval, zaak

affect = aandoen, aangrijpen, beïnvloeden, invloed hebben op, aandoen, aangrijpen, bewegen, ontroeren, treffen

affectation = aanstellerij, onnatuurlijkheid, aanstellerij, maniertje, aanstellerij, gemaaktheid, onnatuurlijkheid

affected = aangedaan, aangegrepen, gekunsteld, gemaakt, gewrongen, aanstellerig, onecht, onnatuurlijk, onwaar, geveinsd

affected with = behept met, lijdend aan

affecting = aangrijpend, emotioneel, roerend, ontroerend, aandoenlijk, roerend, ontroerend, treffend

affection = aandoening, affect, emotie, gemoedsbeweging, affectie, liefde, min, affectie, genegenheid, goodwill, welwillendheid, affectie, genegenheid, aanhankelijkheid, toegenegenheid

affectionate = liefhebbend, aanhalig, aanhankelijk, gehecht, opofferingsgezind, toegenegen

affidavit = affidavit, beëdigde verklaring

affiliate = lid worden, aannemen, affiliëren, aangenomen worden, lid worden, depot, filiaal

affiliation = depot, filiaal, familiebetrekking, verwantschap

affined = verwant, aanverwant

affinity = affiniteit, verwantschap, familiebetrekking, verwantschap

affirm = betuigen, verzekeren, beamen, bevestigen, ja zeggen, toestemmen

affirmation = betuiging, verzekering, bevestiging, belofte, toezegging, uitloving

affirmative = bevestigend, toestemmend

affix = aanhechtsel, affix, aanhechten, bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen, bevestigen, vastmaken, vastzetten, verstevigen, achtervoegen

afflict = bedroeven, beproeven, verdriet doen, verdrieten, bedroeven, grieven, smarten, plagen, bedroeven, droevig stemmen, verdrieten

afflicted with = behept met, lijdend aan

affliction = beproeving, beproeving, droefheid, hartzeer, verdriet

affluence = rijkdom

affluent = zijrivier, gefortuneerd, rijk, vermogend

afford = gedogen, toelaten, toestaan, vergunnen, veroorloven, afwerpen, opbrengen, opleveren, voortbrengen

afforest = bebossen, bebossen

affray = oploop, volksoploop, vechtpartij, handgemeen, handgemeen, strijdgewoel

affronted = beledigd, gebelgd

Afghan = Afghaans, Afghaan

Afghanistan = Afghanistan

Afghan woman = Afghaanse

afire = gloeiend, verterend, verzendend, vurig, brandend

aflame = gloeiend, verterend, verzendend, vurig

afoot = te voet

aforementioned = eerdergenoemd, voorgemeld, voorgenoemd, voormeld, voornoemd

aforesaid = eerdergenoemd, voorgemeld, voorgenoemd, voormeld, voornoemd

afraid = bang, laf, lafhartig, bang, beangst, beducht, bevreesd, vreesachtig, bang, benepen, beschroomd, schroomvallig, schuw, vreesachtig, angstig, kopschuw, vervaard

afresh = nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer, nogmaals, van voren af aan, weder, wederom, weer, alweer

Africa = Afrika

African = Afrikaans, Afrikaan

African marigold = afrikaan, afrikaantje

African woman = Afrikaanse

Afrikaans = Afrikaans, Zuidafrikaans, Afrikaans, Afrikaanse taal

Afrikaner = Boer

Afro-American = Afroamerikaans, Afroamerikaan

Afro-Asian = Afroaziaat, Afroaziatisch

after = achter, aan, achter, na, na verloop van, over, nadat

afterbirth = moederkoek, placenta, nageboorte

afterburner = nabrander

after-care = nazorg, reclassering

after-deck = achterdek

after-effect = nawerking

afterglow = naglans, nagenieten, avondrood

afterlife = leven in het hiernamaals

aftermath = nasleep

afternoon = middag, namiddag

aftershave = aftershave

aftertaste = nasmaak

afterthought = nakomertje

after-treatment = nabehandeling

afterwards = achteraf, daarna, dan, naderhand, vervolgens

again = nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer, nogmaals, van voren af aan, weder, wederom, weer, alweer

against = jegens, met, tegen, tegenaan, tegenover, versus

against one's will = gedwongen, met tegenzin, node, onvrijwillig

Agamemnon = Agamemnon

agape = agape, liefdemaal

agar = agar-agar

agar-agar = agar-agar

agate = agaten, agaat

Agatha = Aagt, Agatha

agave = agave

age = leeftijd, ouderdom, tijdperk, tijdsgewricht, verouderen, verouderen

age-bracket = leeftijdsgroep

aged = oud

age group = leeftijdsgroep

ageing = veroudering, veroudering

age limit = leeftijdsgrens

agency = agentschap, agentschapsbureau, agentuur

agenda = agenda, dagorde, zakalmanak, agenda, dagorder

agent = agent, dealer, vertegenwoordiger, middel, werktuig, intendant, meier, opzichter, rentmeester, zaalchef, bemiddelaar, intermediair, tussenpersoon, vertegenwoordiger, zaakbezorger, zaakwaarnemer

age-old = eeuwenoud

age range = leeftijdsgroep

agglomerate = agglomeraat, samenballing, samenklontering, samenvoegsel, agglomeren, doen samenklonteren, tot een geheel verenigen

agglomeration = agglomeratie, agglomereren, samenklonteren, samenklontering, agglomeraat, samenballing, samenklontering, samenvoegsel, agglomeratie, agglomereren, samenklonteren, samenklontering

agglutinate = agglutineren, doen samenkleven, samenplakken, verbinden, lijmen, aan elkaar lijmen

aggrandize = uitbouwen, uitbreiden, vergroten

aggrandizement = uitbouwing, vergroting

aggravate = tergen, ergeren, verontwaardigen, verergeren, verslechteren, verzwaren

aggravating = aanstotelijk, ergerlijk, verzwarend

aggregate = aggregaat, aggregatie

aggression = agressie, aanval, offensief, vlaag

aggressive = agressief, agressief, agressief, aanvallend, offensief, agressief, katterig, aanvallend, offensief

aggressor = aanvaller, agressor, aanvaller, agressor, aanvaller

aggrieved = beledigd, gebelgd

aggro = agressie

aghast = ontdaan, onthutst, verbluft, verslagen, verstomd, geschrokken, ontzet

agile = lenig, rap, druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker

agility = beweeglijkheid, roerigheid, woeligheid

agitate = agiteren, ophitsen, opruien, opstoken, opwinden, schudden, aanwakkeren, opwinden, prikkelen, verhitten, werken op, aandoen, aangrijpen, bewegen, ontroeren, treffen, benauwen, verontrusten, schokken, schudden, opschudden, wrikken

agitated = gejaagd, opgewonden, bang, beducht, bezorgd, ongerust, nerveus, zenuwachtig, zenuw-, nerveus, zenuwachtig

agitation = agitatie, agitatie, beroering, beweging, opschudding, stokerij, woeling, agitatie, onrust, opschudding, troebelen, agitatie, beroering, gisting, onrust, opgewondenheid, opwinding, gejaagdheid, opwinding, hetze, gejaagdheid, onrust, rusteloosheid, woeligheid, getier, herrie, rel, roerigheid, rustverstoring, spektakel, tumult

agitator = activist, agitator, onruststoker, ophitser, twiststoker, agitator, stokebrand

aglow = gloeiend, verterend, verzendend, vurig

agnostic = agnostisch, agnosticus, agnosticus

... ago = ... geleden, ... terug

agog = nieuwsgierig, weetgierig, benieuwd, nieuwsgierig, nieuwsgierig

agonize = op sterven liggen, zieltogen, folteren, martelen, pijnigen, koeioneren, kwellen, martelen, mishandelen, treiteren

agonizing = afgrijselijk, afschuwelijk

agony = agonie, doodsangst, doodsstrijd, stervensnood, zieltoging, angst, beklemming, benauwdheid, grote angst, zielsangst, bezoeking, bezoeking, slag

agoraphobia = agorafobie, pleinvrees, ruimtevrees

agrarian = agrarisch, agrariër, boer, landbouwer, agrariër, boer, landbouwer, agrariër, boer, landbouwer, agrariër, boer, landbouwer

agree = het eens zijn, overeenstemmen, samengaan, afspreken, een schikking treffen, het eens zijn, overeenkomen, goedvinden, het eens zijn, toegeven, toestemmen

agreeable = aangenaam, behaaglijk, genoeglijk, heerlijk, plezierig, genoeglijk, heerlijk, plezierig

agreeably = aangenaam

agreed = afgesproken, akkoord, goed, in orde, okee, top, OK, okee

agreement = overeenstemming, samenklank, akkoord, overeenkomst, overeenstemming, akkoord, overeenkomst, overeenstemming, afspraak, akkoord, schikking, verbintenis, fiat, goedvinden, toestemming

agree to = akkoord gaan met

agree with = bijvallen, het eens zijn met

agricultural = agrarisch, landbouwkundig

agricultural exhibition = landbouwtentoonstelling

agricultural instruction = landbouwonderwijs

agricultural labourer = landarbeider

agricultural product = landbouwproduct

agricultural school = landbouwschool

agricultural worker = landarbeider

agriculture = agricultuur, akkerbouw, landbouw, akkerbouw, agronomie, landbouwkunde

agriculturist = agronoom, landbouwkundige

agrimony = agrimonie

Agrippa = Agrippa

agronomics = agronomie, landbouwkunde

ague = koorts

ah = ach, ah, oh, och, ach, ah, ha, oh, och

aha = aha, aha, ach, ah, ha, oh, och

ahead = daarvoor, eerder, indertijd, vooraan, voorheen, vroeger, weleer, naar voren, voorover, vooruit, voort, voorwaarts

ahoy = heiho

ai = aai, ai, luiaard, drietenige luiaard, ai, aai, drietenige luiaard

aid = assistent, famulus, helper, hulp, assisteren, bijstaan, helpen, ter zijde staan, assistentie, bijstand, hulp, assistent, helper, hulp, baten, bijstaan, helpen, ter zijde staan, helpster, helper, assistentie, bijstand, heul, hulp, toedoen, toeverlaat

aide-de-camp = adjudant, ordonnansofficier

AIDS = aids, aids

ail = schelen, schorten

aileron = aileron, rolroer, stuurvlak, vleugelklep

ailing = sukkelachtig, sukkelend, ziekelijk

ailment = aandoening, kwaal, ziekte, aandoening, kwaal, ziekte

aim = aanleggen, bedoelen, beogen, mikken, mikken op, rooien, ten doel hebben, doel, doelstelling, doelwit, honk, wit, aanleggen, moeite doen, pogen, streven, trachten, zich beijveren, zoeken, pogen, streven, zich inspannen

aimless = doelloos

Ainu = Ainoe

air = lucht, aria, wijsje

air-balloon = ballon, luchtballon

air base = luchtmachtbasis, luchtmachtbasis

airbed = luchtbed

air brake = luchtdrukrem

air bridge = luchtbrug

airbrush = verfspuit

airbus = luchtbus

air conditioned = air-conditioned, air-conditioned

air conditioning = airco, air-conditioning, air-conditioning

air-cooled = luchtgekoeld

aircraft = toestel, vliegmachine, vliegtuig, vliegmachine, vliegtuig

aircraft-carrier = carrier, moederschip, vliegdekschip, vliegkampschip

air crash = vliegramp

aircrew = vliegtuigbemanning

air cushion = luchtkussen, luchtkussen, windkussen

air-defence = luchtafweer, luchtverdediging

airdrome = vlieghaven, vliegveld

airfield = vlieghaven, vliegveld

air-filter = luchtfilter

air-fleet = luchtvloot

air force = luchtmacht, luchtstrijdkrachten, luchtmacht, luchtstrijdkrachten

air-freight = luchtvracht

air-grid = luchtrooster

airgun = luchtbuks, windbuks

air gun = luchtdrukgeweer

air-gun = luchtdrukgeweer

air hostess = stewardess

airily = luchthartig, luchtig, luchthartig

airiness = fleur, frisheid

airing cupboard = droogkast, droogkast

airless = bedompt, luchtledig, bladstil, windstil, benauwd, broeierig, drukkend, verstikkend, zwoel

air letter = luchtpostblad, luchtpostbrief

airlift = luchtbrug

airline = luchtlijn

airline-pilot = lijnpiloot

air liner = lijntoestel, lijnvliegtuig

airlock = luchtsluis

airmail = luchtpost

air-mail stamp = luchtpostzegel

airman = aviateur, vlieger, vliegenier

air mattress = luchtbed

air out = luchten, spuien, uitluchten, ventileren

airplane = vliegmachine, vliegtuig

air pocket = luchtzak, luchtzak, tochtgat, trekgat

air-pollution = luchtverontreiniging

airport = luchthaven, luchthaven, vlieghaven, vliegveld

airport tax = luchthavenbelasting

air-pressure = luchtdruk

air pump = luchtpomp

air raid = luchtaanval

air-resistance = luchtweerstand

air rifle = luchtbuks, windbuks

airs = allure

airscrew = luchtschroef

airship = luchtschip, luchtschip

airsick = luchtziek

airsickness = luchtziekte

airspace = luchtruim

airspeed = luchtsnelheid

air-squadron = luchteskader, vliegeskader

airstrike = luchtaanval

airstrip = landingsstrook

air supremacy = heerschappij in de lucht

airthreads = herfstdraad

air ticket = ticket, vliegticket

airtight = hermetisch, luchtdicht

air time = radiozendtijd

air-traffic control = luchtverkeersleiding

air-traffic controller = luchtverkeersleider

air-valve = luchtklep, ventiel

air view = luchtfoto

airwaves = ethergolven, radiogolven

airway = luchtlijn, luchtweg, ademhalingsweg, luchtweg

airwoman = pilote

airworthy = luchtwaardig

airy = luchtig, dun, dungezaaid, iel, ijl

airy-fairy = lichtzinnig, luchtig, wuft, dartel, olijk, ondeugend, schalks, schelms

aisle = zijbeuk, gangpad

Aix-la-Chapelle = Aken

ajar = op een kier staand

Ajax = Ajax

akin = verwant, aanverwant

alabaster = albasten, albast

alacrity = begeerte, begerigheid, graagte, enthousiasme, geestdrift, uitbundigheid

alarm = aanslaan, alarm slaan, alarmeren, bel, schel, alarm, onraad, alarmsein, noodsein, schrik, onthutsen, ontstellen, ontzetten, verbijsteren, verbluffen, ontsteltenis, ontzetting, verbluftheid, consternatie, ontsteltenis, verbijstering, verslagenheid, gejaagdheid, onrust, rusteloosheid, woeligheid, benauwen, verontrusten, ontzetting, schrik, schrikkelijkheid, bang maken, beangstigen, verschrikken, vrees aanjagen, wekker

alarmbell = alarmklok, noodklok

alarm-bell = alarmklok

alarmclock = wekker

alarmed = ontzettend, schrikbarend, schrikkelijk, verbluffend

alarming = alarmerend, gevaarlijk, zorgwekkend, angstig, bang, bedenkelijk, zorgbarend, zorgwekkend

alarmist = paniekzaaier

alarm-signal = alarmsein, noodsein

alas = helaas, jammer, jammer genoeg, tot mijn spijt, helaas, o wee

Alaska = Alaska

alb = albe, misgewaad

Albania = Albanië

Albanian = Albaans, Albanees, Albanees, Albanese taal, Albanese, Albanees, Albaniër

Albanian language = Albanees, Albanese taal

Albanian woman = Albanese

albatross = albatros, albatros

Albert = Albert, Albertus, Albrecht, Albert, Albertus, Albrecht

albino = albino

Albion = Albion

album = album, gedenkboek

albumen = albumen, eiwit, kiemwit

albuminous = eiwithoudend

alburnum = alvenaar, alver, alvertje, panharing

alchemist = alchemist, alchimist, goudmaker

alchemy = alchemie, alchimie, alchemie, alchimie

alcohol = alcohol, drank, alcoholische drank, sterke drank, alcohol

alcoholic = alcoholhoudend, alcoholisch, geestrijk, alcoholicus, alcoholhoudend, alcoholist, drankzuchtige, alcoholicus, drinker, alcoholist, drankzuchtige, zatlap, zuiper, zuiplap, drinker, zuiper, zuiplap

alcoholic content = alcoholgehalte

alcoholic drinks = alcoholica, gedistilleerd, spiritualiën

alcoholism = alcoholisme, drankmisbruik, alcoholisme, drankzucht

alcove = alkoof

aldehyde = aldehyde

alder = elze-, elzen, elzen-, els, elzeboom

alder- = elze-, elzen, elzen-

alderman = schepen, wethouder

ale = bier, aal

Aleppo = Aleppo

alert = druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker

Aleutian Islands = Aleoeten

Alex = Alex

Alexander = Alexander

Alexandria = Alexandrië

alexandrine = alexandrijn, alexandrijn

Alfred = Alfred

alga = alge, wier, zeewier

algebra = algebra, stelkunde

algebraic = algebraïsch

Algeria = Algerië, Algerije

Algerian = Algerijns, Algerijn

Algerian woman = Algerijnse

Algiers = Algiers

algorithm = algoritme

alias = alias, alias

alibi = alibi

alien = afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, buitenlander, buitenlands, uitheems, buitenlands, onwennig, vreemd, strijdig, tegengesteld, tegenliggend, tegenstaand, tegenstrijdig, misselijk, onsmakelijk, stuitend, walgelijk, weerzinwekkend

alien to = in strijd met, strijdig met

alike = even, evenzeer, gelijk, gelijkelijk, eender, gelijkend, gelijksoortig, gelijkvormig, soortgelijk, op dezelfde manier

alimony = alimentatie, ondersteuningsgeld, uitkering

a little = een beetje, een weinig, enigszins, nogal, tamelijk, wat, een klein beetje, ietwat, lichtelijk, zier

alive = levend

alkali = alkali, loogzout

alkaline = alkalisch, loogachtig, alkalisch, loogachtig

all = de hele ... door, allerhande, allerlei, van elke soort, allemaal, alles, al, alles, de hele hoeveelheid, de gehele hoeveelheid, al de, alle, allemaal, allen

all about = allerwegen, alom, overal, wijd en zijd

Allah = Allah

allegedly = naar men zegt

allegoric = allegorisch, zinnebeeldig

allegory = allegorie, gelijkenis, zinnebeeld

allergic = allergisch

allergy = allergie

alley = steeg

All Hallows = Allerheiligen

alliance = alliantie, bondgenootschap, verbond

alligator = alligator

alliteration = alliteratie, stafrijm

all-knowing = alwetend

all of a sudden = ineens, opeens, plotseling

all of it = al, alles, de hele hoeveelheid, de gehele hoeveelheid

allot = loten, verloten

all over again = nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer

all over the = in het hele, in de hele, overal in de, overal in het

allow = laten, laten begaan, laten schieten, loslaten, toelaten, gedogen, toelaten, toestaan, vergunnen, veroorloven

alloy = alliage, legering, metaalmengsel, alliage

all-powerful = almachtig

all-round = all-round-

All Saints' Day = Allerheiligen, Allerheiligen

all sorts = allerlei

all sorts of = allerlei, allerhande

All Souls' Day = Allerzielen

all the = al de, al het, alleman, een ieder, elk, ieder, iedereen, al de, al het

all the more = des te meer

all the same = even, evenzeer, gelijk, gelijkelijk

all the time = daarentegen, intussen, inmiddels, vast, voorlopig, zolang, achtereen, aldoor, onophoudelijk

all the while = inmiddels, intussen, ondertussen

allude = zinspelen

alluring = aanlokkelijk, lekker

allusion = toespeling, zinspeling

alluvial = alluviaal

alluvion = alluvium

alluvium = alluvium

almanac = almanak

almighty = almachtig

almond = amandel

almond-eyed = amandelogig

almond paste = amandelpers

almoner = aalmoezenier

almonership = armenzorg

almonry = aalmoezeniershuis, armhuis

almost = bijna, bijkans, haast, schier, vrijwel, welhaast, zo goed als, zowat

almound pastry = banket

alms = aalmoes

almshouse = armenhuis, aalmoezeniershuis, armhuis

aloe = aloë

aloe juice = aloësap

aloe juice collector = aloësaptapper

aloetic = aloëachtig

aloin = aloïne

alone = alleen, enig, louter, verlaten, alleen, maar, slechts

along = langs

alongside = behalve, bezijden, naast

a long time = lang

Alost = Aalst

a lot = een heleboel, terdege, veel, zeer

a lot of = veel, veel

alp = alpenweide, alp, alpenweide

alpaca = alpaca

Alpenrose = rododendron

alpha = alfa

alphabet = ABC, alfabet, basisbeginselen, eerste beginselen, ABC, alfabet, ABC, alfabet

alphabetical = alfabetisch

alpine = alpen-, alpine, alpijns, alpinisch

Alpine hut = berghut

alpine pasture = alpenweide

Alpinist = alpinist, bergbeklimmer, alpinist, bergbeklimmer

Alps = Alpen

already = al, alvast, reeds, alreeds

Alsace = Elzas, Elzas

Alsace-Lorraine = Elzas-Lotharingen

Alsatian = Elzassisch, Elzasser, Elzasser, Duitse herder

also = eveneens, evenzeer, mede, ook

alt = alt, altist, altzanger

altar = altaar

altarpiece = altaarstuk, altaarstuk

alteration = verandering, wijziging, verandering, wijziging, keer, kentering, verandering, verloop, keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling

alternate = afwisselend, alterneren, elkaar afwisselen

alternately = afwisselend, beurtelings, om en om

alternating = afwisselend

alternation = afwisseling, afwisseling

alternative = alternatief, keus, keuze

although = al, ofschoon, wel, hoewel, alhoewel

altitude = hoogte, stand

alto = alt, altzangeres, alt, altzangeres

altogether = alles wel beschouwd, over het algemeen genomen, überhaupt, bij elkaar, in totaal, totaliter, allemaal, alles

altruism = altruïsme, onzelfzuchtigheid

altruist = altruïst

altruistic = altruïstisch, onbaatzuchtig, onzelfzuchtig, altruïstisch, onbaatzuchtig, onzelfzuchtig

alum = aluin

alum earth = aluinaarde, potaarde

alumina = aluinaarde, potaarde

aluminium = aluminium

aluminum = aluminium

Alva = Alva

always = altijd, immer, steeds

a.m. = in de morgen, voor de middag

Amadeus = Amadeus

amalgamate = amalgameren

amaranthus = amarant, kattestaart

amaryllis = amaryllis, goudlelie

amass = opeenhopen, ophopen, stapelen, opstapelen, opeenstapelen, tassen

amateur = amateur, dilettant, knutseaar, liefhebber, amateur, amateur

amateurish = amateuristisch, amateuristisch, amateuristisch

amaze = bevreemden, verbazen, verwonderen

amazing = bevreemdend, verbazingwekkend, verwonderlijk, wonderbaarlijk

Amazon = Amazone, Amazone, Amazonestroom, amazone, Amazone, paardrijdster

Amazon River = Amazone

ambassador = ambassadrice, ambassadeur, gezant, bode, gezant, afgezant

amber = amber, barnsteen

ambiguous = dubbelzinnig, dubbelslachtig, dubbelzinnig, dubbelslachtig, dubbelzinnig, tweeslachtig

ambition = ambitie, eerzucht, aspiratie, sollicitatie

ambitious = ambitieus, eerzuchtig

ambivalence = ambivalentie

Amboina = Ambon

Amboinese = Ambonees, Ambonees

ambrosia = ambrozijn, godenspijs

ambulance = ambulance, veldhospitaal, ziekenauto, ziekenwagen, ambulance, ambulancewagen, ziekenauto, ziekenwagen, ambulance, veldhospitaal, ziekenwagen

ambush = een hinderlaag leggen, in een hinderlaag liggen, hinderlaag

amen = amen, het zij zo, amen, zo zij het

amend = amenderen

amendment = amendement, amendement

America = America, Amerika, Amerika

American = Amerikaans, Amerikaan, Amerikaans, Amerikaan

American football = Amerikaans voetbal

American Indian = Indiaan

Americanize = amerikaniseren

American ostrich = nandoe, nandoe

American Samoa = Amerikaans Samoa

American woman = Amerikaanse, Amerikaanse

americium = americium

amethyst = amethist

amidst = medio, midden, in het midden van, middenin, te midden van

Amirants = Amiranten

Amman = Amman

ammeter = ampèremeter, ampèremeter, stroommeter

Ammon = Ammon

ammonia = ammonia, ammoniak, ammonia

ammunition = munitie, ammunitie

amnesty = amnestie verlenen, begenadigen, amnestie, begenadiging, kwijtschelding van straf

amoeba = amoebe

a moment = een moment, even, eventjes

among = onder, tussen, medio, midden, in het midden van, middenin, te midden van

amorphous = amorf, vormloos

amortize = afbetalen, aflossen, afschrijven, amortiseren, delgen, uitdelgen

amount = aantal, tal, getal, bedragen, bedrag, som, somma, summa, totaal, totaalbedrag, totaalcijfer

amount to = bedragen, belopen

ampère = ampère

amphetamine = amfetamine, wekamine

amphibian = amfibie

amphibious vehicle = amfibievoertuig

amphitheatre = amfitheater

amphora = amfora, kruik, draagkruik

ample = omvangrijk, uitgebreid, veelomvattend

amplitude = amplitude

amputate = afzetten, amputeren, wegsnijden

amputation = afzetten, afzetting, amputeren, amputatie, amputatie, wegneming

Amsterdam = Amsterdam, Amsterdams

amuck = amok, amok, hevigheid, razernij, verwoedheid, woestheid

Amudaryra = Amoedarja

amulet = amulet

Amur = Amoer

amuse = amuseren, onderhouden, opvrolijken, vermaken

amusement = amusement, vermaak, schik, vermaak

amusing = aardig, amusant, leuk, vermakelijk, amusant

an = een

anabaptism = anabaptisme, wederdoperij

anachronism = anachronisme, tijdrekeningsfout

anaconda = anaconda

anaemia = anemie, bloedarmoede, anemie, bloedarmoede

anaemic = bloedarm, anemie, bloedarmoede

anaesthesia = anesthesie, verdoving, anesthesie, verdoving

anaesthesist = anesthesist

anagram = anagram, letterkeer

anal = aars-, anaal

analogous = analoog, gelijksoortig, overeenkomend, overeenkomstig, analoog

analogy = analogie, gelijksoortigheid, overeenkomstigheid, analogie, overeenkomst

anal sex = anale sex, Griekse sex, Griekse sex, kontneuken

analyse = analyseren, ontbinden, ontleden

analysis = analyse, ontbinding, ontleding

analyst = analist

analytic = analytisch

analytical = analytisch

analytical chemist = analist

anapaest = anapest

anarchic = anarchistisch, regeringloos, anarchistisch, regeringloos

anarchical = anarchistisch, regeringloos, anarchistisch, regeringloos

anarchism = anarchisme, anarchisme

anarchist = anarchistisch, regeringloos, anarchist, anarchist, anarchistisch, regeringloos, anarchist, anarchist

anarchy = anarchie, regeringloosheid, anarchie, regeringloosheid

Anastasia = Anastasia

anathema = anathema, ban, banvloek, excommunicatie, ban, banvloek, excommunicatie

a native of = afkomstig uit

Anatolia = Anatolië, Klein-Azië

anatomical = anatomisch, ontleedkundig

anatomist = anatoom, ontleedkundige, anatoom

anatomy = anatomie, ontleedkunde

anchor = anker, ankeren

anchorage = ankerplaats, ligplaats, rede, ankerplaats, rede

anchovy = ansjovis, ansjovis

ancient = aloud, antiek, ouderwets

and = en

and also = alsmede, alsook, en ook, alsmede, daarenboven, op de koop toe, voorts

Andalusia = Andalusië, Andalusië

Andalusian = Andalusisch, Andalusiër

Andalusian woman = Andalusische

Andaman Islands = Andamanen

Andaman Sea = Andamanse Zee

and ... as well = alsmede, alsook, en ook, alsmede, daarenboven, op de koop toe, voorts

Andes = Andes, Andesgebergte

Andorra = Andorra

Andorrian = Andorraans, Andorrees, Andorraan, Andorrees

Andorrian woman = Andorraanse

Andromeda = Andromeda

and so on = enzovoort, enzovoorts

anecdotal = anekdotisch

anecdote = anekdote

anemone = anemoon

anew = nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer

angel = engel, vrouwelijke engel, engel

angelic = engelachtig

angelica = engelwortel

angelus = angelus

anger = boosheid, gramschap, toorn, verstoordheid

angina = angina, keelontsteking

angina pectoris = angina pectoris

angle = hoek, hoek

angler = hengelaar

Anglican = anglicaans, anglicaan

anglicism = anglicisme

Anglo-Saxon = Angelsaksisch, Angelsakser

Angola = Angola

Angolan = Angolees

Angolese = Angolees

Angolian woman = Angolese

Angora = Angora, Ankara

Angora cat = angorakat

angry = boos, kwaad, toornig, nijdig, verstoord, vertoornd

Anguilla = Anguilla

anguilliform = aalvormig

anguish = angst, beklemming, benauwdheid, grote angst, zielsangst

angular = kantig, hoekig

an hour and a half = anderhalf uur

an hour's walk = een uur gaans

aniline = aniline

animal = dierlijk, dier, beest, dier

animal smell = dierenlucht, dierlijke geur

animate = bezielen, verlevendigen

anion = anion, negatief ion

anise = anijs, anijs, anijsplant

Ankara = Angora, Ankara

anker = anker, <inhoudsmaat>

ankh = ankh

ankle = enkel

Ann = Anna, Anetta, Aneke, Annet, Annetta, Annie, Annigien, Ans, Antje, Anna

annals = annalen, jaarboeken

annex = annexeren, inlijven, <iets bijkomstigs toevoegen>

annexation = annexatie, inlijving, annexatie, dependance, inlijving

anniversary = gedenkdag, herdenkingsdag, verjaardag, gedenkdag

annotate = annoteren

annotation = aantekening, commentaar, tekstverklaring, aantekening, nota, notitie

announce = aandienen, aankondigen, adverteren, melden, verkondigen

announcement = aankondiging, verkondiging, bekendmaking, bericht, kennisgeving, mare, tijding, verwittiging

announcer = omroepster, omroeper

annoy = ergeren, verontwaardigen, bedroeven, ergeren, grieven, verdriet doen, verdrieten

annoyance = leed, smart, verdriet, zorg

annual = jaarlijks

annul = afgelasten, annuleren, ontbinden, tenietdoen, terugnemen

Annunciation = Annunciatie, Maria-Boodschap

anode = anode, positieve pool

anoint = sauzen, smeren, besmeren, doorsmeren

anomaly = afwijking, anomalie, onregelmatigheid

anonymity = anonimiteit, naamloosheid, anonimiteit, naamloosheid

anonymous = anoniem, naamloos, ongenoemd, ongetekend, anoniem, naamloos

anonymous writer = anonymus, ongenoemde

another = ander, ander, iemand anders, aanvullend, extra, meer, nog een, nog een

another man = ander, iemand anders

another man's = andermans, andermans

another time = een andere keer

answer = beantwoorden aan, stroken met, antwoorden, antwoorden op, beantwoorden, verantwoorden, antwoorden, antwoord geven, antwoord, bescheid, wederwoord

answering = beantwoording

answering machine = antwoordapparaat

answer to = beantwoorden aan, stroken met

ant = mier

Antarctic = Antarctica, Antarctis, Zuidpool, Zuidpoolgebied, Antarctica, Antarctis, Zuidpoolgebied, antarctisch, zuidpool-, antarctisch, Antarctisch, zuidpool-, Zuidpool-

Antarctic Ocean = Zuidelijke IJszee, Zuidelijke IJszee

Antares = Antares

ant-eater = miereneter, miereneter, miereneter

antecedent = antecedent, voorgaande, voorpand, voorstuk, antecedent, antecedent

antecedents = antecedenten

antedate = antedateren, antidateren

antediluvian = antediluviaans, zeer oud

antelope = antilope

antenna = antenne, ra, spriet, voelhoorn, voelhoren, voelspriet

anthem = hymne, kerkgezang

anthology = anthologie, bloemlezing, chrestomathie

anthracite = antraciet, glanskool

anthropologist = antropoloog

anthropology = antropologie, mensenkunde

anti-aircraft defence = luchtafweer, luchtverdediging

anti-aircraft defences = luchtafweer, luchtverdediging

anti-aircraft guns = luchtafweergeschut, luchtdoelgeschut

antibiotic = antibioticum

antibody = antistof

Antichrist = Antichrist, antichrist

anticipate = anticiperen, prejudiciëren, vooruitlopen, vooruitlopen op

anticipation = anticipatie

antidote = tegengif, tegengif

antifreeze = antivries

Antigua and Barbuda = Antigua en Barbuda

Antilles = Antillen

Antillian = Antilliaans, Antilliaan

antimony = antimonium

Antioch = Antiochië, Antiochië

antipathy = antipathie

antipode = antipode, tegenvoeter

antique = aloud, antiek, ouderwets

antique dealer = antiquair

antiquity = oudheid

anti-Semite = antisemiet, jodenhater

anti-Semitic = antisemitisch

anti-Semitism = antisemitisme, jodenhaat, antisemitisme, antisemitisme

antiseptic = antiseptisch, bederfwerend, antiseptisch middel, antiseptisch

antisocial = asociaal, onmaatschappelijk

antitank = antitank-

antitank artillery = antitankgeschut

anti-tank gun = antitankgeweer, bazooka

antithesis = tegenstelling, tegenstrijdigheid, antithese, tegenstelling

Antony = Anton, Antonius

Antwerp = Antwerpen, Antwerps

Anubis = Anoebis

anus = aars, anus

anvil = aanbeeld, aanbeeld, aanbeeld, aanbeeldsbeentje, gehoorbeentje, aanbeeldbeentje

anxiety = angst, bezorgdheid, spanning

anxious = bang, beducht, bezorgd, ongerust, ongerust, verlangend, bekommerd, bezorgd, ongerust, zorgelijk

anxiously = bezorgd, ongerust, bezorgd, ongerust, bezorgd, ongerust

any = een, een of ander, een zeker, iemand, wie dan ook, een paar, enige, enkele, sommige, wat, onverschillig wie, wie dan ook

anybody = een, een of ander, een zeker, iemand

anything = iets

any time = elk ogenblik, elk moment

anyway = op de een of andere manier, op een of andere wijze

anywhere = ergens, hier of daar

aorta = aorta, levensslagader, lichaamsslagader

apache = apache, straatschuimer

apart = afgezonderd, afzonderlijk, bijzonder, los, afzonderlijk, apart, gescheiden, terzijde, vaneen

apart from = afgezien van, behalve, bij uitzondering, buiten, op ... na, uitgezonderd, behalve, buiten, ongerekend, afgezien van

apartheid = apartheid, segregatie

apartment = appartement, flat

apartment building = flat, flatgebouw

apathetic = apathisch, lusteloos, melig, ongevoelig, wezenloos

apathy = apathie, dofheid, lusteloosheid, wezenloosheid

ape = aap

ape-like = aapachtig, aapachtig

Apennines = Apennijnen

aperture = gat, mond, opening

aphasia = afasie, sprakeloosheid

aphorism = aforisme, spreuk, kernspreuk

aphrodisiac = lustopwekkend middel

Aphrodite = Afrodite

apiarist = bijenhouder, iemker, imker

apiary = bijenschans, bijenstal

apish = aapachtig, aapachtig

aplomb = aplomb, gewicht, zelfbewustheid, zelfverzekerdheid

apocalypse = apocalyps, openbaring

apocalyptic = apocalyptisch, geheimzinnig

apocryphal = apocrief, twijfelachtig

apodeictic = apodictisch

Apollo = Apollo

apologize = zich verontschuldigen, zich verontschuldigen

apology = apologie, verdediging, verweerschrift, verontschuldiging, excuus, verontschuldiging

apoplectic fit = beroerte

apostasy = afval, ontrouw, trouwbreuk

apostate = afvallig, afvallige, geloofsverzaker

apostatize = afvallen, afvallig worden, afvallen, ontrouw worden

apostle = apostel, voorvechter

apostleship = apostelschap, apostolaat

apostolate = apostelschap, apostolaat

apostolic = apostolisch

apostrophe = afkappingsteken, apostrof, uitlatingsteken, weglatingsteken

apotheosis = apotheose, slotstuk, slottaffereel, verheerlijking

appal = onthutsen, ontstellen, ontzetten, verbijsteren, verbluffen

Appalachian Mountains = Appalachen

apparatus = apparaat, hulpmiddelen, inrichting, toestel

apparent = aanwijsbaar, vertoonbaar

apparently = blijkbaar, duidelijk, klaarblijkelijk, in schijn, naar het schijnt, schijnbaar, ogenschijnlijk

appeal = appelleren, een beroep doen op, in appèl gaan, in beroep gaan, appel, beroep, regres, appèl, bede, smeekbede

appeal to = aanroepen, oproepen, praaien, een beroep doen op

appear = opdagen, opdraven, te voorschijn komen, uitkomen, verschijnen, er uitzien, het uiterlijk hebben van, lijken, overkomen, schijnen, toeschijnen, voorkomen

appearance = verschijnen, verschijning, aanblik, aanzien, air, schijn, uiterlijk, verschijning, voorkomen, aanzien, schijn

appear to be = lijken, overkomen, schijnen, toeschijnen, voorkomen

appease = bedaren, geruststellen, kalmeren

appellant = appellant

appellation = benaming, naam, naamwoord

appendicitis = blindedarmontsteking

appendix = aanhangsel, appendix, wormvormig aanhangsel

appetite = eetlust, graagte, hongerigheid, trek

appetizing = aantrekkelijk, appetijtelijk, eetlust opwekkend, aantrekkelijk, appetijtelijk, eetlust opwekkend

applaud = bij acclamatie benoemen, toejuichen, zijn bijval betuigen, adhesie betuigen, applaudisseren, toejuichen

applause = applaus, handgeklap

apple = appel

apple fritter = appelbeignet

apple juice = appelsap

apple-sauce = appelmoes, appelmoes

apple-tart = appeltaart

apple-tree = appelboom, appelboom

apple turnover = appelflap

applicant = aanvrager, besteller, aanvrager, verzoeker, adressant

application = aanwending, toepassing, applicatie, aanwending, toepassing

application form = aanmeldingsformulier, aanmeldingsformulier, aanvraagformulier, aanvraagformulier, aanvraagformulier

apply = aanwenden, doorvoeren, in toepassing brengen, toepassen

apply to = aankloppen bij, zich vervoegen bij, zich wenden tot

appoint = aanstellen, benoemen, benoemen

appointment = aanstelling, benoeming, benoeming, benoeming, afspraak, rendez-vous

appointment book = agenda, dagorde, zakalmanak

appointment to office = aanstelling, benoeming

appraise = begroten, schatten, taxeren, waarderen

appraiser = taxateur, zetter

appreciate = appreciëren, waarderen, hechten aan, houden van, mogen, waarderen

appreciation = appreciatie, waardering, appreciatie, waardering

apprehension = aanhouding, arrestatie, inhechtenisneming, aanhouding, arrest, arrestatie, hechtenis

approach = aanvliegen, aanpakken, gaan naar, genaken, naderen, aan komen lopen, aanpakken, beginnen met, toetreden, benaderen, aanpak, nadering, oprijlaan, oprit, dichtbijkomen, naderbijkomen, naderen, nabij komen, naderbij komen, naderen, nader treden, nadering

approachable = aanspreekbaar

approach path = aanvliegroute

approach route = aanvliegroute

appropriate = betamelijk, gepast, geschikt, passend, toepasselijk

appropriately = gevoeglijk, op de juiste wijze

approval = acclamatie, bijval, toejuiching, applaus, bijval, bijvalsbetuiging, toejuiching, bijval, fiat, goedkeuring

approve = beamen, billijken, goedkeuren, toestemmen

approved = beproefd

approximate = benaderen, benaderend, globaal

approximately = circa, een stuk of, ongeveer, plusminus, zowat

approximation = benadering

apricot = abrikoos

apricot-tree = abrikozeboom

April = april, grasmaand

apron = boezelaar, schort, sloof, voorschoot

apsis = abside, apsis, koornis

aptitude = aanleg, begaafdheid, gave, talent, aanleg, begaafdheid, gave, talent, aanleg, begaafdheid, gave, talent

Apulia = Apulië

aquamarine = aquamarijn

aquarium = aquarium

Aquarius = Waterman

aquatic = waterhoudend, waterig, water-

aqueduct = aquaduct

aquiline nose = adelaarsneus, arendsneus, arendsneus

Aquitaine = Aquitanië, Aquitanië

aquittal = vrijspraak

Arab = Arabier

arabesque = arabesk

Arabia = Arabië, Arabië

Arabian = Arabisch

Arabian Sea = Arabische Zee

Arabian woman = Arabische

Arabic = Arabisch

arable = bebouwbaar, bouw-

Arachne = Arachne

Ararat = Ararat

araucaria = apestaartboom, apetreiter, araucaria, slangenden

arbiter = arbiter, scheidsrechter, willekeur

arbitrarily = naar willekeur

arbitrary = arbitrair, eigenmachtig, willekeurig

arbitration = arbitrage, scheidsgerecht

arbitrator = arbiter, scheidsrechter, willekeur

arbor = prieel, as, drijfas

arboreal = boom-

arbutus = aardbeiboom

arbutus fruit = aardbeiboomvrucht, haagappel

arc = boog, toog

Arcadia = Arcadië, Arcadië

arch = boog, boogvormig bouwsel, gewelf, ronding

arch- = aarts-, hoofd-, opper-

archaeological = archeologisch, oudheidkundig

archaeologist = archeoloog, oudheidkundige, archeoloog, oudheidkundige, archeoloog, oudheidkundige

archaeology = archeologie, oudheidkunde, archeologie, oudheidkunde

Archaeozoic = Archeozoïcum

Archaeozoic era = Archeozoïcum

archaic = archaïsch, verouderd, archaïsch, verouderd

archaism = archaïsme, archaïsme

archangel = aartsengel

archbishop = aartsbisschop, metropoliet, metropolitaan, aartsbisschop

archbishopric = aartsbisdom

archduchy = aartshertogdom, aartshertogdom

archduke = aartshertog, aartshertog

arch-enemy = aartsvijand, doodsvijand

archeopteryx = archeopteryx

archimandrite = gardiaan

Archimedes = Archimedes, Archimedes

archipelago = archipel, eilandenzee, archipel, eilandengroep, eilandenzee, archipel, eilandengroep

architect = architect, bouwmeester, architect, bouwmeester

architectonic = architectonisch, bouwkundig, architectonisch, bouwkundig

architectural = architectonisch, bouwkundig, architectonisch, bouwkundig

architecture = architectuur, bouwkunst, architectuur, bouwkunst

architrave = architraaf, gevellijst, architraaf, gevellijst

archive = archief, archief, archiveren, archiveren

archives = archief

archivist = archivaris, archivaris

Arctic = Arctis, Noordpoolgebied, Noordpool, Noordpoolgebied, arctisch

Arctic Ocean = Noordelijke IJszee, Noordpoolzee, Noordelijke IJszee

Arcturis = Arcturis

Ardennes = Ardennen

ardent = gloeiend, verterend, verzendend, vurig

are = are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, are, vierkante decameter

area = areaal, gebied, oppervlakte, verspreidingsgebied

arena = arena, kampplaats, krijt, piste, strijdperk

Areopagus = Areopagus

Ares = Ares

Argentina = Argentinië

Argentine = Argentijns, Argentijn

Argentinean = Argentijns

Argentinian woman = Argentijnse

argon = argon

argue = disputeren, krakelen, twisten, redetwisten, strijden, beredeneren

argument = argument, bewijsgrond

argumentation = argumentatie, betoog, vertoning

Argus = Argo, Argos, Argus

aria = aria, wijsje

Ariadne = Ariadne

Aries = Ram

arise = ontstaan, ontstaan, opkomen, worden, opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen, geboren worden, ontluiken, spruiten

aristocracy = aristocratie, aristocratie, patriciaat

aristocrat = aristocraat

aristocratic = aanzienlijk, aristocratisch, deftig, voornaam, voornáám

Aristotle = Aristoteles, Aristoteles

arithmetic = cijferen, cijferkunst, rekenkunde, rekenkunst

Arizona = Arizona

ark = ark

Ark of the Covenant = Ark des Verbonds

arm = wapenen, bewapenen, arm-, armleuning, arm, been, passerbeen, arm

arm- = arm-

armadillo = gordeldier

armature = anker, armatuur

armchair = fauteuil, leuningstoel, leunstoel, zorgstoel, armstoel, fauteuil, leunstoel, zorgenstoel

Armenia = Armenië, Armenië

Armenian = Armeens, Armeen, Armeniër

Armenian woman = Armeense

armful = armvol

arm of the sea = zeearm

Armorica = Armorica

armour = pantseren, bepantseren, harnas, kuras, pantser, bepantsering, rusting

armoury = arsenaal, tuighuis, wapenkamer, arsenaal, tuighuis, wapenkamer, wapenmagazijn

armpit = oksel

arm-rest = armleuning

army = heerschaar, leger, legermacht, troepenmacht, weermacht, heer, heerschaar, leger, strijdkrachten, troepenmacht, weermacht

army chaplain = aalmoezenier, veldprediker, aalmoezenier

Arnhem = Arnhem

arnica = arnica, valkruid, wolverlei, wondkruid

aroma = aroma, geur

aromatic = aromatisch, geurig

around = om, om ... heen, omtrent, ongeveer, rondom

arouse = wakker maken, wekken, opwekken

arrack = arak, rijstbrandewijn

arrange = aanrichten, arrangeren, ordenen, regelen, terechtbrengen, inrichten, regelen, ruimen, opruimen, schikken, terechtbrengen

arrange flowers = bloemschikken

arrangement = akkoord, inrichting, maatregel, regeling, schikking, zetting

Arras = Atrecht

arrears = achterstand

arrest = aanhouding, arrestatie, inhechtenisneming, aanhouden, arresteren, inrekenen, in verzekerde bewaring nemen, aanhouding, arrest, arrestatie, hechtenis

arrested person = arrestant

arrival = aanvoer, bezorging, komst, aankomst, aanvoer, bevoorrading

arrivals = aanvoer, bezorging, aanvoer, bevoorrading

arrive = aankomen, arriveren, aankomen, arriveren

arrive afterwards = later komen, nakomen

arrogance = aanmatiging, arrogantie, verbeelding, verwaandheid, verwatenheid, aanmatiging, onbescheidenheid

arrogant = aanmatigend, arrogant, zelfbewust, aanmatigend, arrogant, hautain, laatdunkend, verwaand, verwaten, aanmatigend, onbescheiden, verwaand, aanmatigend, arrogant

arrow = pijl, scheut

arrowroot = arrowroot, pijlwortel

arse = aars, anus

arsehole = lul, hondelul, zak, klootzak

arsenal = arsenaal, tuighuis, wapenkamer, arsenaal, tuighuis, wapenkamer, wapenmagazijn

arsenic = arsenicum, rattenkruid, arsenicum, rattenkruit

art = kunst

Artemis = Artemis, Artemis

arteriosclerosis = aderverkalking, arteriosclerose

artery = arterie, slagader

artesian = artesisch

art gallery = kunstgalerie

arthritis = gewrichtsontsteking, jicht

Arthur = Arthur

artichoke = artisjok

article = artikel, handelsartikel, artikel, bijdrage, opstel, stuk, verhandeling, lidwoord, ding, mikpunt, object, onderwerp, voorwerp, lijdend voorwerp

article of clothing = gewaad, kleding, kleed

article of dress = gewaad, kledingstuk

articulate = articuleren, <door een mechanisme verbinden>, articuleren, <door een mechanisme verbinden>

artificial = gekunsteld, gemaakt, gewrongen, artistiek, kunstig, kunstmatig, gemaakt, kunstmatig, nagemaakt, gezocht, kunstmatig, onnatuurlijk

artificial respiration = beademing

artillery = artillerie, geschut

artilleryman = artillerist, artillerist

artisan = ambachtsman

artist = artiest, kunstenaar

artistic = artistiek, kunstig, kunstmatig, artistiek

Aruba = Aruba

Aruban = Arubaans, Arubaan

Aruban woman = Arubaanse

arum = aronskelk

Aryan = Arisch, Ariër

as = als, toen, wanneer, als, hoe, op welke manier, op welke wijze, wat, zoals, als, op de manier van, op de wijze van, zoals, als, bij wijze van, blijkens, ingevolge, langs, naar, volgens, even, zo, aangezien, daar, omdat, vermits, want, wijl

as a consequence = dientengevolge

asafoetida = duivelsdrek

as a gift = ten geschenke

as a matter of fact = feitelijk, inderdaad, metterdaad

as a result of = ingevolge, ten gevolge van

as ... as = even ... als, even ... als, zo ... als

as a whole = alles wel beschouwd, over het algemeen genomen, überhaupt

asbestos = asbest

as bold as brass = hondsbrutaal, onbeschoft

ascend = opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen, oplopen, rijzen, stijgen, klimmen, naar boven gaan, rijzen, stijgen, bestijgen, beklimmen

Ascension = Hemelvaart

Ascension Day = hemelvaartsdag

ascent = beklimming

ascertain = bevinden, constateren, vaststellen

ascetic = ascetisch

ascorbic acid = ascorbinezuur, vitamine C

aseptic = antiseptisch, aseptisch, kiemvrij

as for the rest = overigens, trouwens, verder, voor de rest

ash = as, es

ashamed = beschaamd, beschaamd

ash-blond = asblond

ashen = asgrauw

ashtray = asbak, asla

Ash Wednesday = Aswoensdag, Aswoensdag

Asia = Azië

Asia Minor = Anatolië, Klein-Azië, Klein-Azië

Asian = Aziatisch, Aziaat

Asian woman = Aziatische

Asiatic = Aziatisch

as if = als, als het ware, of alsof

as is being said = naar men zegt

ask = vragen, inroepen, verzoeken, vragen, aanvragen

ask for = inroepen, verzoeken, vragen, aanvragen

ask forgiveness = zich excuseren

ask oneself = zich afvragen

as one pleases = naar believen, naar verkiezing, naar welgevallen, zoals men wil

asparagus = asperge

aspect = aanblik, aanzien, air, schijn, uiterlijk, verschijning, voorkomen

aspen = esp, ratelpopulier

asphalt = asfalteren, asfalt, aardpek, asfalt

asphodel = affodil

aspidistra = aspidistra

aspiration = aspiratie, sollicitatie

aspire = ambiëren, dingen naar, najagen, nastreven, streven naar

aspire to = ambiëren, dingen naar, najagen, nastreven, streven naar

aspirin = aspirine

as regards = aangaande, met betrekking tot, ten opzichte van

ass = ezel

assailant = aanvaller, agressor, aanvaller, agressor, aanvaller, aanrander, aanrander, aanrander

assault = aangrijpen, aantasten, aanvallen, tackelen, aanranden, een aanslag plegen op, zich vergrijpen aan, aanranding, aanslag, bestormen, bestorming, charge, stormloop, bestormen, bestorming, charge, stormloop

assaulter = aanrander, aanrander, aanrander

assemblage = bijeenkomst, meeting, samenkomst, vergadering, montage, zetting

assemble = assembleren, bijeenkomen, samenkomen, vergaderen, monteren, zetten

assembler = assembler, monteur

assembly = samenscholing, assemblee, assemblee, vergadering, montage, zetting

assembly hall = montagehal

assembly room = montagewerkplaats

assembly shop = montagehal

assent = beamen, bevestigen, ja zeggen, toestemmen, bevestiging, toestemming

assert = beweren, verzekeren

assertion = bewering

assessment = aanslag, belastingaanslag

asset = aanwinst, acquisitie, buit, prooi, verkrijging, verwerving

assets = actief, bedrijvende vorm, bezit, tegoed, activa

assign = betekenen, dagen, dagvaarden, voor het gerecht dagen, toewijzen, als taak opgeven

assign a number = nummeren

assigned job = karwei, klus, opgave, taak

assimilate = assimileren, in zich opnemen

assimilation = assimilatie, assimilatie, verwerking

Assisi = Assisi

assist = assisteren, bijstaan, helpen, ter zijde staan, baten, bijstaan, helpen, ter zijde staan

assistance = assistentie, hulpbetoon

assistant = adjunct, assistent, helper, assistente, assistent, famulus, helper, hulp, assistente, helpster

assistent = assistent, helper, hulp

associate = aansluiten, zich aaneensluiten, zich verenigen, zich verenigen

associate with = omgaan met

association = associatie, bond, genootschap, maatschappij, vereniging

as soon as = zohaast, zodra, zodra als

assortment = assortiment, sortering

ass's = ezels-

as stupid as an ass = aartsdom, oerdom, oliedom

assumingness = aanmatiging, arrogantie, verbeelding, verwaandheid, verwatenheid, aanmatiging, onbescheidenheid, aanmatiging, arrogantie

assure = betuigen, verzekeren

Assyria = Assyrië, Assyrië

Assyrian = Assyrisch, Assyriër

astatine = astaat, astatium

aster = aster

asterisk = asterisk, sterretje, asterisk, sterretje

asteroid = asteroïde

asthma = astma, aamborstigheid, aamborstigheid, astma

asthmatic = aamborstig, astmatisch, kortademig, astmalijder

asthmatic patient = astmalijder

as though = als, als het ware, of alsof

as to = aangaande, met betrekking tot, ten opzichte van

astonishing = bevreemdend, verbazingwekkend, verwonderlijk, wonderbaarlijk

astonishment = bevreemding, verbaasdheid, verwondering

astringent = adstringerend, samentrekkend, wrang, adstringerend, samentrekkend

astrologer = astroloog, sterrenwichelaar, astroloog, sterrenwichelaar

astrology = astrologie, sterrenwichelarij

astronaut = astronaut, ruimtevaarder

astronomer = astronoom, sterrenkundige, astronoom, sterrenkundige

astronomic = astronomisch

astronomical = astronomisch

astronomy = astronomie, sterrenkunde

Asturias = Asturië, Asturië

astute = pienter, scherpzinnig, schrander, snugger, spits, vernuftig

as well as = alsmede, alsook, en ook, alsmede, daarenboven, op de koop toe, voorts

asylum = asiel, toevluchtsoort, vrijplaats

asymmetric = asymmetrisch, asymmetrisch

asymmetrical = asymmetrisch, asymmetrisch

as you wish = naar believen, naar wens, volgens zijn wil

at = aan, bij, naar, tegen, tot, voor, aan, bij, dichtbij, naast, nabij, aan, jegens, met, om, op, te, tot, à, bij, elk, ieder, telkens, à, bij, elk, ieder, telkens, aan, bij, ten huize van

Atalanta = Atalanta

at all = dan ook, ook maar, finaal, heel, geheel, helemaal, totaal, volkomen, volledig

at a strech = aaneen, achtereen, onophoudelijk, aaneen, aan één stuk door, in één ruk, ononderbroken

atavism = atavisme

at choice = naar verkiezing

atelier = atelier

at first = aanvankelijk, in het begin, aanvankelijk

at first glance = a prima vista, op het eerste gezicht

at first sight = a prima vista, op het eerste gezicht

at great length = lang, langdurig, gedurende lange tijd, voor lange tijd

atheism = atheïsme, godloochenarij, godloochening

atheist = atheïst, godloochenaar

Athena = Athene, Athene

Athene = Athene, Athene

Athenian = Atheens, Athener

Athens = Athene, Athene

a thing that needs to be done = iets wat gedaan moet worden

athlete = atleet

athletic = atletisch

athletics = atletiek, krachtsport, atletiek, krachtsport

at home = thuis

Atilla = Atilla

Atlantean = Atlantisch, van Atlantis, Atlantiër

Atlantean woman = Atlantische

Atlantic = Atlantische Oceaan, Atlantisch

Atlantic Ocean = Atlantische Oceaan

Atlantis = Atlantis, Atlantis, Atlantis

atlas = atlas, kaartenboek, atlas, eerste halswervel, atlas

at last = eindelijk, per saldo, ten slotte, eindelijk

at least = althans, tenminste, minimaal, minstens, ten minste

at long last = eindelijk

atmosphere = dampkring, lucht, sfeer, atmosfeer, sfeer, stemming

atmospheric = atmosferisch, sfeervol

atmospheric phenomenon = atmosferisch verschijnsel, meteoor

at most = hoogstens, hooguit, maximaal, hoogstens, maximaal, meestal, ten hoogste

at night = bij nacht, 's nachts, 's nachts

atoll = atol, koraaleiland, atol, koraaleiland

atom = atoom

atom bomb = atoombom

atomic = atomair, atoom-

atomic energy = atoomenergie

atomic fusion = atoomfusie

atomic powerstation = atoomcentrale

atomic theory = atoomtheorie

atomic weight = atoomgewicht

atonal = atonaal

at once = dadelijk, onmiddellijk, op stel en sprong, terstond, zonder verwijl, aanstonds, dadelijk, meteen, op staande voet, schielijk, subiet, zo

at par = pari, à pari, pari

at pleasure = naar verkiezing

at present = nou, nu, tegenwoordig, thans

atrocity = gruwel, gruweldaad, verschrikking

atrophy = atrofie veroorzaken, atrofie veroorzaken, atrofiëren, uitteren, atrofie, verschrompeling

at some time = eenmaal, eens, ooit, wel eens

attach = aanhechten, aanzetten, voordoen, bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen

attaché = attaché

attachement = aanhankelijkheid

attachment = aanhechting, aanhankelijkheid, gehechtheid, verkleefdheid, verknochtheid, beslag, beslaglegging, aanhankelijkheid, toegenegenheid, aanhankelijkheid, gehechtheid, toewijding

attack = aanmaning, aanval, aangrijpen, aantasten, aanvallen, tackelen, aanval, offensief, vlaag

attacker = aanvaller, agressor, aanvaller, agressor, aanvaller, aanvalsspits, belager

attain = buit maken, behalen, verkrijgen, verwerven, bereiken, behalen, inhalen, reiken tot, treffen

attempt = moeite doen, pogen, streven, trachten, zich beijveren, zoeken, moeite, poging, pogen, streven, zich inspannen, beproeven, passen, aanpassen, proberen, toetsen, uitproberen, beproeving, poging, proef, test, toets, toetsing

attend = verplegen, verzorgen, zorgen voor, afgaan, bezoeken, opzoeken, aanwezig zijn, aanwezig zijn bij, bijwonen

attend a congress = congresseren

attendance = bediening

attendance register = absentielijst, absentielijst

attendant = steward

attention = aandacht, acht, attentie, oplettendheid

attentive = aandachtig, attent, oplettend, aandachtig, oplettend

attentively = aandachtig, attent, met aandacht, oplettend

attest = certificeren, getuigen

at that place = aldaar, daar, d'r, er, 'r

at the back = achter, aan de achterkant, aan het einde, achteraan

at the instance of = op aandrang van

at the outset = aanvankelijk, in het begin, aanvankelijk

at the rate of = à, bij, elk, ieder, telkens

at the right time = bijtijds, op tijd, tijdig

at the same time = gelijk, gelijktijdig, tegelijk, tegelijkertijd, tevens

at this moment = op dit moment

attic = dakkamertje, zolderkamer, zolderkamertje, zolder

Attica = Attica

attitude = houding

attitudinize = zich aanstellen, zich voordoen

attitudinizer = aansteller, kwast

attract = aanlokken, bekoren, toelachen, trekken, aantrekken, verlekkeren, aanhalen, trekken, aantrekken, lokken

attraction = attractie, trekpleister, aantrekkelijkheid, aantrekkingskracht

attractive = aanlokkelijk, aantrekkelijk, aanlokkelijk, lekker

attractiveness = aantrekkelijkheid

attribute = attribuut, bijvoeglijke bepaling, kenmerkende eigenschap

attune = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanpassen, afstemmen

at variance = oneens

at will = naar believen, naar wens, volgens zijn wil, naar verkiezing

aubade = aubade, aubade

aubergine = aubergine, aubergine

aubretia = aubriëta, aubriëtia

auction = afslag, auctie, mijn, veiling, vendu, vendutie, verkoping

auctioneer = afslager, veilingmeester, vendumeester

audacious = brutaal, gedurfd, stout, stoutmoedig, vermetel, waaghalzerig

audacity = durf, gedurfdheid, lef, stoutheid, stoutmoedigheid, vermetelheid

audience = auditorium, gehoor, toehoorders, audiëntie, auditorium, gehoor, hoorders, toehoorders

audio tape = geluidsband

audio-visual = audiovisueel, audiovisueel

audit = aflezen, checken, controleren, nakijken, surveilleren, toezien

audition = auditie

auditor = inspecteur, revisor

auditorium = aula, gehoorzaal

auditory = auditorium, aula, gehoorzaal, auditorium, gehoor, hoorders, toehoorders

Augean stable = Augiasstal

Augeas = Augias

augment = uitbouwen, uitbreiden, vergroten, groeien, aangroeien, stijgen, toenemen

August = augustus, oogstmaand

Augustus = August, Augustus

aum = aam

aunt = tante, tante, tante van moederskant, tante, tante van vaderskant

aura = aura

aureole = aureool, heiligenkrans, nimbus, stralenkrans

Aurignacian Period = Aurignacien

aurochs = oeros

aurora = aurora, morgenlicht, morgenrood

auspices = auspiciën, begunstiging, bescherming

Australia = Australië

Australian = Australisch, Australiër

Australian aboriginal = aboriginal, Australische inboorling

Australian woman = Australische

Austria = Oostenrijk

Austrian = Oostenrijks, Oostenrijker

autarky = autarchie, zelfvoorziening

authentic = authentiek, echt, authentiek, echt, onvervalst, waar

authenticity = authenticiteit, echtheid

author = auteur, bedenker, schepper, schrijver, opsteller, auteur, schrijver, stilist

authorative = autoritair, gezaghebbend

authoress = auteur, schrijfster

authoritative source = instantie

authority = autoriteit, gezag, autoriteit, gezag, autoriteit, deskundige, gezaghebber, autoriteit, gezag

authorization = bevoegdheid, machtiging, mandaat, volmacht

authorize = autoriseren, machtigen, volmachtigen

autism = autisme

autistic = autistisch

autobiographical = autobiografisch

autobiography = autobiografie

autobus = bus, autobus

autocracy = alleenheerschappij, autocratie, autocratie

autocrat = alleenheerser, autocraat

autocratic = autocratisch

autodidact = autodidact, autodidact, autodidact

autogenous = autogeen

automate = automatiseren, automatiseren

automatic = automatisch, werktuiglijk, zelfwerkend

automatically = automatisch

automation = automatisering, automatisering

automobile = auto, automobiel

automobile tyre = autoband, autoband

automoton = automaat

autonomic = autonoom, onafhankelijk, zelfbesturend

autonomous = autonoom, onafhankelijk, zelfbesturend

autonomy = autonomie, onafhankelijkheid, autonomie, zelfbestuur

autopsy = autopsie, lijkschouwing, autopsie, lijkschouwing

autumn = herfst-, najaars-, herfst, najaar

autumnal = herfstachtig

auxilary = hulp-

avail = baten, helpen, van nut zijn

available = beschikbaar, disponibel, liquide, voorhanden, verkrijgbaar

avalanche = lawine

avant-garde = avant-gardistisch, aanvalsspits, avant-garde, voorhoede

avarice = gierigheid, inhaligheid, schraperigheid, vrekkigheid

avaricious = gierig, hebzuchtig, inhalig, pinnig, schraperig, vrekkig

avenge = wraak nemen, wreken

avenge oneself = wraak nemen, wreken

avens = nagelkruid

avenue = dreef, laan, avenue

average = gemiddeld, gemiddelde, doorsnee, gemiddeld, middelbaar, midden-, gemiddeld, gemiddelde, middelmaat, midden

averse = afkerig

aversion = afkeer, antipathie, hekel, tegenzin

aviary = volière

aviate = vliegen

aviation = luchtvaart, luchtvaart, aviatiek, luchvaart, vliegwezen

aviator = aviateur, vlieger, vliegenier

avidity = begeerte, begerigheid, graagte, begeerte, begerigheid

avoid = mijden, ontwijken, uit de weg gaan, vermijden

avowedly = volgens eigen bekentenis

await = afhalen, wachten, te wachten staan, verbeiden, verwachten, afwachten

awake = wakend, wakker

awaken = wakker maken, wekken, opwekken

award a prize = bekronen, een prijs toekennen

aware = bewust, welbewust

awareness = besef, bewustzijn, bezinning

away = heen, over, vandoor, verwijderd, voort, weg

away we go = aan de slag, hup, vooruit

awful = afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk

awfully = bar, verschrikkelijk

a while = even, eventjes, korte tijd

awkward = log, plomp, knullig, onbeholpen, onhandig, schutterig, stumperig, sukkelig

axe = bijl, hakbijl

axiom = axioma, grondstelling

axis = as, spil

axis of the earth = aardas

axle = as, spil

azalea = azalea

Azerbaijan = Azerbaidzjan, Azerbaidzjan, Azerbaidzjaans

Azerbaijani = Azerbaidzjaan, Azeri

Azerbaijan woman = Azerbaidzjaanse

azimuth = azimut

Azoic = Azoïcum

Azoic era = Azoïcum

Azores = Azoren

Aztec = Azteeks

Baal = Baäl

Babel = Babel, Babel, Babylon

baboon = baviaan

baby = baby, baby, kindeke, kindje, wicht

baby intercom = babyfoon

Babylon = Babel, Babel, Babylon

Babylonia = Babylonië

Babylonian = Babylonisch, Babyloniër

baby phone = babyfoon

baby's bottle = zuigfles

baby's comforter = speen, fopspeen, speen, fopspeen, stofzuiger, zuigglas, speen, fopspeen

babysitter = oppas, oppas

baby-sitter = babysitter, babysitter

Bacchus = Bacchus

bachelor = celibatair, jonggezel, vrijgezel

back = achterzijde, ommezijde, rugstuk, rugzijde, rug, achterkant, achterzijde, achtereind, achterkant, achterstallig, onbetaald, achteruit, terug, terug, weerom, achteruitrijden

back and forth = heen en weer, vice versa

back axle = achteras

backbiting = achterklap, eerroof, laster

back-door = achterdeur

back down = bakzeil halen, bakzeil halen

background = achtergrond, achtergrond

back of the head = achterhoofd

back of the neck = nek

backpack = knapzak, ransel

back part = achtereind

back seat = achterbank

backside = achterste, bips, gat, kont, staartstuk, zitvlak

backspace = backspace

back street = achterbuurt

back to front = achterstevoren

backup = een backup maken, een backup maken van, backup, reservekopie, een backup maken, backup

back up = achteruit rijden, achteruit rijden

backward = achterover, achteruit, achterwaarts, rugwaarts, achterlijk, achterwaarts

backwardness = achterlijkheid

backwards = achteruit, achterwaarts, rugwaarts, achterover, achteruit, achteruit, terug

back wheel = achterwiel

bacon = spek

bacterium = bacterie

bad = beroerd, kwaad, kwalijk, slecht, verkeerd, slecht, verkeerd, bedorven, rot, verrot

badge = blazoen, insigne, wapen

badger = das

bad job = akkefietje, ongerief, verdrietelijkheid, akkefietje, akkevietje

bad luck = ongelukje, pech, tegenslag, tegenvaller, wanbof

badly = slecht

bad-smelling = stinkend, stinkend

Baffin Island = Baffinland

bag = tas, zak, tas, zak, tas, zak, colli, collo

bagasse = <geperste schillen, doppen of pitten>

baggage = bagage

Baghdad = Bagdad

bags = colli, colli's

bah = bah

Bahamian = Bahamaans, Bahamiaan

Bahamian woman = Bahamaanse

Bahraini = Bahreins, Bahreini

Bahraini woman = Bahreinse

Bahrein = Bahrein

baht = baht

bairn = kind, kind

bait = aas, lokaas, lokmiddel

baize = baaien, baai

bake = bakken

baked goods = baksel, gebak

bakelite = bakeliet

baker = bakker, bakker, broodbezorger

baker's shop = bakkerswinkel

bakery = bakkerij

baking oven = bakoven

Baku = Bakoe

balalaika = balalaika

balance = balans, onrust, balanceren, hobbelen, schommelen, wiegelen, wiegen, wippen, banksaldo, overschot, saldo

balance sheet = balans, handelsbalans

balance with a bank = banksaldo

balata = balata

balcony = balkon

bald = kaal, kaalhoofdig

baldachin = baldakijn, hemel, draaghemel, troonhemel

baldness = kaalheid, kaalhoofdigheid

bale = baal, colli, collo

Balearic Islands = Balearen

baleen = balein, balein

bales = colli, colli's

Bali = Bali

Balinese = Balinees, Balinees

Balkans = Balkan

ball = bal, danspartij, bal, bol, kloot, kogel, bal, speelbal, bol, gebied, kloot, omgeving, sfeer, muis, muis van de hand

ballad = ballade

ballade = ballade

ballast = ballast

ball-bearing = bal, bol, kloot, kogel

ballerina = ballerina, balletdanseres

ballet = ballet, ballet

ballet dancer = ballerina, balletdanseres, balletdanser

ballet girl = ballerina, balletdanseres

ballet master = balletmeester

ballgame = balspel

ball game = balspel, handbal

ballistics = ballistiek, werpkunde

ball of the thumb = muis, muis van de hand

balloon = ballon, luchtballon, ballon, luchtballon

ballot = ballotage, stemming

balloting = ballotage, stemming

ballpoint = balpen, ballpoint, kogelpen

ball-point pen = balpen, ballpoint, kogelpen

ballpoint pen = ballpoint, balpen, kogelpen

ball-room = balzaal

balm = balsem-, balsem

balminess = mildheid, zachtheid, zachtaardigheid, zachtmoedigheid, zoelheid

balsam = balsem-, balsamien, balsamine, balsemien, springzaad, balsem

Baltic = Baltische Zee, Baltisch

Baltic Sea = Oostzee

balustrade = balie, balustrade, hekje, leuning

bamboo = bamboe, Indisch riet

bamboo shoots = bamboescheuten

ban = anathema, ban, banvloek, excommunicatie, ban, banvloek, excommunicatie

banality = banaliteit, gemeenplaats, alledaagsheid, banaliteit

banana = banaan, pisang, banaan, pisang

banana leaf = bananeblad

banana-plant = bananenplant

banana plant = bananenplant

band = bende, schare, troep, bende, horde, band, muziekgroep, orkest

bandage = verband, zwachtel, verband, zwachtel, baken, inbakeren, inzwachtelen, omwikkelen

Banda Sea = Bandazee

bandit = bandiet, struikrover

bandoleer = bandelier, schouderriem

bands = bef

bandstand = muziektent

bang = dichtslaan

Bangkok = Bangkok

Bangladesh = Bengaals

Bangladeshi = Bengalese, Bengalees

Bangladeshi woman = Bengalese

banisters = balie, balustrade, hekje, leuning

banjo = banjo

bank = bank, boord, kant, kust, oever, wal, walkant, waterkant, zeekant, bank, plaat, zandbank, zandplaat

bank account = bankrekening

bank clerk = bankbediende, bankemployé

bank discount = bankdisconto

banker = bankdirecteur, bankier, bankier

banking = bankwezen

banking account = bankrekening

banking secret = bankgeheim

bank manager = bankdirecteur, bankier

bank messenger = bankloper, kasloper

banknote = bankbiljet, briefje

bank-note = bankbiljet, bankbiljet, briefje

bank note = bankbiljet, briefje

bank official = bankbediende, bankemployé

bank rate = bankdisconto

bankrupt = bankroet, bankroetier, bankroetier

bankruptcy = bankroet, failliet, faillissement, krach

banner = dundoek, vaan, vlag

banquet = banketteren, banket, feestmaal, feestmaal, festijn, gelag, smulpartij

banquet-room = banketzaal

banquet room = banketzaal

banshee = banshee

Bantu = Bantoe-, Bantoe

banyan = Indische vijgenboom, waringin

baobab = apebroodboom

baptism = doop, doopsel

baptismal font = doopvont

baptist = baptist

baptistery = doopkapel

baptize = dopen

baptizer = doper

bar = afdammen, afsluiten, belemmeren, stuwen, versperren, bar, barrière, scheidsmuur, versperring, briket, reep, bar, herberg, kroeg, tapperij, behoudens, beletten, verhinderen, verhoeden, belemmeren, beletten, doorkruisen, storen, stremmen, verhinderen, bar, café

Barbadian = Barbadaans, Barbadaan, Barbadiaan

Barbadian woman = Barbadaanse

barbarian = barbaar, onmens, wreedaard

barbaric = barbaars, Barbarijs, barbaars, onmenselijk

barbarism = barbarisme

barbarity = barbaarse daad, onmenselijke daad, barbaarsheid, onmenselijkheid

barbarousness = barbaarsheid, onmenselijkheid

Barbary = Barbarije

barbecue = barbecue, barbecuen, barbecue, barbecue

barbed-wire = prikkeldraad

barbed wire = prikkeldraad

barbel = barbeel, barbeel

barber = barbier, kapper, barbier, kapper, barbier

barberry = berberis, zuurbes

Barbery = Barbarije

barbiturate = barbituraat

Barcelona = Barcelona

bard = bard

bare = bloot, naakt, onbedekt, onopgesmukt

barefoot = barrevoets

barely = amper, kwalijk, nauwelijks, ternauwernood

Barentsz Sea = Barentsz-zee, Barentsz-zee

bargain = afdingen, marchanderen, pingelen

barge = aak, rijnaak

bargemaster = aakschipper

baritone = bariton, bariton

barium = barium, barium

bark = schors, boomschors, bark, boot, hulk, pink, schuit, bassen, huilen, blaffen, aanslaan, beginnen te blaffen, dop, schaal, schil, schors

bark at = aanblaffen

barking dear = blafhert, muntjak

barley = gerst

barman = barman

barn = barak, keet, loods, schuur, huisje, keet, kraam, loods, schuur, stalletje, tent

Barnabas = Barnabas, Barnabas

bar of chocolate = plak chocolade

barometer = barometer, drukmeter

barometer reading = barometerstand

baron = baron

baroness = barones

barony = baronie

baroque = barok-, in barokstijl, barokstijl

barque = bark, boot, hulk, pink, schuit

barrack = barak, keet, loods, schuur

barracks = kazerne, kazerne

barrel = fust, ton, vat, colli, collo, buis, kanaal, loop, pijp, roer, steel

barrel-organ = draaiorgel, pierement

barrels = colli, colli's

barren = onvruchtbaar, schraal, steriel, onvruchtbaar, bar, onvruchtbaar, vruchteloos

barricade = barricaderen, versperren, barricade, versperring

barrier = afsluitboom, slagboom, barrière, afsluiting, barrière, heining, hek, versperring, bar, barrière, scheidsmuur, versperring

barring = behoudens

barrister = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger

barrister-at-law = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger

barrow = grafheuvel

bar stool = barkruk

bartender = barman

Bartolomew = Bartholomeus

basalt = basalt

base = baseren, gronden, base, basis, grond, grondslag, grondtal, grondvlak, gemeen, infaam, laag, laaghartig, schunnig, vuig, baseren

baseball = baseball, baseball

Basel = Bazel

basement = kelder

bashfulness = bedeesdheid, verlegenheid

basic = basis-

basic wage = basisloon

basil = basilicum

basilica = basiliek

basin = bassin, kom, stroomgebied, vijver, bekken, kom, vont

basis = base, basis, grond, grondslag, grondtal, grondvlak

basket = ben, korf, mand, slof

basketball = basketbal, basket-ball, korfbal

Basle = Bazel

Basque = Baskisch, Baskisch, Baskische taal, Bask

Basque Country = Baskenland, Baskenland

Basque language = Baskisch, Baskische taal

bas-relief = bas-reliëf, bas-reliëf

bass = bas, basstem, baszanger, bas, bassist, baszanger, baars

bass player = bassist

bass-viol = basviool

bass voice = bas, basstem, baszanger

bast = bast

bastard = basterd-, bastaard, onecht kind, lul, hondelul, zak, klootzak

bastardy = bastaardij

baste = bedruipen

bastion = bastion, bolwerk, rondeel

bat = vleermuis

Batavia = Batavia

Batavian = Bataafs, Bataaf, Batavier

Batavian Republic = Bataafse Republiek

bath = bad, badkuip, bad

bathe = baden, in bad doen, wassen, baden, een bad nemen

bathing box = badhokje, badhokje

bathing-sponge = badspons

bathing-suit = badpak, zwemkostuum

bathing suit = badpak, zwemkostuum

bathroom = badhuis, badkamer, badplaats, badhuis, badkamer, badplaats, badkamer

baths superintendant = badmeester

bath superintendant = badmeester

batik = batikken

batiste = batist

baton = staf, stok

battalion = bataljon

battery = accu, accumulator, accumulator, batterij, batterij

battle = gevechts-, gevecht, kamp, slag, strijd, treffen, veldslag

battle- = gevechts-

battlefront = front, gevel, voorkant, voorzijde

baud = baud

bauxite = bauxiet

Bavaria = Beieren, Beieren

Bavarian = Beiers, Beier

bawdy = bordeel, hoerenkast, huis van plezier

bay = bassen, huilen, baai, inham, kreek

bay at = aanblaffen

Bay of Bengal = Golf van Bengalen

Bay of Biscay = Golf van Biskaje

bayonet = bajonet

bayonet catch = bajonetsluiting

bayonet joint = bajonetsluiting

bazaar = bazaar, markt, marktplaats, marktplein, bazaar, fancyfair, bazaar, warenhuis

bazooka = antitankgeweer, bazooka

be = worden

be able = in staat zijn, vermogen

be able to = in staat zijn, vermogen, kunnen

be able to cope with = aankunnen, kunnen doen, afkunnen

be able to do = aankunnen, kunnen doen

be able to handle = afkunnen

be able to match with = aankunnen

be about = circuleren, in omloop zijn, rondgaan, rouleren

be absent = absent zijn, afwezig zijn, ontbreken, verstek laten gaan

be accepted = aanvaard worden, geaccepteerd worden

beach = strand

beachcomber = strandjutter

be acid = zuur zijn

beacon = bebakenen, baak, baken, baak, baken

be acquainted with = bekend zijn met, kennen

bead = kraal

be addicted = verslaafd zijn, verslaafd zijn

be adrift = drijven, afdrijven, op drift zijn

be advised = informatie inwinnen, informeren, inlichtingen vragen

be afraid of = bang zijn voor, duchten, schromen, terugschrikken voor, vrezen

be a guest of = logeren, te gast zijn

be a hit = furore maken, een hoge vlucht nemen, in trek zijn, opgang maken

be ailing = ziek zijn

be ajar = aanstaan, op een kier staan

beak = bek, neb, snater, snavel, tuit, vogelbek

be alive = leven

be allowed to = mogen

beam = straal, balk, onderlegger, ribbe

bean = boon, tuinboon, veldboon

be angry = boos zijn, boos zijn op, kwaad zijn, kwaad zijn op, toornen

be answerable = aansprakelijk zijn, verantwoordelijk zijn, verantwoorden

be appropriate = betamen, gelegen komen, passen, schikken, uitkomen, voegen

bear = baissier, speculant, baissier, dragen, naar buiten brengen, uithouden, verdragen, baren, bevallen, het leven schenken, teweegbrengen, voortbrengen, afwerpen, opbrengen, opleveren, voortbrengen, doorstaan, lijden, ondergaan, uitstaan, velen, verdragen, beer

beard = baard

bearded = baardig, gebaard, baardig, gebaard

beardless = baardeloos

bear down = koersen, stevenen, afstevenen

bearer share = aandeel aan toonder

bear fruit = vrucht dragen

bearing = lager

Bear Island = Bereneiland

bear's-ear = aurikel, bereoor

bearskin = beremuts, kolbak, beremuts

bearskin cap = beremuts, kolbak, beremuts

bear the cost of = bekostigen

bear witness of = certificeren, getuigen

be ashamed = beschaamd staan, zich schamen, zich generen, zich schamen

be asleep = maffen, slapen

beast = beest, beestachtig mens, wild beest, wild dier, beest, dier

beastly = beestachtig, dieren-, dierlijk, beestachtig, beestachtig

beast of prey = roofdier

beat = afranselen, houwen, klappen, kloppen, slaan

be at loggerheads = bakkeleien, met elkaar vechten, plukharen, bakkeleien

beat off = afslaan, debatteren, afslaan, wegslaan

beat up = afranselen

beautiful = fijn, fraai, mooi, knap, net, schoon

beautifully = mooi, net

beautiful woman = schone, schone vrouw, schoonheid, stuk

beauty = fraaiheid, knapheid, schoonheid, bel, schone, schone, schone, schone vrouw, schoonheid, stuk

beaver = bever-, bever

be aware of = beseffen, zich bewust zijn, zich realiseren, zich bewust zijn van

be balding = kalen

be bankrupt = bankroet gaan, failliet gaan, failleren, mislukken

be beaten = verliezen, verslagen worden

be bold = bestaan, durven, wagen

be bored = zich vervelen

be born = geboren worden, ontluiken, spruiten

be burnt down = afbranden, verbranden

be called = heten, genoemd worden

be careful = oppassen

because = aangezien, daar, doordat, omdat, aangezien, daar, omdat, vermits, aangezien, daar, omdat, vermits, want, wijl

because of = naar aanleiding van, vanwege, wegens, door, in ruil voor, op, op grond van, uit, vanwege, voor, wegens

Bechuanaland = Beetsjoeanaland, Botswana

be closed = dichtgaan, sluiten, toegaan, toegroeien, toevallen, zich sluiten

become = goed staan, gebeuren, toegaan, voortgang hebben, worden, raken, worden

become abusive = beginnen te schelden

become accustomed = zich gewennen aan

become a Christian = christen worden, zich tot het christendom bekeren

become bitter = bitter worden

become complete = aangevuld worden

become disillusioned = teleurgesteld worden

become dull = afstompen, verdierlijken, verstompen

become engaged = zich engageren, zich verloven, zich engageren, zich verloven, zich verloven

become engaged with = zich verloven met, zich verloven met

become full = vollopen, volschieten

become holy = heilig worden

become steamy = beslaan, beslaan

become the fiacée of = zich verloven met

become the fiancé of = zich verloven met

become the husband of = de man worden van, huwen, trouwen met

become the wife of = de vrouw worden van, huwen, trouwen met

becoming = betamelijk, gepast, geschikt, passend, toepasselijk

be conscious of = beseffen, zich bewust zijn, zich realiseren

be considered = in aanmerking komen, meetellen

be correct = kloppen, overeenkomen, stroken

becquerel = becquerel

bed = bed, perk, bloemperk, tuinbed, bedding, stroombedding, bed, legerstede, sponde

bedbug = wandluis

bed-clothes = beddegoed

bedding = beddegoed

be defeated = verliezen, verslagen worden

be delirious = ijlen, kolderen, malen, raaskallen

be dependent on = afhangen van, afhankelijk zijn van

be deposited = berusten

be detained = achterblijven, nablijven

be detrimental to = afbreuk doen aan

be different = schelen, uiteenlopen, verschillen

be disappointed = teleurgesteld worden

be discharged gradually = afvloeien

be discouraged = ontmoedigd worden

Bedouin = Bedoeïen

bedridden = bedlegerig

bedroom = slaapkamer

bedspread = sprei, beddesprei

bedstead = ledikant

bedstraw = walstro

bedtime = bedtijd

bed-wetting = bedwateren, bedplassen, bedwateren

bee = bij, honingbij

beech = beuk

be educated = opgeleid worden

beef = klapstuk, rundvlees

be effective = effect sorteren, uitwerking hebben, werken, uitwerken

beefsteak = bief, biefstuk

beehive = bijenkorf

bee-keeper = bijenhouder, iemker, imker

bee-keeping = bijenteelt

bee-master = bijenhouder, iemker, imker

be encamped = kamperen, legeren

beer = bier

beeswax = bijenwas

beet = bieten-, beetwortel, biet, kroot, mangelwortel

beet- = bieten-

beetle = kever, schildvleugelige, tor, kever, tor

beetroot sugar = beetsuiker, bietsuiker

beet sugar = beetsuiker, bietsuiker

befit = betamen, horen, behoren, passen, voegen

be fitting = betamen, horen, behoren, passen, voegen

befog = benevelen, verdoezelen

be foiled by = afstuiten op

be fond of = dol zijn op, gek zijn op, verzot zijn op

before = voor, alvorens, alvorens te, eer, aleer, voor, vooraleer

be found = verkeren, voorkomen, zich bevinden, zich ophouden, zich bevinden

be frustrated by = afstuiten op

be full = genoeg hebben, vol zitten

beg = bedelen, schooien, inroepen, verzoeken, vragen, aanvragen

beget = verwekken

beggar = bedelaar, schooier, bedelaar, schooier

beggar-woman = bedelaarster, schooister

begging = bedelarij, gebedel, schooierij

begin = beginnen, een aanvang nemen, aanbinden, aanvangen, beginnen, aanbreken, aanvangen, beginnen, ingaan

beginner = beginneling, beginner

beginning = begin, aanvang, begin, ontstaan, aanhef, aanvang, begin, intrede

be glad = blij zijn, genieten van, zich verblijden, zich verheugen

begonia = begonia

be grieved = bedroefd zijn, treuren

begrudge = bejammeren, betreuren, het jammer vinden van, ontzien, sparen

beguinage = begijnhof

beguine = begijn

behave = zich gedragen

behavior = gedrag, houding, wandel

behaviour = gedrag, houding, wandel

behead = het hoofd afslaan, onthoofden

be heard = gehoord worden

behind = aan het einde, achteraan, achter, achter, aan de achterkant, achteraan, achterin, aan, achter, na, na verloop van, over, bips, kont, zitvlak

behind one's back = achterbaks, stiekem

behind the scenes = achter de schermen

behold = alsjeblieft, alstublieft, hier, hierzo, kijk, ziedaar, ziezo

be horrified = door schrik bevangen worden

be hungry = honger hebben, honger lijden

beige = beige

be in = furore maken, een hoge vlucht nemen, in trek zijn, opgang maken

be inclined = geneigd zijn, geneigd zijn tot, neigen

be in command = aanvoeren, bevelen, commanderen, het bevel voeren

be indignant = verontwaardigd zijn, zich ergeren, zich verontwaardigen

be indignant with = zich ergeren aan

be in easy circumstances = in goeden doen zijn

be in labour = bevallen, ter wereld brengen

be in opposition = oppositie voeren

be interested = zich interesseren

be interested in = belang hebben bij, belang stellen in

be in the habit of = gewend zijn, gewoon zijn, plegen

be in the keeping = berusten

be jealous = jaloers zijn

be kept in = achterblijven, nablijven

bel = bel, schone, bel

be lacking = absent zijn, afwezig zijn, schelen

be late = achterlopen, achter zijn, over tijd zijn, te laat zijn

belch = boeren, oprispen

be lenient with = ontzien, sparen, toegeeflijk zijn voor, zich laten vermurwen

belfry = belfort

Belgian = Belgisch, Belgische, Belg

Belgian woman = Belgische

Belgium = België, België

Belgrade = Belgrado

be liable = aansprakelijk zijn, verantwoordelijk zijn, verantwoorden

belief = overtuiging, geloof

believe = geloven, houden voor, menen

believe in = geloven aan, geloven in

Belize = Belize

Belizian = Belizaans, Belizaanse, Belizaan

Belizian lady = Belizaanse

Belizian woman = Belizaanse

bell = klok, bel, belletje, klokje, bel, klok, bel, belletje, rinkebel, schel

belladonna = belladonna

bell-button = belknop

belles-lettres = bellettrie, letterkunde, schone letteren, bellettrie, schone letteren

bellflower = campanula, klokje, campanula, klokje

Bellona = Bellona

bellow = balken, blaten, brullen, grommen, hinniken, loeien, schreeuwen

bellows = balg

bell-push = belknop

bell tower = belfort

bell-wether = belhamel

belly = abdomen, achterlijf, onderbuik, onderlijf, abdomen, onderbuik, onderlijf, buik

be located = verkeren, voorkomen, zich bevinden, zich ophouden, zich bevinden

belong to = behoren, behoren tot, toebehoren, behoren tot

be lost = teloorgaan, verloren gaan, wegraken, zoek raken

beloved = bemind, geliefd, beminde, lief, geliefde, liefje, zoetelief, beminde, lief, geliefde, liefste

below = beneden, daarbeneden, onder, beneden, onder, beneden, onder, beneden, daaronder, eronder

belt = ceintuur, gordel, riem, zone, ceintuur, gordel, riem

be lucky = boffen, geluk hebben, het treffen, zwijnen

be married = in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen

be master of = beheersen, kennen, machtig zijn

be master over = de baas zijn, meester zijn

be missing = absent zijn, afwezig zijn, ontbreken, verstek laten gaan, absent zijn, afwezig zijn, schelen

Ben = Benedictus

be nauseated = misselijk zijn, walgen

bench = bank, zitbank, bank, bok, ezel, rek, schraag, stander, stellage, werkbank

benchhand = bankwerker

bend = buigen, doorbuigen, ombuigen, buigen, doorbuigen, ombuigen, zich krommen, zich buigen, buigen, doen overhellen, neigen, buigen, bukken, zich bukken, buigen, krombuigen, krommen, verbuigen, buigen, doorbuigen, trekken, kromtrekken, zich krommen, bocht, curve, kromme

bend over = vooroverbuigen, vooroverhellen

be near death = op sterven liggen, zieltogen

beneath = beneden, onder, beneden, onder

Benedict = Benedictus

Benedictine = benedictijn, benedictijner monnik

Benedictine monk = benedictijn, benedictijner monnik

benefice = prebende, predikantsplaats

benefit = pré, voordeel, baat, gewin, verdienste, winst, baat, belang, nut, voordeel

benefit performance = beneficie, benefiet, benefietvoorstelling

Benelux = Benelux

be next to = belenden, grenzen aan

Bengal = Bengalen, Bengalen, Bengaals

bengal-light = Bengaals vuur

bengal-lights = Bengaals vuur

benign = goedaardig, onschuldig

Beninese = Benins, Beniner

Beninese woman = Beninse

Benjamin = Benjamin

bent = gebogen, krom, gebogen, krom

benzene = benzeen

be obstinate = koppig volhouden, tegenstreven, zich schrapzetten

be on a visit = logeren

be on duty = dienst hebben, wacht hebben, op post staan, posten

be one of = behoren tot

be on the decline = aftakelen, gebrekkig worden, in verval raken, vervallen

be on top of = liggen bovenop

Beotia = Beotië, Beotië

be painful = pijn doen, zeer doen

be patient = geduld hebben

be possible = mogelijk zijn, mogelijk zijn

be present = aanwezig zijn, aanwezig zijn bij, aanwezig zijn, aanwezig zijn bij, aanwezig zijn, aanwezig zijn bij, bijwonen

be proud = trots zijn, zich verhovaardigen

be proud of = bogen op, prat gaan op, zich beroemen op, zich verheffen op

bequeath = nalaten, nalaten, vermaken

be quiet = zich stilhouden, zijn mond houden, zwijgen, stilzwijgen

Berber = Berber

be related to = een familielid zijn van, familie zijn van

be released = afzwaaien

be responsible = aansprakelijk zijn, verantwoordelijk zijn, verantwoorden

beret = baret, alpino, alpinomuts

bergamot = bergamot, bergamotolie

be right = kloppen, overeenkomen, stroken, gelijk hebben

Bering Sea = Beringzee, Beringzee

Bering Strait = Beringstraat, Straat Bering

berkelium = berkelium

Berlin = Berlijn, Berlijns

Berliner = Berlijnse, Berlijner

Berlin lady = Berlijnse

Berlin woman = Berlijnse

Berne = Bern

Bernese = Berner, Berner

berry = bes

beryl = beril, berilsteen

beryllium = beryllium

be sad = bedroefd zijn, treuren

beseech = bezweren, bidden, smeken

beset = belagen

beside = aan, bij, dichtbij, naast, nabij, behalve, bezijden, naast, aan, bij, ten huize van

besides = overigens, trouwens, verder, voor de rest, behalve, buiten, ongerekend, bovendien, buitendien, daarbij, verder, bovendien, buitendien, daarbij, bovendien, daarenboven, verder, voorts

besiege = belegeren

besieger = belegeraar

be similar = lijken, gelijken, lijken op

be situated = gelegen zijn, liggen

be sorrowful = bedroefd zijn, treuren

be sorry about = bejammeren, betreuren, spijt hebben van

be sour = zuur zijn

bespatter = bespatten, besprenkelen

Bessarabia = Bessarabië, Bessarabië

best = best

bestial = beestachtig, dieren-, dierlijk, beestachtig, beestachtig

best of all = allerbest

be stronger than = aankunnen

best-seller = bestseller

be stubborn = koppig volhouden, tegenstreven, zich schrapzetten

be succesful = bloeien, floreren, gedijen, tieren, vooruitkomen, welvaren

be suitable = betamen, gelegen komen, passen, schikken, uitkomen, voegen, deugen, geschikt zijn

bet = wedden, weddenschap

beta = bèta

be taken ill = ziek worden

be thirsty = dorst hebben, dorsten naar

Bethlehem = Bethlehem

be tired of something = zich vervelen

betony = betonie

betray = in de steek laten, laten merken, verraden

betrayal = verraad

be treated as = behandeld worden als

betrothal = engagement, verloving, engagement, verloving, verloving

better = beter

between = onder, tussen

be unable = niet in staat zijn

be unfaithful = bedriegen, <bedriegen (van huwelijkspartner)>

be unfaithful to = bedriegen, <bedriegen (van huwelijkspartner)>

be used = gebruikt worden

be vacant = openstaan, vacant zijn, vaceren, vakant zijn

be valid = gelden, geldig zijn, opgaan, valideren, vigeren

bevel = afsteken, uitkomen

beverage = brouwsel, drank, drankje

bevy = are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, drift, groep, hoop, kudde, schare, school, set, stel, troep, zwerm, bende, schare, troep

be washed ashore = aandrijven, aanspoelen, aandrijven, aanspoelen, aan wal gaan

be well = het goed maken, zich goed voelen, gezond zijn

be well off = in goeden doen zijn

be well-to-do = in goeden doen zijn

be willing to = willen

bewitch = begoochelen, beheksen, betoveren, heksen

be worth = waard zijn, waardig zijn, lonen, waard zijn

be worthy of = waard zijn, waardig zijn, toekomen, verdienen, waard zijn, waardig zijn

be wrong = het mis hebben, ongelijk hebben

beyond = verder, verderop, verder dan, voorbij, daarop, vervolgens, langs, voorbij, aan de overkant van, over, overheen, over ... heen

Beyrouth = Beiroet

Bhutan = Bhoetan

Bhutanese = Bhoetaans, Bhoetaan

Bhutanese woman = Bhoetaanse

biased = eenzijdig, partijdig, tendentieus

bib = slabbetje

bible = bijbel

bibliography = bibliografie

bicarbonate of soda = zuiveringszout

bicolour = tweekleurig

bicoloured = tweekleurig

bicuit = beschuit

bicycle = fiets, rijwiel, tweewieler, zwijntje, fiets

bid = aanbieden, te koop aanbieden, inroepen, verzoeken, vragen, aanvragen

bide = afwachten

biennial = tweejarig

big = groot

bike = fiets, rijwiel, tweewieler, zwijntje, fiets

bikini = bikini

bile = gal

bilk = bedotten

bill = bek, neb, snater, snavel, tuit, vogelbek, biljet, kaartje, plaatsbewijs, plaatskaartje, snoeimes, factuur, nota, rekening, warenlijst

bill and coo = koeren

bill-board = aanplakbord

billiards = biljart, biljartspel

bill of exchange = cambio, wissel

billow = golfslag, zee

binary = binair, binair

bind = binden, inbinden, aansluiten, binden, vastbinden, vastmaken, verbinden

binding = band, reep, strip, strook, windsel, band, band, boekband

bindweed = winde, winde

binocular = kijker, verrekijker

binoculars = binocle, kijker, toneelkijker, verrekijker, kijker, verrekijker

biodegradable = afbreekbaar

biodestructible = afbreekbaar

biographer = biograaf, levensbeschrijver

biologist = bioloog

biosphere = biosfeer

biped = tweevoeter

birch = berk, berkeboom

bird = grootvaderlijk, vogel

bird- = grootvaderlijk

birds = gevogelte, vogelstand, vogelwereld

bird's = grootvaderlijk

birth = geboorte

birthday = geboortedag, verjaardag, verjaring, geboortedag, verjaardag

birth pains = barensnood

Biscay = Biskaje, Biskaje

biscuit = biscuit

biscuit tin = koekjestrommel, moppentrommel

bisexual = bisexueel

bishop = bisschop

bismuth = bismut

bison = bizon

Bissau = Bissau

bit = beting, baard, bonk, brok, eindje, homp, stukje, beetje, kneepje, snufje

bitchy = feeksachtig

bite = toebijten, toehappen, beet, beitsen, bijten, happen, knauwen, beet, hap, knauw

bite off = afbijten

bitmap = bitmap

bit-player = figurant

bitter = bitter, bitter, zuur

bitterness = bitterheid, verbittering, bitterheid

bittersweet = bitterzoet, zuurzoet

bitumen = aardpek, asfalt

bizarre = bizar

black = zwart, zwart

blackberry = braam, braam, braamstruik

blackberry bush = braam, braamstruik

blackbird = gieteling, merel

black currant gin = aalbessenjenever

Black Forest = Zwarte Woud

blackness = zwartheid

black radish = knopherik, radijs, rammenas

Black Sea = Zwarte Zee

Black Volta = Zwarte Volta

bladder = blaas

blade = kling, lemmer, lemmet, halm, blad van een roeiriem, schoep, halm, spier, spriet, stengel

blame = aanrekenen, toedichten, toeschrijven, toerekenen, wijten, beschuldigen, betichten, schuld, beknorren, berispen, terechtwijzen, verwijten

blameworthy = afkeurenswaardig, laakbaar, verwerpelijk

blanch = bleken, wit maken, witten

bland = poeslief

blank = blanco, blank, wit, oningevuld, blanco, oningevuld, formulier

blank cheque = blanco cheque, blanco volmacht, carte blanche

blanket = dek, deken

blaspheme = godlasteren, ketteren, vloeken, vervloeken

blasphemer = godslasteraar

blasphemy = godslastering, vloek, vervloeking

bleak = akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, mistroostig, naargeestig, somber, triestig, donker, somber, grimmig, guur, hard, scherp, kil, koud, droefgeestig, melancholiek, weemoedig, zwaarmoedig, onbeschut, kaal, onbeschut

bleat = balken, blaten, brullen, grommen, hinniken, loeien, schreeuwen, blaten

bleed = aderlaten, bloed aftappen, bloeden

bleeding = aderlating

blend = mengen, mixen, temperen, vermengen, verwarren, wassen, doorlopen, zich vermengen

bless = wijden, zegenen, inzegenen

blessing = zegen, zegening

blind = blind, blinde, blind, luik, vensterblind

blind alley = doodlopende weg

blindness = blindheid

blindworm = hazelworm

blink = knipogen, knipperen, pinken, tintelogen

blister = blaar, blaar, blaar, blaasje

block = blokkeren, vastzetten, blok, blok, houtblok, lul, dichten, dichtmaken, stoppen, toestoppen, verstoppen, volstoppen

blockade = blokkade, blokkeren, vastzetten

block of flats = flat, flatgebouw

Bloemfontein = Bloemfontein

blond = blond

blood = bloed

bloodless = onbloedig

blood-letting = aderlating

blood-red = bloedrood

blood red = bloedrood

blood-relationship = familiebetrekking, verwantschap

bloodshed = bloedvergieten

blood-stained = bebloed, bebloed, bloedbevlekt

bloodthirstiness = moordlust

bloodthirsty = moordlustig, moordziek

bloody = bloedend, bloedig

bloom = bloem

bloom later = nabloeien

blossom = bloesem

blot = klad, klak, moet, mop, plek, smet, vlek

blotter = vloeipapier

blotting paper = vloeipapier

blouse = bloes, boezeroen, kiel

blow = flap, houw, klap, mep, slag, aanblazen, blazen, waaien, waaien

blow one's nose = zijn neus snuiten

blow over = afdrijven

blow up = laten ontploffen, laten springen, opblazen, aandikken, verergeren

blue = blauw, blauw

Bluebeard = Blauwbaard

blueberry = bosbes, blauwe bosbes

bluebottle = aasvlieg, strontvlieg

Blue Nile = Blauwe Nijl

blunt = bot, stomp, afstompen, bot maken, stomp

blur = vervagen

blush = blozen, kleuren, rood worden

blushing = blozend, rood

boa = boa, boa, boa

boar = beer, mannetjesvarken

board = aanklampen, zich vastklampen aan, beschieten, betimmeren, bord, plank, tablet

boarding house = kosthuis, pension

boarding school = kosthuis, pension

board of directors = bestuur

boardroom = raadzaal, raadzaal

boast = bluffen, opscheppen, pochen, snoeven, snorken, stoffen, zwetsen

boat = aak, boot, schuit, sloep

bobbin = bobine, klos, spoel

bodily = lichamelijk, lijfelijk

body = carrosserie, lichamelijk, lijfelijk, lichaam, lijf, romp

body- = lichamelijk, lijfelijk

body hair = beharing, lichaamsbeharing

body language = lichaamstaal

body smell = lichaamsgeur

Boer = Boer

Bohemia = Bohemen, Bohemen

Bohemian = Boheems, Bohemer

boil = borrelen, koken, op het kookpunt zijn, zieden, koken, doen koken, afkoken

boiled egg = gebakken ei, spiegelei

boiler = ketel, stoomketel, ketel, keteldal, kookketel, waterketel

Bois-le-Duc = Den Bosch, 's-Hertogenbosch

bold = brutaal, gedurfd, stout, stoutmoedig, vermetel, waaghalzerig, dik, lijvig, boud, dapper, ferm, onvervaard, stout, stoutmoedig, vermetel

boldness = durf, gedurfdheid, lef, stoutheid, stoutmoedigheid, vermetelheid

Bolivia = Bolivia

Bolivian = Boliviaans, Boliviaan

Bolivian woman = Boliviaanse

Bolshevik = bolsjewiek, bolsjewiek

bolt = grendelen, afgrendelen, grendel, knip, schuif, schuifslot

bomb = bombarderen, bom

bombard = bekogelen, beschieten, bombarderen

Bombay = Bombay

bonbon = bonbon

bon-bon = bonbon

bond = band, binding, obligatie

bondwoman = slavin

bone = been, bot, knok, schonk

bone-dust = beendermeel

bonnet = kapotjas, motorkap, wagenkap, kap, kornet, muts

bonus = bonus, bonus

bony = benig, knokig, schonkig

boo = boe

book = boek, aanvragen, bestellen, bespreken, reserveren

bookcase = boekenkast

book collection = bibliotheek, boekenverzameling

booking = bespreking, reservering, bespreking, reservering

booking-office = kaartjesloket

book-keeper = boekhouder

book-keeping = boekhouden, boekhouding

booklet = boekje, libretto, operatekst, tekstboekje

bookmark = bladwijzer

bookseller = boekhandelaar

bookshop = boekwinkel, boekenwinkel

bookstore = boekwinkel, boekenwinkel

boon = zegen, zegening

boor = vlegel

boot = laars

booty = buit

booze = alcohol, drank, alcoholische drank, sterke drank, sterke drank

boozer = alcoholist, drankzuchtige, zatlap, zuiper, zuiplap, drinker, zuiper, zuiplap

borax = borax

border = rand, zoom, boord, kant, kust, oever, wal, walkant, waterkant, zeekant, landsgrens, rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom

bore = aanboren, boren, boor, vervelen, ergeren, tegenstaan, vermoeien, vervelen

boring = vervelend, saai, vervelend, melig, saai, taai, vermoeiend, vervelend

Borneo = Borneo

boron = borium

borrow = lenen, lenen

borrow from = lenen van, lenen van

borrow money on = belenen, lenen tegen een onderpand, verpanden

borscht = borsjt

borstch = borsjt

Bosnia = Bosnië, Bosnië

Bosnia-Hercegovina = Bosnië-Hercegovina

Bosnian = Bosnisch, Bosniër

Bosnian woman = Bosnische

bosom = boezem, borst, boezem, schoot

Bosporus = de Bosporus

boss = aanvoerder, baas, chef, gebieder, baas, heer, meester, patroon, aanvoerder, baas, chef, hoofd, opperhoofd

bossa nova = bossanova

bossy = bazig

botany = botanica, botanie, plantkunde

botch = beunhazen, knoeien, modderen, verhaspelen, verknoeien, verprutsen

both = allebei, alle twee de, beide

both ... and = zowel ... als

bother = belemmeren, hinderen, storen, verstoren

Botswana = Beetsjoeanaland, Botswana

Botswanan = Botswaans, Botswaan

Botswanan woman = Botswaanse

bottle = fles, bottelen, aftappen, opensteken

bottle opener = flesopener

bottom = bodem, grond, achtergrond, ondergrond, onderkant, bips, kont, zitvlak

bottom of the sea = zeebodem

bough = tak, aftakking

bouillon = bouillon, vleesnat

boulder = kei, rotsblok

boulevard = boulevard, singel

bound = grenzen, begrenzen

boundary = grens, perk

bouquet = boeket, bouquet, ruiker, tuil

Bourdeaux = Bordeaux

bourgeois = burgerlijk

bourgeoisie = bourgeoisie, burgerij

boutique = winkel, zaak

bovine = runder-, rund

bovine animal = rund

bow = boog, toog, boeg, voorschip, voorsteven, buigen, een buiging maken, nijgen, buiging, nijging, revérence, strijkage

bowdlerize = kuisen

bowl = bekken, kom, vont

bowling = bowling, bowling

box = boksen, bak, kist, schrijn, doosje, doos, slof, doos, bak, etui, foedraal, koker, korf, pot, zak, vat

boxer = bokser, vuistvechter

boxing = boksen, bokssport

box-room = bergplaats, bergruimte, bewaarplaats, opslag, opslagplaats

box-tree = buksboom, buxus, palmboompje, palmstruik

boy = jongen, knaap, bediende, dienaar, knecht

boyish = jongens-, jongensachtig, jongensachtig

boyscout = padvinder, verkenner

boy scout = padvinder, verkenner

bra = b.h., beha, bustehouder

Brabant = Brabant

Brabantine = Brabants, Brabander

brace = anker, armatuur, haakje, klamp, kramp, nietje, accolade, muuranker, muuranker, scheerlijn, stag, steundraad, tui

bracelet = armband, armband, armband, armband

braces = bretels

bracket = haakje, klamp, kramp, nietje, recht haakje

brackets = haakjes

brag = bluffen, opscheppen, pochen, snoeven, snorken, stoffen, zwetsen

braid = band, vlechten

braille = blindenschrift, braille, brailleschrift

brain = brein, hersenen, hersens

brake = remmen, afremmen, rem

brakedown = bijdraaien, pech, motorpech, panne

Bramaputra = Bramapoetra

bramble = braam, braamstruik

branch = tak, aftakking, aftakken, afdeling, branche, tak, vak, depot, filiaal

branching = aftakking

branch off = afbuigen, zich vertakken

brand = brandmerken, inbranden, brandmerk

branding iron = schroeiijzer

brandish = slingeren, swingen, zwaaien

brand of Cain = Kaïnsteken

brandy = brandewijn, brandy, vuurwater, brandy, cognac

brass = geelkoper, messing, koperen, geelkoperen, geelkoper, latoen, messing

brat = jochie, kwajongen

brave = braaf, dapper, eerlijk, ferm, flink, kranig, manhaftig, vriendelijk, boud, dapper, kloek, koen, moedig

bray = balken, balken

Brazil = Brazilië

Brazilian = Braziliaans, Braziliaan

Brazilian woman = Braziliaanse

breach = een bres slaan, een bres slaan in, bres, gaping, opening

bread = brood, mik

bread and butter = boterham

breadwinner = kostwinner

break = losbreken, afbreken, afbrekingsstreepje, koppelteken, trait d'union, afbrekingsteken, afbrekingsstreepje, stopstreep, africhten, dresseren, tot gehoorzaamheid dwingen, pauze, rust, breken, afbreken, doorbreken, schenden, stukbreken, verbreken, breken, afbreken, knappen, uitraken, stukgaan

breakable = breekbaar, broos

breakaway = afscheiding, secessie

break-down = bijdraaien, panne hebben

break down = averij krijgen, averij oplopen, kapot gaan, onklaar raken, stukgaan, afbreken, slopen, neerhalen, afspringen

breakdown product = afbraakproduct, residu

break down upon = afstevenen op

breakfast = ontbijt

break into = aanspreken, aanbreken

break of a habit = afleren, afwennen

break off = losbreken, afbreken

break oneself of a habit = afleren, afwennen, afleren, met een gewoonte breken

break up = scheiden, uiteengaan, vaneengaan, zich verspreiden

bream = brasem

breast = boezem, borst, borst, mam, tiet

breath = adem

breathe = ademen, ademhalen

breather = adempauze

breathing space = adempauze

breathless = ademloos, amechtig, buiten adem

breath-taking = adembenemend

breath test = ademtest

breed = fokken, opfokken, opkweken, telen, dresseren, grootbrengen, kweken, opleiden, opvoeden, ras

breeze = bries, trilgras, briesje, zuchtje

Bretagne = Bretagne

Breton = Breton

brevity = beknoptheid, bondigheid

brew = brouwen, bierbrouwen

bribe = bederven, omkopen, verbasteren, smeergeld, omkopen

brick = stenen, bakstenen, klinker, steen, baksteen, bouwsteen, stuk, tichel

bride = bruid, meisje, verloofde, bruid, jonggehuwde

bridegroom = bruidegom, jonggehuwde

bridge = brug, commandobrug, brug

bridle = bedwingen, beteugelen, betomen, intomen, in toom houden, breidel, teugel, toom

brief = kort, kortstondig

briefcase = aktentas, boekentas, theca, verzameling

brief case = aktentas

briefness = beknoptheid, bondigheid

briefs = slip, slipje

brigade = brigade

bright = briljant, glanzend, lumineus, schitterend, hel, helder, klaar, licht, helder, licht, lichtend

bright blue = helderblauw

brilliant = briljant, glanzend, lumineus, schitterend

brim = rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom

brimming = afgeladen, boordevol, mudvol, stampvol, tjokvol

brimstone = zwavel

bring = aandragen, bezorgen, brengen, aanbrengen, aanvoeren, toevoeren

bring about = ten gevolge hebben, tot gevolg hebben, uitwerken

bring along = bijeenbrengen, meebrengen, meenemen

bring away = uitdragen, wegbrengen, wegdragen

bring before = aanhangig maken

bring close together = dicht bij elkaar brengen

bring into agreement = in overeenstemming brengen, rijmen, tot overeenstemming brengen

bring near to = naderbij brengen

bring to the attention of = onder de aandacht brengen van

bring up = dresseren, grootbrengen, kweken, opleiden, opvoeden, aankaarten, entameren, aankaarten, aansnijden

brinjal = aubergine, aubergine, aubergine

brink = rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom

brisk = druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker

bristle = overeind gaan staan

bristly = borstelig, rechtopstaand, ruigharig, ruwharig

Britain = Brittannië, Groot-Brittannië

British = Brits

British Columbia = Brits-Columbia

British Virgin Islands = Britse Maagdeneilanden

Briton = Brit

Brittany = Bretagne

brittle = croquant, knapperig, breekbaar, broos

broach = aanboren, aanbreken

broad = breed, wijd

broadcast = omroepen, uitzenden, uitzenden

broccoli = broccoli, Italiaanse bloemkool

broken = defect, kapot, stuk, defect, gehavend, kaduuk, kapot, stuk, defect, gebroken, kapot, stuk, gebroken

broken down = defect

broken stones = steenslag

broker = makelaar, makelaardij

brokerage = courtage

bronze = bronzen, brons, tinbrons

brooch = broche, borstspeld

brook = beek, beekje

brooklet = beekje, stroompje

broom = bezem, veger

brothel = bordeel, hoerenkast, huis van plezier, bordeel, hoerenkast, huis van plezier

brother = broer, broeder

brother-in-law = schoonbroer, zwager

brothers and sisters = broers en zussen

brow = wenkbrauw

brown = bruin, bruin

browneyed = bruinogig

brownie = aardmannetje, gnoom

browse = afgrazen

Bruges = Brugge

bruise = blauwe plek, blutsen, kneuzen

Brunei = Brunei, Brunei

Bruneian = Bruneis, Bruneier

Bruneian woman = Bruneise

brunette = bruinharig

Brunhild = Brunhilde

Brunswick = Brunswijk

brush = borstelen, schuieren, borstel, stoffer

Brussels = Brussel, Brussels

Brussels-sprouts = spruitjes

brutal = beestachtig, bars, honds, nors, nurks, onaardig, onvriendelijk, stuurs, zuur

brute = beest, beestachtig mens, wild beest, wild dier, beestachtig, bruut, dierlijk, ruw

brutish = beestachtig

bubble = borrelen, luchtbel, blaas

buccaneer = boekanier

Bucharest = Boekarest

buck = mannetjeskonijn, rammelaar, mannetjeshaas, rammelaar

bucket = emmer

buck-hare = mannetjeshaas, rammelaar

buckle = gespen, dichtgespen, vastgespen, gesp, spang

buck-rabbit = mannetjeskonijn, rammelaar

bud = botten, spruiten, uitbotten, uitschieten, uitspruiten, knop, uitspruitsel, ontluiken, ontspruiten, uitkomen

Budapest = Boedapest

Buddha = Boeddha, Boeddha

Buddhism = boeddhisme

Buddhist = boeddhist

buddy = kameraad, kornuit, maat, makker

budget = begroting, budget, begroting, budget, begroting

budgetary deficit = begrotingstekort

buffalo = bizon, buffel, karbouw

buffer = buffer, bumper, stootkussen

buffet = bar, buffet, tapkast

buffoon = clown, hansworst, harlekijn, zot

bug = wandluis, insekt, afluisteren

bugger = anaal neuken, in de kont neuken

build = aanleggen, bouwen, construeren, metselen, bouwen, opbouwen, timmeren

builder = aannemer, bouwondernemer, bouwer, bouwvakker

build from wood = bouwen, opbouwen, timmeren

building = bouw, aanbouw, constructie, bouwwerk, gebouw, perceel

building contractor = aannemer, bouwondernemer

building-plot = bouwterrein, bouwterrein

building-site = bouwterrein, bouwterrein

built-up area = bebouwde kom

bulb = ampul, lamp, gloeilamp, lampje, peer, bol, <bol van een plant>

Bulgar = Bulgaar

Bulgaria = Bulgarije

Bulgarian = Bulgaars, Bulgaar

Bulgarian woman = Bulgaarse

bulk = bestek, grootte, omvang, uitgebreidheid

bulky = omvangrijk, uitgebreid, veelomvattend

bull = stier, bul, stier

bulldozer = bulldozer

bullet = kogel

bulletin = bulletin, verenigingsorgaan

bullring = arena voor stieregevechten, arena voor stieregevechten

bumblebee = hommel

bump = hobbel, bochel, bult

bumper = buffer, bumper, stootkussen

bumpy = hobbelig, oneffen, ongelijk

bunch = bos, bundel, wis

bundle = bos, bundel, wis

bungalow = bungalow

bungle = afraffelen, beunhazen, knoeien, modderen, verhaspelen, verknoeien, verprutsen

bunker = bunker, kazemat

buoy = baken, boei, ton, baken, boei

burble = murmelen, <murmelen (v. beekje>), kabbelen, klateren, murmelen

burden = laden, beladen, belasten, inladen, lading, last, vracht, vulling

burdensome = drukkend, zwaar, benauwend, drukkend, nijpend

bureau = bureau, bureel, kantoor

bureaucracy = ambtenarij, bureaucratie

burglar = inbreker

burgomaster = burgemeester, burgervader, dorpsburgemeester

Burgundian = Bourgondisch, Bourgondiër

burgundy = bourgogne

burial = begrafenis, teraardebestelling, begrafenis, graflegging, teraardebestelling

burial mound = grafheuvel

Burma = Birma

Burmese = Birmaans, Birmaan

Burmese woman = Birmaanse

burn = aan zijn, branden, branden, verbranden, branden, schroeien, zengen, aanflitsen, aanfloepen, aangaan, ontbranden

burn down = afbranden, verbranden

burning = brandend

burnt = aangebrand

burp = boeren, oprispen

burr = klis, klit

burst = barsten, scheuren, splijten, barst, barsten, breken, openbarsten, scheuren, springen, stukspringen, barst, scheur

burst into flames = in vlammen uitbarsten

Burundi = Boeroendi

Burundian = Boeroendees, Boeroendees

Burundian woman = Boeroendese

bury = begraven, ingraven, kuilen, inkuilen, begraven, kuilen, begraven, ter aarde bestellen

bus = bus, autobus

bush = boompje, heester, struik

bushbody = bemoeial, bemoeial, <toekijker bij kaartspel>

bushbuck = bosbok

Bushman = Bosjesman

business = aangelegenheid, affaire, ding, zaak, handel, koopmanschap, nering, handel, negotie, nering, transactie, zaak

business deal = aangelegenheid, affaire, ding, zaak

business friend = zakenvriend

businessman = zakenman, handelaar, koopman, zakenman

business relation = zakenrelatie

busk = balein

bus station = busstation

busstop = bushalte

bus stop = bushalte, bushalte

busy = bezet, druk, bezet, bezig, volhandig, bezet, bezig, in gesprek, volhandig

busy oneself = zich bezighouden met

but = behalve, bij uitzondering, buiten, op ... na, uitgezonderd, doch, echter, maar, echter, maar, niettemin, toch

butcher = slachten, afslachten, slachter, slager, vleeshouwer

butcher's shop = slagerij, slagerij, slagerswinkel

butter = boter

buttercup = boterbloem, ranonkel

butterfly = kapel, vlinder

buttock = bil, bil, bil

buttocks = bips, kont, zitvlak

button = dichtknopen, knoop, knop, knoop, knop, drukknop, dichtknopen, toeknopen

buy = aankopen, aanschaffen, aankopen, afnemen, inkopen, kopen, overnemen, kopen, afnemen, kopen, aankopen, kopen, inkopen, kopen, kopen, overnemen, aanschaffen, kopen, aankoop, aanschaf, afname, inkoop, koop, overname, koop, aanschaffen, aanschaffen, zich voorzien van

buy at a public sale = mijnen, op een veiling kopen

buyer = afnemer, klant, koper

buzz = brommen, gonzen, razen, snorren, suizelen, suizen, tuiten, zoemen

buzzer = zoemer

by = aan, bij, dichtbij, naast, nabij, aan, door, met ingang van, sedert, sinds, van, vanaf, door, aan, jegens, met, om, op, te, tot, blijkens, ingevolge, langs, naar, volgens, aan, door, met, per, langs, voorbij

by accidence = per ongeluk, zonder opzet

by accident = bij toeval, toevallig, toevalligerwijze

by acclamation = bij acclamatie

by all accounts = naar men beweert

by analogy with = naar analogie van

by chance = bij toeval, toevallig, toevalligerwijze, bij gelegenheid

by day = overdag, overdag

bye = adieu, vaarwel, dag, tot ziens, tot weerziens

by force = met geweld

by fours = met zijn vieren

by heart = uit het hoofd, van buiten

by his own account = volgens hemzelf

by-laws = statuut

by marriage = aangetrouwd, behuwd, schoon-, aangetrouwd

by means of = aan, door, met, per

by mistake = abusievelijk, bij vergissing, per abuis, verkeerd

byname = bijnaam

by night = 's nachts

by no means = geenszins, in geen geval, op geen enkele wijze

by now = al, alvast, reeds, alreeds

byre = koestal

by ship = per schip

by sight = op het gezicht

byte = byte, byte

by tens = met zijn tienen

by the way = apropos, tussen haakjes

by twos = getweeën, met zijn tweeën, onder vier ogen

by-way = zijweg, afslag, zijweg

Byzantine = Byzantijns, Byzantijn

Byzantine Empire = Byzantijnse Rijk

Byzantium = Byzantium

cab = aapje, huurrijtuig, vigilante

cabaret = cabaret, cabaret

cabbage = kool

cabin = hut, stulp, cabine, cockpit, hut, kajuit

cabinet = etagère, rek, kabinet, ministerie, studeerkamer, kabinet, ladenkast, kast

cable = kabel, tros

cablegram = telegram, kabeltelegram

cab-stand = taxistandplaats

cachalot = cachelot, potvis, cachelot, potvis

cactus = cactus

cadaver = kadaver, kreng, lijk

cadger = klaploper, parasiet, klaploper

cadmium = cadmium

cadre = kader, lijst, omlijsting, raam

Caenozoic = Kenozoïcum

Caesar = Caesar

caesium = cesium

café = bistro, café, koffiehuis

cafetaria = cafetaria

caftan = kaftan

cage = kooi

Cain = Kaïn

Cairo = Caïro

cake = cake, koek

calabash = kalebas

Calabria = Calabrië, Calabrië

calamity = plaag

calamus = kalmoes

calcium = calcium

calculate = calculeren, rekenen, berekenen, tellen, uitrekenen

calculation = becijfering, berekening, gecijfer, berekening

calculator = calculator, rekenmachine

Caledonia = Caledonië, Caledonië

Caledonian = Caledonisch, Caledoniër

calendar = kalender

calf = kalf, kuit

calibre = boring, kaliber, mal

California = Californië

Californian = Californisch, Californiër

calk = breeuwen, kalefateren, kalfateren

call = heten, noemen, benoemen, uitmaken voor, roepen

call at = aandoen, stoppen in

call at ...'s house = aangaan bij

call box = telefooncel

caller = bezoeker

Callisto = Callisto

call on = aangaan bij, afgaan, bezoeken, opzoeken

call out = een kreet slaken, uitkermen, uitkraaien, uitroepen

call over = afroepen, afroepen

call to account = ter verantwoording roepen, ter verantwoording roepen

calm = bedaard, kalm, rustig, stil, kalmte, rust, rustigheid, stilte, bedaard, gerust, kalm, rustig, bedaren, geruststellen, kalmeren

calm down = bedaren, kalmeren

calmness = bedaardheid, kalmte, rust, rustigheid, bedaardheid, kalmte, rust, gerustheid, rustigheid

calorie = calorie

Calvary = Golgotha, Golgotha

Calvin = Calvijn

Calypso = Calypso

Cambodia = Cambodja, Cambodja

Cambodian = Cambodjaans, Cambodjaan, Cambodjaans, Cambodjaan

Cambodian woman = Cambodjaanse

cambric = batist

camel = kameel, kemel

Camelot = Camelot

camera = camera, fototoestel, kiektoestel, camera, filmcamera, televisiecamera

Cameroon = Kameroen, Kameroens

camp = kamperen, legeren, kamperen, kamperen

campaign = campagne, veldtocht

camphor = kamfer

camping ground = camping, kamp, kampeerterrein

camping site = camping, kamp, kampeerterrein

campion = silene

camp of tents = kamp, kampement, tentenkamp

camp out = kamperen, legeren, kamperen, kamperen, kamperen

campshedding = schoeiing, beschoeiing, schoeiing, beschoeiing

campsheeting = schoeiing, beschoeiing, schoeiing, beschoeiing

campshot = schoeiing, beschoeiing, schoeiing, beschoeiing

can = inblikken, blik, blikje, bus, trommel, trommeltje

Canaan = Kanaän, Kanaän

Canada = Canada, Canada

Canadian = Canadees, Canadees, Canadees, Canadees

Canadian woman = Canadese, Canadese

canal = gracht, kanaal, vaart, wijk

canary = kanarie

Canary Islands = Canarische Eilanden, Canarische Eilanden

cancel = afbestellen, afbestellen, afgelasten, annuleren, ontbinden, tenietdoen, terugnemen

cancel by telephone = afbellen

cancer = kanker, kanker

candidate = aspirant, kandidaat, sollicitant

Candlemas = Maria-Lichtmis

candlestick = blaker, kandelaar

candy = snoep, snoepgoed, zoet, zoetigheid

candy coated aniseed = muisjes

cane = staf, stok, rieten, riet

cane- = rieten

cane-field = rietbos

canine = honde-, honden-

canker = kanker

cannibal = kannibaal, menseneter

cannon = canon, kanon, kettingzang, vuurmond

canoe = plezierboot

canon = canon, kerkregel

cañon = cañon

canonization = heiligverklaring

can opener = opener, blikopener

canopy = baldakijn, hemel, draaghemel, troonhemel

Cantabrian = Cantabrisch

canteen = veldfles

Canterbury bell = campanula, klokje

cantharides = Spaanse vlieg

Canticles = Hooglied

canvas = canvas, stramien

cap = pet, kap, kornet, muts, baret, kapje, muts, pet

capability = geschiktheid

capable = bekwaam, capabel, kundig

cape = kaap

Cape of Good Hope = Kaap de Goede Hoop, Kaap de Goede Hoop

Cape Province = Kaapprovincie

caper = bokkesprongen maken

Cape Town = Kaapstad

Cape Verde Islands = Kaapverdische Eilanden

capital = kapitaal, vermogen, hoofdstad

capital city = hoofdstad

capitalist = kapitalist

capital letter = hoofdletter, kapitaal, majuskel

capitol = capitool

capitulate = capituleren, zich overgeven

caprice = bevlieging, bui, gril, kuur, nuk, speling

capricious = grillig, nukkig, onberekenbaar, vlinderachtig, wispelturig

Capricorn = Steenbok

capsule = capsule, doosvrucht, kapseltje, zaadhuisje

captain = captain, hopman, kapitein, gezagvoerder, kapitein, scheepskapitein, schipper

capture = beetkrijgen, beetnemen, pakken, vangen, vastpakken, vatten

car = auto, automobiel

carafe = karaf

carambola = carambola

carapace = schaal, schild, rugschild

caravan = karavaan

carbon = koolstof

Carboniferous = Carboon

carbon paper = carbonpapier

carburettor = carburateur, vergasser

card = kaarden, kaart

cardboard = kartonnen, bordpapier, karton

cardiac = hart-, hart-, hartelijk, innig, hart-

care = behartiging, bezorgd zijn, zich bekommeren, zorg dragen, zorgen, kommer, bekommernis, zorg, zorgvuldigheid

care about = zich bekommeren om, zorg dragen voor

career = carrière, loopbaan

care for = behandelen, cureren, passen op, zorgen voor

careful = behoedzaam, voorzichtig, voorzichtig, zorgvuldig, zorgzaam

carefully = voorzichtig, zachtjes, met zorg, zorgvuldig

careless = nalatig, nonchalant, onachtzaam, achteloos, nalatig, nalatig, achteloos, onachtzaam

carelessness = nalatigheid, nonchalance, nalatigheid, achteloosheid, onachtzaamheid

caress = aaien, aaien, aai, aanhaling, liefkozing, streling, aai, aanhaling, liefkozing, streling

caressing = aanhalig

cargo = carga, goederen, lading, scheepslading, vracht

car hire = autoverhuur

Caribbean = Caraïbisch

Caribbean Sea = Caraïbische Zee, Caribische Zee

carillon = beiaard, carillon, klokkenspel, speelwerk, beiaard, carillon, klokkenspel

carillonneur = beiaardier, klokkenspeler, beiaardier, klokkenspeler

Carmelite = karmelieter non, karmelietes, karmelieter monnik, karmeliet

carnal = vleselijk

carnation = anjelier, anjer

carnival = carnaval

carnivorous = vleesetend, vleesetend

carousel = carrousel, draaimolen, zweefmolen

carp = karper

car park = parkeerplaats, parkeerterrein

carp at = bedillen, haarkloven, het lastig maken, muggeziften, vitten

Carpathian mountains = Karpaten

Carpathians = Karpaten

carpenter = timmerman

carpenter's square = winkelhaak

carpet = karpet, kleed, tapijt, vloerkleed

car radio = autoradio

carriage = affuit, equipage, kales, koets, rijtuig, spoorwagen, wagon, wagen, schrijfmachinewagen

carrier = transporteur, vervoerder, voerman, vrachtrijder

carrier cycle = bakfiets, bakfiets

carrier tricycle = bakfiets, bakfiets

carrion = aas, aas, kadaver, kreng

carrot = peen, wortel

carrousel = carrousel, draaimolen, zweefmolen

carry = brengen, dragen, voeren, voorhebben

carry away = uitdragen, wegbrengen, wegdragen

carrying = belastend, geladen met

carrying off = afvoer, wegvoering, afvoer

carry out = dragen, naar buiten brengen, uithouden, verdragen

car sleep train = autoslaaptrein, autoslaaptrein

cart = kar, handkar, karretje, wagen

carte blanche = blanco cheque, blanco volmacht, carte blanche

Carthage = Carthago

Carthaginian = Carthaags, Carthager

cartridge = kardoes, patroon

carve = beeldhouwen, uithakken, uithouwen, beitelen

car wreck = autowrak

case = aangelegenheid, affaire, ding, zaak, geval, naamval, zaak, geval, zaak, naamval

cash = baar, contant

cash flow = cash flow

cashier = kashouder, kassier, muntmeester, penningmeester

cashier's stand = fonds, geldkist, kas

cash money = contant geld, kontant geld

casino = casino

Caspian Sea = Kaspische Zee

Cassandra = Cassandra

cassava = cassave, broodwortel, maniok

casserole = pan, braadpan, steelpan

cassette = cassette, cassette

Cassiopeia = Cassiopea, Cassiopeia

cast = afwerpen, uit het zadel lichten, uit het zadel werpen, afgietsel, gegoten voorwerp, gieten, afgieten

cast a shadow = beschaduwen, overschaduwen

caster sugar = basterdsuiker

castigate = kastijden, tuchtigen

castigation = kastijding, tuchtiging

Castile = Castillië, Castillië

Castilian = Castiliaan

Castillian = Castilliaans

castle = rocheren, rokeren, burcht, kasteel, plecht, slot, toren

cast-off = afdankertje

cast off = afkanten, afgooien, afwerpen, uitgooien

Castor = Castor

castor sugar = basterdsuiker

castrate = castreren, ontmannen, snijden

cat = kattekop, kat, poes

catalogue = catalogiseren, catalogus

cataract = grote waterval, staar

catarrh = catarre

catastrophe = catastrofe, onheil, ramp

catastrophic = catastrofaal, rampzalig

catch = aanflitsen, aanfloepen, aangaan, ontbranden, beetkrijgen, beetnemen, pakken, vangen, vastpakken, vatten, buit, gevangenneming, vangst, halen, inslaan, raken, teisteren, treffen

catching = aanstekelijk, besmettelijk, verpestend, aanstekelijk, besmettelijk

catechism = catechismus

category = categorie

catering = proviandering, ravitaillering, voedselvoorziening, proviandering

caterpillar = rups

cathedral = dom, kathedraal

cathode tube = beeldbuis, beeldbuis, beeldbuis

catholic = katholiek

Catholisism = katholicisme

Cato = Cato

cattle-lifter = runderdief, veedief

cattle-stealer = runderdief, veedief

Caucasus = Kaukasus

cauldron = ketel, keteldal, kookketel, waterketel

cauliflower = bloemkool

caulk = breeuwen, kalefateren, kalfateren

cause = doen, laten, laten doen, maken, aandoen, aanrichten, stichten, teweegbrengen, veroorzaken, oorzaak, reden, beleggen, houden, teweegbrengen, uitschrijven

cause pain = bedroeven, grieven, smarten

cause pain to = bedroeven, grieven, smarten

cause to take place = beleggen, houden, teweegbrengen, uitschrijven

caution = waarschuwen, voorzichtigheid, behoedzaamheid, voorzichtigheid

cautious = behoedzaam, voorzichtig, voorzichtig

cavalier = ridder

cavalry = cavalerie, paardenvolk, ruiterij, wisselruiterij

cave = grot, grot, hol, holte, krocht, spelonk, gat, hol, holte, kuil, put

cave in = afkalven

cavern = grot, hol, holte, krocht, spelonk

caviar = kaviaar, steurkuit

cavity = hol, holte, uitholling, gat, hol, holte, kuil, put

caw = krassen

cease = aflaten, ophouden, stoppen, uitscheiden, wijken

ceaselessly = achtereen, aldoor, onophoudelijk

cedar = ceder-, cederhouten, ceder

cede = afstaan, het veld ruimen, toegeven, wijken, zwichten

ceiling = hoogtegrens, plafon, plafond, zolder, zoldering

Celebes = Celebes

Celebes Sea = Celebeszee

celebrate = celebreren, opdragen, vieren, fuiven, vieren, feestvieren, celebreren, vieren

celebrating one's birthday = jarig zijn, verjaren

celebration = viering, viering, feestviering, feest, festiviteit, fuif, partij, viering

celebrity = beroemdheid, beroemd persoon, ster, filmster, ster, filmster

celery = apium, wilde selderie, selderie, selderij

celestial = hemel-, hemels

cell = cachot, cel, kerker, cel

cellar = kelder

cello = cel, cello, violoncel

cellulite = bindweefselontsteking

Celsius = Celsius

Celt = Kelt

Celtic = Keltisch

cement = cement

cemetery = begraafplaats, kerkhof

Cenozoic = Kenozoïcum

censer = wierookvat

censor = censureren, keuren, censuur, keuring

censorious = bedilziek, vitterig

censoriousness = bedilzucht, vitzucht

censurable = afkeurenswaardig, laakbaar, verwerpelijk

censure = beoordelen, keuren, kritiseren, afkeuring, verwerping, wraking

cent = cent

centaur = centaur, paardmens

centavo = centavo

centennial = eeuw

centimetre = centimeter

centipede = duizendpoot, veelvoet, duizendpoot

central = centraal, middelste

Central African Republic = Centraalafrikaanse Republiek, Centraalafrikaanse Republiek

Central America = Midden-Amerika

Central Asia = Centraal-Azië

Central Europe = Midden-Europa

central heating = centrale verwarming

centre = binnenste, centrum, middelpunt

century = eeuw, eeuw

cerastes = horenslang

Cerberus = Cerberus, Cerberus

ceremonious = plechtig, statig, plechtstatig

ceremony = plechtigheid, ceremonie, plechtigheid, plichtplegingen, ceremonie, festiviteit, plechtigheid, statigheid, wijding, plechtigheid

Ceres = Ceres

cerium = cerium

certain = gewis, stellig, zeker, vast, vaststaand, verzekerd, wis

certainly = bepaald, ongetwijfeld, vast, wel degelijk, zeker, immers, toch, wel, zeker

certainty = securiteit, stelligheid, vastheid, vastigheid, zekerheid

certificate = act, akte, bedrijf, document, nummer, stuk, akte, document, stuk, akte, attest, certificaat, getuigenis, getuigschrift, testimonium

certificated = afgestudeerd, gediplomeerd

cession = afstand

cesspit = beerput

cesspool = beerput

Ceylon = Ceylon

Ceylonese = Ceylons, Ceylonees

Chad = Tsjaad

chain = keten, ketting

chain of mountains = bergketen

chair = stoel, zetel

chairman = praeses, preses, president, voorzitter

Chaldea = Chaldea

Chaldean = Chaldeeër

chalice = beker, kelk, bloemkelk, miskelk

chalk = krijt

challenge = tarten, trotseren, uitdagen, uittarten, uitdaging, aanvechten, bestrijden, betwisten, tegenspreken

chamber = kamer, lokaal, vertrek

chamber pot = po, nachtspiegel, po, piespot, pispot, nachtspiegel, po, piespot, pispot, nachtspiegel, po, piespot, pispot, urinaal

chameleon = kameleon

chamois = berggeit, gems, klipgeit, gemsleer, gemzeleer, zeem

chamois leather = gemsleer, gemzeleer, zeem

champagne = champagne, champagne

champion = kampioen, titelhouder, voorvechter

chance = incidenteel, toevallig, toeval, toevalligheid, gebeurtenis, gelegenheid, geval, kans, uitzicht

chandelier = kroon, luchter, kroonluchter

change = verandering, wijziging, verandering, wijziging, kleingeld, afwisseling, schommeling, veranderen, vermaken, wisselen, kenteren, veranderen, verkeren, keer, kentering, verandering, verloop, kleingeld, pasmunt, keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling

change of address = adreswijziging

channel = gracht, kanaal, vaart, wijk, buis, kanaal, loop, pijp, roer, steel

Channel Islands = Kanaaleilanden

chanson = chanson, lied

chaos = baaierd, chaos, rommel, warboel, warwinkel

chaotic = chaotisch, chaotisch

chap = kerel, knul, persoon, snuiter, sujet, vent

chapel = kapel, muziekkapel

chaperon = chaperonne, chaperonneren

chaplain = aalmoezenier, veldprediker, aalmoezenier

chapter = chapiter, hoofdstuk, kapittel

character = aard, geaardheid, karakter, aard, geaardheid, karakter, natuur, wezen, aard, geaardheid, karakter, natuur, wezen, figuur, rol, speler, bewijs, blijk, teken, merkteken, wenk

characteristic = karakteristiek, kenmerkend, tekenend, typerend, typisch, kenteken

characterization = kenschets

characterize = karakteriseren, kenmerken, tekenen, typeren

character set = tekenschrift, tekenset, tekenverzameling

charcoal = dovekool, houtskool, houtskool

charge = aanklacht, beschuldiging, kosten, onkosten, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging, berekenen, in rekening brengen, laden, lading, last, vracht, vulling

charge with = beschuldigen van, beschuldigen van

chariot = kar, handkar, karretje, wagen

charitable = charitatief, liefdadigheids-, barmhartig, goedertieren, barmhartig

charity = aalmoes, menslievendheid, naastenliefde, naastenliefde, charitas, naastenliefde, barmhartigheid, barmhartigheid, genade

charlatan = bedrieger, charlatan, kwakzalver, wonderdokter

charm = aantrekkelijkheid, aanvalligheid, amulet, bekoren, charmeren, bekoorlijkheid, bekoring, charme

charming = bekoorlijk, charmant, innemend, schattig, snoeperig, snoezig

Charon = Charon

charter = charter, handvest, vrachtcontract

Charybdis = Charybdis

chase = najagen, nastreven, drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven, achtervolgen, najagen, vervolgen, najagen, narennen, jacht maken op, jagen, bejagen, najagen

chase away = uitdrijven, verdrijven, verjagen, wegdrijven, wegjagen

chasm = afgrond, bergkloof

chaste = eerbaar, kuis, rein, zedig

chaste behaviour = ingetogenheid, kuisheid

chasten = kuisen

chastise = kastijden, tuchtigen, afstraffen

chastisement = kastijding, tuchtiging

chastity = eerbaarheid, kuisheid, reinheid, zuiverheid

chat = gebabbel, gekeuvel, gepraat, kout, babbelen, keuvelen, praten

chatri = chatri

chatter = babbelen, keuvelen, praten

chatterbox = babbelaar, kletskous, ratel, babbelaar, praatvaar, prater

chauffeur = bestuurder, chauffeur

chauvinism = chauvinisme

chauvinist = chauvinist

cheap = goedkoop, goedkoop

cheaply = goedkoop, voordelig, goedkoop, voordelig

cheat = schurkachtig handelen, zich op oneerlijke wijze toeëigenen, boef, ellendeling, ploert, schavuit, schurk, smiecht, spitsboef, bedrieger, bedonderen, belazeren, verneuken, bedrieger, bedriegen, misleiden, bedotten

cheated = bedrogen, gedupeerd

Chechen = Tsjetsjeens, Tsjetsjeen

Chechenia = Tsjetsjenië, Tsjetsjenië

check = bedwingen, beteugelen, betomen, intomen, in toom houden, breidel, teugel, toom, aflezen, checken, controleren, nakijken, surveilleren, toezien, cheque, schaak, schaak staan

checked = geblokt, geruit

checker = controleur, opzichter, supervisor, verificateur

checkers = damspel, dammen, damspel

check off = aankruisen, aankruisen, aanstrepen

check out = afmelden

checksum = checksum

check up on = aflezen, checken, controleren, nakijken, surveilleren, toezien

cheek = kaak, koon, wang

cheer = hoera roepen, hoera, aanvuren

cheerful = lustig, monter, vrolijk, jolig, luimig, opgewekt, welgemutst

cheers = op uw gezondheid, proost, prosit, santé

cheese = kaas

chef = chef, chefkok

chemist = apotheker, farmaceut, apotheker, farmaceut, chemicus, scheikundige, chemicus, scheikundige

chemistry = chemie, scheikunde, chemie, scheikunde

chemist's shop = apotheek

cheque = cheque

cheque-book = chequeboekje

chequered = geblokt, geruit

cherry = kers

cherry-tree = kerseboom, kerseboom

chess = schaak, schaakspel

chessboard = schaakbord

chess-board = schaakbord

chest = boezem, borst, bak, kist, schrijn, commode, ladenkast, borstholte, borstkas

chestnut = kastanje, paardekastanje, kastanje, tamme kastanje

chestnut-tree = kastanjeboom, paardekastanje, kastanjeboom, paardekastanje, kastanje, kastanjeboom, paardekastanje, kastanjeboom, tamme kastanje, tamme-kastanjeboom, kastanjeboom, tamme kastanje

chew = kauwen

chewing-gum = kauwgom

chew the cud = herkauwen

chi = chi

chic = chic, piekfijn, sjiek

chick = kuiken

chicken = kip, kippevlees, kuiken, hen, kip, hoen, kip

chicken pox = waterpokken

chicory = cichorei, lof

chief = aanvoerder, baas, chef, gebieder, aanvoerder, baas, chef, meerdere, superieur, hoofd-, voornaamste, aanvoerder, baas, chef, hoofd, opperhoofd

chief- = aarts-, hoofd-, opper-

chiefly = in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk, hoofdzakelijk, inzonderheid, voornamelijk

chief of police = commissaris, politiecommissaris

child = kind, kind, kind

childbed = kraambed

child-birth = baring, voortbrenging

childish = kinderlijk, kinderachtig

childless = kinderloos

child prodigy = wonderkind

child prostitution = kinderprostitutie

child's bed = kinderbed

Chile = Chili

Chilean = Chileens, Chileen

Chilean woman = Chileense

chilli = peper, Spaanse peper

chilly = kil, koud

chimera = chimaera, hersenschim, inbeelding

chimerical = hersenschimmig, ingebeeld

chimes = beiaard, carillon, klokkenspel, speelwerk, beiaard, carillon, klokkenspel

chimney = kachelpijp, schoorsteen, schoorsteenpijp, rookkanaal, schoorsteen, schoorsteenpijp

chimpanzee = chimpansee

chin = kin

China = China, China, China

Chinaman = Chinees

Chinese = Chinees, Chinees, Chinese taal, Chinees, Chinees, Chinese taal, Chinese

Chinese lady = Chinese

Chinese language = Chinees, Chinese taal, Chinees, Chinese taal

Chinese New Year = Chinees Nieuwjaar, Chinees Nieuwjaar

Chinese woman = Chinese

chip = bikken, afbikken, bikken, afbikken

chip off = bikken, afbikken, bikken, afbikken

chippings = steenslag

chirp = kwetteren, piepen, sjilpen, tjilpen

chisel = beitel, beitelen, beitel

chive = bieslook

chlorine = chloor

chocolate = chocola, chocolade

chocolate éclair = moorkop

choice = keur, keus, keuze, optie, verkiezing

choke = choken, worgen, wurgen, neerslaan, onderdrukken, smoren, verkroppen, verstikken, smoren, stikken

cholera = cholera

choose = kiezen, uitkiezen, uitlezen, uitpikken, verkiezen, uitzoeken

chop = fijnhakken, fijnhakken, hakken, houwen, kappen

chopsticks = eetstokjes

chop up = fijnhakken

chord = akkoord, samenklank, akkoord

chorus = koor, rei, zangkoor

chrestomathy = anthologie, bloemlezing, chrestomathie

chrisom = doopkleed

Christ = Christus

christen = dopen

christening = doop, doopsel

christening robe = doopkleed

Christian = christelijk, christen

Christian Era = christelijke jaartelling

Christianity = christendom, christendom

Christian name = doopnaam, voornaam, vóórnaam

Christmas = Kerstfeest, Kerstmis

Christmas feast = Kerstfeest

Christmas rose = kerstroos

Christmas tree = kerstboom

chromium = chroom

chronicle = kroniek

chronicler = chroniqueur, kroniekschrijver

chuck = aaien, aaien, aai, aanhaling, liefkozing, streling, aai, aanhaling, liefkozing, streling

chum up = aanpappen, contact zoeken

chunk = bal, dot, klomp, klont, kluit, prop

chunk of wood = blok, houtblok, lul

church = kerk, kerk, kiekendief, kerk, kerkgebouw, bedehuis, kerk, kerkgebouw

church-building = kerk, kiekendief, kerk, kerkgebouw, bedehuis, kerk, kerkgebouw

church-father = kerkvader

churn = karnen

Cicero = Cicero

cider = appelwijn, cider

cigar = sigaar

cigar-end = peuk, peukje, sigarepeuk, sigarepeukje

cigarette = saffiaantje, sigaret

cigarette-end = peuk, peukje

cigarillo = cigarillo

cigar-stub = peuk, peukje, sigarepeuk, sigarepeukje

cinder = as, sintel, slak

Cinderella = Assepoester

cinema = bioscoop, cinema, filmkunst, kina

cinnamon = kaneel

cinquefoil = ganzerik

cipher = cijfer, nummer

Circassia = Circassië, Circassië

Circe = Circe

circle = cirkel, kring, gezelschap, kring, genootschap, gezelschap, krans, kring, sociëteit, vereniging

circuit = circuit

circular = circulaire, rondschrijven

circulate = circuleren, in omloop zijn, rondgaan, rouleren

circulation = circulatie, omloop, roulatie

circumcise = besnijden

circumcision = besnijdenis, circumcisie

circumference = omtrek, cirkelomtrek, omtrek, omtrek van een geometrische figuur

circumflex = circumflex, kapje, kapjesteken, samentrekkingsteken

circumstance = omstandigheid

circumstances = situatie, stand, stand van zaken, toestand

circumvent = omgaan, rondgaan

circus = circus

cistern = bak, reservoir, tank, vergaarbak

citadel = citadel

citation = aanhaling, citaat

cite = aanhalen, citeren, noemen

citizen = burger, staatsburger

city = grote stad, wereldstad, plaats, stad

city hall = gemeentehuis, raadhuis, stadhuis

city state = burgerij, <stad met zelfbestuur>, stadsstaat

civic = burger-, stads-

civil = burgerlijk, civiel

civilian = burgerlijk, civiel

civilization = beschaving, beschaven, beschaving, beschaven, beschaving

civilize = beschaven, civiliseren

civilized = beschaafd, geciviliseerd

civil status = burgerlijke staat

claim = aanspraak maken op, claimen, aanspraak, claim, pretentie

clairvoyant = helderziend

clamp = haakje, klamp, kramp, nietje

clan = geslacht, stam, volksstam, clan

clandestinely = heimelijk, in bedekte termen, sluiks, tersluiks

clap = adhesie betuigen, applaudisseren, toejuichen, gonorroe, klakken, klappen, kletteren, klikken

clapper = bengel

clarify = beduiden, duidelijk maken, uitleggen, verhelderen, verklaren

clarion = hoorn, klaroen, signaalhoorn

clasp = vasthaken, agrafe, haakje, slot, spang

class = klas, klasse, stand, cursus, leergang, koers, route, tracé, traject

classic = klassiek, klassikaal

classical = klassiek, klassikaal

classify = classificeren, indelen

clatter = afdrogen, afranselen, kletteren

clause = bepaling, clausule, voorwaarde

claw = klauw, klauw

clay = aarden, klei-, van klei, klei

clean = helder, louter, schoon, proper, puur, rein, zindelijk, zuiver, helder, proper, rein, schoon, zindelijk, louteren, reinigen, schoonmaken, vegen, zuiveren

cleanliness = helderheid, kuisheid, zindelijkheid, zuiverheid

cleanly cut = duidelijk, knap, net, netto, netto-, verzorgd, zuiver, duidelijk, knap, net, verzorgd

cleanse = louteren, reinigen, schoonmaken, vegen, zuiveren

clear = hel, helder, klaar, licht, ophelderen, opklaren, oplichten, duidelijk, helder, klaar, uitgesproken, zuiver, duidelijk worden, helder worden, aanschouwelijk

clear away = afnemen, afruimen

clearly = duidelijk, helder, klaar

clef = sleutel, muzieksleutel

cleft = bergkloof

Cleopatra = Cleopatra

clergyman = geestelijke, geestelijke, pastoor, pastor, zielszorger, zielverzorger

clerk = bediende, kantoorbediende, winkelbediende, commies, klerk, schrijver

clever = bedreven, behendig, bekwaam, handig, vaardig, doortrapt, gewiekst, listig, slim, uitgeslapen

cliché = cliché, gemeenplaats, cliché, negatief

click = klakken, klappen, kletteren, klikken

client = afnemer, klant, koper, afnemer, cliënt, klant

clientèle = clientèle, klandizie, praktijk

cliff = klif, klip

climate = klimaat

climatic = klimaats-

climb = klauteren, klimmen, klimmen, naar boven gaan, rijzen, stijgen, bestijgen, beklimmen

climb down = bakzeil halen, bakzeil halen

climber = alpinist, bergbeklimmer, alpinist, bergbeklimmer

climber's hut = berghut

climbing = beklimming

cling to = blijven haken, zich vastgrijpen, zich vastklampen

clinic = kliniek

clip = knippen, scheren, snoeien

clippings = afval, rommel, vuil

clique = kliek, kongsi, pal, troep

cloak = jas, mantel

cloakroom = garderobe, kleedkamer, vestiaire

clock = klok, uurwerk

clockwise = met de klok mee, rechtsom

clod = bal, dot, klomp, klont, kluit, prop

clod of earth = aardkluit

clog = dichten, dichtmaken, stoppen, toestoppen, verstoppen, volstoppen

close = dichtdoen, dichtmaken, sluiten, toedoen, dichtgaan, sluiten, toegaan, toegroeien, toevallen, zich sluiten, gezellig, innig, intiem, knus, vertrouwelijk, na aan het hart, bedompt, eng, krap, nauw, benauwd, aanstaand, eerstvolgend, komend, dichtbij, nabij

closed = dicht, gesloten, toe

closet = kast

close to = dichtbij, in de buurt van, nabij, dichtbij, in de buurt van, nabij

close-up = voorgrond

cloth = laken, doek, stof, weefsel

clothe = kleden, aankleden, bekleden, omkleden, staan

clothes = goed, kleding, kleren

clothespeg = wasknijper

clothespin = wasknijper

clothes-press = hangkast, kleerkast

clothing = goed, kleding, kleren

cloud = benevelen, verdoezelen, wolk

cloudy = bewolkt, onduidelijk

clove-cheese = nagelkaas

clover = klaver

clown = clown, paljas, pias

club = club, sociëteit, genootschap, gezelschap, krans, kring, sociëteit, vereniging

club member = clublid

clubs = klaveren

cluster = bos, bundel, wis, ris, rist, tros

clutch = bemachtigen, grijpen, aangrijpen, vastgrijpen, beetnemen, pakken, beetpakken, koppeling

co- = aaneen, aaneen-, co-, samen, samen-

coach = onderwijzen, opvoeden, equipage, kales, koets, rijtuig, coachen, trainen, spoorwagen, wagon

coach-work = carrosserie

coal = kool, steenkool

coal-scuttle = kit, kolenbak, kolenkit

coarse = grof, hardhandig, lomp, onkies, ruw, grof, lomp, bobbelig, bultig, oneffen, ruig, rul, ruw, schraal

coast = kust-, kust, kustlijn, zeekant, zeekust

coast- = kust-

coastal = kust-

coat = jas, overjas, van een laagje voorzien, jas, overjas

coaxer = mooiprater

coaxingly = vleiend

cobalt = kobalt

cobra = brilslang, cobra

cocaine = cocaïne

cock = jongeheer, leuter, lul, pik, snikkel, haan

cockfight = hanengevecht

cock-pigeon = doffer

cockroach = kakkerlak

cocktail = cocktail

cocoa = cacao

coconut = klapper, klappernoot, kokosnoot

coconut palm = klapperboom, kokospalm

coco-nut pulp = kokospulp

coconut pulp = kokospulp

cocoon = cocon

Cocos Islands = Cocoseilanden

cod = kabeljauw

coddle = koesteren, troetelen, vertroetelen, verwennen

code = code, cijfer, geheimschrift

codfish = kabeljauw

codfish-oil = levertraan

coffee = koffie

coffee-house = bistro, café, koffiehuis

coffee-pot = koffiekan, koffiepot, koffiebus, koffiestruik

coffin = kist, doodkist

cognac = brandy, cognac

cogwheel = kamrad, kamwiel, tandrad, tandwiel

cohabit = samenwonen

coherent = coherent, samenhangend

coil = bobine, klos, spoel

coin = geldstuk, munt, penning, munten, munten

coincide = congruent zijn, elkaar dekken

coir = koor, rei, zangkoor

coir loft = koor, <koor (deel v.e. kerk)>

coition = bijslaap, coïtus

colander = vergiet, vergiet

cold = koud, kil, koud, kou, koude, verkoudheid, druipneus, neusverkoudheid

cold sweat = angstzweet

collapse = ineenstorten, instorten, uiteenvallen, uitvallen

collar = boord, halsboord, kraag, halsband, halsketting

collateral branch = zijtak

colleague = ambtgenoot, collega, ambtgenoot, collega, vakgenoot

collect = collecteren, innen, inzamelen, oogsten, plukken, rapen, verzamelen

collection = are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, drift, groep, hoop, kudde, schare, school, set, stel, troep, zwerm, heffing, inning, verzameling, bundel, collectie, verzameling

collective = collectief, gemeenschappelijk, gezamenlijk, collectief

college = college

collide = aanrijden, voorrijden, botsen

collide with = aanrijden tegen, stoten op, zich stoten aan, botsen met

collision = aanrijding, aanvaring, botsing

Cologne = Keulen

Cologne pot = Keulse pot

Colombia = Colombia

Colombian = Colombiaans, Colombiaan

Colombian woman = Colombiaanse

colon = dubbele punt

colonel = kolonel

colonial = koloniaal

colonize = koloniseren

colony = kolonie, nederzetting, volksplanting

colossal = geweldig, kolossaal, ontzaglijk, reusachtig

colossus = bakbeest, gevaarte, kolos

colour = kleuren, verven, kleur

colour-blind = kleurenblind

coltsfoot = hoefblad, klein hoefblad, hoefblad

columbine = akelei

Columbus = Columbus, Columbus, Columbus

column = colonne, kolom, pilaar, steunpilaar, zuil, kolom, rij, hoofd, rubriek

comb = kammen, uitkammen, kam

combat = bestrijden, het opnemen tegen

combination = combinatie, verbinding, vereniging

combine = combineren, samenvoegen, verbinden, combineren, zich verbinden

combustion = verbranding

come = afstammen, het gevolg zijn van, ontspruiten, voortkomen, komen

come about = gebeuren, toegaan, voortgang hebben, worden, aan de hand zijn, gebeuren, geschieden, voorkomen, voorvallen

come across = aantreffen, ontmoeten, tegemoet treden, tegenkomen, treffen, tegenkomen, treffen

come afterwards = later komen, nakomen

come back = terugkeren, terugkomen, wederkeren, wederkomen, weeromkomen

come close = in aantocht zijn, naderen, nabij komen, naderbij komen, naderen, nader treden

come closer = in aantocht zijn, naderen, dichtbijkomen, naderbijkomen, naderen, nabij komen, naderbij komen, naderen, nader treden

comedy = blijspel, komedie

come flocking in = toelopen, toestromen, toevloeien

come into = binnenkomen, inkomen

come into bloom = ontluiken, opbloeien

come later = later komen, nakomen

come on = aanpakken, gaan naar, genaken, naderen, in aantocht zijn, naderen, beginnen, een aanvang nemen, bijschuiven, naderen, nabij komen, naderbij komen, naderen, nader treden

come out = uitkomen

come over = bekruipen

comet = komeet, staartster

come to a halt = afslaan, blijven staan, halthouden, stilhouden, stilstaan, stoppen

come to an agreement = accorderen, bijeenpassen, kloppen, overeenstemmen, rijmen, stroken

come to an end = aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen

come together = aansluiten, zich aaneensluiten, zich verenigen

come to nothing = mislukken, afspringen

come to pass = bewaarheid worden, uitkomen

come true = bewaarheid worden, uitkomen, in vervulling gaan, verwezenlijkt worden

come up to = beantwoorden aan, stroken met

comfort = comfort, gemak, gerief, troosten, vertroosten

comfortable = comfortabel, gemakkelijk, geriefelijk, gerieflijk, welbehaaglijk

comfortably = aangenaam

comforter = speen, fopspeen, speen, fopspeen, stofzuiger, zuigglas, speen, fopspeen

comfrey = smeerwortel

comic = grappig, koddig, komisch, moppig

comical = grappig, koddig, komisch, moppig

Comine = Komen

coming = afkomstig

coming from = afkomstig uit

comma = komma

command = aanvoeren, bevelen, commanderen, het bevel voeren, bevel, commando, bevelen, gelasten, sommeren, verordenen, voorschrijven, bevel, bevelschrift, gebod, order, sommatie, verordening, bestrijken

commander = aanvoerder, commandant

commence = aanbinden, aanvangen, beginnen, aanbreken, aanvangen, beginnen, ingaan

commencement = begin, aanvang, begin, ontstaan, aanhef, aanvang, begin, intrede

commencing salary = beginsalaris

commend = loven, prijzen, roemen, verheerlijken, lof toezwaaien, loven, prijzen, roemen, aanbevelen, aantekenen, recommanderen, aanbevelen, recommanderen

commendable = loffelijk, lofwaardig

comment = annoteren, commentaar leveren op, commentariëren, toelichten, commentaar

commentary = nabeschouwing

comment on = commentariëren

commerce = handel, koopmanschap, nering

commissar = ceremoniemeester, commissaris

commission = boodschap, commissie, opdracht, commissie, courtage, commissie

commissioner = gecommitteerde, lasthebber

commit adultery = adulteren, echtbreken, overspel plegen

commit aggression = aanvallen

commit suicide = de hand aan zichzelf slaan, zelfmoord plegen

committee = comité

commodity = artikel, handelsartikel, waar, handelswaar

commodore = commodore

common = algemeen, gemeenschappelijk, gezamenlijk, gewoon, alledaags, grof, ordinair, plat, vulgair

common oak = zomereik

commonplace = afgezaagd, alledaags, banaal, gewoontjes, nietszeggend, plat, onbenullig, plat, triviaal, vulgair

commotion = agitatie, beroering, beweging, opschudding, stokerij, woeling, agitatie, onrust, opschudding, troebelen, agitatie, beroering, gisting, onrust, aanstoot, ergernis, schandaal

communicate = berichten, mededelen, meedelen, voortzeggen, aansteken, besmetten, infecteren

communication = communiqué, bericht, mededeling, tijding, bekendmaking, bericht, kennisgeving, mare, tijding, verwittiging

communication-cord = noodrem

communicative = aanspreekbaar

communion = communie

communism = communisme

communist = communist

community = gemeenschap, gemeente

community of interests = belangengemeenschap

commute = omleggen, omschakelen, overschakelen

Comoro Islands = Comoren

compact = compact, dicht

companian = begeleider, metgezel

companion = kameraad, kornuit, maat, makker, gezel, maat, metgezel, partner

company = firma, handelsfirma, handelshuis, firma, handelsfirma, handelshuis, compagnie, gezelschap, maatschappij, vennootschap, gezelschap, besloten vennootschap

comparatively = vergelijkenderwijs

compare = vergelijken

comparison = vergelijking

compartment = afdeling, branche, tak, vak, afdeling, compartiment, coupé, treincoupé

compass = kompas

compassion = erbarmen, mededogen, medelijden

compatible = congruent

compatriot = bewoner, <bewoner (van een land)>, landgenoot, landsman

compel = dwingen, noodzaken, verplichten

compensate = compenseren, goedmaken, vergoeden, lonen, belonen, terugdoen, vergelden, wedervergelden

compensation = beloning, loon, vergelding

compete = concurreren, meedingen, wedijveren

competent = bevoegd, competent, deskundig, vakkundig, zaakkundig

competition = wedijver, concurrentie, mededinging, wedijver, concours, match, wedstrijd

compilation = compilatie, verzamelwerk, compilatie

compile = compileren, samenstellen

compiler = compiler, compiler

complain = klagen, zijn beklag doen

complaint = aanklacht, beschuldiging, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging, beklag, klacht, aanklacht

complementary = aanvullend

complete = compleet, heel, volkomen, volledig, volslagen, voltallig, aanvullen, bijwerken, completeren, supplementeren, voleinden, compleet, totaal, vol, volkomen, volledig

completed = volbracht, volbracht, afgelopen, afgewerkt, beëindigd, klaar, volbracht

completely = compleet, heel, geheel, totaal, totaliter, volkomen, volledig, heel, geheel, ten volle, volkomen, volledig, voluit

complex = complex, samengesteld, complex, gecompliceerd, ingewikkeld, samengesteld

complexion = teint, tint

complicate = compliceren, ingewikkeld maken

complicated = gecompliceerd, ingewikkeld, gecompliceerd, ingewikkeld, samengesteld

compliment = complimenteren, compliment, plichtpleging

component = bestanddeel, ingrediënt, bestanddeel, component

compose = afhandelen, beslechten, componeren, samenstellen, componeren, maken, scheppen, schrijven

composed = beheerst

composer = componist, toondichter

composing = montage, zetting

composition = compositie, toondicht, toonzetting

composure = bedaardheid, kalmte, rust, gerustheid, rustigheid

comprehensibility = begrijpelijkheid, verstaanbaarheid

comprehensive = lijvig, veelomvattend

comprehensive insurance = all-riskverzekering

comprehensively = uitgebreid, uitgebreid

compress = comprimeren

comprise = beslaan, omvatten, behelzen, bevatten, inhouden

compulsory = bindend, dwingend, gedwongen, verbindend, verplicht, verplichtend

compunction = berouw

computation = becijfering, berekening, gecijfer, berekening

compute = berekenen, meten

computer = computer

comrade = kameraad, kornuit, maat, makker

concave = hol, ingevallen

conceal = ontveinzen, verbergen, verhelen, verschuilen, verstoppen

concede = toegeven

conceited = ijdel, nietig, onbelangrijk

conceive = in verwachting raken, zwanger raken, zwanger worden, ontvangen, <ontvangen (in de moederschoot)>

concentrated = dicht, dik, gebonden, geconcentreerd, sterk

concept = begrip, opvatting

conception = begrip, idee

concern = belang, belangrijkheid, betekenis, gewicht, zwaarwichtigheid, aangaan, betreffen, gelden, raken, aanbelang, aangaan, aanbelangen, betreffen, verkeren, zich verhouden, kommer, bekommernis, zorg, zorgvuldigheid

concerned = betrokken, bewust, desbetreffend, in kwestie

concerning = aangaande, betreffende, omtrent, wat betreft, aan, aangaande, betreffende, met, over, van, aangaande, met betrekking tot, ten opzichte van

concert = concert

concerto = concerto

concert-room = concertzaal, muziekzaal

concise = beknopt, bondig, kernachtig, kort, summier, zakelijk

conciseness = beknoptheid, bondigheid

conclude = afdoen, afhandelen, afwikkelen, afhandelen, beslechten

conclusion = conclusie, gevolgtrekking, bevinding, effect, resultaat, uitslag

conclusive = afdoend, een conclusie wettigend

concord = overeenstemming

concrete = beton, concreet

concubine = bijvrouw

concurrence = akkoord, overeenkomst, overeenstemming, akkoord, overeenkomst, overeenstemming

condemn = afkeuren, veroordelen, afkeuren, verwerpen, wraken

condemnable = afkeurenswaardig, laakbaar, verwerpelijk

condemnation = afkeuring, verwerping, wraking

condition = bepaling, conditie, voorwaarde, situatie, stand, stand van zaken, toestand, constellatie, gesteldheid, situatie, staat, stand, toestand

condolences = condoleantie, rouwbeklag

condom = condoom, kapotje

conduct = de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden, besturen, brengen, leiden, geleiden, voeren, gedrag, houding, wandel

conduct oneself = zich gedragen

conductor = bestuurder, conducteur, wagenbestuurder

cone = kegel, wafeltje

confectioner = banketbakker, koekbakker

confectioner's = banketbakkerswinkel

confectioner's shop = banketbakkerswinkel

confectionery = banketbakkerij, koekbakkerij

confederation = bondsstaat, confederatie, eedgenootschap

conference = conferentie

confess = bekennen, biechten, erkennen, toegeven, bekennen, erkennen, toegeven, biechten

confession = belijdenis, confessie, gezindte, bekentenis, biecht, erkenning, bekentenis, erkenning, biecht

confide = vertrouwen, toevertrouwen, vertrouwen hebben in

confidence = fiducie, geloof, vertrouwen, confidentie, vertrouwelijke mededeling, vertrouwelijkheid, vertrouwen, argeloosheid, naïveteit

confident = zelfbewust, zelfverzekerd

confidential = geheim, vertrouwelijk

confine = begrenzen, beknotten, beperken, beperkingen opleggen aan, beperken

confined = begrensd, beperkt, eindig

confined to one's bed = bedlegerig

confirm = aannemen, bevestigen, bekrachtigen, bevestigen, erkennen, staven, vormen

confirmation = aanneming, vormsel, bekrachtiging, bevestiging, vormsel

confiscate = confisqueren, in beslag nemen, konfiskeren, verbeurd verklaren

conflagration = brand, vuurzee

conflict = conflict

conform = in overeenstemming zijn, passen, rijmen, zich aanpassen

conforming = adequaat, overeenstemmend, passend, bijpassend

confront = het hoofd bieden, het hoofd bieden, bezwaar hebben tegen, standhouden, weerstaan, zich verzetten, het hoofd bieden, niet toegeven, niet wijken, pal staan

Confucius = Confucius

confuse = dooreenhalen, van zijn stuk brengen, verwarren, verwisselen

confusing = verwarrend, verwarrend

confusion = verwardheid, verwarring, disorde, janboel, rommel, rotzooi, verwarring, wanorde, war

confusion of ideas = begripsverwarring

congenital = aangeboren, ingeboren

congentital = aangeboren

congestion = aandrang, bloedaandrang, congestie, aandrang, bloedaandrang

Congo = Congo, Zaïre, Kongo

Congolese = Congolees, Kongolees

congratulate = feliciteren, gelukwensen

congratulation = felicitatie, gelukwens

congregate = bijeenkomen, samenkomen, vergaderen

congress = congres

congruent = congruent

conifer = naaldboom

conifer forest = naaldbos, naaldwoud

conjecture = gissen, vermoeden, gissing

conjugate = conjugeren, vervoegen

conjunction = conjunctie

connect = aan elkaar vastmaken, verbinden, aansluiten, verbinden, bijeenbinden, samenbinden, verbinden, aansluiten, binden, vastbinden, vastmaken, verbinden

connected = coherent, samenhangend

connection = samenhang, verbinding, aansluiting, contact, verbinding, geleding, verbinding, aansluiting, bond, liga, verbond

connect up = aansluiten, verbinden

conquer = veroveren

conscience = geweten

conscientious = consciëntieus, gewetensvol

conscious = bewust, welbewust

consciousness = besef, bewustzijn, bezinning

consecutively = achtereen, achtereenvolgens, successievelijk

consent = goedvinden, het eens zijn, toegeven, toestemmen, fiat, goedvinden, toestemming

consequence = consequentie, gevolg, gevolg, uitvloeisel, voortvloeisel

consequently = bijgevolg, derhalve, dus, zodoende, dientengevolge

conservation = behoud, bewaring, handhaving, behoud, instandhouding

conservative = behoudend, conservatief, behoudend, conservatief, conservatief, conservatief

conserve = behouden, bergen, bewaren, conserveren, onderhouden, overhouden

consider = beschouwen, nagaan, overwegen, rekening houden met, aanmerken als, beschouwen, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien, beschouwen, zien, houden voor, verslijten voor, zien als

considerable = aanmerkelijk, aanzienlijk, geruim

considerably = aanzienlijk

consideration = beraad, overweging, beraad, ruggespraak

consignee = ontvanger

consist = bestaan uit

consistency = consequentie, gevolg, samenstelling

consistent = coherent, samenhangend, consequent

consist of = bestaan uit

consolation = heul, troost, vertroosting

console = troosten, vertroosten

consonant = consonant, medeklinker

conspiracy = komplot, samenspanning, samenzwering

conspire = samenspannen, samenzweren

constant = bestendig, constant, gestaag, gestadig, stabiel, vast, standvastig, bestendig, constant, aanhoudend, onophoudelijk, voortdurend

constantly = aldoor, bij voortduring, permanent, voortdurend, constant, onophoudelijk, permanent, voortdurend

consternation = ontsteltenis, ontzetting, verbluftheid, consternatie, ontsteltenis, verbijstering, verslagenheid

constipate = constipatie veroorzaken, stoppen, verstoppen

constipated = hardlijvig, verstopt, hardlijvig

constipation = constipatie, obstipatie, verstopping, constipatie, obstipatie, verstopping

constitute = uitmaken, vormen

constitution = constitutie, grondwet

constitutional = constitutioneel, grondwettelijk, grondwettig

constringent = adstringerend, samentrekkend, wrang, adstringerend, samentrekkend

construct = aanleggen, bouwen, construeren

consul = consul

consulate = consulaat

consul general = consul-generaal

consult = consulteren, raadplegen

consultation = beraadslaging, consult, consultatie

consume = consumeren, slopen, verbruiken, verorberen, verteren

consumer = consument, gebruiker, verbruiker

consumption = tering, longtering, tuberculose

consumptive = teringlijder

contact = contact hebben, contact hebben met, contact maken met, aanraking, contact, voeling

contagion = besmetting, infectie, besmetting

contagious = aanstekelijk, besmettelijk, verpestend, aanstekelijk, besmettelijk

contain = behelzen, bevatten, inhouden

container = doos, bak, etui, foedraal, koker, korf, pot, zak, vat

contaminated = besmet, geïnfecteerd

contamination = besmetting, infectie, besmetting

contemplate = beschouwen

contemplative = beschouwelijk, beschouwend, contemplatief

contempt = minachting, schamperheid, verachting, versmading

contend with = bestrijden, het opnemen tegen

contented = tevreden, vergenoegd, voldaan

contention = bewering

contentment = tevredenheid

contents = inhoud, inhoud

contest = concours, match, wedstrijd

continent = continent, vasteland, werelddeel

contingency = eventualiteit

contingent = eventueel, gebeurlijk

continual = bestendig, constant, gestaag, gestadig, stabiel, vast, standvastig, bestendig, constant

continually = aldoor, bij voortduring, permanent, voortdurend

continuance = bestendiging

continuation = bestendiging, vervolg, voortzetting

continue = aanhouden, aanhouden, beklijven, duren, standhouden, voortduren, doorgaan, verder gaan met, vervolgen, voortgaan, voortzetten, bestendigen, continueren, doorlopen, voortduren

continue in office = aanblijven

continuous = doorlopend, onafgebroken, ononderbroken, staag, doorlopend, onafgebroken, ononderbroken

continuously = aldoor, bij voortduring, permanent, voortdurend, alsmaar, voortdurend

contort = twijnen, verbuigen, verdraaien, vertrekken, wringen, verwringen

contour = omlijning, omtrek

contraband = contrabande, smokkelwaar

contraceptive = anticonceptie-, anticonceptie-

contract = contract, verbintenis

contract a loan = een lening sluiten

contractor = aannemer, bouwondernemer

contradict = in tegenspraak zijn met, tegenspreken, tegenwerpen

contradistinction = tegenstelling, tegenstrijdigheid

contralto = alt, altstem, alt, altzangeres, alt, altzangeres, tweede alt

contralto voice = alt, altstem

contrary = strijdig, tegengesteld, tegenliggend, tegenstaand, tegenstrijdig, tegengesteld, tegenliggend, tegenstaand, tegenstrijdig

contrast = tegenstelling, tegenstrijdigheid, afsteken, contrasteren, contrast, tegenbeeld, tegenstelling

contribute = bijdragen

contribution = bijdrage, bijdrage

contrite = berouwvol, boetvaardig

contrition = berouw

contrived = bedrieglijk, slinks

control = bedienen, bestuur, bewind, heerschappij, regering, besturen, de scepter zwaaien, heersen, regeren

controller = controleur, opzichter, supervisor, verificateur, controller

control oneself = zich beheersen

controversy = controverse, pennestrijd, polemiek, twistgeschrijf

convalesce = aansterken, op verhaal komen

convenient = doelmatig, gemakkelijk, geschikt, gepast, passend

convention = congres, conventie

converge = convergeren, samenkomen, samenlopen

conversance = bekendheid

conversation = gesprek, onderhoud, conversatie, gesprek

converse = converseren, een gesprek voeren, converseren, een gesprek voeren

conversion = verandering, wijziging, verandering, wijziging, bekering, bekering, omwisseling, keer, kentering, verandering, verloop, keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling

convert = bekeren, bekeerling, bekeerling, proseliet

convey = aanvoeren, toevoeren, aangeven, aanreiken, afdragen, overbrengen, overgeven, toereiken

convey as passenger = vervoeren als passagier

convict = schuldig bevinden

conviction = overtuiging

convince = overtuigen

convoke = bijeenroepen, convoceren, konvoceren, uitschrijven

convulsion = kramp, stuip, stuiptrekking

co-occupant = medebewoner

cook = koken, keukenmeid, kokkin, kok, koken, opstaan

cooked = gekookt

cookie = biscuit

cooking pot = pan, kookpan, kookpot

cool = afkoelen, koel, bekoelen

cool down = afkoelen, bekoelen

cooling = bekoeling

cool season = koele seizoen

coop = hoenderhok, kippenhok, kippenren

cooperate = meewerken, samenwerken

co-operate = meewerken, samenwerken

coordinate = bijeenschakelen, coördineren, gelijkschakelen

co-ordinate = bijeenschakelen, coördineren, gelijkschakelen

Copenhagen = Kopenhagen

coping = nok, vorst

copious = abundant, overvloedig, rijk, uitbundig, volop, weelderig, welig, abundant, overvloedig, rijk, uitbundig, volop, weelderig, welig

copper = koperen, roodkoperen, koper, roodkoper

copulation = geslachtsdaad, paring

copy = afdruk, exemplaar, afschrift, afdruk, kopie, afdrukken, kopiëren, nabootsen, namaken, afschrift, afdruk, kopie, namaaksel

copyright = auteursrecht, copyright, kopijrecht

coquetry = behaagzucht

coquettish = behaagziek, koket

Corantin = Corantijn

cord = koorde, snaar, stemband, koord, koorde, lijn, lijntje, snoer, touw

cordial = hartelijk, hart-, hartelijk, innig, hartelijk, innig, hartelijk, hartgrondig

cordon = afzetting, kordon

core = kern, pit

coriander = koriander

Corinth = Corinthe

Corinthian = Corinthisch, Corinthisch

cork = kurk

corkscrew = kurketrekker

cormorant = aalscholver

corn = eelt, eksteroog, likdoorn, mais

corn chamomile = Roomse kamille, <motet met bijbelse woorden>

corn cockle = bolderik

cornel = kornoelje

corner = accapareren, opkopen, hoek, hoek, straathoek

cornflower = korenbloem

corona = corona

coronation = kroning, bekroning

corporal = korporaal, lichamelijk, lijfelijk

corporation = corporatie, gilde, vakvereniging

corporeal = lichamelijk, lijfelijk

corps = corps, korps, legerkorps

corpse = kadaver, kreng, lijk

corpulent = dik, lijvig

Corpus Christi = Sacramentsdag

corpuscle = pilletje

corral = stal, paardestal, kraal, omheind terrein

correct = correct, goed, juist, zuiver, bijsturen, corrigeren, verbeteren, afstraffen, goed, juist, recht

correspond = corresponderen, aansluiten

correspond to = overeenstemmen met, beantwoorden aan

corridor = baan, gang, overloop, rijstrook

corridor train = D-trein

corroborate = bekrachtigen, bevestigen, erkennen, staven, vormen

corrode = aantasten, bijten, corroderen, uitbijten, uitvreten, wegvreten

corrosive sublimate = sublimaat

corrugate = onduleren

corruption = bederf, omkoopbaarheid, verdorvenheid, zedenbederf, bederf

Corsica = Corsica, Corsica

Corsican = Corsicaans, Corsicaan, Corsicaans, Corsicaan

Corsican woman = Corsicaanse, Corsicaanse

cosmetic case = beauty-case

cosmetic powder = toiletpoeder

cosmos = heelal, kosmos

cost = kosten, kostprijs, kosten, onkosten

Costa Brava = Costa Brava

Costa Rica = Costa Rica

Costa Rican = Costaricaans, Costaricaan

costly = kostbaar, waardevol, duur, kostbaar, prijzig

costume = dracht, gewaad, kostuum, pak

cot = kinderbed

coterie = kliek, kongsi, pal, troep

cottage = huisje, hut

cotton = katoen, katoenen weefsel, katoen, ruwe katoen

cotton-wool = watten

couch = divan, rustbank, Turkse staatsraad, canapé

couch-grass = hondsgras, kweek, kweekgras

cougar = poema

cough = hoesten, hoest

council = raad, raadgevend lichaam

counsel = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, aankondigen, adviseren, bekendmaken, adviseren, raden, aanraden, advies, raad, raadgeving

counsellor = adviseur, mentor, raadgever

count = in aanmerking komen, meetellen, graaf, calculeren, rekenen, berekenen, tellen, uitrekenen, tellen, aftellen, neertellen

count down = aftellen, aftrekken, inhouden, korten

counter = toonbank

counterfeit = vervalsing, nagemaakt

countermand = afbestellen, afbestellen

countermand by telephone = afbellen

counterpane = sprei, beddesprei

countertenor = alt, altist, altzanger

count in = bijtellen, optellen, bijtellen

countless = ontelbaar, ontelbaar, talloos

country = open veld, platteland, land

countryman = boer, landman, plattelander

countryside = open veld, platteland

county = graafschap

county court = arrondissementsrechtbank

coupé = compartiment, coupé, treincoupé

couple = echtelieden, echtpaar, koppelen, paren

coupon = bon, coupon, kaartje, voucher

courage = dapperheid, durf, lef, moed

courageous = boud, dapper, kloek, koen, moedig, boud, dapper, ferm, onvervaard, stout, stoutmoedig, vermetel

courgette = courgette

courier = bode, ijlbode, koerier, loper

course = baan, parcours, cursus, leergang, koers, route, tracé, traject, schaal, schotel, schotel, onbenullig, plat, triviaal, vulgair

court = het hof maken, scharrelen, vrijen, instantie, rechtszaal, erf, hof, plaats, binnenplaats, hof, gerechtshof

courteous = beschaafd, welgemanierd, wellevend, beleefd, galant, heus, hoffelijk, welgemanierd, wellevend

courtesy = beleefdheid

Courtrai = Kortrijk

courtroom = rechtszaal

courtyard = erf, hof, plaats, binnenplaats

cousin = nicht, neef

cover = band, band, boekband, dek, dekking, bedekking, hulsel, beleggen, dekken, bedekken, toedekken, bedekking, deksel, kaft, omslag, dek, bedekking, bestrijken, buitenband, bekleden, overtrekken, bekleding, overtrek, bedekking, bekleedsel, kiemvlies, afleggen, aflopen, doorgaan, gaan door

covered = bedekt, bezaaid, begroeid

covered with blood = bebloed, bebloed, bloedbevlekt

coverlet = sprei, beddesprei

cover with dust = bestuiven, stoffig maken

covet = azen op, begeren, dorsten naar

covetousness = begeerte, begerigheid, graagte, begeerte, begerigheid

cow = runder-, koe

cow- = runder-

coward = bangerd, lafaard, bangerd, lafaard

cowardice = lafheid, lafhartigheid, lafheid, lafhartigheid

cowboy = cowboy

cower = hurken, in elkaar duiken, ineenkrimpen, ineenkronkelen

cowhouse = koestal

cowl = capuchon, huik, kap, mantelkap, schuifdak

cow parsnip = bereklauw

cowshed = koestal

cow-wheat = zwartkoren

coyote = coyote, prairiewolf

coypu = beverrat

crab = krab

crack = barst, barst, gaping, kier, kloof, spleet, split, spouw, knallen, knappen, kraken, knal, krak, barst, barst, scheur

crack-brained = geschift, getikt, getroebleerd, getroubleerd, tureluurs

cracked = gebarsten, gebarsten

crackle = kletteren, knapperen, knetteren

cradle = wieg, bakermat, geboorteplek

craft = arglist, boosaardigheid

craftiness = arglist, boosaardigheid

cramped = eng, krap, nauw, benauwd

cramp-iron = anker, armatuur, muuranker, muuranker, scheerlijn, stag, steundraad, tui

crane = kraan, hijskraan, kraan, hijskraan, kraanvogel

crane's-bill = ooievaarsbek

crank = arm, kruk, zwengel, zwing

crash into = stoten op, zich stoten aan

crawl = kruipen

crayfish = kreeft, rivierkreeft, zoetwaterkreeft

craze = bestseller, furore

craziness = gekheid, zinneloosheid, zinsverbijstering, gekte, gekheid, krankzinnigheid, uitzinnigheid, waanzin

crazy = dol, dolzinnig, gek, krankzinnig, stapel, uitzinnig, waanzinnig

creak = knarsen, piepen, knarsen, knersen, kraken, krassen

cream = vla, crème, puikje, room, romen, afromen, ontromen

crease = frommelen, kreukelen, verfomfaaien, verfrommelen, verkreukelen

create = creëren, maken, scheppen, componeren, maken, scheppen, schrijven

create a scandal = aanstoot geven

creature = wezen, schepping, schepsel, schepsel

credential = geloofsbrief

credit = credit, creditzijde, krediet, tegoed, batig, voordelig

credit card = kredietkaart

credulous = lichtgelovig

creep = kruipen

cremate = cremeren, verassen

cremation = crematie, lijkverbranding, verassing

Creole = Creools

Cretaceous = Krijt

Cretan = Kretenzer

Crete = Kreta

crevice = barst, barst, gaping, kier, kloof, spleet, split, spouw

crew = bemanning, bemanning, scheepsbemanning, scheepsvolk

crib = afkijken, spieken, afkijken

cricket = krekel, kriek

crime = misdaad, misdrijf

Crimea = Krim

criminal = crimineel, misdadig, snood, booswicht, crimineel, misdadiger, schobbejak, snoodaard

criminal law = strafwet

crimson = donkerrood, karmozijn, donkerrood, karmozijn

crippled = gebrekkig, verminkt

crisis = crisis

crisp = croquant, knapperig

critical = hachelijk, kritiek

criticism = aanmerking, beoordeling, kritiek

criticize = beoordelen, keuren, kritiseren

croak = krassen, kwaken

Croat = Kroaat

Croatia = Kroatië, Kroatië

Croatian = Kroatisch

crockery = aardewerk, aardewerk, faience, plateel

crockery set = servies, eetservies

crocodile = krokodillen, krokodil

crocus = krokus

Cronus = Cronus

crook = boef, ellendeling, ploert, schavuit, schurk, smiecht, spitsboef

cross = boos, kwaad, toornig, nijdig, verstoord, vertoornd, kruisen, over elkaar slaan, kruis, balorig, kregel, slechtgehumeurd, oversteken, overgaan, overlopen, oversteken

cross-cut Maryland = baai, rooktabak

cross out = doorhalen, doorstrepen, een streep halen door, schrappen, doorhalen, doorstrepen, een streep halen door, uitschrappen

cross roads = kruispunt, viersprong, wegkruising

crossways = kruiselings

crosswise = kruiselings

crossword puzzle = kruiswoordraadsel

crouch = hurken, in elkaar duiken

crow = kraai, bonte kraai, kraai, zwarte kraai

crowbar = hefboom, koevoet, spaak, zwengel, hefboom, koevoet

crowd = boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep, massa, menigte

crown = krans, bloemenkrans, kronen, bekronen, krans, kroon

crucifix = crucifix, kruisbeeld

crucify = kruisen, kruisigen

crude = bot, cru, grof, onbehouwen, onbewerkt, rauw, ruig, snauwerig, grof, hardhandig, lomp, onkies, ruw, grof, lomp

crude oil = aardolie, aardolie, ruwe olie, ruwe petroleum

cruel = barbaars, wreed, wreedaardig

cruise = kruisen, <kruisen (van schip)>

crumb = kruimel, broodkruimel

crumble = afbrokkelen, gruizelen, frommelen, kreukelen, verfomfaaien, verfrommelen, verkreukelen

crumble away = afbrokkelen, gruizelen

crumble off = afbrokkelen, gruizelen

crunchy = croquant, knapperig

crush = aandrang, run, toeloop, intrappen, verbrijzelen, vermorzelen, verpletteren, stampen, fijnstampen

crust of the earth = aardkorst

crutch = kruk

cruzeiro = cruzeiro

cry = kreet, roep, schreeuw, huilen, krijten, schreien, wenen

cry down = afbreken, afgeven op, afkammen

cry of distress = angstkreet

cry out = gieren, joelen, roepen, schreeuwen

crystal = kristalhelder, kristallen, kristal

Cuba = Cuba

Cuban = Cubaans, kubiek, kubusvormig, Cubaan, Cubaans

cube = blok, derde macht, dobbelsteen, klontje, kubus

cubic = Cubaans, kubiek, kubusvormig, kubiek

cubic metre = kubieke meter

cuckoo = koekoek

cucumber = komkommer

cuddle = knuffelen

cuddlesome = aanhalig

cuddly = aanhalig

cuff = manchet

cul-de-sac = doodlopende weg

culprit = dader, schuldige

cult = cultus, eredienst, verering, verheerlijking

cultivate = bebouwen, bewerken, kweken, bebouwen, beschaven, kweken, aankweken, telen, verbouwen

cultivation = bebouwing, bewerking

culture = beschaving, bouw, cultuur, teelt, verbouwing

cultured = geleerd, knap, ontwikkeld

cunning = arglist, boosaardigheid, doortrapt, gewiekst, listig, slim, uitgeslapen, doortraptheid, slimheid

cunt = kut, vulva

cup = kop, kopje

cupboard = kast

cupboardbed = bedstee, bedstee, slaapkoets

cupcake = mop, koekje

Cupid = Amor, Cupido

cupola = koepel

Curaçao = Curaçao

curate = hulpprediker

cure = behandelen, cureren, beter maken, genezen, helen, genezen

curfew = avondklok

curiosity = nieuwsgierigheid, weetgierigheid, nieuwsgierigheid, nieuwsgierigheid

curious = curieus, typisch, vreemd, vreemdsoortig, benieuwd, nieuwsgierig

curl = krullen, krul, haarkrul, lok, haarlok, friseren, kappen, roeren, doorroeren, omroeren

currant = aalbes, aalbes, aalbesseboom, aalbesseboompje, aalbessestruik, aalbes, rode aalbes, rode bes

currant bush = aalbes, aalbesseboom, aalbesseboompje, aalbessestruik

currant custard = aalbessenvla, aalbessenvla

currant-jam = aalbessenjam

currant juice = aalbessesap

currant-leaf = aalbesseblad

currency = muntsoort, valuta

currency unit = munteenheid

current = actueel, tegenwoordig, loop, stroming, stroom, hedendaags, huidig, van vandaag, stroom, huidig, tegenwoordig, actueel, eigentijds, tegenwoordig

currently = tegenwoordig

curry = kerrie, afrossen, roskammen

curse = godlasteren, ketteren, vloeken, vervloeken, vermaledijen, vervloeken, verwensen, vloeken

cursor = cursor

curtail = inkrimpen, korten, verkorten

curtailment = besnoeiing, vermindering

curtain = doek, gordijn, overgordijn, scherm, voorhang, voorhangsel

curtsy = buigen, een buiging maken, nijgen, buiging, nijging, revérence, strijkage

curve = bocht, curve, kromme

curved = gebogen, krom

cushion = kussen

cuspidor = kwispedoor, spuugbak, spuwbak

cuss = godlasteren, ketteren, vloeken, vervloeken, vloeken

custom = gebruik, gewoonte, usance, gebruik, zede

customary = gebruikelijk, gewoon

customer = afnemer, cliënt, klant

custom-house = douanekantoor, grenskantoor

customs = douane

cut = maaien, zichten, vormen, vormgeven, hakken, houwen, kappen, cliché, negatief, afbreken, uitschakelen, uitzetten, fatsoeneren, knippen, slijpen, knippen, scheren, snoeien, snerpen, snijden, jaap, snede, snee, snijwond

cut a connection = afbreken, uitschakelen, uitzetten

cuticle = nagelriem

cut into = aanbreken, aansnijden, beginnen te snijden

cutlass = hartsvanger

cutlet = karbonade, kotelet, rib, ribstuk

cut off = afhakken, afhouwen, afkappen, omhakken, afknippen, afsnijden, afsteken, afsnijden, wegsnijden

cut the throat of = kelen

cuttings = afval, rommel, vuil

cut up = afbreken, afgeven op, afkammen

Cybele = Cybebe, Cybele

cybernetics = cybernetica

Cyclades = Cycladen

cyclamen = cyclame, cyclamen

cycle = fietsen, wielrijden, fiets, rijwiel, tweewieler, zwijntje, cyclus, kringloop

cycle-bag = fietstas

cyclone = cycloon, wervelstorm

cylinder = cilinder, rol

cylinder phonograph = fonograaf

cymbal = bekken, cimbaal

cymbalist = bekkenist

cynical = cynisch

cypres = cipres

Cyprian woman = Cypriotische

Cypriot = Cypriotisch, Cyprioot

Cypriote = Cypriotisch

Cyprus = Cyprus

czar = tsaar

czarina = tsarina

Czech = Tsjechisch, Tsjechisch, Tsjechische taal, Tsjech

Czechoslovak = Tsjechoslowaaks, Tsjechoslowaak

Czechoslovakia = Tsjechoslowakije, Tsjechoslowakije

Czechoslovakian = Tsjechoslowaaks, Tsjechoslowaak

Czech Republic = Tsjechië

Czech woman = Tsjechische, Tsjechoslowaakse

dabbler = amateur, dilettant, knutselaar

Dacca = Dacca

dad = pa, papa, pappa, pappie, vaartje

daddy = pa, papa, pappa, pappie, vaartje

daffodil = narcis

daft = geschift, getikt, getroebleerd, getroubleerd, tureluurs

Dagestan = Dagestaans

dagger = dolk

Daghestan = Dagestan, Dagestaans

Dagon = Dagon

dahlia = dahlia

Dahomey = Dahomey

daily = daags, alledaags, dagelijks, dagelijks

daily paper = courant, dagblad, krant

dainty = aardig, beminnelijk, lief, vriendelijk, delicaat, fijn, gevoelig, iel, kies, kieskeurig, tactvol, teder, teer

dairy = melkinrichting, zuivelfabriek

daisy = madeliefje, meizoentje, madeliefje

Dakar = Dakar

Dalecarlia = Dalecarlië

Dalmatia = Dalmatië, Dalmatië

Dalmatian = Dalmatiër

dam = afsluiting, barrière, dam, sperdam, stuw, stuwdam, versperring, afsluitdam, afsluitdijk, afsluitdam, afsluitdijk

damage = averij, zeeschade, schade aanrichten, schaden, verwoesten, zwaar beschadigen, schade, bederven, beschadigen, havenen, schenden, stukmaken, toetakelen, beschadiging, defect, gebrek

damaged = defect, gehavend, kaduuk, kapot, stuk

Damascus = Damascus

dame = jonkvrouw, vrouwe

dam in = bedijken

damn = verdomd, verdomme, godverdomme, verdoemen

Damocles = Damocles

damp = vochtig, vochtigheid, nattigheid, vocht, natheid, vochtigheid

dampen = bevochtigen, vochtig maken

dam up = afdammen, bedijken

dance = bal, danspartij, dansen, dans

dancer = danseres, danser

dandelion = leeuwetand, paardebloem

dandruff = roos

dandy = dandy, fat, kwast, modepop, saletjonker

Dane = Deen

danger = gevaar, gevaarlijkheid, hachelijkheid, gevaar, nood, onraad, perikel

danger of skidding = slipgevaar

dangerous = gevaarlijk, hachelijk, link

Danish = Deens, Deens, Deense taal

Danish language = Deens, Deense taal

Danish woman = Deense

Danube = Donau

daphne = peperboompje

dare = wagen, zich vermetelen, bestaan, durven, wagen, aandurven, zich wagen aan

dare to fight = aandurven

daring = brutaal, gedurfd, stout, stoutmoedig, vermetel, waaghalzerig, durf, gedurfdheid, lef, stoutheid, stoutmoedigheid, vermetelheid, dapper, driest, koen

dark = donker, somber, donker, duister

dark blue = donkerblauw, donkerblauw

darken = donker worden, versomberen

darkness = donker, duister, duisternis, duisternis

dark-room = kamer, kamertje, <ruimte in toestel>

darling = liefje, lieveling, lieverd, schat, schattebout, snoes, zoetelief, hartedief, lieverd, schat, schattebout, snoes

darn = bliksems, deksels, sakkerloot, verdorie, verduiveld, verrek

dart = pijltje

dash-board = beschot, dashboard, instrumentenbord, paneel, wagenschot

data = grondstof, materiaal, materieel

date = dactylus, dadel, dadel, dagtekenen, dateren, dagtekening, datering, datum, afspraak, rendez-vous

date-palm = dadelpalm

date palm = dadelpalm

daughter = dochter

daughter-in-law = schoondochter

David = David

davy = mijnlamp

dawn = aurora, morgenlicht, morgenrood, aanbreken van de dag, dageraad, ochtendgloren

day = dag

daybreak = aanbreken van de dag, dageraad, ochtendgloren

daydream = dromen, mijmeren, droom, dagdroom, wensdroom

day-dreamer = dromer, mijmeraar

daylight = daglicht

Day of Atonement = Grote Verzoendag

day-ticket = dagkaart

dazed = bedremmeld, beduusd, beteuterd, verbijsterd, verbouwereerd

dazzle = blind maken, verblinden, verblinden, verblinden

D-chord = D-snaar

deacon = diaken

dead = dodelijk, doods, afgestorven, dood, overleden, ter ziele

deaden = afbetalen, aflossen, afschrijven, amortiseren, delgen, uitdelgen

dead-end street = doodlopende straat

deadly = dodelijk, moorddadig

dead-nettle = dovenetel

Dead Sea = Dode Zee

deaf = doof

deaf and dumb = doofstom

deal = ronddelen, rondgeven, uitdelen, uitreiken, verdelen

deal in secondhand goods = in tweedehands goederen handelen

deal with = aan komen lopen, aanpakken, beginnen met, toetreden, behandelen, onderhandelen

dean = decaan, deken

dear = geacht, gezien, dierbaar, lief, duur, kostbaar, prijzig

dear to the heart = na aan het hart

death = dood, overlijden, sterfgeval, verscheiden, versterf

death throes = agonie, doodsangst, doodsstrijd, stervensnood, zieltoging

debatable = aanvechtbaar, betwistbaar

debate = debat

debauch = aan de rol zijn, brassen, boemelen, slempen, uitspatten, zwijnen

debauchery = uitspatting

debit = debet, debetzijde

debris = afval, prullaria, puin, rommel, rommelzooi, vuil, vuilnis

debt = schuld

debugger = debugger

decade = decennium

decametre = decameter, roede

decant = afgieten, afschenken, decanteren

decanter = decanteren, karaf

decapitate = het hoofd afslaan, onthoofden

decay = verval, bederf, rampspoed, tegenspoed, verval, bederf, debâcle, ondergang, verval

decayed = aftands, bouwvallig, gammel, uitgeleefd, uitgewoond, wrak

Deccan = Dekan

deceitful = bedrieglijk

deceive = bedriegen, misleiden

deceived = bedrogen, gedupeerd

deceived one = bedrogene, dupe

deceived person = bedrogene, dupe

deceiver = bedrieger, bedrieger

December = december, wintermaand

decent = behoorlijk, betamelijk, fatsoenlijk, keurig, voegzaam, welvoeglijk

decently = behoorlijk, fatsoenlijk, naar behoren, netjes, passend

deceptive = bedrieglijk, misleidend

decide = beslissen, besluiten, uitmaken, zich voornemen

decider = beslissingswedstrijd, finale, beslissingswedstrijd, finale

decimetre = decimeter, palm

decipher = ontcijferen, ontraadselen

decision = beslistheid, beslissing, besluit, uitspraak, wijzing, arrest

decision-making = besluitvorming

decisive = beslissend, cruciaal, finaal, overtuigend, afdoend, beslissend, stringent, van overwegend belang

deck = dek, scheepsdek, verdek

declaim = declameren, opzeggen, voordragen

declaration = declaratie, verklaring, aangifte, betuiging, declaratie, uitspraak, verklaring

declaration of policy = beginselverklaring, programma, beginselverklaring, programma

declare = aangeven, betuigen, declareren, verklaren

declare unfit for use = afkeuren

decline = afnemen, dalen, kleiner worden, verminderen, achteruitgaan, verslechteren, achteruitgaan, achteruitgaan, mislukken, tegenlopen, vervallen, achteruitgang, teruggang, verloop, vermindering

decoction = afkooksel

decode = decoderen

décor = decor, decoratie, onderscheiding, ridderorde, versiering, decor

decorate = versieren, decoreren, sieren, opsieren, tooien, uitdossen, versieren

decoration = decor, decoratie, onderscheiding, ridderorde, versiering, decor, decoratie, sieraad, tooisel, versiering, versiersel

decoy = lokken

decrease = afdraaien, verlagen, verlaging, afnemen, dalen, kleiner worden, verminderen, afnemen, verminderen, afname, afslaan, verlagen, inkorten, verminderen, afnemen, slinken, tanen, verflauwen, verminderen, afnemen, kleiner worden, minder worden, minderen, verkleinen, afnemen, verminderen

decree = decreteren, verordenen, voorschrijven, besluit, decreet, verordening, voorschrift

decrepit = aftands, bouwvallig, gammel, uitgeleefd, uitgewoond, wrak

dedicate = opdragen, spanderen, spenderen, toewijden

deduce = abstraheren, afleiden, deduceren

deduct = afhalen, rissen, ritsen, wegnemen

deductible = aftrekbaar, aftrekbaar

deem = geloven, houden voor, menen, achten, geloven, van mening zijn, vinden, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien, beschouwen, zien, houden voor, verslijten voor, zien als

deep = laag, zwaar, diep

deer = herte-, herten-, hert

deer- = herte-, herten-

deer-park = hertenkamp

defeat = nederlaag, bevangen, overwinnen, verslaan, zegevieren

defecate = kakken, ontlasting hebben, poepen, schijten

defection = afval, ontrouw, trouwbreuk

defence = afweer, defensie, verdediging, weer, verweer, achterhoede, noodweer, zelfverdediging

defend = opkomen voor, verdedigen, verweren

defendant = aangeklaagde, beklaagde, beschuldigde, verweerder, aangeklaagde, beschuldigde

defense = afweer, defensie, verdediging, weer, verweer, noodweer, zelfverdediging

deference = eerbiedwaardigheid

defiance = trots

defiantly = in weerwil van, niettegenstaande, ondanks, ten spijte van, trots

deficit = deficit, tekort, kastekort, nadelig saldo

defile = bergengte, bergpas, ontheiligen, ontwijden, profaneren, schenden, verontheiligen

define = bepalen, definiëren, omschrijven

defining = bepalend

definite = definitief, onherroepelijk, vast, bepaald, definitief

definite article = bepalend lidwoord

definitely = definitief, voorgoed, bepaald, beslist, per se, strikt, volstrekt, vooral, zeker

definitely not = beslist niet, in het minst niet, vooral niet

definition = bepaling, definitie, omschrijving

definitive = definitief, onherroepelijk, vast

deflect = afwijken

deflection = afwijking

deformed = mismaakt, misvormd

defraud = frauderen, knoeien, zwendelen, bedonderen, belazeren, verneuken

defray the cost of = bekostigen

defy = tarten, trotseren, uitdagen, uittarten, provoceren, tarten, tergen, uitdagen, uitlokken, uittarten

degenerate = degenereren, ontaarden, verbasteren, verworden, zinken, gedegenereerd, laaggezonken

degrade = degraderen, verlagen

degree = graad, mate, trap, graad, kop, onderschrift, titel

dejected = bedrukt, gedrukt

dejection = bedruktheid, gedruktheid, neerslachtigheid, bedruktheid, beklemming

delay = vertraging, aanhouden, uitstellen, verdagen, verschuiven, oponthoud, opschorting, uitstel, verdaging, verlating, verlet

delegate = afvaardigen, delegeren, afgevaardigde, gedelegeerde, afgevaardigde, gedeputeerde, afgevaardigde, gedeputeerde

delegation = afvaardiging, delegatie, afvaardiging, afvaardiging, delegatie, afvaardiging, afvaardiging

delete = uitvegen, uitwissen, wegvagen, wegvegen, wegwissen, afdrogen, vegen, afvegen, wissen, afwissen

Delft = Delft, Delfts

Delhi = Delhi

deliberate = beraadslagen, overleggen, beraadslagen, confereren, ruggespraak houden

deliberately = expres, met opzet, moedwillig, wetens

deliberation = beraadslaging, beraad, overweging, beraad, ruggespraak

delicacy = lekkernij, snoep, snoepgoed, versnapering

delicate = delicaat, fijn, gevoelig, iel, kies, kieskeurig, tactvol, teder, teer

delicious = heerlijk, kostelijk, overheerlijk

delight = in verrukking brengen, verrukken, verrukking

delighted = verrukt

delightful = beeldig, betoverend, heerlijk, verrukkelijk

delight in = genieten, genieten van, zich verheugen in, zich verlustigen in

delineate = aftekenen, omlijnen, omtrekken

delirious = van een delirium

delirium = delirium, geijl

deliver = bestellen, leveren, afleveren, toevoeren

delivery = levering, aflevering, inlevering, baring, voortbrenging, afgifte, inlevering, overdracht

delivery van = bestelauto, bestelwagen, bestelauto, bestelwagen

Delphi = Delphi

delta = delta

delude = begoochelen, beheksen, betoveren, begoochelen, illusies wekken bij

deluge = zondvloed

delusion = begoocheling, betovering

delusive = bedrieglijk, misleidend

deluxe = luxueus, weelderig

de luxe = luxueus, weelderig

demand = afname, aftrek, afzet, omzet, aftrek, eisen, opeisen, rekenen, vereisen, vergen, voorschrijven, vorderen

demand an account = rekenschap vragen

Demeter = Demeter

demigod = halfgod

demigodess = halfgodin

demob = afzwaaien

democracy = democratie, volksregering

democrat = democraat

democratic = democratisch

demolish = afbreken, afgeven op, afkammen, afbreken, slopen, neerhalen

demolition = afbraak, ontmanteling, sloop, afbraak, slechting, sloop

demon = boze geest, demon, duivel

demonic = demonisch, duivels, satanisch

demonstrate = demonstreren, vertonen, aantonen, bewijzen, belichten, tentoonstellen, uiteenzetten, uitstallen, tentoonstellen, uitstallen, belichten, betogen, demonstreren, laten blijken, manifesteren

demonstration = bewijs, demonstratie, vertoning, bewijs, <bewijs door redenering>, betoging, demonstratie, manifestatie

demonstrative = aanwijzend voornaamwoord, aanwijzend voornaamwoord

demonstrative pronoun = aanwijzend voornaamwoord, aanwijzend voornaamwoord

demure = uitgestreken, quasi-preuts, quasi-zedig, quasi-preuts, quasi-zedig

den = kavalje, kot, krot, rothuis, grot, hol, holte, krocht, spelonk, nest

Denmark = Denemarken

Denmark Strait = Straat Denemarken

denounce = aanbrengen, aangeven, klikken, verklikken

dense = dicht, dik, gebonden

dental = getand, tand-, tand-

dentist = tandarts

deny = ontkennen, loochenen, ontkennen

deny oneself = abnegeren, zich verloochenen, zich versterven

depart = afvaren, afreizen, op reis gaan, afgaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen, afreizen, op reis gaan

department = departement, afdeling, branche, tak, vak

departure = uittocht, vertrek, afrit, afvaart, vertrek

depend = afhangen, afhankelijk zijn, deel uitmaken, afhangen

dependant on = afhankelijk van

dependence = afhankelijkheid

dependent = afhankelijk, onderhorig

depend onldepend upon = afhangen van, afhankelijk zijn van

depict = afbeelden, uitbeelden, verbeelden, verzinnelijken, voorstellen

deplorable = bedroevend, grievend, spijtig, verdrietelijk

deport = deporteren

deportment = gedrag, houding, wandel

depose = afzetten, onttronen, van de troon stoten

deposit = afzetten, doen bezinken, afgeven, deponeren, in bewaring geven, inleggen

depository = bergplaats, bewaarplaats, depot, bergplaats

depravation = bederf

depress = deprimeren, neerdrukken, neerslachtig maken, terneerdrukken

depressed = down, gedrukt, terneergeslagen, bedrukt, gedrukt

depression = bedruktheid, gedruktheid, neerslachtigheid, depressie, bedruktheid, beklemming, crisis

deprive = afzetten, laten uitstappen, beroven, beroven, ontdoen, beroven, ontnemen

deprive ... of = beroven, beroven, ontdoen, beroven, ontnemen

deprive of = ontzetten uit, zuiveren van

depth = diepte, kolk, diepte, diepte

deputation = afvaardiging, afvaardiging, delegatie, afvaardiging, afvaardiging

depute = afvaardigen, deputeren, tot afgevaardigde kiezen

deputy = plaatsvervangend, subsidiair, vervangend, waarnemend, afgevaardigde, gedeputeerde, afgevaardigde, gedeputeerde

deride = bespotten, zich vrolijk maken over, bespotten, de spot drijven met, voor de zot houden

derision = bespotting, persiflage

derivation = afleiding, <afgeleid woord>

derive = afleiden, aftappen, afstammen, het gevolg zijn van, ontspruiten, voortkomen

descend = afdalen, naar beneden gaan, dalen, zakken, verzakken, wegzakken, zinken, afdalen, naar beneden gaan, zinken

descent = afdaling, afdaling, neerdaling

describe = beschrijven

description = beschrijving, schildering, tafereel

descriptive = beschrijvend

descry = bespeuren, gewaarworden, bespeuren, gewaarworden, bespeuren, in de smiezen krijgen, in het oog krijgen, ontwaren

desert = wildernis, woestenij, woestijn, in de steek laten, laten varen, verlaten, afvallen, ontrouw worden

deserter = afvallige, afvallige

deserve = toekomen, verdienen, waard zijn, waardig zijn

deserving = eerzaam, waar, waardig

design = schets, tekening, werkje, tekenen, aftekenen, trekken, uittekenen, dessin, schets, ontwerp, opzet, plan, plattegrond, aanleg, krabbel, ontwerp, schets

desirable = begerenswaardig, begeerlijk, wenselijk

desire = begeren, trek hebben in, verkiezen, verlangen, wensen, begeerte, lust, verlangen, wens, zin, zucht

desk = lessenaar, lezenaar, bureau, schrijfbureau, schrijftafel

desolate = naargeestig, somber, troosteloos, troosteloos

despair = vertwijfelen, wanhopen, radeloosheid, vertwijfeling, wanhoop

despairingly = uitroepen, wanhopig

desperate = radeloos, wanhopig, hopeloos, vertwijfeld, wanhopig

despise = minachten, verachten

despite = in weerwil van, niettegenstaande, ondanks, ten spijte van, trots, in weerwil van, niettegenstaande, ondanks, ten spijte van, trots

despot = dwingeland, despoot

despotic = despotisch, heerszuchtig

dessert = dessert, nagerecht, toespijs, toetje, dessert, nagerecht

destine = bestemmen, uittrekken

destine for = bestemmen voor, toedenken

destiny = bestemming, lot, lotsbestemming, voorland, fortuin, lot, levenslot

destitution = behoeftigheid, pauperisme

destroy = vernielen, vernietigen, verwoesten, ruïneren, te gronde richten, ten val brengen, verderven

destructible = afbreekbaar

destruction = vernietiging, vernieling, vernietiging, verwoesten, verwoesting, vernietiging

detachable = afneembaar

detached = vrijstaand, afstandelijk, afstandelijk, terughoudend

detached house = vrijstaand huis

detachment = afdeling, detachement, team

detail = bijzonderheid, detail, item

detailed = ampel, gedetailleerd, in het klein, omstandig, uitvoerig

detain = detineren, ophouden, reserveren, terughouden, weerhouden

détante = ontspanning

detective = detective, rechercheur

detention = aanhouding, arrestatie, inhechtenisneming, aanhouding, arrest, arrestatie, hechtenis

deter = afschrikken, verjagen

detergent = afwasmiddel

determine = determineren, nauwkeurig bepalen, bepalen, definiëren, omschrijven, bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen

determining = bepalend

deterrence = afschrikking, verjaging

deterrent = afschrikwekkend

detract from = afbreuk doen aan

detrimental = nadelig

detrimentally = nadelig, nadelig

Deuteronomy = Deuteronomium

develop = doen ontstaan, formeren, maken, ontwikkelen, evolueren, zich ontwikkelen, ontwikkelen, openbaren

developing country = ontwikkelingsland

development = evolutie, ontwikkeling, evolutie, ontwikkeling, wordingsproces

development plan = bestemmingsplan

deviate = aberreren, afdwalen, afwijken, afwijken

deviating = afwijkend, anomaal, onregelmatig

deviation = afwijking, afwijking, afwijking, verschil

device = apparaat, hulpmiddelen, inrichting, toestel

device driver = besturingsprogramma

devil = boze, droes, drommel, duivel

devilish = drommels, duivels, duivelachtig, verdomd, verrekt, weergaas

Devil's Island = Duivelseiland

devote = opdragen, spanderen, spenderen, toewijden

devoted = aanhankelijk, gehecht, opofferingsgezind, toegenegen, aanhankelijk, opofferingsgezind

devotedly = met overgave

devotion = eerbiedwaardigheid

dew = dauw

dexterous = bedreven, behendig, bekwaam, handig, vaardig

dharma = dharma

diabetes = diabetes, suikerziekte

diabolical = drommels, duivels, duivelachtig, verdomd, verrekt, weergaas

diagonal = ophaal

diagram = beeld, afbeelding, figuur, ontwerp, opzet, plan, plattegrond

dial = wijzerplaat, draaien, discus, plaat, grammofoonplaat, schijf

dialect = dialect, tongval

dialogue = dialoog, tweegesprek, tweespraak

diameter = diameter, middellijn

diamond = diamant

Diana = Diana

diarrhoea = buikloop, diarree, buikloop, diarree

diary = dagboek, journaal

dice = fijnhakken

dictate = dicteren

dictator = dictator

dictatorship = dictatuur

dictionary = woordenboek

die = doodgaan, overlijden, sterven, verscheiden, versmachten, muntstempel, dobbelsteen, teerling

die away = afsterven, uitsterven, wegsterven

diehard = keihard

diesel = diesel, dieselmotor

diet = dieet

dietary = diëet-

differ = schelen, uiteenlopen, verschillen

difference = onderscheid, verschil

different = uiteenlopend, verschillend, ongelijk, verschillend, ongelijk, verschillend, ongelijk, verschillend

differentiate = onderscheid maken, uit elkaar houden

differently = anders, anders, op een andere manier, anders, op een andere manier, anderszins, op een andere manier, op een andere wijze

differently named = anders genaamd

difficult = moeilijk, lastig, slim, zwaar

difficulty = bezwaar, moeilijkheid, strubbeling, zwarigheid

dig = opgraven, rooien, graven, spitten, woelen

digest = digereren, verduwen, verteren, verwerken

digestion = digestie, spijsvertering, digestie, vertering, spijsvertering, verwerking

digit = cijfer, nummer

dignified = deftig, waardig, zichzelf respecterend

dignity = waardigheid, zelfgevoel, zelfrespect

dig off = afgraven, weggraven

digression = afdwaling

dig up = delven, opduikelen, opgraven, rooien, uitgraven, winnen, opgraven, rooien

dike = dijk, waterkering

dilapidated = aftands, bouwvallig, gammel, uitgeleefd, uitgewoond, wrak

dilemma = dilemma

dilettante = amateur, dilettant, knutselaar

diligent = ijverig, naarstig, nijver, vlijtig

dill = dille

dilute = aanlengen, aanlengen, verdunnen, verspreiden

Diluvium = Diluvium

dim = schemerig, aanslaan, beslaan, schemerachtig, schemerig, donker, duister, mat, benevelen, verdoezelen

dimension = bestek, grootte, omvang, uitgebreidheid, afmeting, dimensie

diminish = afnemen, verminderen, afnemen, slinken, tanen, verflauwen, verminderen, afnemen, kleiner worden, minder worden, minderen, afnemen, verminderen

diminution = afname

diminutive = gering, karig, klein, luttel, min

din = herrie, lawaai, leven, ophef, rumoer

dining-room = eetzaal, eetkamer

dinner = diner, middageten, middagmaal

Diogenes = Diogenes

dip = indompelen, indopen, soppen

diploma = act, akte, bedrijf, document, nummer, stuk, akte, document, stuk, akte, brevet, bul, diploma

diplomat = diplomaat

direct = besturen, dirigeren, mennen, richten, de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden, direct, live, recht, rechtstreeks

direction = koers, leiding, richting, richtlijn

directions = aanwijzing, consigne, instructie

directly = direct, overeind, rechtop, rechtstreeks

director = bestuurder, directeur

directory = adresboek, catalogus

dirtiness = morsigheid, onreinheid, viesheid

dirty = morsig, onrein, smerig, vies, vuil, smerig, vuil

dirty story = schunnig verhaal

dis- = im-, in-, on-

disabled = gebrekkig, invalide, arbeidsongeschikt, arbeidsongeschikt

disabled person = invalide

disadvantage = minpunt, nadeel, schaduwzijde

disadvantageously = nadelig, nadelig

disagreeing = oneens

disagreement = onenigheid, verdeeldheid, geschil, meningsverschil, onenigheid, weigering

disappear = 'm smeren, verdwijnen, verzwinden, wijken, zwinden

disappearance = verdwijning

disappoint = ontgoochelen, tegenvallen, teleurstellen, teleurstellen

disappointment = ontgoocheling, tegenvaller, teleurstelling, desillusie, teleurstelling, leed, smart, verdriet, zorg

disapprobation = afkeuring, verwerping, wraking

disapproval = afkeuring, verwerping, wraking

disapprove = afkeuren, verwerpen, wraken

disapprove of = afkeuren, verwerpen, wraken

disarm = ontwapenen

disc = discus, plaat, grammofoonplaat, schijf, discus

discard = afdanken

disc drive = diskettestation

discharge = afvuren, losbranden, ontslaan, ontzetten, royeren, afvoer, wegvoering, afvoer, afdanken, afmonsteren, ontslaan, afmonstering, congé, ontslag, afschieten, ontladen

discharge pus = etteren, zweren

disciple = discipel

disciples = aanhang, leden, aanhang, achterban, aanhang, gevolg

discipline = discipline, tucht

discomfort = ongemak, ongerief

discontent = misnoegen, ontevredenheid, wrevel, wreveligheid

discontented = misnoegd, ontevreden, wrevelig

discontentedness = misnoegen, ontevredenheid, wrevel, wreveligheid

discord = onenigheid, verdeeldheid, geschil, meningsverschil, onenigheid, weigering

discount = disconto, afslaan, aftrekken, korten, korting geven, afslag, korting, rabat

discourage = afschrikken, verjagen

discover = ontdekken

discovery = ontdekking

discrete = bescheiden, discreet, onopvallend

discretion = beleid, omzichtigheid, voorzichtigheid

discrimination = discriminatie

discus = discus

discuss = bespreken, discuteren, van gedachten wisselen, behandelen, bepraten, bespreken, beredeneren

discussion = bespreking, discussie, bespreking, discussie, bespreking

disease = aandoening, kwaal, ziekte, aandoening, kwaal, ziekte

disembark = van boord gaan

disgust = afkeer, misselijkheid, walg, walging, weeheid, weerzin

disgusting = misselijk, onsmakelijk, stuitend, walgelijk, weerzinwekkend

dish = schaal, schotel, schaal, schotel, schotel

dish cloth = droogdoek, afdroogdoek, stofdoek

dishevel = in de war brengen, verfomfaaien

dish-mop = afwaskwast, vatenkwast

dish up = opscheppen

dishwasher = afwasmachine

dishwashing brush = afwasborstel, vatenkwast

disinfect = desinfecteren, ontsmetten

disintegrate = scheiden

disinterested = belangeloos, onbaatzuchtig

disk drive = diskettestation

diskette = diskette

dislike = afkeer, antipathie, hekel, tegenzin, een hekel hebben aan, minachten, versmaden

dislocate = ontwrichten, verrekken, verstuiken

dismal = afgrijselijk, afschuwelijk, afgezaagd, alledaags, banaal, gewoontjes, nietszeggend, plat, beklagenswaardig, erbarmelijk, zielig, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, afzichtelijk, foeilelijk, mistroostig, naargeestig, somber, triestig, donker, somber, betrokken, bewolkt, donker, somber, droef, bedroefd, droevig, treurig, verdrietig, bedroevend, droef, smartelijk, treurig, droefgeestig, melancholiek, weemoedig, zwaarmoedig, belabberd, ellendig, miserabel, schamel, schunnig, stumperig, naargeestig, somber, troosteloos, chagrijnig

dismantle = aftakelen, aftuigen, onttakelen

dismay = onthutsen, ontstellen, ontzetten, verbijsteren, verbluffen

dismayed = ontzettend, schrikbarend, schrikkelijk, verbluffend

dismiss = ontslaan, ontzetten, royeren, afzetten, laten uitstappen, afzenden, uitsturen, versturen, verzenden, wegsturen, wegzenden, afdanken, afmonsteren, ontslaan

dismount = afstijgen

disobedient = onwillig, ongehoorzaam, ongezeglijk

disorder = disorde, janboel, rommel, rotzooi, verwarring, wanorde, war

dispassionately = koel, lauw, lusteloos

dispatch = telegraferen, verzenden, afzenden, expediëren, verzenden, afdoen, afhandelen, afwikkelen, afhandelen, beslechten

dispatch note = adreskaart

dispensing chemist = apotheker, farmaceut

disperse = uiteendrijven, uiteenjagen, verspreiden, verstrooien, verdunnen, verspreiden

display = baltsen, balts, paraderen, pralen, prijken, pronken, corso, parade, pracht en praal, pralerij, vertoon

displeased = misnoegd, ontevreden, wrevelig

displeasure = misnoegen, ontevredenheid, wrevel, wreveligheid

disposal = aanvechting, lust, neiging, zin

dispose of = overdoen, tappen, verhandelen, verkopen, vervreemden, wegdoen

disposition = beschikking, aanleg, begaafdheid, gave, talent, aanleg, begaafdheid, gave, talent, aanleg, begaafdheid, gave, talent

dispute = disputeren, krakelen, twisten, redetwisten, strijden, dispuut, kwestie, strijd, twist, redetwist, twistgesprek

disquiet = storing veroorzaken, storing

dissatisfaction = misnoegen, ontevredenheid, wrevel, wreveligheid

dissatisfied = misnoegd, ontevreden, wrevelig

dissect = doorsnijden, sectie verrichten

dissemble = huichelen, veinzen

disseminate = uitstrooien, uitzaaien, uitzaaien

dissension = onenigheid, verdeeldheid, geschil, meningsverschil, onenigheid, weigering

dissenting = andersdenkend

dissipation = uitspatting

dissolve = oplossen, opgelost worden, oplossen

dissuade = afraden

dissuade from = afraden, afraden, ontraadselen

dissymmetric = asymmetrisch, asymmetrisch

distance = afstand, eind, afstand, distantie

distant = ver, verwijderd, ververwijderd, afgelegen, ver, veraf, verafgelegen, verwijderd, ververwijderd

distil = branden, distilleren, overhalen, stoken

distinct = duidelijk, helder, klaar, uitgesproken, zuiver

distinction = onderscheiding

distinctive = karakteristiek, zich onderscheidend, fijnbeschaafd, gedistingeerd, zich onderscheidend

distinguish = onderkennen, onderscheiden, onderscheid maken tussen

distract = afleiden, verstrooien

distracted = afgetrokken, verstrooid

distraction = afleiding, verstrooiing, afleiding, verstrooiing, verzetje, afleiding, ontspanning, verzet

distress = bedroeven, grieven, smarten, behoeftigheid, pauperisme, bedroeven, droevig stemmen, verdrieten

distress prize = afbraakprijs

distribute = ronddelen, rondgeven, uitdelen, uitreiken, verdelen, distribueren, rondbrengen, verdelen

distribution = uitreiking, verdeling, distributie, verdeling

distributor = verdeler

district = arrondissement, arrondissement, district, gouw, buurt, wijk, stadswijk

distrust = wantrouwen

disturb = belemmeren, hinderen, storen, verstoren

disturbance = agitatie, beroering, gisting, onrust, storing

ditch = gracht, greppel, groef, groeve, kuil, sloot

divan = divan, rustbank, Turkse staatsraad

dive = duiken, duiken, onderduiken, zinken

diver = duiker

diverge = afwijken

divergent = afwijkend, anomaal, onregelmatig

diverse = menigvoudig, menigvuldig, verschillend

diversion = afleidingsmanoeuvre, afleiding, verstrooiing, afleiding, verstrooiing, verzetje, afleiding, ontspanning, verzet

divert = afleiden, verstrooien, afleiden, laten afvloeien, wegleiden, wegvoeren

divide = afzonderen, scheiden, afscheiden, schiften, scheiden, afbreken, delen, splitsen, opsplitsen, verdelen

divine = goddelijk

diving-bell = duikerklok

division = divisie, legerafdeling

division of labor = arbeidsverdeling, werkverdeling

division of labour = arbeidsverdeling, werkverdeling

divorce = scheiding, echtscheiding

divorced = gescheiden, gescheiden

dizziness = duizeligheid, duizeling

dizzy = duizelig

dizzying = duizelingwekkend

Djibouti = Djibouti

DNA = DNA

do = maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren, friseren, kappen

do a favor = de goedheid hebben, ter wille zijn, zo goed willen zijn

do a favour = de goedheid hebben, ter wille zijn, zo goed willen zijn

do away with = afschaffen, elimineren, opdoeken, uitmaken, verwijderen, wegdoen

do business = handel drijven, handelen

dock = dok, op een zijspoor zetten, stallen, zuring

doctor = doctor, arts, dokter, geneesheer, medicus

document = act, akte, bedrijf, document, nummer, stuk, akte, document, stuk, akte, bescheid, document, papier, schriftuur, stuk

do down = afkraken

doe = hinde

dog = hond

dogberry = kornoelje

dog-fish = hondshaai

dog-kennel = hondehok, kennel

dogma = dogma, leerstelling, leerstuk

dogmatic = dogmatisch, geen tegenspraak duidend

do harm to = afbreuk doen aan

doll = pop, tonnetje

dollar = dollar

Dolomites = Dolomieten

dolphin = dolfijn

dome = koepel, bol, gewelf

domestic = binnenlands, inheems, inlands, familie-, gezins-, huiselijk, eigen, huiselijk, vertrouwd

domestic animal = huisdier

domesticated = huis-

dominate = de baas zijn, meester zijn

Dominica = Dominica, Dominicus

Dominican = Dominicaans, Dominicaan

Dominican Republic = Dominicaanse Republiek, Dominicaanse Republiek

dominion = dominion

Don = Don

donate = cadeau geven, schenken

done = afgelopen, afgewerkt, beëindigd, klaar

Don Juan = Don Juan

donkey = ezels-, ezel

donkey- = ezels-

donkey-driver = ezeldrijver

Don Quixote = Don Quichot

don't ... = niet ...-en, ... niet

don't mention it = geen dank, graag gedaan, dat geeft niet, dat is niet erg, het doet er niet toe

door = deur, portier

doorway = deuropening

doorwoman = portierster

do penance = boete doen, boeten

Dorian = Dorisch

Doric = Dorisch

dose = dosis

do something crooked = schurkachtig handelen, zich op oneerlijke wijze toeëigenen

dossier = bestand, dossier

dot = oog, punt, spikkel, stip

do the honours = de honneurs waarnemen

double = dubbel, duplex, tweeledig, tweevoudig, nasynchroniseren, verdubbelen

double bed = tweepersoonsbed

double lock = nachtslot

doubt = dubben, in dubio staan, twijfelen, twijfel, twijfeling

doubtful = bedenkelijk, te betwijfelen, twijfelachtig, discutabel, dubieus, twijfelachtig

dough = beslag, deeg, pasta

dove = duifje, duif, tamme duif

down = dons, nesthaar, waas, naar beneden, neerwaarts, omlaag, naar beneden, neerwaarts, omlaag

downhill = bergafwaarts

download = downloaden

down payment = aanbetaling, aanbetaling

downstairs = beneden, daarbeneden, onder, beneden, onderaan de trap

down the slope = bergafwaarts

dowry = bruidsschat, huwelijksgift

doze = druilen, dutten, sluimeren

dozen = dozijn, twaalftal

Dr. = dr.

draft = cambio, wissel, concept, klad, traite

drag = trekken, boegseren, slepen, trekken, voorttrekken

dragon = draak, vlieger

dragonfly = juffertje, libel, waterjuffer

drain = afdruipen, neerdruipen, aftappen, afwateren, draineren, droogleggen, afwateren

drain-cock = aftapkraan

drainer = druiprek, afdruiprek

draining = afwatering, drainering

draining board = druiprek, afdruiprek

drain-pipe = afvoerbuis

drake = gent, mannetjeseend, woerd

Drakensberg Mountains = Drakensbergen

dram = aperitief, borrel

drama = drama, toneelstuk

drape = draperen

drastic = drastisch, sterk werkend

draw = aanlokken, bekoren, toelachen, trekken, aantrekken, verlekkeren, tekenen, aftekenen, trekken, uittekenen, gelijkheid, pariteit, naar zich toe halen, aftekenen, omlijnen, omtrekken, trekken, een streep trekken, trekken, hozen, ontlenen, putten, scheppen

draw attention = attenderen, attent maken, een wenk geven, opmerkzaam maken op

draw back = intrekken, terugtrekken

drawer = la, lade, schuiflade

drawers = onderbroek

drawing = schets, tekening, werkje, dessin, schets

drawing-paper = tekenpapier

draw lots = loten

draw out = ontlokken, slaken, uitbrengen, uithalen, uitdrijven, uiten

draw tighter = aantrekken, strakker aantrekken

draw up to the table = aanschuiven, aanschikken

dreadful = ijselijk, schrikaanjagend, verschrikkelijk, vervaarlijk, vreselijk

dream = dromen, mijmeren, droom, dagdroom, wensdroom, dromen, droom

dreamer = dromer, mijmeraar

dreamland = dromenland

dreary = afgrijselijk, afschuwelijk, doods, eenzaam, uitgestorven, verlaten, woest, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, afzichtelijk, foeilelijk, mistroostig, naargeestig, somber, triestig, donker, somber, betrokken, bewolkt, donker, somber, droefgeestig, melancholiek, weemoedig, zwaarmoedig, naargeestig, somber, troosteloos, onbebouwd, onontgonnen, wild, woest, onbeschaafd, wild, bedroefd, treurig, triest, triestig

dress = een verband omleggen, verzorgen van een wond, japon, jurk, toga, kleden, aankleden, bekleden, omkleden, staan, zich aankleden, zich aankleden

dress-coat = rok

dresser = commode, ladenkast, aanrecht

dressing = bemesting

dressing-gown = kamerjas, kamerjapon, ochtendjapon

drift = drijven, afdrijven, op drift zijn

drill = boren

drink = drinken, pimpelen, zuipen, brouwsel, drank, drankje, drinken, gebruiken

drinkable = drinkbaar

drinking-water = drinkwater

drink to excess = drinken, pimpelen, zuipen

drip = droppelen, druipen, druppelen, drop, droppel, druppel, lik

drip down = afdruipen, neerdruipen

drive = oprijlaan, oprit, drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven, aandrijven, aandrijving, chaufferen, rijden, vervoeren

drive away = uitdrijven, verdrijven, verjagen, wegdrijven, wegjagen, afrijden, uitlopen, uitvaren, vertrekken, wegrijden

drivel = bazelen, kolderen, raaskallen

drive off = afrijden, uitlopen, uitvaren, vertrekken, wegrijden

drive on = drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven

drive out = ontlokken, slaken, uitbrengen, uithalen, uitdrijven, uiten, naar buiten jagen, uitdrijven, uitjagen, uitwijzen, verbannen

drive over = berijden

driver = bestuurder, stuurman, bestuurder, conducteur, wagenbestuurder, bestuurder, chauffeur, bestuurder, roerganger, stuurman, bestuurder, chauffeur, voerman, bestuurder, chauffeur

drive shaft = aandrijfas

drive through = doordrijven

driving axle = aandrijfas

driving-licence = rijbewijs

driving mirror = achteruitkijkspiegel

driving-school = autorijschool, rijschool, autorijschool

drizzle = motregenen, motregen, stofregen

drizzling rain = motregen, stofregen

dromedary = dromedaris

droop = hangen

drop = druppel, waterdruppel, vallen, afvallen, neervallen, storten, verschieten, kappen, vellen, neervellen, wippen, drop, droppel, druppel, lik, afnemen, slinken, tanen, verflauwen, verminderen, achterwege laten, weglaten

drop in = aanwippen

droplet = druppel

drop of water = druppel, waterdruppel

drop out = afvallen, niet meer meedoen

dropsy = waterzucht

drown = verdrinken, vergaan, verloren gaan, doen verdwijnen, onderdompelen, verdrinken, verzuipen

drowsy = druilerig, slaperig, lodderig, maf, slaperig

drug = dope, drogerij, drug, kruid, artsenij, geneesmiddel, medicijn, drug, narcoticum, verdovend middel, bedwelmen, narcotiseren, verdoven, wegmaken, bedwelmen

drug addict = drugverslaafde, drugsverslaafde

drugstore = apotheek

drum = bus, rol, trom, trommel

drummer = tamboer, trommelaar, trommelslager

drunk = beschonken, dol, dronken, zat, dronkaard, zatlap

drunkenness = beschonkenheid, dronkenschap, roes, zatheid, zwijmel, roes, zwijmel, zwijmelgeest, zwijmeling

dry = dor, droog, drogen, afdrogen, droogmaken, uitdrogen, drogen, droogvallen, droog worden, opdrogen, uitdrogen, verdrogen

dry cleaner's = stomerij

dry in the sun = in de zon laten drogen

dryness = dorheid, droogheid, droogte

dry-nurse = baker

dual = dubbel, duplex, tweeledig, tweevoudig

duchess = hertogin

duchy = hertogdom

duck = eende-, eenden-, eend, eendebout, eend

duck- = eende-, eenden-

duck egg = eendeëi

duck meat = eend, eendebout

duck's = eende-, eenden-

dude = dandy, fat, kwast, modepop, saletjonker

duenna = chaperonne

dues = bijdrage, contributie

duke = hertog

dull = afstompen, verdierlijken, flauw, dom, onnozel, simpel, stompzinnig, dof, gesmoord, stomp, toonloos, lusteloos, saai

dumb = sprakeloos, stom

dumbfounded = ontzettend, schrikbarend, schrikkelijk, verbluffend

dummy = speen, fopspeen, speen, fopspeen, stofzuiger, zuigglas, speen, fopspeen

dump = stortplaats, stortplaats, storten, strooien

dun = manen, aanmanen

dun for payment = manen, aanmanen

dung = drek, drol, keutel, ontlasting, stront, uitwerpselen, vijg, schijt

Dunkirk = Duinkerke, Duinkerken

dunning-letter = maanbrief

duplicate = multipliceren, verveelvoudigen

during = gedurende, onder, staande, terwijl, tijdens, voor

during the day = overdag, overdag

during the night = bij nacht, 's nachts, 's nachts

dusk = halfdonker, schemer, schemerdonker, schemering, halfdonker, schemer, schemerdonker, schemering

dust = stof, stoffen, afstoffen, stof afnemen

dust rag = droogdoek, afdroogdoek, stofdoek

dust-sheet = hoes

dusty = stoffig

Dutch = Hollands, Nederlands, Nederlands, Nederlandse taal

Dutch Flanders = Zeeuws-Vlaanderen, Zeeuws-Vlaanderen

Dutch language = Nederlands, Nederlandse taal

Dutchman = Hollander, Nederlander

Dutch nationality = Nederlanderschap

Dutch woman = Nederlandse

duty = plicht, verplichting

duty-free = belastingvrij, onbelastbaar

dwarf = dwergachtig, minuscuul, dwerg, dwerg, mannetje

dwell = gevestigd zijn, huizen, resideren, wonen

dwelling = kwartier, logies, onderkomen, woning

dwelling-place = domicilie, woonplaats

dwelling-place-residence = woonplaats

dye = verf, tint, kleur, verven, tinctuur, verf

dynamite = dynamiet

dyspepsia = dyspepsie, indigestie, slechte spijsvertering, indigestie, indigestie

dyspnea = ademnood, kortademigheid

dyspnoea = ademnood, kortademigheid

dysprosium = dysprosium

Dzungaria = Dzjoengarije

each = à, bij, elk, ieder, telkens, al de, al het, alleman, een ieder, elk, ieder, iedereen, elk, ieder

each other = elkaar, elkander, mekaar

each time = telkens

eager = begerig, belust, gretig, happig, verlekkerd

eagerness = begeerte, begerigheid, graagte, begeerte, begerigheid

eagle = adelaar, arend

eagle owl = oehoe

eaglet = adelaarsjong, arendsjong

ear = oor, aar, kolf

ear-drop = hanger, oorbel, oorhanger

earl = graaf

earlobe = oorlel

early = pril, vroeg, vroegtijdig, tijdig, vroeg

early in the morning = in de vroegte, 's morgens vroeg

earmark = bestemmen, uittrekken

earn = behalen, verdienen, winnen, verdienen

earn back = herwinnen, inhalen

earnest = bona fide, ernstig, serieus, stemmig

earphone = hoorn, telefoonhoorn

earring = hanger, oorbel, oorhanger, oorring

ear shell = haliotis

earth = aanaarden, aardbodem, aarden, met de aarde verbinden, aarde, aardrijk, bodem, grond, land, aanaarden

earth connection = aarding, aardleiding

earthen = aarden, klei-, van klei, aarden, aards

earthenware = aardewerk, aardewerk, faience, plateel

earthing = aarding, aardleiding

earthly = aarden, aards

earthquake = aardbeving

earthquake shock = aardschok

earth satellite = aardsatelliet, kunstmaan

earth's axis = aardas

earth's crust = aardkorst

earth up = aanaarden, aanaarden

earth wire = aarding, aardleiding

earthworm = pier, worm, aardworm, regenworm, aardworm

easel = bank, bok, ezel, rek, schraag, stander, stellage, werkbank

easily = allicht, gemakkelijk, met gemak

east = oostwaarts, naar het oosten, oosten, oriënt

East Asia = Oost-Azië

East China Sea = Oostchinese Zee

Easter = Pasen

eastern = oostelijk, oosters

East Flanders = Oost-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen

East Friesland = Oost-Friesland, Oost-Friesland, Oost-Friesland

East German = Oostduits

East Germany = DDR, Duitse Democratische Republiek, Oost-Duitsland

East-Indian = Oostindisch

east of = beoosten, ten oosten van

eastward = oostwaarts, naar het oosten

eastward of = beoosten, ten oosten van

eastwards = oostwaarts, naar het oosten

easy = licht, makkelijk, gemakkelijk, vlot

eat = beffen, bikken, gebruiken, eten, nuttigen, vreten

eat cunt = beffen

eat up = opeten, verorberen

eavesdrop = afluisteren, afluisteren, luistervink spelen

ebb = eb-, eb, ebben, terugvloeien

Ebro = Ebro

ecclesiastic = geestelijk, kerkelijk

echo = echoën, naklinken, weergalmen, echo, nagalm, naklank, weerklank, nabauwen, galm, naklank, resonantie, galmen, resoneren, weergalmen, weerklinken, nagalm, weergalm, weerklank

E-chord = E-snaar

economical = economisch

economics = economie

economy = economie, spaarzaamheid, volkshuishoudkunde, zuinigheid, besparing, bezuiniging, uitwinning, besparing, uitsparing

ecstasy = extase, vervoering, geestvervoering, zielsvervoering

ecstatic = extatisch, zwijmeldronken

Ecuador = Ecuador

Ecuadorian = Ecuadoriaans

edelweiss = edelweiss

Eden = Eden

edge = boord, kant, kust, oever, wal, walkant, waterkant, zeekant, rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom

edging = rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom

edible = eetbaar

edify = stichten

Edinburgh = Edinburg

edit = opmaken, opstellen, redigeren, stellen, stileren

edition = druk, editie, uitgaaf, uitgave

editor = editor, redacteur, redacteur, editor

editorial office = redactie

educate = dresseren, grootbrengen, kweken, opleiden, opvoeden

educated = geleerd, knap, ontwikkeld

education = opvoeding, vorming, opleiding, opvoeding, onderrichting, onderwijs

eel = aal, paling

eel-fishing = palingvangst

eel-like = aalachtig

eelmonger = palingventer

eel-pie = aalpastei

eel-pot = aalfuik, palingfuik

eel-shaped = aalvormig

eelskin = aalsvel

eelspear = aalgeer, aalschaar, aalspeer, aalvork

eel-trap = aalfuik, palingfuik

eelworm = azijnaaltje

eerie = eng, griezelig, griezelig, ijzingwekkend

effect = effect, indruk, effect, werking, uitwerking, bevinding, effect, resultaat, uitslag

effective = afdoend, doeltreffend, effectief, werkdadig, werkzaam

effectual = afdoend, doeltreffend, effectief, werkdadig, werkzaam

effervescent = mousserend, schuimachtig, schuimend, schuimig

efficacious = afdoend, doeltreffend, effectief, werkdadig, werkzaam

effigy = beeldenaar

effluent = afvalwater

effort = moeite, poging, moeite

efforts = bemoeienis, geploeter, gesjouw, streven

egg = ei

eggfruit = aubergine, aubergine

egg nog = advocaat

eggplant = aubergine, aubergine

Egypt = Egypte

Egyptian = Egyptisch, Egyptenaar

Eiffel Tower = Eiffeltoren

eight = acht

eighteen = achttien

eighteenth = achttiende

eightfold = achtvoudig

eighth = achtste, achtste

eighth part = achtste

eight hundred = achthonderd

eighty = tachtig

einsteinium = einsteinium

either ... or = of ... of

eland = elandantilope

elastic = elastisch, rekbaar, soepel, veerkrachtig

Elba = Elba

Elbe = Elbe

elbow = elleboog

elbow-room = armslag, carte blanche, armslag, armslag, bewegingsvrijheid

elder = ouder, vlier, vlierstruik

elder brother = oudere broer, oudere broer, oudere zus, oudere zuster

elderly = bedaagd, hoogbejaard

elder sibling = oudere broer, oudere zus, oudere zuster

elder sister = oudere zus, oudere zuster, oudere broer, oudere zus, oudere zuster

elect = kiezen, uitkiezen, uitlezen, uitpikken, verkiezen, uitzoeken

elected = gekozen, select, uitgelezen, uitgezocht, uitverkoren

election = keur, keus, keuze, optie, verkiezing

electric = elektrisch

electric fan = ventilator, wan

electricity = elektriciteit

electric plug = plug, prop, stekker, stop, stopmiddel, tap

electric socket = mof, stopcontact

electric torch = zaklantaarn

electron = elektron

electronic = elektronisch

electronics = elektronica

elegant = bevallig, elegant, net, piekfijn, zwierig

elegy = elegie, klaaglied, klaagzang, treurdicht

element = beginsel, bestanddeel, element, deel, deeltje, item, jaartelling, partikel, punt, basis, fundament, grondslag, bestanddeel, ingrediënt, bestanddeel, component

elemental = elementair

elementary = elementair

elementary education = basisonderwijs

elements = ABC, alfabet, basisbeginselen, eerste beginselen, ABC, basisbeginselen, eerste beginselen

elephant = olifants-, olifant

elephant- = olifants-

elephantine = olifants-

elephant's = olifants-

elevator = lift

eleven = elf

eleventh = elfde

elf = elf, luchtgeest

elide = afkappen, elideren

eliminate = afvoeren, elimineren, uitschakelen, verwijderen, wegwerken

elision = afkapping

elk = eland, wapiti

elm = iep, olm

eloquent = welsprekend

El Salvador = El Salvador

Elsass = Elzas, Elzas

else = ander, anders, langer, meer

elsewhere = elders, ergens anders, naar elders

elver = aal

Elysium = Elyzeese Velden

embalm = balsemen, met balsem bestrijken, balsemen, met balsem bestrijken, balsemen

embank = bedijken

embankment = dijk, waterkering

embark = aan boord gaan, scheep gaan

embarrass = in verlegenheid brengen, ongelegen komen, ontrieven

embarrassment = benardheid, hinder, knelpunt, penarie, verlegenheid

embassy = ambassade, ambassade, gezantschap, ambassade, ambassadegebouw, gezantschapsgebouw

embassy building = ambassade, ambassadegebouw, gezantschapsgebouw

embellish = flatteren, opwerken, verfraaien, vermooien

emblem = embleem, kleur, zinnebeeld

embodiment = belichaming, belichaming

embody = belichamen, belichamen, belichamen

embrace = omarmen, omhelzen, omarmen, omhelzen, omvademen, omarmen, omklemmen, omknellen, omspannen, omvatten

embroider = borduren

emerald = smaragd

emerge = opdagen, opdraven, te voorschijn komen, uitkomen, verschijnen, opduiken, bovenkomen, opduiken

emergency = crisis

emigrate = emigreren, uittrekken, uitwijken

eminent = aanzienlijk, eminent, uitstekend, voortreffelijk, vooraanstaand

emissary = bode, gezant, afgezant

emit = uitstralen

emmet = mier

emotion = aandoening, gewaarwording, aandoening, bewogenheid, emotie, roersel

emperor = keizer

emphasis = klem, nadruk

emphasize = benadrukken, met nadruk zeggen, nadruk leggen op, onderstrepen

emphatic = nadrukkelijk, dringend, nadrukkelijk

empire = imperium, rijk, keizerrijk

employ = aannemen, aanwerven, huren, in dienst nemen, tewerkstellen, aanwenden, benutten, gebruiken

employee = employé, personeelslid, werknemer

employer = werkgever, werkgever

employment = aanwending, toepassing, aanwending, toepassing

employment exchange = arbeidsbureau, arbeidsbeurs

empress = keizerin

emptiness = leegheid, leegte

empty = hol, ledig, leeg, lens, loos, ledigen, legen, lenzen, lichten, ruimen, uithalen

enamel = tandglazuur, emailleren, brandverf, email, glazuur

enchanter = duivelskunstenaar, tovenaar

enchanting = betoverend

enchantment = toverij

encipher = versleutelen

enclose = omsluiten

enclosure = kraal, omheind terrein

encode = codificeren, codificeren

encore = bis, nog eens

encounter = aantreffen, ontmoeten, tegemoet treden, tegenkomen, treffen, ontmoeting

encourage = aansporen, aanvuren, aanwakkeren, opwekken, zwepen, aanmoedigen, bemoedigen, stijven, animeren, opkikkeren, opmonteren, verlevendigen

encouragement = aanmoediging, bemoediging, stijving

encyclopaedia = encyclopedie

end = einde, uiteinde, uiterste deel, afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen, aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen, afloop, eindigen, slot, afloop, besluit, eind, einde, slot, uiteinde, voleinding

endanger = in gevaar brengen, in gevaar stellen

endeavour = moeite doen, pogen, streven, trachten, zich beijveren, zoeken, pogen, streven, zich inspannen

ending = uiteinde, uitgang, aflopend, eindigend, afloop, besluit, eind, einde, slot, uiteinde, voleinding

endive = andijvie

endlessly = tot in het oneindige

end-of-the-line = eindstation

endorse = endosseren, gireren, wenden

endorsee = geëndosseerde

endorsement = endossement, giro

endorser = endossant, overdrager

endow = begiftigen, meegeven

end up = aankomen, arriveren, aankomen, arriveren, aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen, aanbelanden, aanlanden, terechtkomen

endure = aanhouden, beklijven, duren, standhouden, voortduren, dragen, naar buiten brengen, uithouden, verdragen, doorstaan, dulden, harden, uithouden, uitstaan, verdragen, doorstaan, lijden, ondergaan, uitstaan, velen, verdragen, aanzien, dulden, lijden, toelaten, tolereren, velen, verdragen

enemy = belager, vijand

energetic = energiek, ferm, flink, krachtig, voortvarend

energy = arbeidsvermogen, energie, fut, spirit, veerkracht, wilskracht

engaged = geëngageerd, verloofd, geëngageerd, verloofd

engage in a controversy = polemiseren

engagement = engagement, verloving, engagement, verloving, verloving

engine = locomotief, machine, motor

engineer = ingenieur

England = Engeland

English = Engels, Engels, Engelse taal, Engelse

English Channel = Het Kanaal

English language = Engels, Engelse taal

Englishman = Engelsman

Englishwoman = Engelse

engrave = graveren, griffen

engraving = graveerwerk, gravure, prent

engulf = binnenkrijgen, innemen, inslikken

enhance = vermeerderen

enigma = puzzel, raadsel

enigmatic character = raadselachtigheid

enjoy = blij zijn, genieten van, zich verblijden, zich verheugen, genieten, genieten van, zich verheugen in, zich verlustigen in

enjoyable = aangenaam, behaaglijk, genoeglijk, heerlijk, plezierig

enjoy oneself = zich amuseren, zich vermaken, zich vermeien

enlarge = uitbouwen, uitbreiden, vergroten

enlargement = uitbouwing, vergroting, vergroting

enlighten = illumineren, verlichten

enlist = dienst nemen

enmity = animositeit, vijandigheid, vijandschap

ennumeration = opsomming

enormous = enorm, enorm, geweldig, gigantisch

enormously = enorm, uiterst, enorm, uiterst, bijzonder, danig, duchtig, geducht, schromelijk

enough = genoeg, voldoende, basta, genoeg, nogal, tamelijk, vrij, voldoende

entangle = betrekken, verstrikken, verwarren, verwikkelen

entangled hair = verward haar

enter = indoen, steken, insteken, binnengaan, binnenlopen, ingaan, boeken, bijboeken, inschrijven, registreren, binnenkomen, inkomen

enterprise = bedrijf, onderneming

enterprising = ondernemend

entertain = recipiëren, afleiden, verstrooien, gastvrijheid verlenen aan, onthalen, trakteren, vergasten, vrijhouden

entertaining = aardig, amusant, leuk, vermakelijk

entertainment = aardigheid, amusement, pretje, vermaak, vermakelijkheid

enthusiasm = enthousiasme, geestdrift, uitbundigheid

enthusiastic = enthousiast, geestdriftig, uitbundig

entice = verleiden, verlokken, weglokken, bekoren, in verzoeking brengen, verleiden, verlokken, verzoeken

enticing = aanlokkelijk, lekker

entire = compleet, gans, heel, geheel, vol, volkomen, volslagen

entirely = compleet, heel, geheel, totaal, totaliter, volkomen, volledig, finaal, heel, geheel, helemaal, totaal, volkomen, volledig

entirety = geheel

entomb = begraven, ter aarde bestellen

entrance = entree, ingang, toegang

entreaty = bede, smeekbede

entrée = hors d'oeuvre, voorgerecht

entrust = belasten met, opdracht geven, opdragen, vertrouwen, toevertrouwen, vertrouwen hebben in

entry = aanmelding

enuresis = bedwateren, bedplassen, bedwateren

envelop = hullen, inwikkelen, omhullen, toestoppen, woelen

envelope = couvert, enveloppe

envious = afgunstig, ijverzuchtig, jaloers, wangunstig, afgunstig, ijverzuchtig, jaloers

environment = medium, milieu, omgeving, omgeving, omstreken, omtrek

environs = omgeving, omstreken, omtrek

envisage = beschouwen

envoy = bode, gezant, afgezant

envy = benijden, jaloers zijn op, misgunnen, afgunst, ijverzucht, jaloezie, nijd, wangunst

Eocene = Eoceen

Eos = Eos

epaulet = epaulet, schouderbedekking

epic = episch

epic poem = epos, heldendicht

epilepsy = epilepsie, toevallen, vallende ziekte

Epiphany = Driekoningen

epiphyte = epifyt

episcopal = bisschoppelijk, doorluchtig

episode = aflevering, episode

epistle = brief, epistel, zendbrief

epoch = tijdperk, tijdsgewricht

epsilon = epsilon

equal = eender, egaal, gelijk, gelijkmatig, evenaren, gelijk zijn aan

equality = gelijkheid, pariteit

equally = even, evenzeer, gelijk, gelijkelijk, even, eveneens, idem, insgelijks, van hetzelfde

equator = equator, evenaar, evennachtslijn

Equatorial Guinea = Equatoriaal Guinea

equestrian = paarde-, paarden-

equilibrium = balans, evenwicht, evenwichtstoestand, balans, evenwicht, evenwichtstoestand

equinox = nachtevening, dag-en-nachtevening

equip = toerusten, uitrusten, uitvoeren

equipment = apparatuur, hardware, accommodatie, inrichting, uitrusting, uitrustingsstuk, toerusting, uitrusting

equivalent = equivalent, gelijkwaardig, equivalent

-er = -aar, -er, -ist, -aard, -e, -erd

era = tijdperk, tijdsgewricht, jaartelling, tijdrekening

eradicate = ontwortelen

erase = gommen, met gom bestrijken

eraser = gom, gummi

erbium = erbium

erect = inrichten, oprichten, stichten, vestigen, baseren, funderen, grondvesten, stichten, vestigen

erecting = montage, zetting

Eris = Eris

Eritrea = Eritrea

erotic = erotisch, zwoel

err = dwalen, een fout maken, ernaast zitten, zich vergissen

errand = boodschap, commissie, opdracht, bericht, boodschap

errand-boy = loopjongen

erroneous = fout, foutief, onjuist, verkeerd

error = abuis, fout, dwaling, vergissing

eryngo = kruisdistel

erysipelas = belroos, wondroos

escalator = roltrap

escape = ontgaan, ontkomen, ontsnappen, ontsnapping

escort = accompagnement, begeleiding, begeleiden, escorteren, gewapend begeleiden, begeleiding, escort, geleide, vrijgeleide

escudo = escudo

Eskimo = Eskimo

especially = in het bijzonder, inzonderheid, vooral, in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk

Esperantist = Esperantist

Esperanto = Esperanto

essay = dissertatie, proefschrift, stelling, thesis

essence = essence, essentie, kern, wezen, wezenheid

essential = essentieel, intrinsiek, vitaal, wezenlijk

establish = inrichten, oprichten, stichten, vestigen, baseren, funderen, grondvesten, stichten, vestigen, bevinden, constateren, vaststellen

establishment = etablissement, instelling, vestiging

estate = bezitting, boerderij, goed, landgoed, erfenis, nalatenschap

esteem = achten, achting hebben voor, achting toedragen, hoogachten, achting, tel, beschouwen, nagaan, overwegen, rekening houden met, achting, aanzien, gezochtheid

estimate = begroting, begroten, schatten, taxeren, waarderen

estimates = begroting

Estonia = Estland

Estonian = Estlands, Est, Estlander

Estonian woman = Estlandse

estuary = zeearm

-et = -je, -ke, -pje, -tje

eta = èta

etc. = enz., etc.

et cetera = enzovoort, enzovoorts

etching = ets

eternal = eeuwig

eternity = eeuwigheid, onvergankelijkheid, eeuwigheid

ether = ether

ethic = ethiek, zedenkunde, zedenleer

ethical = ethisch, zedenkundig

ethics = ethiek, zedenkunde, zedenleer

Ethiopia = Ethiopië

Ethiopian = Ethiopisch, Ethiopiër

Ethiopian woman = Ethiopische

ethnic group = geslacht, stam, volksstam

ethos = sfeer, stemming

etiquette = etiket, etiquette, label

Etna = Etna

Etruria = Etrurië, Etrurië

Etrurian = Etrurisch, Etruskisch, Etruriër, Etrusk

Etruscan = Etrurisch, Etruskisch, Etruriër, Etrusk

eunuch = eunuch

euphonious = schoonklinkend, welluidend, zoetvloeiend

Euphrates = Eufraat

euro = euro

Europa = Europa, Europa, Europa

Europe = Europa, Europa

European = blanke, Europeaan, Europees, Europeaan

European bizon = wisent

European Union = Europese Unie

europium = europium

Euxine Sea = Zwarte Zee

Eva = Eva

evacuate = evacueren, ontruimen

evade = mijden, ontwijken, uit de weg gaan, vermijden

evangelic = evangelisch

evaporate = doen verdampen, indampen, uitdampen, verdampen, uitdampen, verdampen, vervliegen, vervluchtigen

even = effen, gelijk, vlak, effenen, gelijkmaken, slechten, eender, egaal, gelijk, gelijkmatig, egaliseren, gelijkmaken, vlakken, zelfs, kiet, quitte, een paar vormend, even, gelijkmatig, geregeld, regelmatig, steevast

even if = al, ook al, zelfs als

evening = avondje, avond

evening classes = avondschool

evening dress = rok, avondkleding

evening frock = avondjapon

evening gown = avondjapon

evening meal = avondeten, avondmaal

evening paper = avondblad, avondkrant

evening-primrose = teunisbloem

evening-school = avondschool

Evening Star = Avondster, Venus, Avondster, Venus

evening twilight = avondschemering, vallen van de nacht, avondschemering

event = belangrijke gebeurtenis, evenement, gebeuren, gebeurtenis, gebeurtenis, gebeuren, gebeurtenis, incident, voorval, gebeurde, gebeurtenis, voorgevallene, gebeurtenis, gelegenheid, geval, gebeurtenis

eventual = eventueel, gebeurlijk

eventuality = eventualiteit

ever = eenmaal, eens, ooit, wel eens, altijd, immer, steeds

-ever = dan ook, ook maar

Everist = Mount Everest

everlasting = altijddurend, eindeloos, oneindig, altijddurend, eeuwig, voortdurend

ever since = sinds, sedert, vanaf

every = al de, al het, alleman, een ieder, elk, ieder, iedereen, elk, ieder

everybody = al de, al het, alleman, een ieder, elk, ieder, iedereen, alleman, een ieder, iedereen

everyday = alledaags, grof, ordinair, plat, vulgair

every kind of = allerhande, allerlei, van elke soort

every one = al de, al het, alleman, een ieder, elk, ieder, iedereen, alleman, een ieder, iedereen

everyone's = aller, ieders

every other day = om de andere dag, om de dag

everything = allemaal, alles

every time = telkens

everywhere = allerwegen, alom, overal, wijd en zijd, alom, allerwegen, overal

evident = apert, duidelijk, evident, kennelijk, klaarblijkelijk, uitgesproken

evoke = naar buiten roepen, ten gevolge hebben, uitlokken

evolution = evolutie, ontwikkeling, evolutie, ontwikkeling, wordingsproces

evolve = evolueren, zich ontwikkelen

ex- = ex-, gewezen, oud-, voormalig, vroeger

exact = accuraat, exact, nauwkeurig, rekwireren, vorderen, opvorderen, goed, juist, recht

exaction = afpersing, knevelarij, afpersing

exactitude = accuratesse, nauwgezetheid, stiptheid, zorgvuldigheid, accuratesse, nauwkeurigheid, precisie

exactly = accuraat, nauwgezet, precies, exact, precies, exact, juist, precies, scherp, vlak, juist, net, OK, okee, okay, oké, pal, precies

exactness = nauwkeurigheid, precisie, stiptheid, zorgvuldigheid

exaggerate = chargeren, overdrijven

examination = examen, keuring, onderzoek, nauwkeurig onderzoek, aanschouwing, beschouwing

examine = examineren, nakijken, onderzoeken, nauwkeurig onderzoeken, exploreren, nagaan, onderzoeken, uitvissen, uitzoeken, vorsen

example = toonbeeld, voorbeeld

excavate = delven, opduikelen, opgraven, rooien, uitgraven, winnen

exceed = overtreffen, te boven gaan, uitblinken, uitmunten, voorbijstreven

exceedingly = bijzonder, buitengewoon

excellency = eerwaarde, hoogheid, majesteit

except = behalve, bij uitzondering, buiten, op ... na, uitgezonderd, uitzonderen, behalve, buiten, ongerekend

except for = behalve, buiten, ongerekend, behoudens

exception = uitzondering

exceptional = uitzonderlijk

excess = buitensporigheid, exces, overdaad, uitspatting, uitwas

excessive = buitensporig, excessief, extreem, verregaand

excessively = buitensporig, excessief

exchange = centrale, inwisseling, ruil, omruiling, uitwisseling, verruiling

exchange rate = koers, notering, beursnotering, prijsnotering

excise = accijns, verbruiksbelasting

excise-duty = accijns, verbruiksbelasting

excitation = opwinding

excite = aanwakkeren, opwinden, prikkelen, verhitten, werken op, aanstoken, irriteren, ophitsen, op stang jagen, prikkelen, sarren

excitement = agitatie, agitatie, beroering, gisting, onrust, opwinding, opgewondenheid, opwinding, gejaagdheid, opwinding, opwinding

excite pity = vermurwen

exciting = opwindend

exclude = uitsluiten, buitensluiten, uitsluiten, uitzonderen

exclusive = exclusief, uitsluitend

exclusively = exclusief, uitsluitend, alleen, enkel, maar, pas, slechts, uitsluitend

excommunication = anathema, ban, banvloek, excommunicatie, ban, banvloek, excommunicatie

excrement = drek, drol, keutel, ontlasting, stront, uitwerpselen, vijg, schijt

excursion = excursie, tocht, toer, trip, uitstapje

excuse = verontschuldigen, excuseren, verontschuldigen, verschonen

excuse me = pardon, sorry, het spijt me

excuse oneself = zich excuseren

execute = executeren, ter dood brengen, terechtstellen

executioner = beul

exempt = ontslaan, vrijstellen

exercise = drillen, oefenen, oefening

exercise-book = aflevering, katern, schrift

exert = beoefenen, betrachten, in de praktijk brengen, uitoefenen

exertion = krachtsinspanning

exhale = ademen, getuigen van, uitademen, uitwasemen

exhausted = op, uitgeput, uitverkocht, afgemat, bekaf, doodmoe

exhibit = belichten, tentoonstellen, uiteenzetten, uitstallen, tentoonstellen, uitstallen, belichten, exposeren, tentoonstellen

exhibition = expositie, tentoonstelling

exhibitioner = beursstudent

exhortation = aanmaning, aansporing, vermaan, vermaning, waarschuwing, aanmaning

exile = uitbannen, verbannen, balling, banneling, ballingschap, verbanning, balling, banneling

exist = bestaan

existence = aanzijn, bestaan, bestaan, zijn

exit = afrit, uitgang, uitweg, uitgaan, uitkomen, uitlopen, uitstappen, uitstijgen, uittreden

Exodus = Exodus

exotic = exotisch, uitheems

expansion = expansie, uitzetting

expect = afhalen, wachten, te wachten staan, verbeiden, verwachten

expectation = afwachting, afwachting, verwachting

expedite = afdoen, afhandelen, afwikkelen

expedition = expeditie

expel = uitdrijven, verdrijven, verjagen, wegdrijven, wegjagen

expense = kosten, onkosten

expenses = besteding, uitgaaf, vertering, uitgaven

expensive = duur, kostbaar, prijzig

experience = belevenis, ervaring, ondervinding, belevenis, lotgeval, wedervaren, wederwaardigheid, beleven, doorleven, doormaken

experienced = bedreven, geoefend, deskundig, ervaren, geoefend, zaakkundig

experiment = experimenteren, experiment, proef, proefneming

experimental = empirisch, experimenteel

expert = deskundig, expert, deskundige, expert, kenner, bedreven, geoefend, specialist, vakman, deskundige, kenner, zaakkundige, deskundig, ervaren, geoefend, zaakkundig, deskundige, zaakkundige

expertness = bedrevenheid, bedrevenheid, handigheid, slag, vaardigheid, vlugheid

expire = aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen, doodgaan, overlijden, sterven, verscheiden, versmachten

explain = beduiden, toelichten, uiteenzetten, uitleggen, verklaren, beduiden, duidelijk maken, uitleggen, verhelderen, verklaren, beduiden, te verstaan geven, uitleggen, verklaren, voorhouden

explanation = explicatie, toelichting, uiteenzetting, uitleg, verklaring, rekenschap, uitduiding, verklaring

explode = exploderen, losbarsten, ontploffen, springen, uitbarsten

exploit = exploiteren, uitbuiten, uitmelken

exploration = speurtocht, speurwerk, onderzoek, speurwerk

explore = exploreren, nagaan, onderzoeken, uitvissen, uitzoeken, vorsen

explosion = explosie, ontploffing, uitbarsting

explosive device = <apparaat om iets op te blazen>

export = exporteren, uitvoeren

expose = belichten, tentoonstellen, uiteenzetten, uitstallen

exposition = expositie, tentoonstelling

exposure = belichting, tentoonstelling, uitstalling, uitstelling

exposure meter = belichtingsmeter, lichtmeter

exposure time = belichtingstijd

express = uitdrukken, exprestrein, sneltrein, speciale koerier, ontlokken, slaken, uitbrengen, uithalen, uitdrijven, uiten, betuigen, opperen, uitdrukken, uiten, uitspreken, verwoorden

express condolences = condoleren

expression = betuiging, bewoording, gezegde, uitdrukking, uiting, zegswijze, air, gelaatsuitdrukking, gezicht, uiterlijk, uitzicht

express oneself = zich uitdrukken

expressway = autoweg

expurgate = kuisen

extend = bestek, grootte, omvang, uitgebreidheid, ophouden, rekken, strekken, uitbreiden, uitsteken, uitstrekken, prolongeren, verlengen, verlengen

extension = achtervoegsel, suffix

extensive = omvangrijk, uitgebreid, veelomvattend, breedvoerig, groot, royaal, ruim, uitgebreid, uitgestrekt, wijd

exterior = aanblik, aanschijn, buitenkant, uiterlijk, uiterlijk, uitwendige

exterminate = uitroeien, verdelgen

external = buiten-, extern, uiterlijk, uitwendig

extinguish = blussen, doven, uitblussen, uitdoen, uitdoven, uitmaken

extort = afdwingen, afpersen, knevelen, afdwingen

extortion = afpersing, knevelarij, afpersing

extortioner = afzetter

extra = extra, figurant

extract = afleiden, zetten, aftreksel, zetsel

extraordinarily = bijzonder, buitengewoon

extraordinary = bijzonder, buitengewoon

extravagant = buitenissig, buitensporig, extravagant

extreme = bovenmatig, ergst, extreem, uiterst, ultra

extremely = allemachtig, allemachtig, extreem, in hoge mate, uitermate, uiterst, bijzonder, danig, duchtig, geducht, schromelijk

exult = jubelen

exultation = gejubel

eye = kijker, oog

eyebrow = wenkbrauw

eyelid = ooglid

fable = fabel

fabric = weefsel

fabricate = fabriceren, maken, aanmaken, vervaardigen

façade = façade, gevel, pui, voorgevel, voorpui

face = het hoofd bieden, het hoofd bieden, gelaat, gezicht, aangezicht, toet

face-ache = aangezichtspijn

facile = licht, makkelijk, gemakkelijk, vlot

facilitate = verlichten, vergemakkelijken, opluchten, vergemakkelijken, verlichten

fact = feit

faction = partij, stem

factory = fabriek, fabriek, metaalfabriek

factual = feitelijk, werkelijk

faculty = faculteit

fade = vervagen, bleek worden, tanen, verbleken, verschieten, kwijnen, verdorren, verflensen, verleppen, verwelken

Fafner = Fafner

faggot = brandstapel, mutsaard, mutserd

fag out = afbeulen, afjakkeren, afmatten, afbeulen, afjakkeren

fail = mislukken, floppen, in het water vallen, schipbreuk leiden, stranden, afsterven, uitsterven, wegsterven, falen, misgaan, mislukken, sjezen, stralen, stranden, zakken, laten, nalaten, nalaten, niet doen

fail to appear = achterwege blijven

failure = abortus, miskraam, mislukking, mislukking, bankroet, failliet, faillissement, krach, debâcle, echec, fiasco, flop, mislukking, sof, afgang

faint = licht, zwak, bewusteloos raken, bezwijmen, flauwvallen, in zwijm vallen, zwijmen, flauwte, onmacht, bezwijming, zwijm

fair = bazaar, markt, marktplaats, marktplein, blond, jaarbeurs, kermis, markt, billijk, fair, rechtvaardig, kermis, aardig, niet onbeduidend

fairly = aardig, tamelijk

fairy = feeëriek, feeën-, fee, geest

fairy tale = sprookje

faith = fiducie, geloof, vertrouwen

faithful = trouw, getrouw, loyaal, trouw, getrouw, trouwhartig

faked = nagemaakt

falcon = valk

fall = afvallen, afvallig worden, uitvallen, vallen, afvallen, neervallen, storten, verschieten, val, afnemen, slinken, tanen, verflauwen, verminderen

fallacious = bedrieglijk, misleidend

fall away = afvallen, vermageren

fall backwards = achterovervallen

fall ill = ziek worden

fall in = aantreden, in de rij gaan staan, in de rij komen

fall in love with = verliefd worden op, verliefd raken op, verliefd worden op

fall into abeyance = in onbruik raken

fall into line = aantreden, in de rij gaan staan, in de rij komen

fall off = afvallen, afvallig worden, uitvallen, achteruitgaan, verslechteren

fall short of = tekortschieten in

false = bedrieglijk, dubbelhartig, loos, onecht, onwaar, vals, vervalst, onwaar, onwaar

false acacia = robinia, valse acacia

false step = misstap

falsify = vervalsen, vervalsen

fame = beroemdheid, faam, befaamdheid, gerucht, mare, reputatie, roem, roep, glorie, lof, roem, beroemdheid, beroemdheid, faam, vermaardheid

familiarity = bekendheid

family = familie, gezin, huis, huisgezin

family tree = stamboom, genealogie, geslachtkunde, stamboom, stamboom

famine = geeuwhonger

famous = alom bekend, befaamd, beroemd, vermaard, welbekend, befaamd, beroemd, gevierd, roemruchtig, vermaard, wijdvermaard, beroemd, glorierijk, glorieus, roemrijk, roemruchtig, roemvol, beroemd, gerenommeerd, gevierd, vermaard

fan = aanblazen, aanvuren, aanwakkeren, aanzetten, verlevendigen, waaien, frisse lucht toewaaien, wannen, waaier

fanatical = dweepziek, dwepend, fanatiek

fancier = amateur, dilettant, knutseaar, liefhebber

fancy = in de waan verkeren, wanen, bedenken, zich verbeelden, zich voorstellen, dromen, mijmeren

fancy fair = bazaar, fancyfair

fanfare = fanfare, fanfarekorps

fantastic = fantasierijk, fantastisch, grillig

fantasy = fantasie, verbeeldingskracht

far = ver, verwijderd, ververwijderd, afgelegen, ver, veraf, verafgelegen, verwijderd, ververwijderd, achteraf, afgelegen, ver

far away = achteraf, afgelegen, ver

fare = gesteld zijn, het maken

Far East = Verre Oosten, Verre Oosten

farewell = adieu, vaarwel, afscheid, vaarwel

farm = bezitting, boerderij, goed, landgoed, in pacht hebben, pachten, pacht, pachten

farm- = agrarisch

farmer = agrariër, boer, landbouwer, agrariër, boer, landbouwer, boer, meier, pachter, boer, landman, agrariër, boer, landbouwer, agrariër, boer, landbouwer

farmers' union = boerenbond

farming = agricultuur, akkerbouw, landbouw

farmland = bouwland

farm out = verpachten

fart = een wind laten, scheet, veest, wind

farther = verder, verder, verderop, verder

fascinate = betoveren, fascineren

fascinated = geboeid, gefascineerd

fascinating = betoverend, boeiend, fascinerend

fashion = mode, modus, wijs

fashionable = in de mode, mode-, in zwang, modieus

fast = vasten, gevestigd, hecht, stevig, vast, gauw, gezwind, haastig, snel, spoedig, vlug, gauw, hard, in allerijl, schielijk, snel, vlug

fasten = aanbinden, meren, onderbinden, tuigeren, vastbinden, vastleggen, aanbinden, meren, onderbinden, tuigeren, vastbinden, vastleggen, bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen, bevestigen, vastmaken, vastzetten, verstevigen, grendelen, afgrendelen, aandraaien

fast train = sneltrein, sneltrein

fat = dik, lijvig, buikig, corpulent, dikbuikig, zwaarlijvig, dik, vet, vettig, vet, corpulent, gezet, zwaarlijvig

fate = bestemming, lot, lotsbestemming, voorland, lot, noodlot, fortuin, lot, levenslot

fateful = fataal, funest, noodlottig

father = pater, vader, vader, vader

Father Christmas = Kerstman, Kerstman

father-in-law = schoonvader

fatherland = vaderland

fatherless = vaderloos

fatigue = afbeulen, afjakkeren, afmatten

fatty = dik, vet, vettig

faucet = kraan, tap, tapkraan

fault = schuld

favor = begunstigen, bevoordelen, voorstaan, voortrekken, gunst, begunstiging, genadigheid, gedienstigheid, welwillendheid

favorite = uitverkoren

favour = begunstigen, bevoordelen, voorstaan, voortrekken, gunst, begunstiging, genadigheid, gedienstigheid, welwillendheid

favourable = goedgezind, gunstig, toegenegen, welgezind

favourite = uitverkoren, favoriet, lieveling

fawn = kalf, hertekalf, kalf, reekalf

fear = angst, beklemming, benauwdheid, grote angst, zielsangst, bang zijn voor, duchten, schromen, terugschrikken voor, vrezen, beduchtheid, vrees

fearful = angstig, kopschuw, vervaard

fearless = boud, dapper, ferm, onvervaard, stout, stoutmoedig, vermetel

feast = banketteren, feestmaal, festijn, gelag, smulpartij

Feast of Expiation = Grote Verzoendag

Feast of Tabernacles = Loofhuttenfeest, Loofhuttenfeest

feather = pen, pluim, veer, veder, pen, pluim, veer, veder

feature = trek, gelaatstrek, karaktertrek

February = februari, sprokkelmaand

federal = federaal

federation = bond, federatie

fee = honorarium

feed = bikken, gebruiken, eten, nuttigen, vreten, spijzigen, te eten geven, voederen, voeren, voeden, laten grazen, weiden

feeding-bottle = zuigfles

feel = tasten, betasten, voelen, bevoelen, aftasten, gewaarworden, voelen, aanvoelen, gevoelen, zich voelen, gevoel, zin

feel ... = ... aanvoelen

feel dizzy = duizelig zijn

feel fine = het goed maken, zich goed voelen

feeling = gevoel, zin

feel sorry for = berouw hebben van

feign = doen alsof, fingeren, simuleren, veinzen, voorgeven, voorwenden

feldspar = veldspaat

felloe = velg

fellow = aaneen, aaneen-, co-, samen, samen-, kerel, knul, persoon, snuiter, sujet, vent, man, manspersoon, vent

fellow-creature = medemens, naaste

fellow-thinker = geestverwant, medestander

felly = velg

felspar = veldspaat

felt = vilt

female = vrouwtje, wijfje, vrouwelijk, moer, vrouw, wijfje, vrouwelijk

female admirer = bewonderaarster, vereerster

female adorer = aanbidster, vereerster

female adventurer = avonturierster

female aid = helpster

female ambassador = ambassadrice

female angel = engel, vrouwelijke engel

female cat = poes

female cook = keukenmeid, kokkin

female hairdresser = kapster

female journalist = journaliste, dagbladschrijfster, journaliste

female laborer = arbeidster

female martyr = martelares

female mulatto = mulattin

female panther = wijfjespanter

female pigeon = duifje

female relative = familielid, verwant, vrouwelijk familielid, vrouwelijke verwant

female singer = zangeres

female slave = slavin

female stenotypist = stenotypiste

female stranger = vreemdelinge

female student = studente

female tailor = kleermaakster

female teacher = lerares, onderwijzeres, schooljuffrouw

female thief = dievegge

female worshipper = aanbidster, vereerster

femal labourer = arbeidster

femal worker = arbeidster

feminine = vrouwelijk

fence = afsluiting, barrière, heining, hek, versperring, paalwerk, palissade, schutting, staketsel, heler, schermen

fence in = afrasteren

fence off = afrasteren, afsluiten, omheinen, omsluiten

fender = haardscherm, vuurscherm

fennel = venkel

Fenris = Fenrir

ferment = fermenteren, gisten, werken

fermium = fermium

fern = varen

ferry = bak, overzetboot, pont, pontveer, schouw, veerboot, veerpont

fertile = vruchtbaar, vruchtbaar

fertilization = bemesting

fertilize = gieren, mesten, bemesten

fertilizer = mest

fervor = ambitie, ijver, vuur

fervour = ambitie, ijver, vuur

festival = festival, feest, festiviteit, fuif, partij

fetch = aandragen, bezorgen, brengen, aanbrengen, halen, gaan halen

fetter = boeien, ketenen, boei, keten, kluister

feudal = feodaal

fever = koorts

feverish = koortsachtig, koortsig

few = weinig

fewer = min, minder

fewest = minst

fiancé = bruidegom, galant, verloofde

fiancée = bruid, meisje, verloofde

fiasco = debâcle, echec, fiasco, flop, mislukking, sof

fiber = vezel

fibre = vezel

fiction = fictie, verbeelding, verdichtsel, verzinsel

fictional = denkbeeldig, fictief, verdicht

fiction writer = romanschrijver

fictitious = denkbeeldig, fictief, verdicht

fief = leen, leengoed

field = akker, akker, land, landerij, terrein, veld, land, veld, akker, land, landerij, veld, terrein, veld, veld

field hospital = ambulance, veldhospitaal, ziekenauto, ziekenwagen, ambulance, veldhospitaal

fierce = woest

fifteen = vijftien

fifteenth = vijftiende

fifth = vijfde, vijfde

fifty = vijftig

fig = vijg

fight = kampen, strijden, strijd voeren, vechten, knokken, vechten, bestrijden, het opnemen tegen

fight against = bestrijden, het opnemen tegen

fighting cock = kemphaan

fig-tree = vijg, vijgeboom, vijg, vijgeboom

figurative = figuurlijk, oneigenlijk

figure = cijferen, rekenen, cijfer, nummer, beeld, afbeelding, figuur, calculeren, rekenen, berekenen, tellen, uitrekenen

file = bestand, dossier, vijlen, vijl, kaartsysteem, aktentas, boekentas, theca, verzameling, beurt, file, gelid, reeks, rij, toerbeurt

files = archief

filing card = fiche, kaart, kaartje

Filipino = Filippijn, Filippino

fill = beslaan, in beslag nemen, dempen, vullen, invullen, spekken, stoppen, volmaken, volschenken

fillet = haarband, band

fill in = dempen, vullen, invullen, spekken, stoppen, volmaken, volschenken

filling station = benzinepomp, benzinestation

fill up = dempen, vullen, invullen, spekken, stoppen, volmaken, volschenken

film = film, rolprent, film, fotorolletje

film strip = film, filmpje

filter = filteren, filtreren, zijgen, filter

filthy = morsig, onrein, smerig, vies, vuil

fin = vin

final = finaal, uiteindelijk

finalize = fatsoeneren, in het net schrijven

finally = eindelijk, per saldo, ten slotte

finance = bekostigen, financieren, financiën, geldmiddelen

financial = financieel, geldelijk

financial year = boekjaar

find = gewaar worden, merken, bemerken, vernemen, waarnemen, vinden, bevinden, treffen, aantreffen

find oneself = verkeren, voorkomen, zich bevinden, zich ophouden, zich bevinden

find out = informatie inwinnen, informeren, inlichtingen vragen, horen, vernemen

fine = fijn, fraai, mooi, knap, net, schoon, excellent, kostelijk, tiptop, tof, uitmuntend, voortreffelijk, uitstekend, wonderwel, delicaat, fijn, gevoelig, iel, kies, kieskeurig, tactvol, teder, teer, uitstekend, beboeten, boete, geldboete

finger = vinger, peuteren, pulken, vingeren

finish = appreteren, opmaken, stijven, appreteren, opmaken, aantikken, geheel maken, klaren, volbrengen, voltooien, klaarspelen, voltooien, afwerken, uitwerken, afwerken, beëindigen, klaarkomen met, volbrengen, afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen, afwerken, bereiden, klaarmaken, toebereiden, verzetten, voltooien

finished = afgelopen, afgewerkt, beëindigd, klaar, af, afgelopen, gereed, klaar

finishing off = afwerking

finish off = afwerken, beëindigen, klaarkomen met, volbrengen

finish one's studies = afstuderen

Finland = Finland

Finn = Fin

finnish = afdoen, afhandelen, afwikkelen

Finnish language = Fins, Finse taal

Finnish woman = Finse

fir = spar, zilverspar

fire = afvuren, losbranden, ontslaan, ontzetten, royeren, vuur, brand, vuurzee, afdanken, afmonsteren, ontslaan, afschieten, ontladen, paffen, schieten, vuren, aanvuren, aanvuren, aanwakkeren, aanzetten, verlevendigen

fire-alarm = brandmelder

fire at = beschieten, schieten op

firebox = broeinest, haard

firebrand = aanstoker, ophitser, opstoker

firecall = brandmelder

fire-damp = mijngas, mijngas

firefly = vuurvliegje

fire off = afvuren, losbranden, afschieten, ontladen

fire on the hearth = haardvuur

fireplace = haardstede, schoorsteen, schouw, stookplaats

fire upon = beschieten, schieten op

firewood = brandhout

fireworks = vuurwerk

firing = beschieting, geschiet, schietpartij, vuren

firing-cap = capsule, doosvrucht, kapseltje, zaadhuisje

firm = gevestigd, hecht, stevig, vast, firma, handelsfirma, handelshuis, firma, handelsfirma, handelshuis, ferm, fors, hecht, potig, robuust, sterk, stevig, stoer, struis, categorisch, beslist, pertinent, degelijk, deugdelijk, flink, gedegen, hecht, solide, vast

firm in one's principle = beginselvast, principieel

firm in one's principles = beginselvast, principieel

firmly = pal, stevig, vast

firmness = beslistheid

first = eerste, eerst, allereerst, ten eerste, vooreerst

first aid = EHBO, eerste hulp, EHBO, eerste hulp, EHBO

first-aider = EHBO-er

first-aid station = EHBO-post

first floor = begane grond

first instalment = aanbetaling, aanbetaling

firstly = eerst, allereerst, ten eerste, vooreerst

first name = voornaam, voornaam

first night = première

first of all = eerst, allereerst, ten eerste, vooreerst

first run = première

firth = zeearm

fiscal system = belastingstelsel

fiscal year = belastingjaar, fiscaal jaar

fish = vissen, vissen, vis

fisherman = visser, visverkoper, visser

fishing rod = hengel, hengel

fish with a fish-trap = vissen met een fuik, vissen met een fuik

fish with a line = hengelen, vissen, hengelen

fish with a net = vissen met een net, vissen met een net

fission = atoomsplitsing

fist = knuist, vuist

fit = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, beroerte, aanmaning, aanval, passen, in overeenstemming zijn, passen, aanpassen, afstemmen, in overeenstemming brengen, rijmen, passen, deugen, geschikt zijn

fitful = grillig, nukkig, onberekenbaar, vlinderachtig, wispelturig

fit in = in overeenstemming zijn, passen

fitness = geschiktheid

fit out = afzetten, beslaan, garneren, stofferen, uitmonsteren

fitter = monteur, bankwerker, fitter, fitter

fitting = behoorlijk, betamelijk, fatsoenlijk, keurig, voegzaam, welvoeglijk, adequaat, overeenstemmend, passend, bijpassend

fitting up = montage, zetting

fit together = ineenpassen, in elkaar passen, bijeenpassen, harmoniëren, samenklinken, congruent zijn, elkaar dekken

five = vijf

fix = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, determineren, nauwkeurig bepalen, bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen, bevestigen, vastmaken, vastzetten, verstevigen, herstellen, maken, repareren, verhelpen, verstellen, herstellen, repareren

fixed = onbeweeglijk, star, vast

fixed with nails = nagelvast, spijkervast

fixing = bepaling, vaststelling

fix up = aanrichten, arrangeren, ordenen, regelen, terechtbrengen

fjord = fjord

flag = dundoek, vaan, vlag, banier, standaard, vaandel, veldteken, vendel, wimpel

flake off = afbladderen, afschilferen, afschilferen

flame = laaien, vlammen, opwinding, vlam, vuur

flamingo = flamingo

flammable = brandbaar

flan = vla, vlaai, vlade

Flanders = Vlaanderen, Vlaanderen

flannel = flanellen, flanel

flapper = bakvis

flare = flakkeren, flikkeren, schitteren, vonken schieten, wapperen

flare up = flakkeren, flikkeren, schitteren, vonken schieten, wapperen

flash = flikkeren, flitsen, gloren

flash on = aanflitsen, aanfloepen, aangaan, ontbranden

flask = veldfles

flat = appartement, flat, mol, molteken, effen, gelijk, vlak, coulisse, plat, slap

flat-iron = bout, strijkbout, strijkijzer

flatter = vleien

flatterer = mooiprater

flattery = vleierij, gevlei, vleierij

flavor = kruiden, op smaak brengen

flavour = aroma, geur, kruiden, op smaak brengen

flaw = barst

flax = vlas

flay = afstropen, vellen

flea = vlo

flee = ontgaan, ontkomen, ontsnappen, de vlucht nemen, vleden, vluchten

flee back = terugvluchten

fleece = afzetten, afzetten, snijden

fleet = vloot, vloot

Flemming = Vlaming

Flemmish = Vlaams

flesh = vlees

flexible = buigbaar, buigzaam, lenig, smijdig

flicker = flakkeren, flikkeren

flier = strooibiljet

flight = vliegtocht, vlucht, vlucht

flight engineer = boordwerktuigkundige

flight mechanic = boordwerktuigkundige

flighty = luchthartig, luchtig

fling = slingeren, swingen, zwaaien

fling off = afgooien, afwerpen, uitgooien

flint = keisteen, kiezel, kiezelsteen, vuursteen

flirt = aan de scharrel zijn, fladderen, flirten, scharrelen, wapperen, koketteren

flit = aan de scharrel zijn, fladderen, flirten, scharrelen, wapperen

float = dobberen, drijven, vlotten, drijven, zwemmen, zweven

flock = kudde, roedel

flock of goats = kudde geiten

flog = afranselen, met een stok slaan

flood = toeloop, vloed, toevloed, vloed, toeloop, vloed, toevloed, zondvloed, vloed-, vloed, inunderen, onder water zetten, overstromen, inundatie, overstroming, watersnood, watervloed, bedelven, overstelpen, verpletteren

floor = etage, verdieping, vloer

flop = afgang

Florence = Florence

Florida = Florida

flounder = spartelen, worstelen, zich aftobben

flour = bakmeel, bloem, meel

flourish = fanfare, fanfarekorps

flow = lopen, stromen, vlieten, vloeien, loop, stroming, stroom

flow down = afvloeien, weglopen, wegvloeien

flower = bloem

flowerpot = bloempot

flow off = afvloeien, weglopen, wegvloeien

flow towards = toelopen, toestromen, toevloeien

flu = griep, influenza

fluent = stromend, vloeiend

fluff = dons, nesthaar, waas

fluid = vloeistof, dun, vloeibaar, nat, vloeistof, vocht

fluorescent lamp = TL-buis

fluorine = fluor

Flushing = Vlissingen

flute = fluit

flutter = agitatie, agitatie, beroering, gisting, onrust, aan de scharrel zijn, fladderen, flirten, scharrelen, wapperen, trilling, vibratie

fly = aanvliegen, balans, onrust, vliegen, vlieg

fly away = uitvliegen, vertrekken, vervliegen, wegvliegen

FM receiver = FM-ontvanger

FM transmitter = FM-zender

foam = bruisen, schuimen, tintelen, schuim

focus = brandpunt, focus, haard

fog = damp, floers, mist, nevel

fold = plooien, vouwen, omvouwen, plooi, vouw, schaapskooi, schapestal

-fold = -voud

folder = map, ordner, aflevering, katern, schrift

foliage = bladertooi, gebladerte, loof

folk = volk

folklore = folklore, volkskunde

folk song = volkslied, volksliedje

follow = handelen volgens, opvolgen, nagaan, volgen, bewandelen, bijhouden, volgen, voortvloeien, later komen, nakomen

followers = aanhang, achterban, aanhang, gevolg

following = aanhang, leden, aanstaand, volgend, aanhang, gevolg, aanstaand, volgend

follow-up = nabehandeling

follow up with one's eyes = nakijken, naogen

fondle = aaien, aaien

font = doopvont

food = eten, etenswaar, gerecht, spijs, kost, voeder, voeding, voedingsmiddel, voedsel, voer

fool = dwaas, malloot, zot, bedonderen, belazeren, verneuken, bedotten, beduvelen, beetnemen, om de tuin leiden, domkop, domoor, schaapskop, stomkop, stommeling, sufferd

foolish = dol, dom, dwaas, onverstandig, zot, bot, dom, onbenullig, schaapachtig, stom, zwakhoofdig

foot = voet, poot, voet, voet, poot

football = voetbal, voetbal, Amerikaans voetbal

footwarmer = stoof

footwear = schoeisel

fop = dandy, fat, kwast, modepop, saletjonker

for = gedurende, onder, staande, terwijl, tijdens, voor, door, in ruil voor, op, op grond van, uit, vanwege, voor, wegens, aangezien, daar, omdat, vermits, want, wijl

for a long time = allang, sinds lang, vanouds, lang, lang, langdurig, gedurende lange tijd, voor lange tijd

forbid = verbieden

forbidding = afschrikwekkend

force = doordrukken, zich opdringen, dwingen, noodzaken, verplichten, sterkte, kracht, macht, sterkte, forceren, geweld aandoen, verkrachten, forceren, opdringen

ford = doorwaden

fore = voorbeschikking, voorgrond

fore- = voor-, achterklein-, oer-

forecast = beduiden, voorspellen, voorzeggen, waarzeggen, voorspellen, voorzeggen, waarzeggen, profeteren, voorspellen, voorzeggen, voorspellen, prognose, verwachting, voorspelling

forefather = stamvader, voorvader, voorzaat

foreground = voorgrond

forehead = voorhoofd

foreign = buitenlands, uitheems, buitenlands, onwennig, vreemd

foreign country = buitenland

foreigner = buitenlander, buitenlandse, vreemdelinge, buitenlander, onbekende, vreemde, vreemdeling

foreign lady = buitenlandse, vreemdelinge

foreign woman = buitenlandse, vreemdelinge

foreleg = voorpoot

foresee = bedacht zijn op, verwachten, vooruitzien, voorzien

foreseeable = afzienbaar

forest = bos, woud

forest path = bospaadje, bospad

foretell = beduiden, voorspellen, voorzeggen, waarzeggen, voorspellen, voorzeggen, waarzeggen, profeteren, voorspellen, voorzeggen

forever = eeuwig, voor eeuwig

for ever = eeuwig, voor eeuwig

for every reason = om alle redenen, overal om

foreward = naar voren, voorover, vooruit, voort, voorwaarts

foreword = voorbericht, voorrede, voorwoord

for example = bijvoorbeeld, bij voorbeeld

forge = smeden

forged = nagemaakt

forget = afleren, vergeten, verleren

forgetful = vergeetachtig

forget-me-not = vergeet-mij-niet, vergeet-mij-nietje

forgive = begenadigen, vergeven

for instance = bijvoorbeeld, bij voorbeeld

forks, knives and spoons = bestek, couvert, eetgerei, tafelgerei

form = aangaan, formeren, vormen, gedaante, vorm, formulier

form a group = samenkomen, samenrotten, samenscholen, zich groeperen, zich groeperen

formal = afgemeten, ceremonieel, plechtig, plechtstatig, afgemeten, formeel

form an embankment = afdammen

former = verleden, voorafgaand, voorgaand, vorig, vroeger, ex-, gewezen, oud-, voormalig, vroeger, gewezen, voormalig, vroeger

formerly = daarvoor, eerder, indertijd, vooraan, voorheen, vroeger, weleer

formidable = bijzonder, buitengewoon

form of application = aanvraagformulier, aanvraagformulier, aanvraagformulier

Formosa = Formosa

formula = formule

formulate = formuleren, inkleden, vervatten

form up = aantreden, in de rij gaan staan, in de rij komen

for no reason = nergens om, om geen enkele reden, zomaar, zonder reden

for nothing = gratis, om niet, pro Deo

for obvious reasons = begrijpelijkerwijs

for rent = te huur

forsake = in de steek laten, laten varen, verlaten

for sake of = door, in ruil voor, op, op grond van, uit, vanwege, voor, wegens

for sale = te koop, veil, gangbaar, verhandelbaar, verkoopbaar, vervreemdbaar

for some reason = om de een of andere reden

forswear = afzweren

forsythia = Chinees klokje, forsythia

Forth = Fort

for the first time = voor de eerste keer, voor de eerste maal

for the greater part = goeddeels, grotendeels, goeddeels, grotendeels

for the most part = goeddeels, grotendeels, goeddeels, grotendeels

for the reason that = aangezien, daar, doordat, omdat, aangezien, daar, omdat, vermits

for the rest = overigens, trouwens, verder, voor de rest

for the time being = vooralsnog, vooreerst, voorlopig, voorshands

fortification = fort, sterkte, verschansing, versterking

fortify = sterken, kracht bijzetten, sterken, versterken

fortnight = twee weken, veertien dagen

for ... together = aaneen, achtereen, onophoudelijk, aaneen, aan één stuk door, in één ruk, ononderbroken

fortress = vesting

fortunate = gelukkig, zegenrijk

fortunately = gelukkig

fortune = fortuin, fortuinlijkheid, lot, fortuin, lot, levenslot

fortune teller = waarzegster, waarzegger, waarzegster, voorspeller, waarzegger, wichelaar

forty = veertig

forum = forum

forward = aanvaller, voorspeler

fossil = fossiel, verstening

foster-parents = pleegouders

foul = smerig, vuil

foul weather = hondeweer

found = baseren, funderen, grondvesten, stichten, vestigen, baseren

foundation = stichting, basis, fundament, grondslag, bodem, grond, achtergrond, ondergrond

fountain = fontein, bron, wel, kwel, welput

fountain-pen = vulpen

fountain pen = vulpen

four = vier

fourteen = veertien

fourteenth = veertiende

fourth = vierde, kwart, vierde, vierendeel

fowl = gevogelte, hoen, hen, kip, hoen, kip, hoen

fox = vos

foxglove = vingerhoedskruid, vingerhoedskruid, gewoon vingerhoedskruid

fraction = breuk, fractie, breuk, fractie

fracture = breuk, gotisch lettertype

fracture of the leg = beenbreuk

fragile = breekbaar, broos, breekbaar, broos, fragiel, breekbaar, broos

fragment = deel, deeltje, item, jaartelling, partikel, punt, brok, fragment, stuk

fragmentary = fragmentarisch

fragrant = aromatisch, geurig, geurig, welriekend

frame = inlijsten, in een lijst zetten, vatten, kozijn, raamkozijn, vensterkozijn, vensterraam, kader, lijst, omlijsting, raam, lijst, schilderijlijst, spant

framework = kader, lijst, omlijsting, raam

France = Frankrijk

Franconia = Frankenland

Frankfort = Frankfort

Frankfort upon the Main = Frankfort aan de Main

frankly = open en bloot, ronduit, rondweg, vrijuit

frankness = openheid

fraud = bedrieger, oplichter, bedriegerij, oplichting

freckle = sproet, zomersproet

free = los, onbelemmerd, onbezet, open, vlot, vrij, vrijgesteld, leeg, onbezet, open, vrij, gratis, kosteloos, vrij, gratis, om niet, pro Deo

free and easy = frank, ongegeneerd, ongedwongen, vrij, vrijmoedig, vrijpostig

freedom = vlotheid, vrijheid, vrijdom

freemason = vrijmetselaar

free-standing = vrijstaand

freeway = autoweg

freeze = vriezen, bevriezen, diepvriezen

freezer = vriesvak, vriezer

freezing cold = vorst

French = Frans, Frans, Franse taal

French language = Frans, Franse taal

Frenchman = Fransman

French Polynesia = Frans Polynesië

French Riviera = Rivièra, Franse Rivièra

Frenchwoman = Française, Franse

frequent = bezoeken, geregeld bezoeken, veelvuldig

frequently = dikwijls, gedurig, menigmaal, vaak, veel, veelal, veeltijds

fresh = fris, luchtig, onbedorven, vers

freshen = aanwakkeren, sterker worden, toenemen

fresh water = zoet water, zoet water

fretful = aalwaardig, aalwarig, gemelijk, verdrietig

friction = wrijving, wrijving, wrijvingsweerstand

Friday = vrijdag

friend = vriendin, vriend

friendless = zonder vrienden

friendly = aardig, lief, voorkomend, vriendelijk, zoet, amicaal, bevriend, vriendschappelijk

friendship = vriendschap

Friesland = Friesland, Friesland, Friesland

frieze = fries, Fries, fries

fright = angst

frighten = doen schrikken, schrik aanjagen, verschrikken, bang maken, beangstigen, verschrikken, vrees aanjagen

frigid = koud

frindge = franje

fringe = rand, zoom, band, boord, kant, rand, zoom

Frisian = Fries, Friezin, fries, Fries, Fries, Fries, Friezin, Fries

Frisian woman = Friezin, Friezin

fritillary = keizerskroon, kievietsbloem, kievitsbloem, kievietsbloem, kievitsbloem

frivolity = frivoliteit, frivoliteit, ijdelheid

frivolous = frivool, lichtzinnig, wuft, ijdel, nietig, onbelangrijk

frock coat = geklede jas

frog = kikker, kikvors

frogbit = kikkerbeet

frog's legs = kikkerbilletjes

frolic = dartel, olijk, ondeugend, schalks, schelms, dartelen, robbedoezen, stoeien

frolic about = bokkesprongen maken

frolicsome = dartel, olijk, ondeugend, schalks, schelms

from = aan, door, met ingang van, sedert, sinds, van, vanaf, van, met ingang van, sedert, vanaf, op de, uit, van

from here = hiervandaan, vanhier, hiervandaan, van hier

from there = daarvan, daar ... vandaan, vandaar

from where = van waar, waarvandaan, waar ... vandaan

front = voorkant, voorzijde, front, gevel, voorkant, voorzijde

frontage = front, gevel, voorkant, voorzijde

frontier = grens, perk

front paw = voorpoot

frost = vorst, vorst

frostbite = door bevriezing veroorzaakte wond

frosted = mat, mat-, berijpt, met rijp bedekt

froth = roeren, doorroeren, omroeren, bruisen, schuimen, tintelen, schuim

frowsy = bedompt

frozen = bevroren, bevroren

fruit = vrucht

fruitful = vruchtbaar, vruchtdragend

fruit-tree = ooftboom, vruchtboom

frustrate = frustreren

fry = bakken, fruiten

frying-pan = bakpan, pan, koekepan, pat

frying pan = pan, koekepan, pat

fuel = brandstof, stookmateriaal, brandstof, stookmateriaal

fuel tank = benzinetank, benzinetank, busje, hostiekistje, trommeltje

full = compleet, totaal, vol, volkomen, volledig, verzadigd, vol, zat

full-grown = meerderjarig, mondig, groot, volgroeid, volwassen

full moon = volle maan

full of holes = vol met gaten

full of images = beeldrijk

full of life = levenskrachtig, vitaal

full of zeal = ambitieus, ijverig, noest, volijverig, vurig

full payment = afbetaling

fully = heel, geheel, ten volle, volkomen, volledig, voluit

fumble = friemelen, morrelen, scharrelen, morrelen

fume = uitwasemen, damp, uitwaseming

fumy = stinkend

fun = amusement, vermaak, schik, vermaak, genoegen, plezier, pret, vermaak

function = functioneren, het doen, in zijn werk gaan, werken, functie, ambt, baan, betrekking, plaats, werkkring

functionary = functionaris, official

fund = fonds, kapitaal, fonds, geldkist, kas

fundamental = fundamenteel

funeral = begrafenis, teraardebestelling, begrafenis, graflegging, teraardebestelling

funeral procession = begrafenisstoet, rouwstoet

funeral service = rouwdienst

fungus = paddestoel, zwam

funk = bangerd, lafaard, bangerd, lafaard

funnel = trechter

funny = aardig, amusant, leuk, vermakelijk, grappig, koddig, komisch, moppig

fur = aanbakken, aanzetten, aanslag, huid, pels, vacht, vel, dierevel, bont, pels

fur coat = bont, pels

furious = dol, doldriftig, verwoed, woedend, woest, spinnijdig, verbolgen, woedend, woest

furlough = verlof, vrijaf

furnace = kachel, oven

furnish = bestellen, leveren, afleveren, toevoeren, aankleden, meubileren

furnished = gemeubileerd

furniture = ameublement, huisraad, inboedel, meubels, meubilair

furniture van = verhuisauto, verhuiswagen, verhuisauto, verhuiswagen

fur piece = bont, pels

furrow = fronsen, rimpelen, frons, geul, groef, rimpel, voor, vore, zog

further = nader, verder, verderop, langer, meer

furthermore = bovendien, daarenboven, verder, voorts

fuse = kousje, lont, pit, lampepit

fuss = bedoening, rompslomp, bedoening

futile = ijdel, nutteloos, vergeefs, vruchteloos

future = aankomend, beginnend, in spe, toekomend, toekomstig, toekomende tijd, toekomst, verschiet, toekomende tijd, toekomst, verschiet

fuzzy = dampig, heiig, mistig, nevelig

gaberdine = gabardine

Gabon = Gabon

gadfly = brems, daas, paardehorzel

gadolinium = gadolinium

Gaelic = Keltisch, Gaelisch, Gaelische taal

gag = moppen tappen, grap, grol, kwinkslag, mop, pots, scherts, ui, aardigheidje, bak, grap, jok, mop, scherts

gain = aanwinst, acquest, buit, prooi, behalen, verdienen, winnen, baat, gewin, verdienste, winst, aankomen, zwaarder worden, baat, belang, gewin, profijt, voordeel, winst

gaiter = slobkous, beenkap

galactic = galactisch, melkweg-

Galicia = Galicië, Galicië, Galicië, Galicië

Galician = Gallicisch

Galilee = Galilea, Galilea

gall = gal, galnoot, plantengal, gal

gallant = braaf, dapper, eerlijk, ferm, flink, kranig, manhaftig, vriendelijk

gallery = gaanderij, galerie, galerij, gang, trans

gallery of a mine = mijngang

Gallic = Gallisch

gallium = gallium

galloon = gallon

gallop = galopperen, galop

galosh = overschoen

Gambia = Gambia, Gambia

gamble = dobbelen

game = spel, match

gamecock = kemphaan

gamma = gamma

gammer = besje, oude vrouw, oudje

gamut = scala, toonladder, toonschaal

gander = gander, mannetjesgans

gang = bende, schare, troep, compagnie, ploeg, rot, vendel

Ganges = Ganges

gangster = gangster

gangway = doorgang, overgang, passage, loopplank

Ganymede = Ganymedes

gaol = gevangenis, kerker, nor, gevangenis, gevangenis

gap = bres, gaping, opening, hiaat

gape = gapen, wijd openstaan, dom kijken, gapen, aangapen

gape at = aangapen

garage = garage, garage, stalling, zijspoor

garbage = afval, rommel, uitschot, afval, uitschot

garbage can = vuilcontainer, vuilnisbak, vuilnisemmer, vuilnisvat

garbage dump = puinhoop, vuilnisbelt

garden = hof, tuin

gardener = hovenier, tuinier, tuinman

gardenia = gardenia

gardening = tuinieren

gargle = gorgelen, spoelen, afspoelen

garland = krans, bloemenkrans, guirlande, slinger, slingerkrans

garlic = knoflook

garlic bulb = knoflookteentje

garment = gewaad, kledingstuk, gewaad, kleding, kleed

garnish = afzetten, beslaan, garneren, stofferen, uitmonsteren

garret = dakkamertje, zolderkamer, zolderkamertje

garrison = bezetting, garnizoen

gas = gas

gas cannister = gasfles

Gascon = Gasconjer, opschepper

gas cylinder = gasfles

gasolene = benzine

gasoline = benzine

gasp = naar adem snakken

gas tank = benzinetank

gastric juice = maagsap, maagzuur

gate = draaihek, doorgang, overgang, passage, poort

gateway = poort

gather = abstraheren, afleiden, deduceren, collecteren, innen, inzamelen, oogsten, plukken, rapen, verzamelen, afleiden, besluiten, concluderen, een gevolgtrekking maken, bijeenkomen, samenkomen, vergaderen

gathering = bijeenkomst, meeting, samenkomst, vergadering

Gaul = Gallië, Gallië, Galliër

Gaulish = Gallisch

gaunt = hoekig, hoekvormig, doods, eenzaam, uitgestorven, verlaten, woest, mager, schraal, sprietig, dun, luchtig, mager, schraal, sprietig, mistroostig, naargeestig, somber, triestig, mager, schraal, schriel, spichtig, droef, bedroefd, droevig, treurig, verdrietig, droefgeestig, melancholiek, weemoedig, zwaarmoedig, naargeestig, somber, troosteloos, leeg, onbewoond, verlaten, eenzaam, onbemand, onbevolkt, onbewoond, uitgestorven, verlaten, mager, schraal, huiveringwekkend, luguber

gauze = gaas

gawk = dom kijken, gapen, aangapen

gay = goedgehumeurd, goedgeluimd, lustig, monter, vrolijk, jolig, luimig, opgewekt, welgemutst, homofiel, homosexueel, flikker, homo, homofiel

gaze = staren, aanstaren, turen

gazelle = gazel

gazette = blad, krant

GDR = DDR, Duitse Democratische Republiek, Oost-Duitsland

gear = kamrad, kamwiel, tandrad, tandwiel, versnelling

gear-box = versnellingsbak, versnellingsbak

gear-case = versnellingsbak, versnellingsbak

gecko = gekko, toke, tokeh, tokkeh

gee-up = hop

geisha = geisha

gelding = ruin

gem = steen, edelgesteente, edelsteen, juweel

gendarme = gendarme, veldwachter, rijksveldwachter

gene = gen

genealogical = genealogisch

genealogist = genealoog

genealogy = genealogie, geslachtkunde, stamboom, genealogie, geslachtkunde

general = generaal, algemeen, in het groot, schetsmatig, algemeen, universeel, algemeen, generaal

generality = algemeenheid, universaliteit, algemeenheid

generally = doorgaans, in het algemeen, over het algemeen, überhaupt

generalship = beleid, omzichtigheid, voorzichtigheid

generate = verwekken

generation = generatie, geslacht

generative = generatief, geslachtelijk, sexueel

generous = genereus, goedgeefs, gul, royaal, scheutig, vrijgevig, genereus, gul, kwistig, rijkelijk, royaal, scheutig, vrijgevig

Genesis = Genesis, Scheppingsboek

Geneva = Genève

genital = geslachts-, seksueel

genius = beschermgeest, genie, genius, genie

Genoa = Genua

genre = genre, genrestuk

gentian = gentiaan

gentle = liefelijk, zacht, zoet, mild, zacht, zachtaardig, zachtmoedig, zachtzinnig, zoel

gentleman = heer, heerschap, meneer, mijnheer, heer, heerschap, meneer, gentleman, heer, gentleman, heer

gentlemanlike = beschaafd, keurig, beschaafd, keurig

gentleness = mildheid, zachtheid, zachtaardigheid, zachtmoedigheid, zoelheid

gently = voorzichtig, zachtjes

genuine = authentiek, echt, onvervalst, waar

genuinely = echt, werkelijk, wezenlijk

genuinly = echt, inderdaad, naar waarheid, waarachtig, waarlijk, werkelijk

geographer = aardrijkskundige, geograaf, aardrijkskundige, geograaf

geographic = aardrijkskundig, geografisch

geographical = aardrijkskundig, geografisch

geography = aardrijkskunde, geografie

geological = geologisch

geologist = geoloog

geology = aardkunde, geologie

geometry = geometrie, meetkunde

Georgia = Georgië, Groezië

Georgian = Georgisch, Georgiër, Groeziër

geranium = geranium, pelargonium

germ = microbe, kiem, oog, zaad, zaadkiem

German = Duits, Duits, Duitse taal, Duitse, Duitser, Germaan

German Federal Republic = Bondsrepubliek, Bondsrepubliek Duitsland

Germanic = Germaans

germanium = germanium

German language = Duits, Duitse taal

German measles = rodehond

German woman = Duitse

Germany = Duitsland

germinate = kiemen, ontkiemen

gesture = gebaren, gesticuleren, gebaar, geste

get = buit maken, behalen, verkrijgen, verwerven, aankomen, arriveren, aankomen, arriveren, bereiken, behalen, inhalen, reiken tot, treffen, deelachtig worden, krijgen, verkrijgen, uitreiken, verschaffen, verstrekken, aanschaffen, doen, laten, laten doen, maken, halen, gaan halen, raken, worden, aanvatten, nemen, oprapen, pakken, vatten, aanschaffen, zich voorzien van, genieten, krijgen, ontvangen, toucheren, betrekken, halen, laten komen, ontbieden

get acquainted with = bekend raken met

get a divorce = scheiden, scheiden

get angry = in toorn ontsteken, boos worden, zich kwaad maken

get-at-able = aanspreekbaar

get blurred = aanslaan, beslaan

get bored = zich vervelen

get caught on = blijven haken, zich vastgrijpen, zich vastklampen

get cold = afkoelen

get covered with = beslaan, beslaan

get dim = beslaan, beslaan

get divorced = scheiden

get dressed = zich aankleden

get drunk = dronken worden

get finished = afkrijgen

get hungry = honger krijgen

get in = instappen, in een auto stappen, doordringen

get in a quarrel = ruzie krijgen

get into a car = instappen, in een auto stappen

get lost = teloorgaan, verloren gaan, wegraken, zoek raken

get married = in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen

get mouldy = schimmelen, beschimmelen, verschimmelen

get off = afdalen, naar beneden gaan, zinken

get off the subject = afdwalen, opzijgaan

get out = uitstappen, uitstappen

get out of a car = uitstappen

get out of a habit = afleren, afwennen, afleren, met een gewoonte breken

get over = troost vinden in

get ready = gereedkomen, klaarkomen

get rid of = afschaffen, elimineren, opdoeken, uitmaken, verwijderen, wegdoen, afwerpen, zich bevrijden van

get stronger = aansterken, op verhaal komen

get tired = vermoeid raken

get up = gaan staan, opstaan, opstaan, uit bed komen, opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen, gaan staan, opstaan, zich voordoen

get used = aarden, gewend raken, wennen

get well = beterschap

get wet = een nat pak krijgen, nat worden, zweten

Ghana = Ghana, Ghanees

Ghanaian = Ghanees

ghastly = afgrijselijk, afschuwelijk, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, doodsbleek, afgrijselijk, afschuwelijk, huiveringwekkend, luguber

Ghent = Gendt, Gent

gherkin = augurk

ghost = blinde, blinde bij kaarspel, geest, schim, spook

giant = reus, kerel, reus

gibberish = Bargoens

gibbon = gibbon

Gibraltar = Gibraltar

Gideon = Gideon

gift = cadeau, donatie, geschenk, gift, schenking, cadeau, gave, gift, geschenk

gifted = begaafd, geboren, talentvol, begaafd, talentvol

gigantic = gigantisch, reusachtig

Gilbert Islands = Gilbert Eilanden

gild = vergulden, vergulden

Gilgamesh = Gilgamesj

gill = kieuw

gin = jenever, klare

ginger = gember

giraffe = giraffe

gird = aangespen, gorden, aangorden, omgorden

girder = balk, onderlegger, ribbe

girdle = ceintuur, gordel, riem

girl = meid, meisje

giro payment slip = acceptgirokaart

gist = essence, essentie, kern, wezen, wezenheid

give = cadeau geven, schenken, geven, aangeven, opbrengen, toebrengen, toekennen, verlenen, aanbieden, indienen, presenteren, spelen, vertonen, voorstellen

give an account = aanbrengen, melden, overbrengen, verslaan, verslag uitbrengen

give an airing = luchten, spuien, uitluchten, ventileren

give a repeat order for = nabestellen

give a ring = bellen, aanbellen, luiden, schellen, aanbellen

give as an excuse = doen alsof, voorgeven, voorwenden

give a ticket = bekeuren, notuleren, verbaliseren

give back = hergeven, reproduceren, teruggeven, vergelden, weergeven

give birth = bevallen, ter wereld brengen

give birth to = baren, bevallen, het leven schenken, teweegbrengen, voortbrengen

give in = afstaan, het veld ruimen, toegeven, wijken, zwichten

give notice = aandienen, aankondigen, adverteren, melden, verkondigen

give off an odour = geuren, rieken, ruiken

give offence = aanstoot geven

give pain to = bedroeven, grieven, smarten

give rise to = aandoen, aanrichten, stichten, teweegbrengen, veroorzaken

give tongue = aanslaan, beginnen te blaffen

give up = afstaan, het veld ruimen, toegeven, wijken, zwichten, afstand doen van, opgeven, uitvallen

give utterance to = ontlokken, slaken, uitbrengen, uithalen, uitdrijven, uiten

give way = afstaan, het veld ruimen, toegeven, wijken, zwichten

glacier = gletsjer

glad = blij, verblijd, verheugd

gladiolus = gladiool, zwaardlelie

gladness = blijdschap, blijdschap, blijheid, verheugenis, verheuging, vreugde

glamor = autoriteit, gezag, prestige

glamour = autoriteit, gezag, prestige

glamourous = prestigieus

glance = een blik werpen, een blik werpen op

glass = glas, drinkglas, glazen, glas

glasses = bril

glassy = glasachtig, glazig

glaze = glanzen, glazuren, verglazen, glazuur

glide = een glijvlucht maken, zweefvliegen, glibberen, glijden, glippen, schuiven, uitglijden

glider = zeilvliegtuig, zweefvliegtuig, zweeftoestel

globe = bal, bol, kloot, kogel, aardbol, globe, wereldbol

globe-flower = kogelbloem

globe-trotter = wereldreiziger

gloomy = naargeestig, somber, troosteloos

glorify = loven, prijzen, roemen, verheerlijken

glorious = beroemd, glorierijk, glorieus, roemrijk, roemruchtig, roemvol

glory = glorie, lof, roem, beroemdheid

gloss = glans, schijn, schittering, pracht, glosse, kanttekening

glossary = glossarium, terminologie, vakwoordenboek, vakwoordenlijst

glove = handschoen

glow = blaken, gloeien, in gloed staan, gloed, vuur

glow in the dark = fosforesceren

glow with heat = blaken, gloeien, in gloed staan

glue = kit, kleefmiddel, kleefstof, lijm, lijmen, hechten, plakken, lijm

gnash = knarsen, piepen

gnat = mug, steekmug

gnat-bite = muggebeet

gnaw = knagen, knagen

gnaw off = afkluiven, knabbelen

gnome = aardmannetje, gnoom

gnu = gnoe, wildebeest

go = gaan, lopen, van stapel lopen, verlopen, zich begeven, gaan, karren, rijden, varen, gaan, zullen

goal = doel, doelstelling, doelwit, honk, wit, doel, goal

go around = omgaan, rondgaan

go astray = afdwalen, opzijgaan, dwalen, afdwalen, van de weg afwijken, verdwalen, afdwalen, opzijgaan, afdwalen

goat = geit, bok, sik

go away = afgaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen

go back = achteruitgaan, verslechteren, achteruitgaan, achteruitgaan, terugdeinzen, teruggaan, teruggaan, terugkeren, teruglopen, terugtrekken, weer gaan

go backwards = achteruitgaan, achteruitgaan, terugdeinzen, teruggaan

go bad = bederven

go beyond = overgaan, overlopen, oversteken, overgaan, oversteken, te boven gaan

goblet = beker, kelk, bloemkelk, miskelk, beker, bokaal, cup, drinkbeker

goblin = aardmannetje, gnoom, aardmannetje, kabouter, kobold

go broke = bankroet gaan, failliet gaan, failleren, mislukken

go by = afgaan op

go crazy = dol worden, gek worden

god = god, godheid

godfather = naamgever, peet, peetoom, peetvader, peter

go down = afdalen, naar beneden gaan, dalen, zakken, verzakken, wegzakken, zinken, afslaan, dalen, teruglopen, afdalen, naar beneden gaan, zinken, ondergaan, afvaren

go downhill = aftakelen, gebrekkig worden, in verval raken, vervallen

God's acre = begraafplaats, kerkhof

go fast = haast maken, spoed maken, voortmaken, zich haasten, zich spoeden

go for a walk = aan de wandel zijn, lopen, tippelen, wandelen

go forward = voorwaarts gaan

Gog = Gog

go in = binnengaan, binnenlopen, ingaan

going down = achteruitgang, teruggang, verloop, vermindering

gold = gouden, gulden, goud

gold braid = gallon

Gold Coast = Goudkust, Goudkust

gold-coloured = goudkleurig

golden = gouden, gulden, goudblond, goudkleurig

golden eagle = steenarend

Golden Fleece = Gulden Vlies

goldenrod = guldenroede

golden yellow = goudgeel

goldfinch = distelvink, putter

goldfish = goudvis

gold-mine = goudmijn

goldsmith = goudsmid

golf = golf, golfspel, bocht, boezem, golf, golfspel, inham, zeeboezem, golf, golfspel

Golgotha = Golgotha, Golgotha

Goliath = Goliath

gonorrhea = gonorroe

good = goed, okee, goed, welzijn

good afternoon = goedemiddag, goeiemiddag

good breeding = beschaafdheid, welgemanierdheid

goodbye = adieu, vaarwel, afscheid, vaarwel, dag, tot ziens, tot weerziens

good-bye = afscheid, vaarwel

goodbye- = afscheids-

good day = dag, goedendag, goeiendag

good evening = goedenavond, goeienavond

good-for-nothing = nutteloos, onbruikbaar, deugniet, nietsnut, rabauw, rekel

Good Friday = Goede Vrijdag

good health = op uw gezondheid, proost, prosit, santé

good-hearted = goedaardig, goedaardig, goedhartig, goedig, coulant, goedig, handelbaar, toegevend

good-looking = goeduitziend

good luck = veel geluk, veel geluk

good morning = goedemorgen, goeiemorgen

good-natured = aardig, lief, voorkomend, vriendelijk, zoet

goodness = goedheid

good night = goedenacht, goeienacht, welterusten

goods = colli, goederen, colli, colli's, goederen, waren

good-smelling = geurig, welriekend

good taste = smaak, goede smaak

go off = aftakelen, gebrekkig worden, in verval raken, vervallen, afgaan

go on = doorgaan, verder gaan met, vervolgen, voortgaan, voortzetten

go on foot = gaan, lopen, te voet gaan

go on pension = met pensioen gaan

go on pilgrimage = een pelgrimstocht maken

go on the blink = haperen, stuk gaan, uitvallen

goose = gans

gooseberry = klapbes, kruisbes

go out = uitgaan, uitkomen, uitlopen, uitstappen, uitstijgen, uittreden

Gordian = Gordiaans

gorge = bergkloof

gorilla = gorilla

gospel = evangelie

gossip = kletsen, kwaadspreken, klets, kletspraat, prietpraat

go straight to = afgaan op

Goth = Goot

Gothenburg = Gotenburg

Gothic = gotisch, Gotisch

go through = beleven, doormaken, ervaren, ondervinden, afleggen, aflopen, doorgaan, gaan door, beleven

go to bed = gaan slapen, naar bed gaan, zich ter ruste begeven

go to court = procederen

go to sleep = gaan slapen

go to the cinema = naar de film gaan

go to the movies = naar de film gaan

goulash = goulash

go under = onder ... doorgaan

go up = naar boven gaan, opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen, oplopen, rijzen, stijgen, klimmen, naar boven gaan, rijzen, stijgen, bestijgen

gourd = kalebas, pompoen

gout = jicht, podagra

govern = aanvoeren, besturen, regeren, besturen, de scepter zwaaien, heersen, regeren

governess = gouvernante, huisonderwijzeres

government = gouvernement, overheid, regering

government inspector = inspecteur, revisor

governor = bestuurder, gouverneur

go with = meegaan

gown = japon, jurk, toga

grab = bemachtigen, grijpen, aangrijpen, vastgrijpen

grace = sierlijkheid, bevalligheid, gratie, genade

graceful = bevallig, gracieus, sierlijk

gracefulness = sierlijkheid, bevalligheid, gratie

grade = graad, mate, trap, aantekening, nota, notitie, noot, muzieknoot, graad, rang, stand, status

gradual = geleidelijk

gradually = geleidelijk, langzamerhand, zoetjes aan, geleidelijk

graduate = afgestudeerd, gediplomeerd, afstuderen, een diploma halen, een diploma behalen

Grail = Graal

Grail Knight = Graalridder

grain = korrel, pit, zaadkorrel, graan, koren, aderen, marmeren

Grain Coast = Peperkust

grain of salt = zoutkorrel

grain of sand = zandkorrel

gram = gram

grammar = grammatica, spraakkunst, spraakleer

grammar school = basisschool, lagere school

gramme = gram

Grammont = Geraardsbergen

grammophone disc = plaat, grammofoonplaat

grand = grandioos, groots, overweldigend, verheven

grandchild = kleinkind

granddad = opa

granddaughter = kleindochter

grandfather = grootvader, opa

grandiose = grandioos, groots, overweldigend, verheven

grandmother = grootmoeder, oma

grand-nephew = achterneef

grand-niece = achternicht

grandparent = grootouder

grandparents = grootouders

grandson = kleinzoon

granite = granieten, graniet

granny = grootje, oma

grant = toegeven

granule = korrel, pit, zaadkorrel

grape = druif

grapefruit = grapefruit, pompelmoes, grapefruit, pompelmoes

grapevine = wijnstok, wingerd

graphic = aanschouwelijk

graphic arts = grafiek, grafische kunst

graphics = grafiek, grafische kunst

grapple = beetnemen, pakken, beetpakken, beetkrijgen, beetnemen, pakken, vangen, vastpakken, vatten

grasp = bemachtigen, grijpen, aangrijpen, vastgrijpen, beetpakken, grijpen, greep, greep, inname, slag, vat

grass = gras, gras, kruid, gras

grass green = grasgroen

grasshopper = sprinkhaan, sprinkhaan

grate = knarsen, piepen, knarsen, knersen, kraken, krassen, afrastering, hek, rooster, traliehek, raspen

grateful for = dankbaar voor, dankbaar voor

grating = geknars, gekras, geknars

gratis = ten geschenke, gratis, om niet, pro Deo

gratitude = dankbaarheid, erkentelijkheid, dankbaarheid, dank, dankzegging

grave = angstig, bang, bedenkelijk, zorgbarend, zorgwekkend, graf, groeve

gravel = gravel, grind, gruis, steengruis, keisteen, kiezel, kiezelsteen, vuursteen

grave-mound = grafheuvel

graveyard = begraafplaats, kerkhof

gravity = zwaartekracht

gravy = jus, saus, sop

graze = grazen, weiden, afgrazen

grease = invetten, vet

greasy = dik, vet, vettig

great = excellent, kostelijk, tiptop, tof, uitmuntend, voortreffelijk, groot, fantastisch

great-aunt = oudtante

Great Bear Lake = Groot Berenmeer

Great Britain = Brittannië, Groot-Brittannië

Greater Antilles = Grote Antillen

greater celandine = schelkruid, stinkende gouwe

greater-than sign = groter-danteken

greatgrand- = achterklein-, oer-

greatgrandchild = achterkleinkind, achterachterkleinkind

greatgranddaughter = achterkleindochter

great-grandfather = overgrootvader

great-grandmother = overgrootmoeder

greatgrandson = achterkleinzoon

Great Slave Lake = Groot Slavenmeer

great-uncle = oudoom

grebe = aalduiker, fuut, aalduiker, fuut

Greece = Griekenland

greediness = begeerte, begerigheid, graagte, begeerte, begerigheid

greedy = begerig, belust, gretig, happig, verlekkerd

Greek = Grieks, Griek, Griek, Helleen

Greek woman = Griekse

green = groen, groen

Greenland = Groenland, Groenland, Groenlands

Greenlander = Groenlander

Greenland Sea = Groenlandzee

greenweed = brem

greet = groeten, begroeten

greeting = begroeting, verwelkoming, welkomstgroet, begroeting, groet, saluut

grenade = granaat

Grendel = Grendel

grey = grauw, grijs, grijs

greyhound = hazewind, windhond, hazewindhond

grid = hekje, kruis, afrastering, hek, rooster, traliehek

grief = bedroefdheid, mistroostigheid, somberheid, leed, smart, verdriet, zorg

grieve = bedroeven, beproeven, verdriet doen, verdrieten, bedroeven, droevig stemmen, verdrieten, bedroeven, ergeren, grieven, verdriet doen, verdrieten

grill = afrastering, hek, rooster, traliehek

grim = grimmig

grimace = gezichten trekken, grijnzen, grijns, grimas

grind = knarsen, piepen, kwellen, malen, vermalen

grind out = afdraaien, opdreunen, <zeurderig herhalen>

grip = bemachtigen, grijpen, aangrijpen, vastgrijpen, griep, influenza

gripped = geboeid, gefascineerd, belangstellend, geïnteresseerd

grisly = eng, griezelig, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, griezelig, ijzingwekkend

grit = gravel, grind, gruis, steengruis

groan = kermen, kreunen, stenen, steunen, kermen, zuchten

grocer = kruidenier

groin = lies

groom = groom, piccolo, stalknecht, paardeknecht, rijknecht, stalknecht

grope = tasten, betasten, voelen, bevoelen, aftasten

groschen = groschen

grotesque = grillig, grotesk, potsierlijk

grotto = grot

ground = bodem, grond, achtergrond, ondergrond, aarde, bodem, fond, grond, ondergrond, voedingsbodem, baseren, terrein, aarden, met de aarde verbinden

ground-floor = benedenverdieping, parterre

ground floor = bel-etage, eerste etage, eerste verdieping, begane grond, bel-etage, eerste verdieping

ground frost = nachtvorst

grounding = aarding, aardleiding

ground ivy = hondsdraf

groundless = ongegrond

ground level = begane grond

ground-nut = aardnoot, apenoot, pinda

grounds = terrein

ground wire = aarding, aardleiding

group = are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, drift, groep, hoop, kudde, schare, school, set, stel, troep, zwerm, groep, groepering

group member = groepslid

grouser = brombeer, kniesoor, mopperaar, mopperpot

grow = gebeuren, toegaan, voortgang hebben, worden, raken, worden, gedijen, groeien, toenemen, wassen, aanwassen, bebouwen, beschaven, kweken, aankweken, telen, verbouwen, groeien, aangroeien, stijgen, toenemen

growl = kankeren, mopperen, morren, sputteren

grow more beautiful = mooier worden, opknappen

grown over = begroeid

grown-up = meerderjarig, mondig, volwassene

grow sour = verzuren, zuur worden

grow stronger = aansterken, op verhaal komen

growth = groei, ontwikkeling, wasdom, aanwas, gestalte, groei, aangroei, ontwikkeling, toename, groei, plantengroei, groei

grub = delven, opduikelen, opgraven, rooien, uitgraven, winnen, graven, spitten, woelen, larve

grudge = wrok, haatdragendheid, wrok, haatdragendheid, rancune, wraakgierigheid, wraakzucht, wrok

gruel = brij, moes, pap

gruesome = afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, eng, griezelig, ijselijk, schrikaanjagend, verschrikkelijk, vervaarlijk, vreselijk, huiveringwekkend, luguber, griezelig, ijzingwekkend

gruff = bars, honds, nors, nurks, onaardig, onvriendelijk, stuurs, zuur

grumble = kankeren, mopperen, morren, sputteren

grumbler = brombeer, kniesoor, mopperaar, mopperpot

guarantee = aval, wisselborgtocht, borg staan voor, garanderen, sponsoren, waarborgen, garantie, waarborg, waarborging

guarantee of a bill = aval, wisselborgtocht

guard = behoeden, bewaren voor, bewaken, bewaren, de wacht hebben, hoeden, waken over, bewaarder, bewaker, hoeder, wacht, wachter, bewaking, hoede, garde, wacht, lijfwacht, conducteur, conductor

guardian angel = beschermengel, schutsengel, beschermengel, genius

Guatemala = Guatemala

Guatemalan = Guatemalteeks, Guatemalteek

Guelderland = Gelderland, Gelderland, Gelderland

guelder rose = sneeuwbal

Guelders = Gelderland, Gelderland, Gelderland, Gelders

guess = doorzien, gissen, raden, gissing, aannemen, menen, stellen, vermoeden, veronderstellen

guesswork = gissing

guest = gast, introducé, logé

guide = besturen, dirigeren, mennen, richten, de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden, gids, gids, gidsboek, reisgids, vademecum, leiding, besturen, brengen, leiden, geleiden, voeren

guidebook = gids, gidsboek, leidraad, richtsnoer, gids, gidsboek, reisgids, vademecum

guilder = gulden

guile = arglist, boosaardigheid

guileless = argeloos

guilt = schuld

guiltless = onbedorven, onnozel, onschuldig, schuldeloos

guilty = schuldig

Guinea = Guinea, Guinee, Guinees

guinea-pig = cavia, Guinees biggetje, cavia, Guinees biggetje

guitar = gitaar

gulden = gulden

gulf = afgrond, bocht, boezem, golf, golfspel, inham, zeeboezem, bocht, boezem, golf, inham, zeeboezem, afgrond

Gulf of Aden = Golf van Aden

Gulf of Bothnia = Botnische Golf

Gulf of California = Golf van Californië

Gulf of Finland = Finse Golf

Gulf of Genoa = Golf van Genua

Gulf of Mexico = Golf van Mexico

Gulf of Oman = Golf van Oman

Gulf of Panama = Golf van Panama

Gulf of Valencia = Golf van Valencia

Gulf of Venezuela = Golf van Venezuela

gully = bergkloof

gulp down = opslokken, verzwelgen

gum = tandvlees, tandvlees, gom, gummi

gun = geweer, roer, geweer, roer, schietwapen, vuurwapen

gun-carriage = affuit

gunner = artillerist, artillerist

gunpowder = kruit, buskruit

gunsight = richtmiddel, vizier, zoeker

gurgle = murmelen, <murmelen (v. beekje>), kabbelen, klateren, murmelen

gush = opspatten, stuiven, verspuiten

gusto = animo, bedrijvigheid, drukte, opgewektheid, tierigheid, vertier

guy = kerel, knul, persoon, snuiter, sujet, vent

Guyana = Guyana, Guyana

gymnastics = gymnastiek

gypsum = gips

gypsy = zigeuner

gyroscope = gyroscoop

habit = aanwensel, hebbelijkheid, gebruik, gewoonte, usance

habitation = bewoning

hack = hakken, houwen, kappen

hackneyed = afgezaagd, afgezaagd

haddock = schelvis

Hades = Hades

haemorhoids = aambeien

haemorrhoid = aambei

hafnium = hafnium

haggle = afdingen, marchanderen, pingelen

Hague = Haags

hail = hagel

hail from = afkomstig zijn van, stammen uit, stammen van

hailstone = hagelkorrel, hagelsteen

hair = beharing, haar, haardos, haar, haar, haren

hair-do = knipbeurt

hairdresser = kapster, kapper

hair of the head = haar, haardos, hoofdhaar

hairpiece = pruik

hair ribbon = haarband

hairs = haar, haren

hair-splitter = haarklover, muggezifter, haarklover, muggezifter, pietlut, vitter, woordenzifter

hair-splitting = haarkloverij, muggezifterij, gevit, haarkloverij, muggezifterij, vitterij

hairy = behaard, harig, ruig, ruigharig

Haiti = Haïti, Haïti

halberd = hellebaard

halcyon = ijsvogel, ijsvogel

half = half, helft

half-brother = halfbroer, stiefbroer

half-sister = halfzuster

half-tone = cliché, negatief

halibut = heilbot

haliotis = haliotis

hall = hal

halo = aureool, heiligenkrans, nimbus, stralenkrans, difussiehalo, kring, <ring om zon of maan>, nimbus, stralenkrans

halt = afslaan, blijven staan, halthouden, stilhouden, stilstaan, stoppen, aanhouden, keren, stilleggen, stilzetten, stoppen, stuiten

halyard = hijskraan

ham = ham

Hamburg = Hamburg

hamburger = hamburger

hamburger meat = gehakt

hamlet = buurtschap, gehucht, vlek

hammer = hameren, hamer

hammering = gehamer

hammock = hangmat

hamper = bemoeilijken, belemmeren, obstructie voeren, opstoppen, verstoppen

hand = aanreiken, overhandigen, ter hand stellen, arbeider, werker, werkman, werkkracht, arbeider, werkman, werkmier, hand, aangeven, aanreiken, afdragen, overbrengen, overgeven, toereiken

hand-bag = reticule, tasje, handtasje, tas, handtas

handbook = gids, gidsboek, reisgids, vademecum

handful = handjevol, handvol

handicap = belemmering, hindernis, hinderpaal

handicraft = ambacht, beroep, handwerk, vak

handiwork = handwerk

handkerchief = zakdoek

handle = handvat, hengsel, klink, kruk, oor, peuteren, pulken, vingeren, hanteren, manipuleren, omgaan met, gevest, handvat, hals, heft, knop, steel, behandelen, onderhandelen

handlebars = roer, stuur

hand over = aanreiken, overhandigen, ter hand stellen, aangeven, aanreiken, afdragen, overbrengen, overgeven, toereiken

handshake = hand, handdruk

handsome = fijn, fraai, mooi, knap, net, schoon

handy = doelmatig, gemakkelijk, geschikt, gepast, passend

hang = hangen, hangen, ophangen, opknopen, ophangen

hang down = afhangen

hang-glider = hang-glider

hanging lamp = hanglamp

hangings = behang

hangman = beul

hang onto = houden, bijhouden, vasthouden

Hannibal = Hannibal

Hanoi = Hanoi

Hanover = Hannover

Hanse = Hanze

Hanseatic League = Hanze

happen = gebeuren, toegaan, voortgang hebben, worden, aan de hand zijn, gebeuren, geschieden, voorkomen, voorvallen

happiness = geluk, geluk

happy = gelukkig, zegenrijk, blij, verblijd, verheugd

harass = bestoken

harbour = haven

hard = hard, moeilijk, lastig, slim, zwaar, hard, onzacht, stug, inspannend, zwaar

harden = harden, stalen, temperen

hardly = amper, kwalijk, nauwelijks, ternauwernood, lastig, moeilijk, zwaar

hardness = hardheid, stugheid

hard-worked = afgezaagd

hardworking = ijverig, naarstig, nijver, vlijtig, arbeidzaam, ijverig, nijver, vlijtig, werkzaam

hardy = aanbeeldbeitel

hare = haas

harem = harem

haricot = boon, prinsesseboon, snijboon, sperzieboon

harm = benadelen, benadelen, duperen, kwetsen, letsel toebrengen, kwetsuur, letsel, benadelen, deren, schaden, afbreuk, nadeel, schade

harmful = nadelig, schadelijk, schadelijk

harmonica = accordeon, harmonica

harmonious = eendrachtig, harmonisch

harmonize = bijeenpassen, harmoniëren, samenklinken

harmony = eendracht, harmonie, samenklank

harness = span, spannen, bespannen, inspannen, tuigen, optuigen, voorspannen, gareel, tuig

harp = harp

harpy = harpij, Zuidamerikaanse arend

harrier = kiekendief, kerk, kiekendief, kiekendief

harrow = eggen

harry = afstropen, uitschudden

harsh = doordringend, schel, scherp, adstringerend, samentrekkend, wrang, wrang, beestachtig, bruut, dierlijk, ruw, bars, honds, nors, nurks, onaardig, onvriendelijk, stuurs, zuur, grof, hardhandig, lomp, onkies, ruw

harshness = hardheid, hardvochtigheid

harvest = oogst, oogsten, oogst, opbrengst

hash = hekje, kruis

hashish = hasj, hasjiesj

haste = haast, haastigheid, ijl, gejakker, haast, haastigheid

hastily = gehaast, haastig, inderhaast

hat = hoed

hatch = arceren, schaduwen, arceren, schaduwen

hatch out = uitbroeden

hate = haten, haat

hated = gehaat

haul = trekken

haunt = spoken, kwellen, vervolgen

Havana = Havanna

have = hebben, erop nahouden, genieten, krijgen, ontvangen, toucheren

have a bath = baden, een bad nemen

have a fever = koorts hebben

have a good time = zich amuseren, zich vermaken, zich vermeien

have an accident = een ongeluk krijgen

have an erection = een erectie krijgen

have an interest in = belang hebben bij

have a subscription = abonnee zijn, abonnee zijn van, geabonneerd zijn

have a tendency = neigen

have at one's disposal = beschikken over, disponeren

have bad luck = pech hebben, pech hebben, wanboffen

have compassion on = beklagen, medelijden hebben, medelijden hebben met

have confidence in = vertrouwen, toevertrouwen, vertrouwen hebben in

have diarrhoea = diarree hebben

have effect = effect sorteren, uitwerking hebben, werken, uitwerken

have enough = genoeg hebben, vol zitten

have faith = fiducie hebben in, vertrouwen, vertrouwen stellen in

have faith in = fiducie hebben in, vertrouwen, vertrouwen stellen in, vertrouwen op

have good luck = boffen, geluk hebben, het treffen, zwijnen

have got = hebben, erop nahouden

have got hold of = beethebben

have the right to = het recht hebben, mogen

have to = horen, behoren, dienen, moeten, zullen

Hawaii = Hawaii

Hawaiian = Hawaiiaans

hawk = havik

hawk's-beard = streepzaad

hawkweed = havikskruid

hay = hooi

haystack = hooiberg, hooimijt, opper

hazard = toeval, toevalligheid, kans lopen, op het spel zetten, risico lopen, riskeren, wagen, gewaagdheid, risico, waag, waagstuk

hazardous = bedenkelijk, gewaagd, riskant, waaghalzerig

haze = bedillen, haarkloven, het lastig maken, muggeziften, vitten

hazel = hazelaar, hazelaar

hazelnut = hazelnoot

hazel-tree = hazelaar, hazelaar

H-bomb = H-bom, waterstofbom

he = 'ie, 'm, hem, hij

head = de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden, hoofd, kop, krop, hoofd, kop, krop, kop, beeldenaar

headache = hoofdpijn

header = hoofd, rubriek

head for = aansturen op

heading = graad, kop, onderschrift, titel

headlamp = koplamp

headlight = koplamp, lichtbak, reflector

headmaster = hoofd der school, hoofdonderwijzer, schoolhoofd

head of a department = afdelingschef

head of a school = hoofd der school, hoofdonderwijzer, schoolhoofd

head of cattle = beest, bruut, stuk vee

head of department = afdelingschef

head of state = staatshoofd, staatshoofd

headquarters = hoofdkwartier

head up = aanvoeren, besturen, regeren

heal = beter maken, genezen, helen, genezen

health = gezondheid

health resort = kuuroord

healthy = fit, gezond, valide

heap = accumuleren, ophopen, opeenhopen, opeenhopen, ophopen, stapelen, opstapelen, opeenstapelen, tassen, boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep, are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, drift, groep, hoop, kudde, schare, school, set, stel, troep, zwerm, hoop, opper, hooiopper, schelf, stapel

hear = horen, vernemen, verstaan, horen, vernemen

hearing = gehoor, gehoor

hearing aid = gehoorapparaat, gehoorapparaat

hearsay = faam, befaamdheid, gerucht, mare, reputatie, roem, roep

heart = hart

heart- = hart-

heartburn = maagbrand, zuur, maagzuur, brandend maagzuur

hearth = haard, haardstede, open haard, stookplaats, vuurhaard, haardstede, schoorsteen, schouw, stookplaats

hearty = hartelijk, hart-, hartelijk, innig, hartelijk, innig, hartelijk

heat = gloed, vuur, stoken, verwarmen, bronst, geslachtsdrift, hitte, smoorhitte

heater = kachel, verwarming

heath = heide, heideveld, dophei, dopheide

heather = heide, struikheide

heating = verwarming

heaven = hemel, lucht

heavenly = hemel-, hemels, hemels

heavenly body = hemellichaam, ster

heavy = drukkend, zwaar

Hebrew = Hebreeuws, joods, Hebreeuws, Hebreeuwse taal, Hebreeër, jood

Hebrew language = Hebreeuws, Hebreeuwse taal

Hebrides = Hebriden

Hecate = Hecate

hectolitre = hectoliter, mud

hectometre = hectometer

Hector = Hector

hedge = haag, heg, steg, haag, heg

hedge clippers = heggeschaar

hedge shears = heggeschaar

hedge-sparrow = bastaardnachtegaal

hedonism = genotzucht

heel = hiel, hak

he-goat = bok, geitebok

height = hoogte, hoogte, stand

heighten = aandikken, verergeren

height of the barometer = barometerstand

heir = erfgenaam, legataris

Helen = Helena

helium = helium

helix = propeller, schroef, schroefdraad, vliegtuigschroef

hell = hel, hel

Hellas = Hellas

hellebore = nieskruid

Hellenian = Helleens

Hellenic = Helleens

hello = hallo, dag, gegroet, hallo, hoi

helm = roer, stuur

helmet = helm

help = assistentie, hulpbetoon, assisteren, bijstaan, helpen, ter zijde staan, assistentie, bijstand, hulp, baten, bijstaan, helpen, ter zijde staan, assistentie, bijstand, heul, hulp, toedoen, toeverlaat

help down = afhelpen

helper = assistent, famulus, helper, hulp, assistent, helper, hulp

helpful = behulpzaam, hulpvaardig

helpfulness = behulpzaamheid, hulpvaardigheid

helpless = hulpeloos, waar niet aan te doen valt

help off = afhelpen

Helsinki = Helsinki

Helvetia = Helvetië

Helvetian = Helvetiër

hemisphere = halfrond, hemisfeer

hemlock = dolle kervel

hemorrhoid = aambei

hemp = hennep

hemp-nettle = hennepnetel

hen = kip, kippevlees

hence = hiervandaan, vanhier, hiervandaan, van hier

Henegovia = Henegouwen

hen's egg = kippeëi

hepatica = leverbloempje

hepatitis = hepatitis

her = aan haar, aan 'r, aan d'r, haar, 'r, d'r, naar haar, naar d'r, haar, hun, zijn, 'r, d'r, haar, ze, zij, haar, 'r, d'r, haar

Hera = Hera

Heracles = Hercules

herald = uitbazuinen, heraut, voorbode

heraldry = heraldiek, wapenkunde

herb = gras, kruid, kruid

Hercules = Hercules

herd = are, bende, drift, hoop, groep, kudde, schare, school, troep, zwerm, drift, groep, hoop, kudde, schare, school, set, stel, troep, zwerm, kudde, roedel

here = hier, hierheen, hier, alhier, hierzo

hereafter = hiernamaals

here and there = hier en daar

here are = alsjeblieft, alstublieft, hier, hierzo, kijk, ziedaar, ziezo

hereditary = erfelijk, overerfelijk

heredity = erfelijkheid, overerfelijkheid

here is = alsjeblieft, alstublieft, hier, hierzo, kijk, ziedaar, ziezo

heresy = ketterij

heretic = ketter

heretical = ketters

herewith = hierbij

Hermes = Hermes

hermit = heremiet, kluizenaar

hero = held, heros

heroic = heldhaftig, heroïsch

heroin = heroïne, heldin, heroïne, heroïne

heroine = heldin, heroïne, heldin

heroism = heldenmoed, heldhaftigheid

heron = reiger

herpes = herpes, herpes

herring = haring, zeebanket

hers = de hare, het hare

herself = zelf, vanzelf, zelve

hesitant = aarzelend, aarzelend

hesitate = aarzelen, dubben, schoorvoeten, schromen, weifelen, waggelen, wankelen, wiebelen, zwichten

hesitation = aarzeling, geweifel, hapering, weifeling, aarzeling, schroom, weifeling

Hesperus = Hesperus

Hestia = Hestia

hexadecimal = hexadecimaal, zestientallig

hexagon = zeshoek

hey = hallo, hee, hee daar, zeg, hola

hibiscus = hibiscus

hiccup = hikken, hik, snik

hidden = clandestien, verborgen, verdekt, verkapt, verscholen, verstopt

hide = huid, pels, vacht, vel, dierevel, ontveinzen, verbergen, verhelen, verschuilen, verstoppen, onderduiken, zich schuilhouden, zich verbergen

hide-and-seek = verstoppertje

hide oneself = onderduiken, zich schuilhouden, zich verbergen

hideous = afgrijselijk, afschuwelijk, afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, afgrijselijk, afschuwelijk

high = hoog, verheven, high

high-flown = buitenissig, buitensporig, extravagant

high-handedness = aanmatiging, onbescheidenheid

Highlander = Hooglander

high school = gymnasium

high society = de hogere standen

high tide = toeloop, vloed, toevloed, hoog water, vloed, vloed

highway = grote weg, verkeersweg, eenbaansweg, heerbaan, rijweg, straatweg

hill = aanaarden, heuvel, aanaarden

hillside = glooiing, helling, schuinte, heuvelhelling

hill up = aanaarden, aanaarden

him = aan 'm, aan hem, 'm, hem, naar 'm, naar hem, 'ie, 'm, hem, hij, 'm, hem

Himalayas = Himalaya

himself = zelf, vanzelf, zelve

hind = hinde, achterste, achterste, later, volgend

hind axle = achteras

hinder = bemoeilijken, belemmeren, beletten, doorkruisen, storen, stremmen, verhinderen, belemmeren, obstructie voeren, opstoppen, verstoppen, belemmeren, hinderen, storen, verstoren

hindmost = achterste, achterste, later, volgend

hind part = achtereind

hindrance = belemmering, belet, beletsel, stoornis, storing, verhindering

Hindu = hindoeïstisch, hindoe

hind wheel = achterwiel

hinge = scharnier

hinny = muilezel, muilezel

hint = zinspelen, tip

hinterland = achterland, achterland

hip = heup

hippo = nijlpaard

Hippocrates = Hippocrates

hippopotamus = nijlpaard

hire = aannemen, aanwerven, huren, in dienst nemen, tewerkstellen, charteren, huren, afhuren, huur

hired house = huurhuis

hired out = verhuurd

hirsute = behaard

his = de zijne, het zijne, zijn, haar, hun, zijn

Hispaniola = Hispaniola

hiss = fluiten, sissen

historian = chroniqueur, kroniekschrijver

history = geschiedenis, historie, verhaal

hit = houwen, klappen, kloppen, slaan, klappen, kloppen, slaan, opvallen, bestseller, furore, halen, inslaan, raken, teisteren, treffen

hitch on = enteren, haken, aanhaken, vasthaken

hither = hier, hierheen

hoar = berijpt, met rijp bedekt

hoarse = hees, rauw, schor

hoax = bedotten, beduvelen, beetnemen, om de tuin leiden

hobby = hobby, hobby, liefhebberij

hock = Rijnwijn

hockey = hockey, hockey

hod = mortelbak

hoe = schoffel

hog = varken, zwijn

hogweed = bereklauw

hoist = hijsen, ophijsen, ophijsen

hoist up = hijsen, ophijsen, ophijsen

hold = aanhouden, ruim, scheepsruim, houden, bijhouden, vasthouden

hold against = aanrekenen, toedichten, toeschrijven, toerekenen, wijten

hold a post-mortem = nakaarten

hold back = achterhouden, detineren, ophouden, reserveren, terughouden, weerhouden

holder = foedraal, houder, schede

hold responsible = aansprakelijk stellen, verantwoordelijk stellen

hole = gracht, greppel, groef, groeve, kuil, sloot, gat, oog

holiday = rustdag, snipperdag, vakantiedag, vrije dag

holiness = heiligheid

Holland = Holland, Nederland

Hollander = Hollander

hollow = diepliggend, hol, hol, ingevallen, hol, hol, hol

hollow-eyed = hologig

holly = hulst

holmium = holmium

holy = gewijd, heilig, geheiligd, sacraal

holy object = heilig object

homage = eed van trouw, eerbetoon, hulde, huldebetoon, huldeblijk

home = huiswaarts, naar huis, tehuis, thuis

Homer = Homerus

homesickness = heimwee

homy = gezellig, huiselijk

Honduran = Hondurees, Hondurees

Honduran woman = Hondurese

Honduras = Honduras

honest = degelijk, eerlijk, eerzaam, fatsoenlijk, net

honey = honing

honeycomb = honingraat

honeymoon = huwelijksweken

honeysuckle = kamperfoelie

Hongkong = Hongkong, Hong Kong

Honolulu = Honoloeloe

honor = eren, huldigen, vereren, eer, eerbewijs, hulde

honorary = eervol, ere-, honorair, vererend, ere-, weledel, weledelgeboren, weledelgeleerd

honour = eren, huldigen, vereren, eer, eerbewijs, hulde

hood = apache, straatschuimer, afzuigkap, kapotjas, motorkap, wagenkap, capuchon, huik, kap, mantelkap, schuifdak, bedekking, deksel, kaft, omslag

hoodlum = gangster

hoof = hoef

hook = agrafe, haakje, slot, spang, angel, vishaak, haakvormig, krom, haak, haken, haak

hooker = hoer, lichtekooi, prostituée, publieke vrouw, snol, termeier, prostituée, snol

Hook of Holland = Hoek van Holland

hook on = enteren, haken, aanhaken, vasthaken

hooks and eyes = haaksluiting

hoop = hoepel

hoopoo = hop

hoot after = najouwen

hooter = claxon, kuif, toeter, claxon, hoorn, toeter, claxon, hoorn, toeter

hop = hinkelen, hop, <hop (plant>), huppelen

hope = hopen, hoop, uitzicht, verwachting

hope for = ambiëren, dingen naar, najagen, nastreven, streven naar

hopefully = hopelijk

hops = hop, <hop (plant>)

horde = bende, horde

horizon = gezichtseinder, horizon, kim

horizontal = horizontaal, platliggend, waterpas

horn = claxon, hoorn, toeter, hoorn, claxon, hoorn, toeter

hornbeam = haagbeuk

horned viper = horenslang

hornet = horzel, schapenhorzel

horoscope = horoscoop

horrible = afgrijselijk, afschuwelijk, afschuwelijk, ijselijk, afgrijselijk, verfoeilijk, gruwelijk, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, afzichtelijk, foeilelijk, ijselijk, schrikaanjagend, verschrikkelijk, vervaarlijk, vreselijk, afgrijselijk, afschuwelijk, angstaanjagend, angstwekkend, beangstigend, vervaarlijk, huiveringwekkend, luguber

horror = gruwel, gruweldaad, verschrikking, afgrijzen, afschrik, afschuw, walging, weerzin, verschrikking, afgrijzen, afschuw, zielsangst

horse = paarde-, paarden-, paard, ros

horse- = paarde-, paarden-

horse-chestnut = kastanje, paardekastanje

horse-fly = brems, daas, paardehorzel

horsepower = paardekracht, paardekracht

horseradish = mierik, mierikswortel

horse-radish = mierik, mierikswortel

horseshoe = hoefijzer

horsewoman = amazone

Horus = Horus

hospitable = gastvrij, herbergzaam

hospital = gasthuis, hospitaal, ziekenhuis

hospitality = gastvrijheid, gastvrijheid

host = herbergier, logementhouder, waard, gastheer

hostage = garant, gijzelaar, gijzelaar

hostel = herberg, logement

hostess = waardin, gastvrouw

hostile = vijandelijk, vijandig

hot = gloeiend, heet, smoorheet, snikheet

hotchpotch = allegaartje

hotel = hotel

hot-headed = heethoofdig

hot season = hete seizoen

hour = uur

houri = hoeri, houri

hours' = -urig

hour's = -urig

house = geslacht, huis, pand, huis, pand

house- = huis-

house charge = bedieningsgeld

housed = behuisd, gehuisvest, wonend, woonachtig

housefly = vlieg

housekeeper = huishoudster

house of correction = bagno, tuchthuis

house of ill fame = bordeel, hoerenkast, huis van plezier

house of worship = bedehuis, kerk, kerkgebouw

house-owner = huiseigenaar

house to let = huurhuis

housewife = huisvrouw, vrouw des huizes

hovel = kavalje, kot, krot, rothuis

hover = zweven

how = hoe, op welke manier, op welke wijze, hoe, op welke manier, op welke wijze, als, hoe, op welke manier, op welke wijze, wat, zoals, hoe, op welke manier, op welke wijze, hoe, op welke manier, op welke wijze, wat

however = echter, maar, niettemin, toch

how far = hoever

howl = brullen, huilen, kreet, brullen, bulderen, daveren, loeien

how long = hoelang, hoelang, voor hoelang

how many = hoeveel, hoeveelste, hoeveel, hoeveel, hoeveel

how much = hoeveel, hoeveel, hoeveel, hoeveel

hub = bus, naaf, naaf

hub-cap = naafdop, wieldop

huddle = hokken, samenleven

Hudson Strait = Hudsonstraat, Straat Hudson, Hudsonstraat

hue = tint, nuance, nuancering, schakering

hug = knuffelen, omarmen, omhelzen, omvademen, omarmen, omklemmen, omknellen, omspannen, omvatten

huge = gigantisch, reusachtig, enorm, geweldig, gigantisch, geweldig, kolossaal, ontzaglijk, reusachtig

hull = bodem, casco, romp, scheepsromp

hum = brommen, gonzen, razen, snorren, suizelen, suizen, tuiten, zoemen

human = menselijk

human being = mens

humane = humaan, menselijk

humanist = humanist

human race = mensdom, mensheid

humble = deemoedig, nederig, onderdanig

humble oneself = zich vernederen

humid = vochtig

humiliating = beschamend, beschamend, vernederend

humility = deemoed, nederigheid, ootmoed

hummingbird = kolibrie

humor = humor

humour = gemoedsgesteldheid, humeur, humor, gemoedsgesteldheid, humeur, humor, humor

humourous = humoristisch

hump = bochel, bult

humus = humus, teelaarde

hunchback = bultenaar, gebochelde

hunch-backed = gebocheld, gebocheld

hundred = honderd

hundred thousand = honderdduizend

Hungarian = Hongaars, Hongaarse, Hongaar

Hungarian woman = Hongaarse

Hungary = Hongarije

hunger = honger

hungry = hongerig

hunt = jacht maken op, jagen, bejagen

hunt after = najagen, nastreven

hunter = jager

hunt for = najagen, nastreven, najagen

hurdy-gurdy = draaiorgel, pierement

hurray = hoera

hurricane = orkaan

hurried = gehaast, haastig

hurriedly = gehaast, haastig, inderhaast

hurry = haast maken, spoed maken, voortmaken, zich haasten, zich spoeden, dringen, haasten, jachten, tot haast aanzetten, urgent zijn, haast maken, zich haasten, haast maken, zich haasten

hurt = pijn doen, zeer doen, bezeren, pijn doen, pijn veroorzaken, benadelen, benadelen, duperen, kwetsen, wonden, verwonden

husband = echtgenoot, gemaal, man

husk = dop, schaal, schil, schors

husked rice = gepelde rijst

hustler = energiek iemand, energiek persoon

hut = hut, stulp

hyaena = hyena

hybrid = bastaard-, hybridisch

Hydra = Hydra

hydrogen bomb = H-bom, waterstofbom

hydrophobia = hondsdolheid, waterschuwheid, watervrees

hygiene = hygiëne

hygienic = hygiënisch, sanitair

hymn = hymne, kerkgezang

Hypnos = Hypnos

hypnosis = hypnose

hypnotic trance = hypnose

hypnotist = hypnotiseur

hypnotize = biologeren, hypnotiseren

hypocrite = huichelaar, hypocriet, veinzer

hypocritical = gehuicheld, geveinsd, huichelachtig, hypocriet

hypothesis = hypothese, onderstelling, veronderstelling

hypothesize = veronderstellen

hypothetical = hypothetisch

hysteria = hysterie

hysterical = hysterisch

Iberian = Iberisch

ibex = steenbok, steenbok

ibis = ibis

-ible = -baar, -waardig

ice = ijs, consumptie-ijs, ijsje, ijsco, ijs

iceberg = ijsberg

icecream = ijs, consumptie-ijs, ijsje, ijsco

Iceland = IJsland

Icelander = IJslander

Icelandic = IJslands

icing = glacé

icon = pictogram

iconoclasm = beeldenstorm, beeldenstorm

iconoclast = beeldenstormer

icy = ijs-, ijskoud, ijzig

ID = legitimatie, legitimatiebewijs

I.D. = legitimatie, legitimatiebewijs

idea = begrip, benul, denkbeeld, idee, voorstelling, begrip, idee, begrip, opvatting

ideal = ideaal, ideaal

idealist = idealist

identical = identiek

identify = identificeren, vereenzelvigen

identity = identiteit

ideology = ideologie

idiocy = idiotie, idiotisme

idiom = idioom, taaleigen, idiotisme

idiot = idioot, zwakhoofd

idiotic = idioot

idol = afgodsbeeld, afgod, idool

idolator = afgodendienaar, heiden, paganist

idolatry = afgodendienst, afgoderij, afgodendienst, afgoderij

idol worship = afgodendienst, afgoderij, afgodendienst, afgoderij

idyll = idylle

if = als, indien, ingeval, wanneer

if the occasion arises = bij voorkomende gelegenheden, eventueel, mogelijkerwijs

ignition = ontbranding, ontsteking, vonkontsteking

ignore = negeren, onder tafel schuiven, passeren, wegcijferen

iguana = leguaan

il- = im-, in-, on-

Iliad = Ilias

ill = naar, ziek

ill fate = lot, noodlot

ill-fated = fataal, funest, noodlottig

ill humor = spleen, zwaarmoedigheid

ill humour = spleen, zwaarmoedigheid

illiterate = analfabetisch, ongeletterd, analfabeet, analfabeet

illness = aandoening, kwaal, ziekte, ziekte

illuminate = illumineren, verlichten, aansteken, belichten, verlichten, voorlichten

illusion = begoocheling, drogbeeld, illusie, waan, zinsbedrog

illustrate = illustreren, veraanschouwelijken, verluchten

illustration = illustratie, verluchting

im- = im-, in-, on-

image = beeld, afbeelding, plaat, prent, voorstelling, beeld, afbeelding, figuur, beeld, gelijkenis

imagination = inbeelding, verbeelding

imagine = bedenken, zich verbeelden, zich voorstellen

Imhotep = Imhotep

imitate = imiteren, nabootsen, nadoen

imitation = imitatie, nabootsing, navolging, imitatie, nabootsing, namaak, imitatie, navolging

immaterial = lauw, onverschillig

immediate = ogenblikkelijk, prompt

immediately = dadelijk, onmiddellijk, op stel en sprong, terstond, zonder verwijl, aanstonds, dadelijk, meteen, op staande voet, schielijk, subiet, zo

immense = enorm, geweldig, gigantisch, immens, onmetelijk

immensely rich = schatrijk

immerse = indompelen, onderdompelen, indompelen, indopen, soppen

immigrate = immigreren

immune = immuun, onvatbaar, resistent

imp = aardmannetje, kabouter, kobold

impale = spietsen

impartial = afzijdig, neutraal, onpartijdig, onpartijdig, partijloos

impatient = ongeduldig, duldeloos, ongeduldig

impeach of = beschuldigen van, beschuldigen van

impede = belemmeren, obstructie voeren, opstoppen, verstoppen

impediment = belemmering, hindernis, hinderpaal, belemmering, obstructie, verstopping

impel = stuwen, aansporen, aanvuren, aanwakkeren, opwekken, zwepen, drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven

impenetrable = ondoordringbaar

imperialism = imperialisme, imperialisme

imperialist = imperialist

impertinence = brutaliteit, hondsheid, vrijpostigheid

impertinent = brutaal, onbeschaamd, vrijpostig

impetus = heftigheid, onstuimigheid, vuur, aandrift, drang, aandrang, impuls, opwelling, stuwing, aansporing, aansporing, prikkel, prikkeling, stimulatie

implicate = betrekken, verstrikken, verwarren, verwikkelen

implore = afsmeken

imply = impliceren, insluiten, beduiden, betekenen

import = importeren, invoeren

important = belangrijk, erg, ernstig, voornaam, zwaar, zwaarwichtig

impose = forceren, opdringen

impose upon = zich opdringen

imposing = imponerend, indrukwekkend

impossible = onbestaanbaar, onmogelijk, uitgesloten

impossibly = met geen mogelijkheid, onmogelijk

imposter = bedrieger, bedrieger, bedrieger, charlatan, kwakzalver, wonderdokter

impotent = impotent

impress = imponeren, indruk maken op, indruk maken op

impressible = gevoelig, ontvankelijk, receptief, gevoelig, ontvankelijk, receptief, vatbaar

impression = effect, indruk, belichting, effect, impressie, indruk

impressionism = impressionisme

impressionist = impressionist

imprint = afdruk, afdruk, spoor

imprison = gevangen zetten, opsluiten

improve = verbeteren, veredelen

impulse = aandrift, drang, aandrang, impuls, opwelling, stuwing

impulsive = luchthartig, luchtig

imputation = aantijging

in = aan, in, binnen, per, te

in- = im-, in-, on-

in abeyance = uitgesteld, opgeschort, verdaagd

inaccessible = ongenaakbaar, ontoegankelijk

in accordance with = in overeenstemming met, blijkens, conform, volgens

in action = actief, bedrijvend, bedrijving, werkdadig, werkend, werkzaam, actief, bedrijvig, werkdadig, werkend, werkzaam

in addition = extra, op de koop toe, bovendien, buitendien, daarbij, verder, bovendien, buitendien, daarbij, bovendien, daarenboven, verder, voorts

in a hurry = gehaast, haastig, inderhaast

in all = bij elkaar, in totaal, totaliter

in all respects = alleszins

in another way = anders, op een andere manier

in any event = in elk geval, in ieder geval

in Arabic = in het Arabisch, op zijn Arabisch

inaugural = inaugureel

inaugurate = inaugureren, inaugureren, inwijden, onthullen

inauguration = inauguratie, inwijding

in a way = als, als het ware, of alsof

inborn = aangeboren, ingeboren, aangeboren

inbred = aangeboren, ingeboren, aangeboren

incandescent = witgloeiend

incarnation = incarnatie, vleeswording

in case = in het geval dat

in cash = baar, contant, cash, contant

incendiary = brandstichtend

incendiary bomb = brandbom

incense = wierook

incensory = wierookvat

inception = begin

incest = bloedschande, incest, bloedschande, incest

inch = duim, <duim als lengtemaat>

in charge = bevelvoerend

incidental = bij-, minder belangrijk, ver, zij-, zijdelings

incinerate = verassen, verbranden

incite = agiteren, ophitsen, opruien, opstoken, opwinden, schudden, aanstoken, irriteren, ophitsen, op stang jagen, prikkelen, sarren, provoceren, tarten, tergen, uitdagen, uitlokken, uittarten, de sporen geven, prikkelen

incitement = aansporing, aansporing, prikkel, prikkeling, stimulatie

inclination = aanvechting, lust, neiging, zin

incline = geneigd zijn, geneigd zijn tot, neigen, buigen, doen overhellen, neigen

inclined = genegen, geneigd, gezind

inclined to travel = reislustig

include = behelzen, bevatten, inhouden, betrekken, insluiten

including = incluis, inclusief, inbegrepen, met inbegrip van, tot en met, inclusief, met inbegrip van

inclusive = inclusief

inclusively = incluis, inclusief, inbegrepen, met inbegrip van, tot en met

income = inkomen, ontvangst, opbrengst, verdienste, inkomen, inkomsten, recette, rente

in command = bevelvoerend

incomplete = incompleet, onvolledig

inconceivable = onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk

in consequence of = ingevolge, ten gevolge van

inconsistent = inconsequent

inconvenient = moeilijk, lastig, slim, zwaar

incorrect = fout, mis, onjuist, verkeerd

increase = opdrijven, ophogen, verheffen, verhogen, oplopen, rijzen, stijgen, aanwakkeren, sterker worden, toenemen, uitbouwen, uitbreiden, vergroten, uitbouwing, vergroting, groeien, aangroeien, toenemen, vergroting, vergroten, vermeerderen, groeien, aangroeien, stijgen, toenemen, aangroei, toename, vermeerdering

increasingly = in toenemende mate, meer en meer, steeds meer

incredible = onaannemelijk, ongelofelijk

incredibly insolent = hondsbrutaal, onbeschoft

incubate = broeden, broeden op, koesteren

incubus = angstdroom, incubus, nachtduivel, nachtmerrie

incus = aanbeeld, aanbeeldsbeentje, gehoorbeentje, aanbeeldbeentje

indecision = besluiteloosheid, wankelmoedigheid

indecisive = besluiteloos, onzeker, wankel, wankelbaar, wankelmoedig

indeed = feitelijk, inderdaad, metterdaad, immers, toch, wel, zeker, echt, werkelijk, wezenlijk, echt, inderdaad, naar waarheid, waarachtig, waarlijk, werkelijk

indent = inspringen

independant = onafhankelijk, zelfstandig, onafhankelijk

indescribably = onbeschrijflijk

in detail = rijpelijk

index = indexeren, index, inhoudsopgave, register, aanduiding, aanwijzing, index, lijst, tabel, tafel

India = India

Indian = Indiaas, Indisch, Indiase, Indiër, Indiaans, Indiaan

Indian corn = mais

Indian ink = Oostindische inkt, Oostindische inkt, Oostindische inkt

Indian Ocean = Indische Oceaan

Indian woman = Indiase

indicate = aanduiden, aangeven, aanwijzen, uitduiden, laten zien, tentoonspreiden, tonen, vertonen, wijzen, uitwijzen, aanduiden, aangeven, een teken geven, merken, kenmerken, tekenen

indication = teken, voorbode, voorteken, omen, voorteken, aanduiding, aanwijzing

indicative = aantonende wijs, indicatief

indicative mood = aantonende wijs, indicatief

indict for = beschuldigen van, beschuldigen van

indictment = aanklacht, beschuldiging, aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging

indifference = flegma

indifferent = lauw, onverschillig

indigence = behoeftigheid, pauperisme

indigenous = autochtoon, autochtoon

indigestion = dyspepsie, indigestie, slechte spijsvertering, indigestie, indigestie

indignant = verontwaardigd

indispensable = onmisbaar, onontbeerlijk

indistinct = duister, onduidelijk, troebel, vaag

in distress = benard, benepen, in verlegenheid

indium = indium

individual = individueel, hoofdelijk, enkeling, individu, sujet

indivisible = ondeelbaar

Indo-China = Achter-Indië, Indo-China, Achter-Indië, Indo-China

Indo-European = Indo-europees, Indo-europeaan, Indogermaans

Indo-Germanic = Indogermaans

Indonesia = Indonesië

Indonesian = Indisch, Indonesisch, Indonesiër

Indonesian woman = Indonesische

Indra = Indra

induce = afleiden, besluiten, concluderen, een gevolgtrekking maken

inducement = aanleiding, aanleiding

indulge = ontzien, sparen, toegeeflijk zijn voor, zich laten vermurwen

indulge in = zich overgeven aan

indulgence = aflaat, aflaat

Indus = Indus

industrial = industrie-, industrieel

industrial branch = bedrijfstak

industrialist = industrieel

industrious = ijverig, naarstig, nijver, vlijtig

industry = ijver, naarstigheid, vlijt, industrie, nijverheid

in easy circumstances = bemiddeld, gegoed, gezeten, welgesteld

inebriety = beschonkenheid, dronkenschap, roes, zatheid, zwijmel

in English = in het Engels, in het Engels, op zijn Engels

inert = bewegingloos, energieloos, traag

in every respect = alleszins

in every way = alleszins, op alle manieren, op alle wijzen, alleszins

in exchange for = jegens, met, tegen, tegenaan, tegenover, versus

inexpensive = goedkoop, goedkoop

inexperienced = groen, onervaren

inexplicable = onverklaarbaar

inexpressibly = onuitsprekelijk

in fact = inderdaad, metterdaad, waarachtig, waarlijk, warempel, werkelijk, feitelijk, inderdaad, metterdaad

infant = kind, kind

infant in arms = bakerkind

infantry = infanterie, voetvolk

infect = aansteken, besmetten, infecteren, verpesten

infected = besmet, geïnfecteerd, bederf veroorzakend, septisch

infection = besmetting, infectie, besmetting, infectie, besmetting

infectious = aanstekelijk, besmettelijk, verpestend, aanstekelijk, besmettelijk

infer = afleiden, besluiten, concluderen, een gevolgtrekking maken

inference = conclusie, gevolgtrekking

inferior = minderwaardig, minderwaardig, ondeugdelijk, inferieur, minderwaardig

infernal = duivels, hels

infertile = onvruchtbaar, schraal, steriel, onvruchtbaar

infest = onveilig maken

infestation = plaag

infirm = gebrekkig, verminkt

infirmity of purpose = besluiteloosheid, wankelmoedigheid

inflammation = ontsteking

inflammatory = opruiend

inflate = opblazen, doen zwellen, oppompen

inflated = opgeschroefd

inflation = inflatie

influence = beïnvloeden, invloed hebben op, invloed, inwerking

influenza = griep, influenza

inform = berichten, informeren, inlichten, verwittigen, voorlichten, aankondigen, in kennis stellen, meedelen, mededelen, verwittigen

information = informatie, bericht, informatie, inlichting, terechtwijzing, verwittiging

in front of = voor

infuse = aftrekken, laten trekken, zetten

infusion = aftreksel, zetsel

ingenious = geniaal

in good condition = in goede staat verkerend

ingredient = bestanddeel, ingrediënt, bestanddeel, component

Ingush = Ingoesj

Ingushia = Ingoesjië, Ingoesjië

inhabitant = bewoner, ingezetene, inwoner, bewoner

inhale = inademen, ophalen

inherit = beërven, erven

inheritance = boedel, erfdeel, erfenis, erfstuk, versterf, versterving

inhibit = beletten, verhinderen, verhoeden, belemmeren, beletten, doorkruisen, storen, stremmen, verhinderen

initial = initiaal, voorletter, aanvangs-, aanvankelijk, begin-, beginletter, initiaal, beginletter, voorletter

initial cost = aanloopkosten

initial costs = aanloopkosten

initial deposit = aanbetaling, aanbetaling

initial stage = aanloopperiode

initial velocity = aanvangssnelheid, beginsnelheid

initiate = de stoot geven tot, het initiatief nemen tot

inject = injecteren, inspuiten

injection = injectie, inspuiting, spuitje

injure = bederven, beschadigen, havenen, schenden, stukmaken, toetakelen, benadelen, benadelen, duperen

injured = gewond

injury = blessure, kwetsuur, wond, verwonding

ink = inkt

inkpot = inktkoker, inktpot

ink-well = inktkoker, inktpot

-in-law = aangetrouwd, behuwd, schoon-

inlet = fjord

in my opinion = mijns inziens

in my view = mijns inziens

inn = herberg, logement, herberg, uitspanning

innate = aangeboren, ingeboren, aangeboren

inner = binnenste, binnenlands, intern, inwendig

Inner Mongolia = Binnen-Mongolië, Binnen-Mongolië

inner tube = binnenband, luchtpijp, binnenband

innkeeper = herbergier, logementhouder, waard

innocence = onbedorvenheid, onschuld, schuldeloosheid

innocent = onbedorven, onnozel, onschuldig, schuldeloos

in no way = geenszins, in geen geval, op geen enkele wijze

inoculate = enten, inenten, oculeren

inoffensive = argeloos

in one's absence = bij verstek, bij verstek

inordinate = buitensporig, excessief, extreem, verregaand

inorganic = anorganisch

in principle = in beginsel, in principe

input = invoer

in question = betrokken, bewust, desbetreffend, in kwestie

inquiry = enquête

inquiry-office = informatiebureau

inquisitive = nieuwsgierig, weetgierig, benieuwd, nieuwsgierig, nieuwsgierig

inquisitively = met nieuwsgierigheid, nieuwsgierig, met nieuwsgierigheid, nieuwsgierig

in rows = in de rij, in een rij, in rijen

insane = dol, dolzinnig, gek, krankzinnig, stapel, uitzinnig, waanzinnig

insane asylum = gekkenhuis

insanity = gekheid, zinneloosheid, zinsverbijstering, gekte, gekheid, krankzinnigheid, uitzinnigheid, waanzin

insatiable = onlesbaar

inscription = inscriptie

insect = insekt

insect repellent = afweermiddel tegen insekten

insert = indoen, steken, insteken, indoen, inleggen, inzetten, inschuiven, instoppen

in short supply = karig, schaars, schraal, schriel

inside = aan, in, binnen, per, te, binnenste, binnenlands, intern, inwendig, binnenwerk, ingewand, binnen, daarbinnen, binnenwaarts, naar binnen, binnen, binnenin, binnenste, inwendige

insidious = arglistig

insignia = blazoen, insigne, wapen

insignificant = beuzelachtig, luizig, onbeduidend, onbetekenend, onnozel, insignificant, onbeduidend, onbetekenend, zinledig, zinloos

insinuate = insinueren

insist = aandringen

insistence = aandrang, aandrang

inspect = inspecteren, inspectie houden, schouwen, visiteren

inspection = inspectie, schouw, schouwing, visitatie, inspectie, keuring

inspector = inspecteur, opzichter, inspecteur

inspiration = ingeving, bezieling, inspiratie

inspire = bezielen, inboezemen, inspireren, aanvuren, aanvuren, aanwakkeren, aanzetten, verlevendigen

inspiring = bezielend

in spite of = in weerwil van, niettegenstaande, ondanks, ten spijte van, trots, in weerwil van, niettegenstaande, ondanks, ten spijte van, trots

install = aanleggen, fitten, installeren

installment payment = afbetaling

instalment = afbetalingstermijn, annuïteit, aanbetaling, aanbetaling

instant = moment, ogenblik, oogwenk, tel, tijdstip, wijl, wip

instantly = dadelijk, onmiddellijk, op stel en sprong, terstond, zonder verwijl

instead = in plaats daarvan

instead of = in plaats van, in stede van

instigate = aansporen, aanvuren, aanwakkeren, opwekken, zwepen

instigator = aanstoker, ophitser, opstoker, aanstichter, initiatiefnemer

instinct = aandrift, instinct

institute = gesticht, inrichting, instituut, kostschool

institution = instelling

instruct = instrueren, aanschrijven

instruction = aanwijzing, consigne, instructie, onderricht, onderwijs, ontwikkeling

instructor = instructeur, leraar, onderwijzer, schoolmeester

instrument = instrument, werktuig

instruments of murder = moordtuig

insubordinate = onwillig, ongehoorzaam, ongezeglijk, oproerig, opstandig

insubstantial = licht

insulate = afzonderen, isoleren

insulation = isolatie, isolering

insulator = isolator

insult = affronteren, beledigen, krenken, affront, belediging, smaad, beledigen, grieven, krenken, verongelijken

insulted = beledigd, gebelgd

insulting = beledigend, smadelijk

insurance = assurantie, verzekering

insurance policy = polis

insure = assureren, veilig stellen, verzekeren

insurer = assuradeur, verzekeraar, verzekeringsagent

integer = heel, geheel

integral = integraal, onaangetast, ongeschonden

integrated circuit = geïntegreerd circuit, IC, chip

intellect = geest, intellect, verstand

intellectual = intellectueel, verstandelijk, intellectueel, verstandsmens

intelligence = bevattingsvermogen, intelligentie, knapheid, snuggerheid, intelligentie

intelligent = bevattelijk, intelligent, knap, snugger

intelligibility = begrijpelijkheid, verstaanbaarheid

intend = bedoelen, beogen, mikken, mikken op, rooien, ten doel hebben, van plan zijn, voorhebben, voornemens zijn, zich voorstellen

intense = fel, intens, intensief, sterk

intensive = fel, intens, intensief, sterk

intention = doel, bedoeling, plan, strekking, toeleg, voornemen, zin

intentional = bedoeld, moedwillig, opzettelijk

inter = begraven, ter aarde bestellen

intercede = voorspreken

intercessor = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, advocaat, raadsman

interchange = ruilen, inruilen, wisselen, inwisselen, uitwisselen, verruilen

interest = belang inboezemen, interesseren, belangstelling, aangelegenheid, belang, belangstelling, interest, rente, interest, rente

interested = belangstellend, geïnteresseerd

interesting = belangwekkend, interessant, curieus, typisch, vreemd, vreemdsoortig

interface = interface

interference = storing

interfere with = zich bemoeien met, storing veroorzaken

interior = binnenste, inwendige

interjection = tussenwerpsel

interment = begrafenis, teraardebestelling, begrafenis, graflegging, teraardebestelling

intermission = pauze, rust

intermittent = hortend, intermitterend

internal = binnenste, binnenlands, intern, inwendig

internal combustion engine = explosiemotor, verbrandingsmotor

international = internationaal

international express = D-trein

international express train = D-trein

interpret = duiden, interpreteren, uitleggen, verklaren, vertolken

interpretation = interpretatie, uitlegging, vertolking

interpreter = interpreter, tolk, vertolker

interpunction = interpunctie, punctuatie

interrogate = een verhoor afnemen, ondervragen, verhoren, overhoren, uithoren, uitvragen

interrupt = interrumperen, onderbreken, schorsen

interruption = interruptie, onderbreking, schorsing

interval = interval, tussenruimte

intervene = ingrijpen, interveniëren, tussenbeide komen

interview = interviewen, interview, vraaggesprek

intestine = darm

intestines = ingewanden

in that way = dus, aldus, in dier voege, op die wijze, zo, zodanig, zodoende

in the absence of = in afwezigheid van, bij gebrek aan

in the abstract = in theorie, theoretisch

in the beginning = aanvankelijk, in het begin, aanvankelijk

in the circumstances = al naar het valt, naar de omstandigheden

in the Cuban way = op zijn Cubaans

in the daytime = overdag

in the evening = 's avonds

in the meantime = daarentegen, intussen, inmiddels, vast, voorlopig, zolang

in the middle of = medio, midden, in het midden van, middenin, te midden van

in the morning = 's morgens, 's ochtends

in the presence of = in aanwezigheid van

in the rear = aan het einde, achteraan

intimate = gezellig, innig, intiem, knus, vertrouwelijk

in time = bijtijds, op tijd, tijdig

intimidation = bangmakerij

into = aan, in, binnen, per, te

intolerant = onverdraagzaam

intone = een lied aanheffen, inzetten

into the heights = de hoogte in

intoxicate = bedwelmen

intoxicated = beschonken, dol, dronken, zat

intoxicating liquor = bedwelmende drank

intractable = balsturig

intrepid = brutaal, gedurfd, stout, stoutmoedig, vermetel, waaghalzerig

intrigue = intrigeren, konkelen, bekonkelen

introduce = aanbieden, indienen, presenteren, spelen, vertonen, voorstellen, aanbieden, indienen, presenteren, spelen, vertonen, voorstellen

introduction = inleiding, introductie

intrude = zich indringen, zich opdringen, zich teveel bemoeien met

in turn = beurtelings, bij toerbeurt, om de beurt, op de beurt, op de rij af

invade = binnenrukken, binnenvallen

in vain = tevergeefs

invasion = inval, invasie

invective = scheldwoord, schimpwoord

invent = bedenken, bekokstoven, uitdenken, uitkienen, verzinnen, komen achter, uitvinden, uitvinden

invention = uitvinding, vinding, uitvinding, uitvinding, uitvinding

inventor = uitvinder

inventory = boedel, inventaris

inverted comma = aanhalingsteken

inverted commas = aanhalingstekens

invest = beleggen, inhuldigen, investeren

investigate = exploreren, nagaan, onderzoeken, uitvissen, uitzoeken, vorsen

investigation = examen, keuring, onderzoek, nauwkeurig onderzoek, enquête, speurtocht, speurwerk, onderzoek, speurwerk

investment = belegging, investering

investor = belegger, investeerder

invincible = onbedwingbaar, onoverwinnelijk

invitation = invitatie, uitnodiging

invite = inviteren, noden, uitnodigen, vragen

invite tenders for = aanbesteden, aanbesteden

invoice = declareren, factureren, op een rekening schrijven, factuur, nota, rekening, warenlijst

invoke = aanroepen, aanroepen, oproepen, praaien, aanroepen, afsmeken

inwards = binnenwaarts, naar binnen, binnenwaarts, naar binnen

in what way = hoe, op welke manier, op welke wijze, hoe, op welke manier, op welke wijze, hoe, op welke manier, op welke wijze, hoe, op welke manier, op welke wijze

in which = waarin, waarop

in working order = bedrijfsklaar, bedrijfsklaar

Io = Io

iodine = jodium

Ionian = Jonisch

iota = jota

I.Q. = intelligentiequotiënt, IQ

Iran = Iran, Perzië

Iranian = Iraans, Iraniër, Perziër

Iranian woman = Iraanse, Perzische

Iraq = Irak

Iraqi = Iraaks, Irakees

Iraquian = Iraaks, Irakees

Ireland = Ierland

Irene = Irene

iridium = iridium

iris = iris, lis

Irish = Iers

Irishman = Ier

Irish Sea = Ierse Zee

Iriswoman = Ierse

iron = ijzeren, ijzer, strijken, gladstrijken, bout, strijkbout, strijkijzer

iron clothes = strijken, gladstrijken

ironic = ironisch

ironing board = strijkplank

iron wire = ijzerdraad

ironwork = beslag

irony = ironie

irradiate = bestralen

irradiation = bestraling

irresistible = onweerstaanbaar

irresolute = besluiteloos

irresolution = besluiteloosheid, wankelmoedigheid

irrigate = bevloeien, gieten, begieten, sproeien, besproeien, wateren

-ish = -achtig

Ishtar = Isjtar

Isis = Isis

Islam = islam, mohammedanisme

Islamic = islamitisch

island = eiland

-ism = -isme

isn't it = is het niet, nietwaar, of niet

isn't that so = is het niet, nietwaar, of niet

isolate = afzonderen, isoleren

isolated = alleenstaand, geïsoleerd

isolation = isolatie, isolering, afzondering, isolement, afzondering, isolement

Israel = Israel, Israël

Israelian = Israelisch, Israëlisch, Israeli, Israëli, Israeliër, Israëliër

Israelite = Israelitisch, Israeliet

Israelitish = Israelitisch

Israeli woman = Israelische, Israëlische

issue = emitteren, uitgeven, nageslacht, afkondigen, proclameren, uitvaardigen, verkondigen

-ist = -aar, -er, -ist

Istanbul = Istanboel

Istria = Istrië

it = daaraan, daar ... aan, eraan, er ... aan, erheen, er ... heen, 't, het, 't, het

Italian = Italiaans, Italiaans, Italiaanse taal, Italiaan

Italian language = Italiaans, Italiaanse taal

Italian Riviera = Rivièra, Italiaanse Rivièra

Italian woman = Italiaanse

Italy = Italië

itch = jeuken, kriebelen, krieuwelen, wriemelen, jeuk

it doesn't matter = het doet er niet toe, het geeft niet, dat geeft niet, dat is niet erg, het doet er niet toe, dat geeft niet, dat is niet erg, het doet er niet toe

item = deel, deeltje, item, jaartelling, partikel, punt

Ithaca = Ithaca

it is rumoured that = naar verluidt

it is understood that = naar verluidt

its = haar, hun, zijn, haar, zijn

it's a matter of = het gaat om, het gaat over

itself = zelf, vanzelf, zelve

-ity = -heid, -ie, -schap, -te, -teit

ivory = ivoorkleurig, ivoren, ivoor

Ivory Coast = Ivoorkust, Ivoorkust

ivy = klimop

jack = boer, <boer in kaartspel>, dommekracht, krik, vijzel

jackal = jakhals

jacket = buis, colbert, jasje

jack off = onaneren, zich aftrekken, zich afrukken

Jacob = Jacob, Jacobus

jade = afbeulen, afjakkeren, afmatten, jaden, bittersteen, jade, nefriet, afbeulen, afjakkeren

jaguaro = jaguar

jail = gevangenis, kerker, nor, gevangen zetten, opsluiten, gevangenis, gevangenis

jam = jam, marmelade, moes

Jamaica = Jamaica

January = januari, louwmaand

Janus = Janus

Jap = Jap

Japan = Japan, Japan

Japanese = Japans, Japans, Japanse taal, Japannees, Japanner

Japanese language = Japans, Japanse taal

Japanese woman = Japanse

jargon = Bargoens, jargon, taaltje

Jason = Jason

Java = Java

Javan = Javaans

Javanese = Javaans, Javaan

Javanese woman = Javaanse

Java Sea = Javazee

javelin = speer, werpspeer, werpspies

jaw = kaak, kakement

jawbone = kaak, kakement

jaws = bek, muil, afgrond, bek, muil, opening

jay = gaai, Vlaamse gaai

jazz = jazz

jealous = afgunstig, ijverzuchtig, jaloers, jaloers, naijverig

jealousy = jaloezie, naijver

jeer = schimpen, beschimpen

jeer at = honen, spotten, bespotten, schimpen, beschimpen

Jehovah = Jehova

jelly-fish = kwal, zeekwal

jenny-ass = ezelin

Jericho = Jericho

jerk = schokken, rukken

Jersey = Jersey

Jerusalem = Jeruzalem, Jeruzalem

jest = boerten, gekscheren, schertsen

jester = clown, hansworst, harlekijn, zot

Jesus = Jezus

Jesus Christ = Jezus Christus

jet plane = jet, straalvliegtuig

Jew = Hebreeër, jood, jood, Jood

jewel = steen, edelgesteente, edelsteen, juweel, juweel, kleinood

jeweller = juwelier, juwelier

Jewish = Hebreeuws, joods, joods

Jibuti = Djibouti

jingle = kletteren, klingelen, rinkelen, tingelen, geklingel

job = arbeid, emplooi, karwei, werk, arbeidsplaats, ambt, baan, betrekking, plaats, werkkring, karwei, klus, opgave, taak

job- = aangenomen

jocular = guitig, snaaks

jog = aanstoten, een duw geven, toestoten, joggen

Johannesburg = Johannesburg

join = lid worden, toetreden, zich aansluiten, aan elkaar vastmaken, verbinden, aaneenvoegen, bijeenbrengen, samenbrengen, verenigen, aansluiten, zich aaneensluiten, zich verenigen, bijeenbinden, samenbinden, verbinden, aansluiten, binden, vastbinden, vastmaken, verbinden, verenigen, zich verenigen

joining = aansluiting, vereniging

joint = geleding, gewricht, knoop, lid, gelid, collectief, gemeenschappelijk, gezamenlijk, algemeen, gemeenschappelijk, gezamenlijk

joke = grap, grol, kwinkslag, mop, pots, scherts, ui, boerten, gekscheren, schertsen, aardigheidje, bak, grap, jok, mop, scherts

jolt = schokken

Jordan = Jordanië, Jordaan

Jordanian = Jordaniër

Joseph = Jozef

Joshua = Jozua

jot = jota

journal = courant, dagblad, krant

journalist = journaliste, journalist, dagbladschrijfster, journaliste, dagbladschrijver, journalist

journey = reis, tocht, toer, trip

Jove = Jupiter, Jupijn, Jupiter

joy = blijdschap, blijdschap, blijheid, verheugenis, verheuging, vreugde

joyful = heuglijk, verblijdend, verheugend, verheuglijk

joystick = stuur, stuurtoestel

jubilant = jubel-

jubilation = gejubel

jubilee = jubileum-, jubileum

Judaism = jodendom

judge = berechten, oordelen, beoordelen, vonnissen, rechter, richter, beoordelaar, beoordelen

judgement = arrest

judgment = gericht, judicium, oordeel, vonnis

jug = kan, kruik, kan, pan, pot, doos, bak, etui, foedraal, koker, korf, pot, zak, vat

juggle = jongleren

juggler = jongleur

juice = sap

July = hooimaand, juli

jumbled up = verward

jumble-sale = bazaar, fancyfair

jump = springen, sprong

jump off = afspringen, afspringen

junction = aansluiting, vereniging

June = juni, zomermaand

june bug = meikever

jungle = jungle, oerwoud, rimboe

junior = aankomend, beginnend

Juno = Juno

junto = kliek, kongsi, pal, troep

Jupiter = Jupiter, Jupijn, Jupiter, Jupijn, Jupiter

Jurassic = Jura

jurist = jurist

jury = jury, jury

just = billijk, fair, rechtvaardig, alleen, enkel, maar, pas, slechts, uitsluitend, alleen, maar, slechts, aanstonds, dadelijk, meteen, op staande voet, schielijk, subiet, zo, juist, net, OK, okee, okay, oké, pal, precies, juist, net, pas, straks, zoëven, zojuist

justice = billijkheid, gerechtigheid, rechtvaardigheid

just now = juist, net, pas, straks, zoëven, zojuist

just one = maar één, slechts één

jute = Jut, jute, jute

Jutland = Jutland, Jutland, Jutland

Jutlander = Jut, Jut, jute, Jut

Kabul = Kaboel

kangaroo = kangoeroe

kappa = kappa

Karelia = Karelië

Karian Sea = Karische Zee

karma = karma

Kashmir = Kasjmir

Katar = Katar

Kattegat = Kattegat

Kazak = Kazachstaans

Kazakh = Kazachstaans

Kazakhstan = Kazachstan, Kazachstan

kea = kea

keel = kiel

keen = druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker

keep = blijven, fokken, opfokken, opkweken, telen, bewaken, bewaren, de wacht hebben, hoeden, waken over, behouden, bergen, bewaren, conserveren, onderhouden, overhouden, gadeslaan, observeren, toekijken, toezien, waarnemen, nakomen, naleven, uitvoeren, verrichten, vervullen, voltrekken, behouden, bergen, redden

keep an eye on = bespioneren, op de uitkijk staan

keep at a distance = afhouden, weghouden

keep at bay = afhouden, weghouden

keep back = achterhouden

keep ... burning = aanhouden, laten branden

keeper of the records = archivaris, archivaris

keep house = beheren, besturen, huishouden

keep in = nahouden

keep on = aanhouden, beklijven, duren, standhouden, voortduren

keep one's hands off = afblijven van, laten staan

keepsake = aandenken, gedenkschrift, aandenken, gedachtenis, gedenkteken, souvenir

kennel = hondehok, kennel

Kenya = Kenia

Kenyan = Keniaans, Keniaan

Kenyan woman = Keniaanse

kerchief = hoofddoek

Kerguelen = Kerguelen

kernel = kern, pit

kerosene = lampolie

kettle = ketel, ketel, waterketel, ketel, keteldal, kookketel, waterketel

key = scala, toonladder, toonschaal, toets, sleutel

keyboard = klavier, toetsenbord

Khartoum = Chartoem

Khartum = Chartoem

kibbutz = kibboets

kick = schoppen, trappen, schop, trap

kick down = aftrappen

kick it = afkicken

kick-off = aftrap, inzet

kick off = aftrappen, inzetten, aftrappen

kid = een geintje maken, geitje

kidney = nier

Kieff = Kiëv, Kiëv

kill = doden, doodmaken, ombrengen

kill oneself = de hand aan zichzelf slaan, zelfmoord plegen

kiln = kachel, oven

kilo = kilo, kilogram

kilometre = kilometer

kilt = kilt, Schotse rok

kimono = kimono

kind = aardig, lief, voorkomend, vriendelijk, zoet, aardig, beminnelijk, lief, vriendelijk, goedaardig, goedhartig, goedig, bereidvaardig, bereidwillig, schikkelijk, voorkomend, welwillend, attent, bereidwillig, toeschietelijk, aard, slag, soort

kindle = aanmaken, aansteken, doen ontbranden, ontsteken, stoken

kindness = liefheid, voorkomendheid, vriendelijkheid

king = dam, jonkvrouw, vrouwe, dam, heer, koning, vorst

kingdom = koninkrijk

kingfisher = ijsvogel, ijsvogel

kingship = koningschap

kip = kip

Kirghizia = Kirgizië, Kirgizië

kirk = kerk, kerkgebouw

kiss = kussen, zoenen, kus, zoen

kiss and be friends again = afzoenen

kitchen = keuken, kookgelegenheid

kite = kiekendief, kerk, kiekendief, kiekendief, wouw

kitten = katje

klaxon = claxon, hoorn, toeter, claxon, hoorn, toeter

knapsack = knapzak, ransel

knapwood = centaurie

knead = kneden

knee = knie

kneel = knielen, knielen, knielen, knielen, op de knieën vallen

knife = mes

knight = ridder, paard

knit = breien

knitting needle = breinaald, breipen

knob = gevest, handvat, hals, heft, knop, steel

knock = klappen, kloppen, slaan, opvallen, klap, klets, klop, slag, tik, veeg

knock at the door = aankloppen

knock-kneed legs = X-benen

knock off = afslaan, debatteren, afstoten, afslaan, wegslaan

knot = een knoop leggen, knopen, geleding, knoest, knoop, knooppunt, kwast

know = bekend zijn met, kennen, beheersen, kennen, machtig zijn, weten

know how = weten, beheersen, kennen, machtig zijn

knowledge = bekendheid, kennis, kunde, kennis, kunde, medeweten, verstand, weten

kopje = kopje

Koran = Koran

Korea = Korea

Korean = Koreaans, Koreaan

Korean woman = Koreaanse

Kremlin = Kremlin

Krishna = Krisjna

krypton = krypton

Kurd = Koerd

Kurdish = Koerdisch

Kurdistan = Koerdistan, Koerdistan

Kurile Islands = Koerilen

Kuwait = Koeweit

Kyrgyz = Kirgizisch

label = etiket, label

labor agreement = arbeidsovereenkomst

laboratory = laboratorium

laboratory assistent = amanuensis

labor dispute = arbeidsconflict

laborer = arbeider, werker, werkman, werkkracht, arbeider, werkman, werkmier

laborers = arbeiders, werkers, werkvolk

labor exchange = arbeidsbureau, arbeidsbeurs

labor-intensive = arbeidsintensief

labor market = arbeidsmarkt

labor movement = arbeidersbeweging

labour = bevallen, ter wereld brengen

labour agreement = arbeidsovereenkomst

labour contract = arbeidsovereenkomst

labour dispute = arbeidsconflict

labourer = arbeider, werker, werkman, werkkracht, arbeider, werkman, werkmier

labourers = arbeiders, werkers, werkvolk

labour exchange = arbeidsbureau, arbeidsbeurs

labour-intensive = arbeidsintensief

labour market = arbeidsmarkt

labour movement = arbeidersbeweging

labour pains = barensnood

labour-union = vakbond, vakvereniging, syndicaat

Laccadives = Laccadiven

lace = kant

lack = derven, missen, ontberen, afwezigheid, euvel, gebrek, gemis, tekort, tekortkoming

lackey = herenknecht, lakei

lacquer = lakken, verlakken, lak

lad = jongen, knaap

ladder = ladder, ladder

laddie = jongen, knaap

ladies and gentlemen = dames en heren, meneer en mevrouw, dames en heren

lady = dam, jonkvrouw, vrouwe, jonkvrouw, vrouwe, dame, mevrouw, dame, mevrouw, dame

ladybug = lieveheersbeestje, onze-lieve-heersbeestje

Lady Day = Annunciatie, Maria-Boodschap

lady help = assistente, assistente, helpster

lady-in-waiting = hofdame

ladylike = beschaafd, keurig, damesachtig

lady's bag = damestas, damestasje

lady's mantle = alchemilla, vrouwenmantel, alchemilla, vrouwenmantel

laggard = achterblijver

lagoon = lagune, kustmeer

laid up = bedlegerig

lake = meer, plas, waterplas

Lake Albert = Albertmeer

Lake Chad = Tsjaadmeer, Tsjaadmeer

Lake Malawi = Malawimeer

Lake of Geneva = Meer van Genève

Lake Rudolf = Rudolfmeer

Lake Superior = Bovenmeer

Lake Victoria = Victoriameer

lamb = lams-, lamsvlees, lam

lambda = labda

lame = hinkend, kreupel, mank

lament = steen en been klagen, weeklagen

lamp = lamp

lamp-shade = kap, lampekap

lance = lans, piek, speer, spies, spiets

land = aan land gaan, aan wal komen, landen, aan land gaan, landen, aanlanden, land, dalen, landen, neerstrijken, aarde, aardrijk, bodem, grond, land

landing = daling, landing

landing-stage = aanlegplaats, landingsplaats, steiger, aanlegsteiger, aanlegplaats, aanlegplaats, steiger

landlady = waardin

landlord = herbergier, logementhouder, waard

landmark = mijlpaal

landscape = landschap

landslide = aardverschuiving, aardverschuiving

land tortoise = landschildpad

lane = steeg

language = taal

lanky = groot, lang, rijzig

lantern = lantaarn

Lao = Laotiaans, Laotiaanse taal

Laos = Laos

Laotian = Laotiaans, Laotiaan

Laotian language = Laotiaans, Laotiaanse taal

lap = kabbelen, klapperen, klotsen, plassen, plonzen

Lapland = Lapland, Lapland

Laplander = Lap, Laplander

Lapp = Laplands, Lap, Laplander

Lappish = Laplands

Lappish woman = Laplandse

Lapponian woman = Laplandse

lapse = terugvallen

lapsed = aftands, bouwvallig, gammel, uitgeleefd, uitgewoond, wrak

larch = lariks, lork, lorkeboom

larder = provisiekast

large = groot

large spoon = pollepel

lark = leeuwerik

larkspur = ridderspoor

Larne = Laarne

larva = larve

laryngitis = keelontsteking

larynx = strottehoofd

lass = meid, meisje

lasso = lasso

last = verleden, voorafgaand, voorgaand, vorig, vroeger, aanhouden, aanhouden, beklijven, duren, standhouden, voortduren, bestendigen, continueren, doorlopen, voortduren, achterste, jongstgeleden, laatst, afgelopen, laatstleden, verleden, verschenen, vervlogen, voorbij

last days of autumn = naherfst

lasting = aanhoudend, bestendig, blijvend, gedurig, vast, voortdurend, aanhoudend, continu, onafgebroken, voortdurend, bestendig, constant, aanhoudend, onophoudelijk, voortdurend

last night = gisteravond, gisternacht, de vorige nacht, vannacht

last week = verleden week, vorige week, verleden week, vorige week

late = laat, vergevorderd, laat

late at night = laat in de nacht

late in the afternoon = laat in de middag

late in the morning = laat in de ochtend

lately = de laatste tijd, recentelijk

later = later

later on = later, op een later tijdstip, later

latex = latex

lath = lat

lathe = draaibank, draaischijf

lather = sop, zeepsop

Latin = Latijns, Latijn

Latin America = Latijns-Amerika

latrine = latrine

Latvia = Letland

Latvian = Lets, Let

Latvian woman = Letse

laud = loven, prijzen, roemen, verheerlijken, lof toezwaaien, loven, prijzen, roemen

laugh = lachen, lach

laugh at = uitlachen

laughter = gelach, hilariteit, lachbui

launch = lanceren, ontketenen, uitschrijven, van stapel laten lopen, barkas

laundress = wasvrouw, wasvrouw

laundry = wasserij

laundry mark = wasmerkje

laurel = laurier, lauwer

lava = lava-, lava

lavatory = wasgelegenheid, washok, wasinrichting

lavender = lavendel

law = recht, wet

lawless = bandeloos, ongebreideld, teugelloos

lawn = batist, gazon, grasmat, grasveld, perk, gazon, grasmat, grasveld

law of nature = natuurwet

lawsuit = geding, gerechtszaak, proces, rechtsgeding, verloop

lawyer = advocaat, pleitbezorger, verdediger, voorspreker, zaakbezorger, advocaat, raadsman, jurist

laxative = laxans, laxeermiddel

lay = leggen, neerleggen, vlijen, leke-, wereldlijk

lay a distress upon = beslag leggen op

lay before = aanhangig maken

lay-by = parkeerplaats, parkeerterrein

lay down = leggen, steken, plaatsen, stellen, stoppen, zetten

layer = aardlaag, afleggen, marcotteren, aflegger, loot, laag, pak, aardlaag, grondlaag

layer of earth = aardlaag, aardlaag, grondlaag

lay hold of = aanvatten, nemen, oprapen, pakken, vatten

layman = leek, niet-ingewijde

lay on top of = liggen bovenop

lay out = spreiden, ontvouwen, uitspreiden

laziness = luiheid

lazy = lui, lui

lead = de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden, besturen, brengen, leiden, geleiden, voeren, loden, lood

lead away = afbrengen

leader = aanvoerder, baas, chef, gebieder, gids, leider, geleider, leidsman, voorman

leading = leidend, toonaangevend, toongevend

leading article = hoofdartikel

leaf = blad, vel

leaflet = brochure, ingenaaid boek, paperback, vlugschrift

leaf through = bladeren, doorbladeren, ombladeren

league = mijl, bond, liga, verbond

League of Nations = Volkenbond

lean = schragen, steunen, stutten, ondersteunen, leunen, mager, schraal, sprietig, dun, luchtig, mager, schraal, sprietig

lean against = aanleunen tegen

leap = springen, sprong

leap down = afspringen, afspringen

leap upon = bespringen, bespringen, zich storten op, zich werpen op

leap-year = schrikkeljaar

learn = leren, aanleren

learned = geleerd, knap, ontwikkeld

learn of = horen, vernemen

learnt = aangeleerd

lease = in pacht hebben, pachten, ceel, cedel, huurcontract, huurovereenkomst

least = minst, kleinste, minste

leasurely = langzaam, op zijn gemak, zachtjes, zoetjes

leather = leerachtig, lederen, leren, taai, leder, leer

leather goods = lederwaren, lederwerk

leave = afvaren, afreizen, op reis gaan, afgaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen, in de steek laten, laten varen, verlaten, verlof, vrijaf, afreizen, op reis gaan, nalaten, laten, laten begaan, laten schieten, loslaten, toelaten

leave behind = achterlaten, nalaten

leave in abeyance = laten rusten

leaven = gist

leave out = nalaten, uitlaten, verzaken, verzuimen, weglaten

leave out of account = negeren, onder tafel schuiven, passeren, wegcijferen, buiten beschouwing laten, geen rekening houden met, geen rekening houden met

leaving certificate = einddiploma

leaving examination = eindexamen

leavings = afval, rommel, uitschot

Lebanese = Libanees, Libanees, Libanees

Lebanon = Libanon, Libanongebergte, Libanon

lectern = lessenaar, lezenaar

lector = lector

lecture = college geven, college, een lezing houden, een spreekbeurt houden, lezing, spreekbeurt, voordracht

lecturer = lector

Leda = Leda

leech = bloedzuiger

leek = look

left = linker-, links, linkerzijde, linksaf, linksom, naar links, blijvend, over, resterend

left out = weggelaten, weggelaten

left over = blijvend, over, resterend

left side = linkerzijde

leg = been, been, onderbeen, poot

legal = legaal, wettelijk, wettig, gewettigd

legation = legatie

legend = legende, volksoverlevering

legendary = legendarisch, legendarisch

legging = beenkap

legible = leesbaar

legion = legioen

legitimize = echten, legitimeren

leisurely = kalm, op zijn gemak, rustig

leitmotif = Leitmotiv

lemming = bergmuis, lemming

lemon = citroen

lemonade = limonade

lemon juice = citroensap

lemon-tree = citroenboom, citroenboom

lend = lenen, uitlenen, voorschieten, lenen, lenen aan, lenen, lenen, lenen aan

length = langdurigheid, lengte, langdurigheid, lengte

lengthen = doortrekken, rekken, uitleggen, uitrekken, uittrekken, verlengen

lengthwise = daarlangs, in de lengte

leniency = mildheid, zachtheid, zachtaardigheid, zachtmoedigheid, zoelheid

lenient = goedertieren, lankmoedig, schappelijk

lens = lens

lentil = linze

leopard = luipaard, panter

leper = lepralijder, leproos, melaatse

leprosy = lepra, melaatsheid

Lesotho = Lesotho

less = min, minder

-less = on-

less and less = minder en minder, steeds minder

lessen = inkorten, verminderen

Lesser Antilles = Kleine Antillen

lesser bindweed = akkerwinde

lesser-than sign = kleiner-danteken

lesson = les

let = laten, laten begaan, laten schieten, loslaten, toelaten, verhuren, verhuren

lethargy = doffe onverschilligheid, lethargie, schijndood, zinsverdoving

Lethe = Lethe

let know = kenbaar maken, openbaren, aankondigen, in kennis stellen, meedelen, mededelen, verwittigen

let off = afschieten, ontladen

let's start = aan de slag, hup, vooruit

Lett = Let

letter = brief, epistel, zendbrief, brief, epistel, missive, schrijven, letter

letterbox = bus, brievenbus

letter of credit = accreditief

letter of introduction = aanbevelingsbrief

letter of recommendation = aanbevelingsbrief

Lettish = Lets

lettuce = latuw, salade, sla, kropsla

Levant = Levant

Levantine = Levantijns, Levantijn

level = aan de schouder brengen, aanleggen, effen, gelijk, vlak, effenen, gelijkmaken, slechten, eender, egaal, gelijk, gelijkmatig, egaliseren, gelijkmaken, vlakken, afgraven, weggraven, horizontaal, platliggend, waterpas, nivelleren, hoogte, niveau, peil, plan

level-crossing = overweg, spoorwegovergang

level crossing = overgang, oversteekplaats, zebrapad

lever = beuren, heffen, ophalen, oprichten, tillen, verheffen

Levite = Leviet

lewd = oneerbaar, onkuis, ontuchtig, onzedelijk

lewdly = onkuis

Leyden = Leiden

Leyden jar = Leidse fles

liability insurance = aansprakelijkheidsverzekering

Lias = Lias

liberal = liberaal, vrijzinnig

Liberia = Liberia

Liberian = Liberiaans, Liberiaan

Liberian woman = Liberiaanse

librarian = bibliothecaris

library = bibliotheek, boekerij

Libya = Libië

Libyan = Libisch, Libiër

licence = licentie, vergunning, vergunning, vrijbrief

license = een vergunning geven, licentie, vergunning, vergunning, vrijbrief

licentious = bandeloos, ongebreideld, teugelloos

lick = likken

lid = bedekking, deksel, kaft, omslag

lie = liggen, liegen, leugen, onwaarheid

Liechtenstein = Liechtenstein

Liechtensteiner = Liechtensteiner

lie down = gaan liggen, zich neerleggen, zich uitstrekken, gaan liggen, zich uitstrekken, gaan liggen, zich neerleggen, zich uitstrekken

lie encamped = kamperen, legeren

Liège = Luik

lieutenant = luitenant

life = hachje, leven

lifebelt = reddingsgordel

life-belt = reddingsgordel

life-boat = reddingsboot

lifeless = lusteloos, saai

lift = opgraven, rooien, beuren, heffen, ophalen, oprichten, tillen, verheffen, opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen, lift

ligament = band

ligature = afbinden, toebinden

light = aanmaken, aansteken, doen ontbranden, ontsteken, stoken, aansteken, het licht aandoen, het licht aansteken, hel, helder, klaar, licht, licht, niet zwaar, helder, licht, lichtend, aansteken, belichten, verlichten, voorlichten, licht, schijn, schijnsel, licht, zwak, licht, licht

lighten = bliksemen, flikkeren, flitsen

lighter = aansteker, vuurmaker

lighthouse = lichttoren, vuurbaak, vuurtoren

lighting = belichting

lightly = licht, lichtjes, zwak, zwakjes, voorzichtig, zachtjes

lightning = bliksem, flits, hemelvuur, schicht, bliksemschicht, vuurstraal

light-switch = lichtknop, lichtschakelaar, lichtknop, lichtschakelaar

light up = belichten, beschijnen, overschijnen

Ligurian Sea = Ligurische Zee

likable = waard om van te houden

like = als, hoe, op welke manier, op welke wijze, wat, zoals, als, op de manier van, op de wijze van, zoals, eender, gelijkend, gelijksoortig, gelijkvormig, soortgelijk, hechten aan, houden van, mogen, waarderen

-like = -achtig

likely = waarschijnlijk

like this = dus, aldus, in dier voege, op die wijze, zo, zodanig, zodoende, aldus, op deze manier, op deze wijze, zo, aldus, op deze manier, op deze wijze, zo

likewise = eveneens, evenzeer, mede, ook, even, eveneens, idem, insgelijks, van hetzelfde

lilac = sering, sering

lily = lelie

lily-of-the-valley = lelietje der dalen, lelietje-van-dalen

limb = lid, lidmaat

Limburg = Limburg

lime = kalk, limoen, linde-, linden-

lime- = linde-, linden-

lime-tree = linde, lindeboom

limit = begrenzen, beknotten, beperken, beperkingen opleggen aan, grens, perk, beperken

limitation = begrenzing, beperking

limited = begrensd, beperkt, eindig

limited liability = besloten vennootschap

limited liability company = naamloze vennootschap, naamloze vennootschap

limp = hinken, kreupel lopen, mank lopen, slecht functioneren, trekken

linden-tree = linde, lindeboom

line = sim, snoer, hengelsnoer, vislijn, vissnoer, lijn, linie, regel, schreef, streep, toer, beurt, file, gelid, reeks, rij, toerbeurt

lineage = afkomst, afstamming, komaf

linen = linnen, doek, lijnwaad, linnen

lineseed oil = lijnolie

line up = aantreden, in de rij gaan staan, in de rij komen

lingo = Bargoens

linguist = linguïst, taalgeleerde, taalkundige

linguistic = taal-, taalkundig, linguïstisch, taalkundig

lining = voering

link = monteren, zetten, schakel, schalm

linker = linker

link together = aaneenschakelen

link up = aaneenschakelen

linoleum = linoleum, vloerzeil

lion = leeuw

lip = lip

liquefied petroleum gas = LPG, L.P.G.

liqueur = likeur

liquid = vloeistof, dun, vloeibaar, nat, vloeistof, vocht, dun, vloeibaar, vloeistof, vloeibaar

liquidate = afwikkelen, liquideren, opheffen, solveren, laten verdwijnen, dieven, wegmaken, doden, doodmaken, ombrengen

liquid manure = aal, aalt, gier

liquor = alcohol, drank, alcoholische drank, sterke drank

lira = lier, lire, lire

Lisbon = Lissabon

lisp = lispelen

list = een lijst maken, uitlisten, ceel, cedel, lijst, rol

listen = aanhoren, luisteren, beluisteren, toehoren, toeluisteren

listener = luisteraar, toehoorder

listen in = afluisteren

litany = litanie

liter = liter

literal = letterlijk, woordelijk

literary = letterkundig, literair, litterair

literature = letterkunde, literatuur, litteratuur

lithium = lithium

Lithuania = Litouwen

Lithuanian = Litouws, Litouwer

Lithuanian woman = Litouwse

litigate = procederen

litre = liter

litter = baar, draagbaar

little = gering, karig, klein, luttel, min, gering, luttel, weinig, weinig

little bell = bel, belletje, klokje

little bird = vogeltje

little boat = bootje

little brother = broertje

little by little = geleidelijk, langzamerhand, zoetjes aan, geleidelijk

little owl = nachtuil, steenuil

little present = aardigheidje, cadeautje

Little Red Ridinghood = Roodkapje

Little Snow White = Sneeuwwitje

little stick = staafje, stokje

liturgy = liturgie

live = gevestigd zijn, huizen, resideren, wonen, leven

live in lodgings = op kamers wonen

lively = ad rem, geestig, gevat, snedig, meeslepend, pittig, smeuïg, vurig

live on = bestaan van

liver = lever

liver sausage = leverworst

livestock = kudde, levende have, vee, veestapel

live through = beleven, doorleven, doormaken

live together = samenwonen, samenleven

live to see = beleven, doormaken, ervaren, ondervinden, beleven

live upon = bestaan van

living alone = alleenstaand

living-room = huiskamer, woonkamer, zitkamer

living room = huiskamer

Livonia = Lijfland, Lijfland

Livonian = Lijflands, Lijflander

lizard = hagedis

load = laden, laden, beladen, belasten, inladen, lading, last, vracht, vulling

loaded with = belastend, geladen met

loaf = brood, mik

loafer = baliekluiver, sjap, sjappie

loan = lenen, lening, overneming

loathe = een afschuw hebben van, verafschuwen, verfoeien

lobe of the ear = oorlel

lobster = langoest, kreeft, pantserkreeft, kreeft, zeekreeft

local = lokaal, plaatselijk

locate = leggen, plaatsen, situeren, stationeren

location = lokaliteit, oord, plaats, ruimte, zetel

loch = fjord, meer, plas, waterplas

Loch Ness = Nisse

lock = sas, sluis, sassluis, schutsluis, spui, slot, op slot doen, sluiten, afsluiten

locked = afgesloten, op slot

locksmith = slotenmaker

lock up = insluiten, opsluiten, wegbergen, wegsluiten

locomotive = motorisch

locust = sprinkhaan

Lofoten Islands = Lofoten

lofty = hoog, verheven

logic = logica

logical = logisch

logical reasoning = rede, verstand

log in = inloggen

log out = uitloggen

loin = kruis, lende

Loki = Loki

London = Londen

Londoner = Londenaar

lonely = eenzaam

long = lang, lang, lang, lange tijd, voor lange tijd

longan = longan

longboat = barkas

long for = hunkeren, reikhalzen, verlangen, smachten, zuchten, zuchten naar

longing = smachtend, verlangend, hunkering, verlangen, zielsverlangen, zucht

longitude = lengte, <lengte (geo.)>

look = er uitzien, het uiterlijk hebben van, aanblik, aanzien, air, schijn, uiterlijk, verschijning, voorkomen, alsjeblieft, alstublieft, hier, hierzo, kijk, ziedaar, ziezo, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien, blik, aanblik, kijk

look after = bewaken, bewaren, de wacht hebben, hoeden, waken over, nakijken, naogen, behartigen, verzorgen, oppassen, verzorgen

look askance = loensen, scheelkijken, scheelzien

look at = beschouwen, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien, blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien

look down = naar beneden kijken, neerkijken

look for = snorren, uitkijken naar, uitzien naar, zoeken, opzoeken

look forward = zich verheugen

look forward to = zich verheugen op

looking-glass = spiegel

loom = weefgetouw

loop = maas, steek, breisteek, strik

loopy = geschift, getikt, getroebleerd, getroubleerd, tureluurs

loose = mul, rul, diarree-, iel, los, luchtig, mul, los

loose cover = hoes

lord = lord, heer, heerschap, meneer, mijnheer, heer, heerschap, meneer

Lorelei = Lorelei

Lorraine = Lotharingen

lorry = truck, vrachtauto, vrachtwagen, truck, vrachtauto, vrachtwagen

lose = afvallen, vermageren, kwijtraken, opgeven, verbeuren, verliezen, verspelen, verliezen, verslagen worden

lose flesh = afvallen, vermageren

lose in weight = afvallen, vermageren

lose one's way = verdolen, verdwalen

loss = deficit, nadeel, schade, strop, verlies, aderlating, verlies, schadepost, verlies, vermissing

lost = kwijt, verloren, vervlogen, de weg kwijt, verdwaald

lot = kavel, perceel

Lothringen = Lotharingen

lottery = loterij, verloting

lotus = lotus, rolklaver, lotus

loud = hard, luid

loudly = hardop, luid

lounge = salon, zaal

lounge suite = bankstel

louse = luis

Louvain = Leuven

lovable = beminnelijk, beminnenswaardig, lief, lieftallig

love = beminnen, houden van, liefhebben, affectie, liefde, min, sexuele hartstocht, duurte, kostbaarheid, dol zijn op, gek zijn op, verzot zijn op

loved = bemind, geliefd

loved one = beminde, lief, geliefde, liefje, zoetelief, beminde, lief, geliefde, liefste

lovely = aangenaam, behaaglijk, genoeglijk, heerlijk, plezierig, fijn, fraai, mooi, knap, net, schoon, beeldschoon, kostelijk, magnifiek, prachtig, dierbaar, lief, allerliefst, beeldig, betoverend, heerlijk, verrukkelijk, bekoorlijk, charmant, innemend, schattig, snoeperig, snoezig

love of one's neighbour = menslievendheid, naastenliefde, naastenliefde, naastenliefde

lover = geliefde, minnares, vriendin, vrijster, geliefde, minnaar, vriend, vrijer, beminde, lief, geliefde, liefje, zoetelief, beminde, lief, geliefde, liefste

loving = liefhebbend

low = laag, gemeen, infaam, laag, laaghartig, schunnig, vuig

lower = afdraaien, verlagen, laten zakken, neerhalen, strijken, laten zakken, neerlaten, strijken, vellen, afslaan, verlagen

lower-arm = benedenarm, onderarm, voorarm

lower case letter = kleine letter, minuskel

lower course = benedenloop

lowering = verlaging

lower middleclass = kleinburgerlijk

lower part = onderdeel, onderkant, onderste

lower part of the body = abdomen, achterlijf, onderbuik, onderlijf, abdomen, onderbuik, onderlijf

Low German = Laagduits, Nederduits, Platduits

low relief = bas-reliëf, bas-reliëf

low tide = eb, eb, eb

loyal = loyaal, trouw, getrouw, trouwhartig

LP = langspeelplaat, LP, langspeelplaat, LP

LPG = LPG, L.P.G.

LSD = LSD

Lucifer = Lucifer, Lucifer, Satan

luck = bof, buitenkansje, geluk, mazzel, tref, veine, zwijn, zwijntje, fortuin, lot, levenslot, kans, uitzicht

luggage = bagage

luggage ticket = bagagebiljet

luggage-van = bagagewagen

lukewarm = lauw, zoel

lull = wiegen

lullaby = slaaplied, wiegelied

lump = bal, dot, klomp, klont, kluit, prop, brok, fragment, stuk, massa, bonk, brok, eindje, homp, stukje

lump of earth = aardkluit

lunacy = gekheid, zinneloosheid, zinsverbijstering, gekte, gekheid, krankzinnigheid, uitzinnigheid, waanzin

lunar = lunair, maan-, maan-

lunatic = bezetene, gek, krankzinnige

lunch = lunch, twaalfuurtje, het middagmaal gebruiken

lung = long

lungwort = longkruid

lupine = lupine, wolvin, lupine

lure = lokken

lurid = bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend, schel, geruchtmakend, sensationeel

lust = hartstocht, lust, passie, roes, verslaving, verwoedheid, geilheid, lust, wellust

lute = luit

lutetium = lutecium

Luxemburg = Luxemburg, Luxemburg, Luxemburg, Luxemburgs

Luxemburger = Luxemburger, Luxemburger

Luxor = Luxor

luxurious = luxueus, weelderig

luxury = luxeartikel, weeldeartikel, luxe

Lybian woman = Libische

lyceum = lyceum

Lycia = Lycië

Lycian = Lycische, Lyciër

Lycian woman = Lycische

Lydia = Lydië

Lydian = Lydisch, Lydiër

lye = loog

lying-in room = kraamkamer

lying-in woman = kraamvrouw

lynx = los, lynx

Lyra = Lier

lyre = lier, lire, lier

lyric = tekst

macabre = eng, griezelig, macaber, griezelig, ijzingwekkend

macaroni = macaroni

macaw = ara, Indische papegaai

Maccabees = Makkabeeën

Macedonia = Macedonië

Macedonian = Macedonisch, Macedoniër

mach = mach

Machiavelli = Machiavelli

machine = machine

machine of government = bestuursapparaat

machinery = machinerieën

mackerel = makreel

mad = dol, dolzinnig, gek, krankzinnig, stapel, uitzinnig, waanzinnig, dol, hondsdol, razend

Madagascan = Madagaskisch, Malagassisch

Madagascar = Madagascar, Malagasië, Madagascar, Malagasië

madam = dame, mevrouw, mevrouw

Madeira = Madeira

madness = gekheid, zinneloosheid, zinsverbijstering, gekte, gekheid, krankzinnigheid, uitzinnigheid, waanzin

Madonna = Madonna

Madrid = Madrid

Maestricht = Maastricht

maestro = maëstro, meester, grootmeester

magazine = blad, krant, magazine, periodiek, revue, tijdschrift

Magdalena = Magdalena

Magdalenian = Magdalenien

magic = magie, toverkunst, tover-, toverachtig, toverij

magical = magisch, toverachtig

magician = goochelaar, duivelskunstenaar, tovenaar

magnanimous = edelmoedig, grootmoedig

magnesium = bitteraarde, magnesium

magnet = magneet

magnetic = magnetisch

magnetism = magnetisme

magnetize = magnetiseren

magnificent = grandioos, groots, overweldigend, verheven

magnifying glass = loep, vergrootglas

Magog = Magog

magpie = ekster

Magyar = Magyaar

maid = dienares, dienstmeisje, meid, kamenier, kamermeisje

maidenhair = adiantum, haarmos, venushaar

mail = post, posterijen

mailbox = bus, brievenbus

mailman = postbeambte, postbode

main = hoofd-, voornaamste, hoofd-, voornaamste

mainland = continent, vasteland, werelddeel

mainly = in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk

maintain = argumenteren, betogen, vertogen, behouden, bergen, bewaren, conserveren, onderhouden, overhouden

maintenance = behoud, bewaring, handhaving, behoud, instandhouding

maize = mais

majestic = majestueus, statig, plechtstatig, verheven

majesty = statigheid, verhevenheid, majesteit, eerwaarde, hoogheid, majesteit

major = majoor, hoofd-, voornaamste

majoram = majoraan, marjolein

Majorca = Majorca

majority = meerderheid, meerderjarigheid, gros, meerderheid, merendeel

major road = voorrangsweg, heerbaan, hoofdweg

make = koersen, stevenen, afstevenen, maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren, doen, laten, laten doen, maken

make a bad decision = een verkeerde beslissing nemen, fout beslissen

make a contract = aangaan, afsluiten, contracteren

make ... acquaintance = kennis maken met

make a deposit = een aanbetaling doen

make a down payment = een aanbetaling doen

make a draft = trasseren, trekken

make a list = een lijst maken, uitlisten

make a mistake = dwalen, een fout maken, ernaast zitten, zich vergissen

make an appeal to = een beroep doen op

make an appointment = afspreken, een afspraak maken

make a night of it = nachtbraken

make an offer of = aanbieden, te koop aanbieden

make a noise = aangaan, denderen, rommelen, rumoeren, te keer gaan

make a note = aantekenen, noteren, opschrijven, teboekstellen

make a project of = beramen, ontwerpen, plannen

make a stroke = trekken, een streep trekken

make a uvular R = brouwen, <met keel-r spreken>

make available = beschikbaar stellen

make a will = nalaten, vermaken

make bitter = verbitteren

make clean = louteren, reinigen, schoonmaken, vegen, zuiveren

make eyes at = lonken

make fast = bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen

make for = aansturen op, afstevenen op

make fun of = honen, spotten, bespotten

make glad = verblijden, verheugen

make love = sex bedrijven, sex hebben, vrijen, de liefde bedrijven, gemeenschap hebben, sex hebben

make money = geld verdienen

make music = musiceren, muziek maken

make no account of = geringachten, geringschatten

make smooth = banen, effenen, gladmaken, gladstrijken, uitstrijken

make the sign of the cross = zich bekruisen

make-up = blanketsel, make-up, schmink

make up = uitmaken, vormen, blanketten, grimeren, schminken, blanketsel, make-up, schmink

make up one's mind = tot een besluit komen

make use of = benutten, te baat nemen, waarnemen, aanwenden, benutten, gebruiken

make war = oorlogvoeren, strijden

make war against = beoorlogen

make war on = beoorlogen

making = aanmaak, fabricage, fabricatie, vervaardiging, aanmaak, farad, gedoe, vervaardiging, aanmaak, gedoe, vervaardiging

Malacca = Malakka

malaria = malaria

Malawi = Malawi

Malawian = Malawisch, Malawiër

Malay = Maleis, Maleier

Malaysia = Maleisië

Malaysian = Maleisisch, Maleisiër

Maldive Islands = Malediven

Maldives = Malediven

Maldivian = Maledivisch, Malediviër

male = mannelijk, mannelijk exemplaar, mannetje, mannelijk, mannelijk, mannetje

male cat = kater

male cook = kok

malfunction = haperen, stuk gaan, uitvallen, bijdraaien, panne hebben

Mali = Mali

Malian = Malinees, Malisch

Malian woman = Malische

malicious = boosaardig, hatelijk, kwaadaardig, snood, te kwader trouw, vals

Malines = Mechelen, Megchelen

mallow = kaasjeskruid, maluwe, malva

malt = mout

Malta = Malta

Maltese = Maltezer, Maltezer

mam = ma, mam, mamma, mammie

mammal = zoogdier, zoogdier

Mammon = Mammon

mammy = ma, mam, mamma, mammie

man = bemannen, mens, man, manspersoon, vent

manage = administreren, beheren, besturen, toedienen, administreren, beheren, besturen, besturen, dirigeren, mennen, richten, beheren, besturen, huishouden

manageability = gedweeheid, meegaandheid, volgzaamheid

manageable = handelbaar, inschikkelijk

management = administratie, administratiekantoor, bestuur, administratie, beheer, bestuur, toediening, bestuur, bestuur, directie, administratie, beheer, bestuur, toediening

manager = administrateur, beheerder, bestuurder, zetbaas, administrateur, beheerder, gerant, manager, menner, bestuurder, directeur

Manchuria = Mantsjoerije, Mantsjoerije, Mantsjoerije

Manchurian = Mantsjoerijns, Mantsjoe, Mandsjoerijns, Mantsjoerijns

mandate = lastbrief, mandaat, volmacht

maneuver = manoeuvre

manganese = mangaan

manger = bak, drenkbak, eetbak, krib, trog, drinktrog

mango = manga, mango

mangosteen = mangisboom

mango-tree = mangaboom, mangoboom

manicure = manicuren

manifacture = aanmaak, fabricage, fabricatie, vervaardiging, aanmaak, gedoe, vervaardiging

manifest = laten blijken, manifesteren, manifest

Manila = Manilla

manipulate = hanteren, manipuleren, omgaan met

mankind = mensdom, mensheid

manner = manier, trant, wijze

manoeuvre = manoeuvre

man of genius = genie

mansion = herenhuis

mantel = schoorsteenmantel

mantelpiece = schoorsteenmantel

mantle = jas, mantel

manufacture = fabriceren, maken, aanmaken, vervaardigen, aanmaak, farad, gedoe, vervaardiging

manure = mest

manuring = bemesting

manuscript = handschrift, kopij, manuscript

many = menig, veel, vele

Maori = Maori, Maori-taal

Maori language = Maori, Maori-taal

map = kaart, landkaart, kaart, kaart, landkaart

maple = esdoorn-, aak, ahorn, esdoorn

maple- = esdoorn-

marble = pilletje, marmeren, marmer

march = lopen, marcheren, tippelen

march off = aftrekken, sterven, vergaan, verscheiden

march on = aanrukken, opmarcheren

Marcus = Marcus, Mark, Marke, Marcus, Mark

margarine = margarine

margin = kant, marge, rand

marguerite = ganzebloem, margriet, paarlemoentjes

Mariana Islands = Marianen, Marianeneilanden

marigold = goudsbloem

marijuana = marihuana

marionette = marionet

maritime = maritiem, zee-

mark = merken, tekenen, merk, merkteken, zegel, mark, sein, signaal, teken, bewijs, blijk, teken, merkteken, wenk, aanmunten, afdrukken, slaan, stempelen, zijn stempel drukken op

mark down = afprijzen

market = afzetgebied, bazaar, markt, marktplaats, marktplein, jaarbeurs, kermis, markt, afzetgebied, markt, markt, marktplaats, marktplein

marketplace = markt, marktplaats, marktplein

market trader = marktkoopman

mark of Cain = Kaïnsteken

mark out = afbakenen

mark with a cross = aankruisen

marmelade = jam, marmelade, moes

Maroni = Marowijne

Marquesas Islands = Marquesas Eilanden

marriage = echt, echtverbintenis, huwelijk, huwelijkse staat, echt, echtverbintenis, huwelijk, echt, echtverbintenis, huwelijk

married = gehuwd, getrouwd, gehuwd, getrouwd, gehuwd, getrouwd

married people = echtelieden, echtpaar

marry = in de echt verbinden, trouwen, uithuwelijken, in de echt verbinden, trouwen, uithuwelijken, in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen, in het huwelijk treden, trouwen, de vrouw worden van, huwen, trouwen met, de man worden van, huwen, trouwen met

Mars = Mars

marsh = broek, drasland, moer, moeras

Marshall Islands = Marshall Eilanden

martagon lily = Turkse lelie

marten = marter

marter = marter, wezel

martial = krijgshaftig, oorlogszuchtig

Martian = Marsbewoner, Martiaan

martyr = martelares, bloedgetuige, martelaar

marvel = zich verbazen, zich verwonderen

marvel at = zich verbazen, zich verwonderen

mascara = mascara

masculine = mannelijk

mashed potatoes = puree, aardappelpuree

mask = bemantelen, bewimpelen, maskeren, verbloemen, dekmantel, masker, mom, mombakkes

masked ball = bal masqué, gemaskerd bal

mason = metselaar

masonic = vrijmetselaars-

masonry = metselwerk

masquerade = maskering, maskerade

mass = boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep, massa, menigte, massa, eucharistieviering, mis

massacre = bloedbad, moordpartij, afslachten, moorden, neerhouwen, bloedbad, moordpartij, slachting

Massacre of Saint Bartholomew = Bartholomeusnacht

massage = masseren, massage

massive = massief

mass produce = in grote hoeveelheden fabriceren

mast = mast

master = meester worden, onder de knie krijgen, doctorandus, licentiaat, magister, meester, maëstro, meester, grootmeester, baas, heer, meester, patroon

master builder = aannemer, bouwondernemer

masterful = bazig

Master of the Mint = muntmeester

masturbate = masturberen

mat = mat, schaakmat

match = lucifer, match, paren, koppelen

match-make = koppelen

match-maker = koppelaarster, huwelijksmakelaar, koppelaar

mate = paren, gemeenschap hebben, paren

material = materieel, stoffelijk, grondstof, materiaal, materieel, stof, weefsel

materialize = materialiseren, verstoffelijken

materials = benodigdheden, benodigdheden

maternal aunt = tante, tante van moederskant

maternal grandfather = grootvader, grootvader van moederskant, opa van moederskant

maternal grandmother = oma van moederskant

maternal grandparents = grootouders van moederskant

maternal uncle = oom, oom van moederskant

mathematical = mathematisch, wiskundig

mathematician = mathematicus, wiskundige

mathematics = mathematica, wiskunde

matrimony = echt, echtverbintenis, huwelijk, huwelijkse staat

matrix = gietvorm, matrijs, matrix

matron = intendante

matter = aangelegenheid, affaire, ding, zaak, geval, naamval, zaak, geval, zaak, materie, stof, zelfstandigheid, goedje, spul, stof, substantie, zelfstandigheid

Matterhorn = Matterhorn

mattress = matras

mature = belegen, bezonken, rijp

matzo = matse, paasbrood

Maundy Thursday = Witte Donderdag

Mauretanian = Mauritanisch, Mauritaniër

Mauritania = Mauretanië

Mauritius = Mauritius

maw = afgrond, bek, muil, opening

maxim = sententie, spreuk, zinspreuk

maximum = maximaal, maximum-, maximum

may = mogen, het recht hebben, mogen

Maya = Maya

maybe = misschien, mogelijk, mogelijkerwijs, soms, wellicht

mayhap = misschien, mogelijk, mogelijkerwijs, soms, wellicht

mayor = burgemeester, burgervader, burgemeester, burgervader, dorpsburgemeester

me = aan me, aan mij, me, mij, naar me, naar mij, aan me, aan mij, me, mij, naar me, naar mij, aan me, aan mij, me, mij, naar me, naar mij, aan me, aan mij, me, mij, naar me, naar mij, aan me, aan mij, me, mij, naar me, naar mij, me, mij, me, mij, me, mij, me, mij, me, mij

mead = mede, mee

meadow = beemd, grasland, wei, weide, weiland, beemd, wei, weide, weidegrond, weiland

meager = mager, schraal, sprietig, belabberd, ellendig, miserabel, schamel, schunnig, stumperig

meal = bloem, meel, gort, griesmeel, grut, grutten, eten, maal, maaltijd

mealies = mais

mean = gemiddeld, van plan zijn, voorhebben, voornemens zijn, zich voorstellen, doorsnee, gemiddeld, middelbaar, midden-, gemiddeld, middelmaat, midden, beduiden, betekenen, bedoelen

meander = kronkelen, slingeren

meaning = doel, bedoeling, plan, strekking, toeleg, voornemen, zin, betekenis, zin, betekenis, portee, zin

meaningless = onbeduidend, onbetekenend, zinledig, zinloos

means = middel, werktuig, middelen, medium, middel, remedie, weg, middelen

meanwhile = daarentegen, intussen, inmiddels, vast, voorlopig, zolang, intussen, inmiddels, intussen, ondertussen

measles = mazelen

measurable = afzienbaar

measure = meten, meten, afmeten, opmeten, opnemen, roeien, uitmeten, grootte, maat, mate

measured = afgemeten, ceremonieel, plechtig, plechtstatig, afgemeten

measurement = afmeting, dimensie, meting, afmeting, opmeting, grootte, maat, mate

measure out = afwegen, doseren

meat = vlees

meat-fly = aasvlieg, strontvlieg

Mecca = Mekka

mechanic = mecanicien, werktuigkundige, mecanicien

mechanical = mechanisch, werktuiglijk, mechanisch

mechanics = mechanica, werktuigkunde, mechanica, werktuigkunde

Mechlin = Mechelen, Megchelen

medal = medaille, penning

meddler = bemoeial, bemoeial, <toekijker bij kaartspel>

meddlesome = bemoeiziek, bemoeiziek, indiscreet

meddlesomeness = bemoeizucht, bemoeizucht, indiscretie

mediate = middelen, bemiddelen

mediation = bemiddeling, bemiddeling, tussenkomst

medical = geneeskundig, helend, medicinaal, geneeskundig, medisch

medicine = artsenij, geneesmiddel, medicijn, geneeskunde

medick = rupsklaver

Medina = Medina

meditate = mediteren, nadenken, peinzen, zinnen

meditative = nadenkend

Mediterranean = Middellandse Zee, Middellandse Zee

medly = allegaartje

Medusa = Medusa

meekness = mildheid, zachtheid, zachtaardigheid, zachtmoedigheid, zoelheid

meercat = meerkat

meet = bijeenkomen, samenkomen, vergaderen, elkaar ontmoeten, afspreken, aantreffen, ontmoeten, tegemoet treden, tegenkomen, treffen, afhalen, ophalen, afhalen, komen halen, ophalen

meet each other = elkaar ontmoeten, elkaar tegenkomen

meeting = vergadering, zitting, bijeenkomst, meeting, samenkomst, vergadering, meeting

meet one another = elkaar ontmoeten, elkaar tegenkomen

meet with = bevredigen, paaien, tegemoetkomen aan, tevredenstellen, voldoen

Mekong River = Mekong

melancholy = droefgeestig, melancholiek, weemoedig, zwaarmoedig, droefgeestigheid, melancholie, weemoed, zwaarmoedigheid

Melanesia = Melanesië

Melanesian = Melanesisch, Melanesiër

melilot = honingklaver

mellowness = malsheid, weekheid, zachtheid

melodrama = melodrama

melodramatic = melodramatisch

melody = deun, deuntje, melodie, wijs, wijsje

melon = meloen

melt = dooien, ontdooien, wegsmelten, smelten, doen smelten, versmelten, vloeibaar maken, doorbranden, smelten, versmelten, vloeibaar worden

melting = dooi

member = aanhanger, lid, lidmaat, lid, lidmaat, aanhanger, lid, partijganger, partijlid

member of parliament = kamerlid, parlementariër, volksvertegenwoordiger

membership = lidmaatschap

memento = aandenken, gedenkschrift, aandenken, gedachtenis, gedenkteken, souvenir

memorable = gedenkwaardig, heuglijk

memorize = uit het hoofd leren, van buiten leren, memoriseren

memory = aandenken, gedachtenis, geheugen, herinnering, heugenis, geheugen, computergeheugen

menace = dreigen, bedreigen, dreiging, bedreiging, dreigement

menacing = dreigend, bedreigend, dreigend, bedreigend

mend = boeten, flikken, lappen, oplappen, stoppen, verstellen

mendelevium = mendelevium

mendicant friar = bedelmonnik, bedelmonnik

mendicant order = bedelorde

mental = geestelijk, mentaal

mentally deficient = achterlijk

mention = gewag maken van, noemen, vermelden, gewag, predicaat, vermelding

menu = kaart, menu, menu, spijskaart

Mephistopheles = Mefistofeles, Mefistofeles

merchandise = waar, handelswaar, koopwaar, waar, handelswaar

merchant = handelaar, koopman, zakenman, handelaar, koopman, zakenman

merciful = barmhartig, goedertieren, barmhartig

mercifulness = barmhartigheid, barmhartigheid, genade

mercury = kwik, kwikzilver

mercy = barmhartigheid, barmhartigheid, genade, barmhartigheid, genade

mere = bloot, enkel, louter

merit = toekomen, verdienen, waard zijn, waardig zijn, verdienste

merlin = steenvalk

merry = goedgehumeurd, goedgeluimd, lustig, monter, vrolijk, jolig, luimig, opgewekt, welgemutst

merry-go-round = carrousel, draaimolen, zweefmolen

mesh = maas, steek, breisteek, strik

Mesolithic = Mesolithicum

Mesolithic Age = Mesolithicum

Mesopotamia = Mesopotamië, Tweestromenland, het Tweestromenland

Mesozoic = Mesozoïcum

Mesozoic era = Mesozoïcum

mess = brij, moes, pap

message = bericht, boodschap, bekendmaking, bericht, kennisgeving, mare, tijding, verwittiging

messenger = bode, gezant, afgezant

Messiah = Messias

Messina = Messina

metal = metaal

metalled = kei-, keislag-, stenen, stenig

metamorphosis = gedaanteverandering, vervorming, gedaanteverwisseling, metamorfose

metaphor = beeld, beeldspraak, metafoor

meteoric stone = aëroliet, meteoor, meteoorsteen

meteorite = aëroliet, meteoorsteen, meteoriet, meteoriet, aëroliet, meteoorsteen, meteoriet

meteorology = meteorologie, weerkunde

method = methode

methodical = methodisch, schools

Methodist = methodistisch, methodist

method of preparation = bereidingswijze

Methuselah = Methusalem

methylated spirit = brandspiritus

metre = meter, metrum, versmaat

metric = metriek

metropolis = hoofdstad, metropolis, metropool, moederland, wereldstad, grote stad, wereldstad, hoofdstad

Meuse = Maas

Mexican = Mexicaans, Mexicaan

Mexican woman = Mexicaanse

Mexico = Mexico

Mexico City = Mexico-Stad

mica = glimmer, mica

microbe = microbe

microfilm = microfilm

micrometre = micrometer

Micronesia = Micronesië

microphone = microfoon

microscope = microscoop

Midas = Midas

midday = middag, noen

midday meal = diner, middageten, middagmaal

middle = doorsnee, gemiddeld, middelbaar, midden-, middelmaat, midden

middle-aged = van middelbare leeftijd

Middle Ages = Middeleeuwen

middleclass = burgerlijk

middleclass citizen = bourgeois, burger, burgerman

Middle Dutch = Diets, Middelnederlands, Diets, Middelnederlands

Middle East = Midden-Oosten, Midden-Oosten, Nabije Oosten

middy = adelborst

midge-bite = muggebeet

midget = dwergachtig, minuscuul, dwerg

midnight = middernacht, middernacht

midnight mass = nachtmis

midshipsman = adelborst

midwife = verloskundige, vroedvrouw, verloskundige, vroedvrouw

migrant = migrerend, trekkend, rondtrekkend

migrate = rondreizen, trekken, rondtrekken, zwerven

Milan = Milaan

mild = mild, zacht, zachtaardig, zachtmoedig, zachtzinnig, zoel

mildness = mildheid, zachtheid, zachtaardigheid, zachtmoedigheid, zoelheid

mile = mijl

milepost = mijlpaal

milestone = mijlpaal

military = militair, oorlogs-, martiaal, militair

military division = divisie, legerafdeling

milk = melk, melken

milk-powder = melkpoeder

mill = molen, metaalfabriek

millenium = duizendjarig tijdperk, millennium

millennium = millennium

miller = molenaar, mulder

millibar = millibar

millimetre = millimeter

milliner = modemaakster, modiste

million = miljoen

millionaire = miljonair

mince = fijnhakken

minced meat = gehakt

mind = geest, intellect, verstand, geest, verstand, gadeslaan, observeren, toekijken, toezien, waarnemen

mine = de mijne, het mijne, mijn, mijngang, mijn, mijn, mijn

minefield = mijnenveld

minelayer = mijnenlegger

miner = mijnwerker

mineral = mineraal, delfstof, mineraal

Minerva = Minerva

mine sweeper = mijnenveger

mingle = mengen, mixen, temperen, vermengen, verwarren, wassen, doorlopen, zich vermengen

minimum = miniem, minimaal, minimum

mining = mijnbouw

mining-engineer = mijningenieur

minister = bewindsman, minister

ministerial = ministerieel

ministry = ministerie, ministerie

minority = minderheids-, minderheid, minderjarigheid, minoriteit

mint = munt, kruizemunt, pepermunt, munt, munten, munten

mint-master = muntmeester

minuend = aftrektal

minus = min, minus

minus sign = minteken

minute = minuut

minutes = bekeuring, notulen, proces-verbaal, protocol

Miocene = Mioceen

miracle = mirakel, wonder

miraculous = miraculeus, wonderbaar, wonderbaarlijk, wonderdadig, wonderdoend

mirage = fata morgana, luchtspiegeling

mirror = afspiegelen, spiegel

miscalculate = buiten de waard rekenen, misrekenen, zich verrekenen

miscarriage = abortus, miskraam, mislukking, abortus, miskraam, mislukking

miscarry = aborteren, een miskraam krijgen, mislukken, ontijdig bevallen, aborteren, een miskraam krijgen, ontijdig bevallen, mislukken, falen, misgaan, mislukken, sjezen, stralen, stranden, zakken

miscellaneous = allerlei, allerhande

mischievous = boosaardig, hatelijk, kwaadaardig, snood, te kwader trouw, vals, dartel, guitig, schelmachtig, snaaks

miser = duitendief, gierigaard, schraper, vrek

miserable = jammerlijk, catastrofaal, rampzalig, beklagenswaardig, erbarmelijk, zielig, beroerd, kwaad, kwalijk, slecht, verkeerd, onzalig, mistroostig, naargeestig, somber, triestig, arm, armelijk, armoedig, droef, bedroefd, droevig, treurig, verdrietig, bedroevend, droef, smartelijk, treurig, belabberd, ellendig, miserabel, schamel, schunnig, stumperig, behoeftig, berooid, nooddruftig

miserably = ellendig

miserliness = gierigheid, inhaligheid, schraperigheid, vrekkigheid

miserly = gierig, hebzuchtig, inhalig, pinnig, schraperig, vrekkig

misery = armoe, ellende, misère, narigheid, nood, schamelheid

misfeasance = ambtsmisdrijf

misleading = bedrieglijk, illusoir

miss = misgrijpen, mislopen, missen, missen

mission = missie, opdracht, zending

missionary = missionaris, zendeling

mist = damp, floers, mist, nevel

mistake = abuis, fout, dwaling, vergissing

mistaken = fout, foutief, onjuist, verkeerd

Mister = meneer, mijnheer

mistletoe = maretak, vogellijm

mistress = bazin, bazin, meesteres

misty = dampig, heiig, mistig, nevelig

misunderstand = misvatten, verkeerd begrijpen

misunderstanding = misverstand

mite = mijt

miter = mijter

mitre = mijter

mitten = handschoen

mix = mengen, mixen, temperen, vermengen, verwarren, wassen, doorlopen, zich vermengen

mixture = mengsel, mengeling, mengelmoes, vermenging

mizzle = motregenen

mnemonic = mnemonisch

moan = kermen, zuchten

mobile = beweegbaar, los, mobiel, roerend

mobilize = mobiliseren

mock = honen, spotten, bespotten, bespotten, zich vrolijk maken over, bespotten, de spot drijven met, voor de zot houden

mockery = bespotting, persiflage, aanfluiting, aanfluiting, persiflage, spot, spotternij

mode = manier, trant, wijze, mode, modus, wijs

model = modelleren, mal, maquette, model, toonbeeld, voorbeeld, boetseren, modelleren, model, model, schema

modem = modem

moderate = bescheiden, matig, gematigd, schappelijk, sober, matigen, opvangen, temperen

moderation = matigheid

modern = bijdetijds, modern, nieuwerwets

Modern Greek = Nieuwgrieks

Modern Hebrew = Ivriet

modernize = moderniseren

modest = bescheiden, discreet, ingetogen, teruggetrokken, zedig

modestly = bescheiden, gematigd, met mate

modesty = bescheidenheid, discretie, stilzwijgen, stilzwijgendheid, bescheidenheid, discretie, zedigheid, bescheidenheid, ingetogenheid, kuisheid

modify = modificeren, wijzigen

Mohammed = Mohammed

Mohammedan = islamiet, mohammedaan, moslim, islamiet, mohammedaan, muzelman, islamiet, mohammedaan, moslim

moist = vochtig, klam, mottig, vochtig

moisture = aanslag, condens

mold = boetseren, modelleren, gieten, afgieten, vorm, gietvorm, schimmel

Moldavia = Moldavië

Moldavian = Moldavisch, Moldaviër

mole = mol

molecule = molecuul

Moloch = Moloch

Molotov cocktail = Molotovcocktail, molotovcocktail

Moluccan = Moluks, Molukker

Moluccas = Molukken

molybdenum = molybdeen

mom = ma, mam, mamma, mammie

moment = moment, ogenblik, oogwenk, tel, tijdstip, wijl, wip

momentarily = even, eventjes, korte tijd, elk ogenblik, elk moment

momentary = kortstondig

mommy = ma, mam, mamma, mammie

Monacan = Monegask

Monaco = Monaco

monarch = monarch, vorst

monastery = klooster, mannenklooster

Monday = maandag

Monegasque = Monegaskisch

monetary system = muntstelsel

monetary union = muntunie, monetaire unie

monetary unit = munteenheid

money = geld, poen

money-box = fonds, geldkist, kas

money box = fonds, geldkist, kas

money-grubber = geldwolf

money order = postwissel

Mongol = Mongool

Mongolia = Mongolië, Mongolië

Mongolian = Mongools, Mongool

mongoose = ichneumon, mangoest, mungo, ichneumon, mangoest, mungo

mongrel = bastaard-, hybridisch

monitor = afluisteren

monk = monnik, kloosterbroeder, monnik

monkey = aap

monkey-like = aapachtig, aapachtig

monkey puzzle = apestaartboom, apetreiter, araucaria, slangenden

monkey-wrench = Engelse sleutel, Engelse sleutel

monkshood = akoniet, monnikskap

monocle = monocle, oogglas

monogamy = monogamie

monologue = alleenspraak, monoloog

monopolize = accapareren, opkopen

monopoly = alleenhandel, monopolie

monotonous = eentonig, monotoon, saai, eentonig, monotoon

monsignor = monseigneur, monseigneur

monster = mormel, rotbeest, mormel, klerehond, kolerehond, rothond, teringhond, gedrocht, monster, ondier, wangedrocht

monstrance = monstrans

monstrosity = monsterachtigheid

monstrous = gedrochtelijk, monsterachtig, monsterlijk

montbretia = montbretia, montbretia

Montenegrin = Montenegrijns, Montenegrijn

Montenegro = Montenegro

month = maand

monthly = maand-, maandelijks, maandelijks

monthly nurse = baker

monument = gedenkteken, monument

monumental = monumentaal

mood = gemoedstoestand, moreel, stemming, sfeer, stemming, gemoedsgesteldheid, humeur, humor, gemoedsgesteldheid, humeur

moon = maan

moon- = maan-

moor = aanbinden, meren, onderbinden, tuigeren, vastbinden, vastleggen, aanbinden, meren, onderbinden, tuigeren, vastbinden, vastleggen, steppe

moorage = ankerplaats, ligplaats, rede, ankerplaats, rede

moorhen = waterhoen

mooring = ankerplaats, ligplaats, rede, ankerplaats, rede

Moorish = Moors

moose = eland

moped = bromfiets

moraine = gruiswal, morene

moral = moreel, zedelijk, zedenkundig, moraal, strekking, moraal, zedenles

moralist = moralist, zedenkundige, zedenmeester

morality = moraliteit, zedelijkheid, deugd

morals = moraal, zedenkunde, zedenleer

moratorium = moratorium, surséance, moratorium

Moravia = Moravië

Moravian = Hernhutter

Moravian brother = Hernhutter

mordant = beits

more = meer, langer, meer

more and more = in toenemende mate, meer en meer, steeds meer

morel = morille, morille

morello = morel

more or less = min of meer

moreover = overigens, trouwens, verder, voor de rest, bovendien, buitendien, daarbij, verder, bovendien, buitendien, daarbij, bovendien, daarenboven, verder, voorts

more precisely = nader

mores = gebruik, zede

Moresque = Moors

more than = boven, meer dan, over, ruim

morganatic = morganatisch

morganatical = morganatisch

Mormon = mormoons, mormoon

morning = morgen, ochtend

morning star = morgenster

morning time = morgenstond

Moroccan = Marokkaans, Marokkaan

Moroccan woman = Marokkaanse

Morocco = Marokko

morose = aalwaardig, aalwarig, gemelijk, verdrietig

morpheme = morfeem

Morpheus = Morpheus

morphia = morfine

morphine = morfine

morphine addict = morfinist

morphinomaniac = morfinist

morphology = morfologie

Morse alphabet = Morsealfabet

Morse code = morse-

Morse key = morsesleutel

morsel = hap, mondvol, hap

mortal = sterfelijk

mortar = mortier, vijzel

morter = metselkalk, mortel, mortier, specie

mortgage = hypotheek

mortician = begrafenisondernemer, begrafenisondernemer

mosaic = mozaïek

mosaic work = mozaïek

Moscow = Moskou, Moskou

moselle = Moezelwijn

Moses = Mozes

Moslem = islamiet, mohammedaan, moslim, islamiet, mohammedaan, muzelman, islamiet, mohammedaan, moslim

mosque = moskee

mosquito = muskiet

mosquito-net = muskietengaas, muskietennet

mosquito net = muskietengaas, klamboe, muggengaas, muskietengaas, klamboe, muskietennet

mosquito-netting = muskietengaas, muskietennet

mosquito repellant = afweermiddel tegen muskieten

moss = mos

moss-green = mosgroen

mossy = mossig

most = hoogst, meest

most charming = alleraardigst, alleraardigst

most important = belangrijkste, voornaamste

mostly = grotendeels, merendeels, overwegend

most of = het grootste deel van, het merendeel van

motel = motel

motet = motet

moth = nachtvlinder, uil, uiltje, mot

moth-eaten = mottig

mother = bemoederen, moeder

mother-in-law = schoonmoeder

Mother's Day = Moederdag

mothproof storage bag = mottenzak

motion = motie, resolutie

motionless = bewegingloos, onbeweeglijk, roerloos, stationair, stil

motion picture = film, rolprent

motivation = motivatie, motivatie, motivatie

motive = aanleiding, aanleiding, beweegreden, drijfveer, motief, term

motor = motor

motor-boat = motorboot

motor car = auto, automobiel

motorcycle = motor, motorfiets

motor-cycle policeman = motoragent

motor-cyclist = motorrijder

motorial = motorisch

motoring = automobilisme

motorist = automobilist, automobilist, autobestuurder, automobilist, automobilist

motorize = motoriseren

motor-launch = motorboot

motor road = autobaan, snelweg, autosnelweg, autobaan, snelweg, autosnelweg, snelverkeersweg

motor tyre = autoband, autoband

motor vehicle = motorrijtuig, motorvoertuig

motorway = autobaan, snelweg, autosnelweg, autobaan, autosnelweg, autobaan, snelweg, autosnelweg, snelverkeersweg

motto = devies, leus, leuze, lijfspreuk, wapenspreuk, zinspreuk, devies, motto

mould = boetseren, modelleren, gieten, afgieten, vorm, gietvorm, schimmel

mouldy = duf, muf, vuns, vunzig, beschimmeld, duf, muf, schimmelig

mouldy smell = muffe lucht

mount = aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, aanbrengen, aanpassen, adapteren, afstemmen, bewerken, monteren, monteren, zetten

mountable = beklimbaar

mountain = berg

mountain air = berglucht

mountain-ash = lijsterbes, lijsterbessestruik

mountain-ash berry = lijsterbes

mountain chain = gebergte, bergketen

mountain climber = alpinist, bergbeklimmer, alpinist, bergbeklimmer

mountaineer = alpinist, bergbeklimmer, alpinist, bergbeklimmer

mountaineering = alpinisme, alpensport, bergbeklimming

mountaineering boot = bergschoen

mountain hut = berghut

mountain lion = poema

mountainous = bergachtig

mountain pass = bergengte, bergpas

mountain pasture = alp, alpenweide

mountain path = bergpaadje, bergpad

mountain peak = bergtop

mountain range = bergketen

mountain ridge = bergkam, rib, ribbe, scherpe rand, kam, bergkam, hanekam, rug, bergrug, rug, bergrug, bergrug

mountain slope = berghelling

mountain top = bergtop

mounted = bereden, bereden

Mount Elbrus = Elbroes

mounting = beslag, montage, zetting, beklimming

mourn = rouwen, bejammeren, betreuren, bewenen

mournful = rouw-, naargeestig, somber, troosteloos

mourning = rouw

mouse = muis

mousepad = mousepad

mousetrap = muizeval

moustache = knevel, snor, knevel, snor

mouth = bek, muil, bek, mond, monding, mond, monding, bek, mond, monding, uitmonding

mouthful = hap, mondvol, mondvol

move = aangrijpen, bewegen, ontroeren, opzij schuiven, verschuiven, wegschuiven, aandoen, aangrijpen, bewegen, ontroeren, treffen, bewegen, verroeren, bewegen, zich bewegen, zich verroeren, omzetten, overbrengen, overplaatsen, verleggen, verplaatsen, zich verplaatsen, verhuizen, verhuizen, verhuizing

movement = beweging, beweging, slag, zet

movie = film, rolprent, bioscoopfilm, speelfilm

movie theatre = bioscoop, cinema

moving = aangrijpend, emotioneel, roerend, ontroerend, aandoenlijk, roerend, ontroerend, treffend

mow = maaien, zichten

mozaic floor = mozaïekvloer

Mozambican = Mozambikaans, Mozambikaan

Mozambique = Mozambique

Mr. = dhr., heer, heerschap, meneer, mijnheer, meneer, mijnheer

Mr. and Mrs. = dames en heren, meneer en mevrouw, meneer en mevrouw

Mrs. = dame, mevrouw, mevrouw

mu = mu

much = veel, veel

muck-water = aal, aalt, gier

mucous = slijmerig, snotterig

mucus = slijm

mud = drek, modder, slijk, slik, drek, modder, slib, slijk

muddy = bemodderd

mudguard = slijkbord, spatbord, spatscherm

mud-stained = bemodderd

muezzin = moëddzin, mueddzin

mug = bakkes, smoel, smoelwerk, tronie

Muhammad = Mohammed

mulatto = mulattin, mulat

mulberry-tree = moerbei, moerbeiboom, moerbei, moerbeiboom

mule = muil, muiltje, slof, muildier

muleteer = muildierdrijver

mullein = toorts

multi- = veel-

multicoloured = bont, veelkleurig

multinational = multinationaal, multinationaal

multiple = veelvoud

multiply = multipliceren, vermenigvuldigen, multipliceren, verveelvoudigen

multitasking = multitasking

multitude = boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep, massa, menigte

mummification = mummificatie

mummy = mummie

munition = munitie, ammunitie

muntjac = blafhert, muntjak

mural = muurschildering, wandschildering

mural painting = muurschildering, wandschildering

murder = moorden, vermoorden, moord

murderer = moordenaar, killer, moordenaar

murderess = moordenares

murderous weapon = moordwapen

murk = donker, duister, duisternis

murmur = murmelen, <murmelen (v. beekje>), brommen, mompelen, morren, mummelen, murmelen, ruisen, suizeling, kabbelen, klateren, murmelen

muscatel = muskaatwijn, muskaatwijn

muscle = spier

Muscovite = Moskous, Moskovitisch, Moskoviet

muscular = spier-

muse = muze

muser = dromer, mijmeraar

museum = museum

mush = brij, moes, pap

mushroom = champignon, paddestoel, zwam, champignon, champignon

music = muziek

musical = muzikaal, muziek-, musical, muzikaal, musical

musical-box = muziekdoos

musical box = muziekdoos

musical club = muziekvereniging

musical evening = muziekavond

musical instruction = muziekonderwijs

musical instrument = muziekinstrument, speeltuig

musicality = muzikaliteit

musical performance = muziekuitvoering

musical society = muziekvereniging

musical time = beleid, maat, tact, ritme

music-book = muziekboek

music-box = muziekdoos

musician = musicus, muzikant, speelman, toonkunstenaar

music-lesson = muziekles

music-lover = muziekliefhebber

musicology = muziekwetenschap

music-stand = muziekstander

musk = muskus

musk-deer = muskusdier

musket = musket, musket

musketeer = musketier, musketier

musk-ox = muskusos

musk-rat = muskusrat, bisamrat, muskusrat

musky smell = muskuslucht

Muslim = islamiet, mohammedaan, moslim, islamiet, mohammedaan, muzelman, islamiet, mohammedaan, moslim

muslin = mousseline, neteldoek

musquash = muskusrat, bisamrat, muskusrat

mussel = mossel

mussel-bank = mosselplaat

mussel-bed = mosselplaat

Mussulman = islamiet, mohammedaan, moslim, islamiet, mohammedaan, muzelman, islamiet, mohammedaan, moslim

must = horen, behoren, dienen, moeten, zullen, most

mustard = mosterd

mustard-gas = mosterdgas

mustard pot = mosterdpot

mustard sauce = mosterdsaus

mustard seed = mosterdzaad

muster-roll = monsterrol

musty = duf, muf, vuns, vunzig

mutation = mutatie

mute = sprakeloos, stom, stomme

mutineer = muiter, oproerling, rebel

mutiny = muiterij, onlusten, opstand

mutter = brommen, mompelen, morren, mummelen, murmelen, ruisen

mutton = schapevlees

mutual = onderling, wederkerig, wederzijds

mutually = over en weer

mutual understanding = stilzwijgende overeenkomst

muzzle = bek, muil, muilkorven, muilband, muilkorf, muilkorf

my = m'n, mijn, mijn, m'n

Mycenae = Mycene

myriad = myriade

myrrh = mirre

myself = mezelf, mijzelf

mysterious = geheimzinnig, mysterieus, raadselachtig

mysteriousness = raadselachtigheid

mystery = geheimenis, mysterie, raadsel

mystic = mystiek, mysticus

mystical = mystiek

mysticism = mysticisme

mystification = bedotterij, fopperij, mystificatie

mystify = bedotten, beduvelen, beetnemen, om de tuin leiden

myth = mythe

mythical = mythisch

mythologist = mytholoog

mythology = mythologie

myxomatosis = myxomatose

nabob = nabob

nadir = nadir, voetpunt

nag = hit

naïf = argeloos, naïef, ongekunsteld, onnozel

nail = nagelen, spijkeren, nagel, draadnagel, spijker, nagel

nail-bed = nagelbed

nail-brush = nagelborstel

nail clipper = nagelknipper

nail clippers = nagelknipper

nail-file = nagelvijltje

nail-scissors = nagelschaartje

nail-varnish = nagellak

naïve = argeloos, naïef, ongekunsteld, onnozel

naked = bloot, naakt, onbedekt, onopgesmukt

nakedness = naaktheid

name = benaming, naam, naamwoord

name-day = naamdag

nameless = anoniem, naamloos

namely = in naam, namelijk, te weten

name-plate = naambordje

namesake = naamgenoot

Namibia = Namibië

Namibian = Namibisch, Namibiër

Namibian woman = Namibische

Namur = Namen

nandu = nandoe, nandoe

nanometre = nanometer

nap = druilen, dutten, sluimeren

nape = nek

naphthalene = naftaleen, naftaleen

naphthaline = naftaleen, naftaleen

naphthol = naftol

napkin = servet

Naples = Napels

narcissus = narcis

narrate = debiteren, verhalen, vertellen

narrative = relaas, verhaal, vertelling, vertelsel

narrow = bekrompen, eng, krap, nauw, smal

narrow space = engte, nauwe ruimte

nasal = nasaal, neus-

Nassau = Nassau

nasturtium = klimkers

nasty = afgrijselijk, afschuwelijk, afkeer inboezemend, antipathiek, gemeen, onguur, ploertig, rottig, vuig, schurkachtig, akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend, akelig, naar, onaangenaam, lelijk, afzichtelijk, foeilelijk, beroerd, kwaad, kwalijk, slecht, verkeerd, oneerlijk, boosaardig, hatelijk, kwaadaardig, snood, te kwader trouw, vals, gemeen, immoreel, onzedelijk, zedeloos, zedenkwetsend, gemeen, infaam, laag, laaghartig, schunnig, vuig, onaangenaam, onplezierig

Natal = Natal

nation = natie, volk, volk

national = nationaal, vaderlands

nationality = nationaliteit, nationaliteit, staatsburgerschap

nationalization = naasting

nationalize = naasten, nationaliseren

native = autochtoon, autochtoon, oorspronkelijke bewoner, autochtoon, oerbewoner, aangeboren, ingeboren, inheems, inlands, inboorling, inlander, aangeboren, autochtoon, autochtoon

natural = natuurlijk

natural gas = aardgas

natural law = natuurwet

naturally = natuurlijk, uiteraard, van nature

nature = aard, geaardheid, karakter, aard, geaardheid, karakter, natuur, wezen, natuur, aard, geaardheid, karakter, natuur, wezen

naught = nihil, nul

naughty boy = bengel, blaag, rekel, snotaap, straatbengel, vlegel

nausea = afkeer, misselijkheid, walg, walging, weeheid, weerzin

nauseate = afkeer i